Een Theepraatje. Toch onschuldig. Woensdag I I Augustus 1909. 53ste daar^ang. No. 4553. Bureau SCHAGEN, Laan O 4. FEUILLETON. Arrondissements Rechtbank te Alkmaar. Mnnm Nism- Mntisitit- Dit blad verschijnt viermaal per weekDinsdag-, Woensdag-, Donderdag- en Zaterdagavond. Bij inzending tot 's morgens 9 ure worden ADVERTENTIEN in het eerstuitkomend nummer geplaatst. INGEZONDEN STUKKEN één dag vroeger. «ïterc. Telephoori No. 20 Uuftjgesrers TRAPMAN Co, Prijs per jaar f 3.—. Franco per post f 3.60. Afzonderlijke nummers 5 Cent. ADVERTENTIEN van 1 tot 5 regels f 0.25: iedere regel meer 5 Cent Groote letters worden naar plaatsruimte berekend. Dit nummer bestaat uit een blad een verfrisschende morgendrank, en werd zij als zoo- dagen wél met suiker doch zonder melk. x) De kop- der de leeken. danig geprezen. jes, die grooter waren dan de proefkopjes. waren van Men overdreef aan alle kanten, zoowel in zijn lof i Toch zou de roem, der thee misschien nooit zoo'n dekseltjes voorzien, opdat de geur niet ontvlieden zou; als in zijn blaam, doch wel het sterkst in het gebruik 1 K.l.t.1 .li.,., /4w/snl. „d,l1. «i. J J1-111 11' 1 1 1 Door de schrijfster Augusta wordt in de Nieuw. Courant een artikel geschreven onder het volgend op- purgeeren en aderlaten. schrift, dat de lei J 1,J 111 wh™» U/\L-or i zal interesseeren. in zoo'n overdreven thee een dr. Bontekoe (van wen praatje, "liet gesprek liep "over de thee en was men gezegd werd. dat zijn balsamieke sappen door het thee- r 1Holmnnt over liet gezette vocht tevreden, dan was het „op- drinken zoozeer verdroogd waren, dat zijn gewrichten schrift, dat de lezers" van ons blad bepaald ook weïÏLtteèe Skunf xvas toegedaan geiten" aan de orde. Het zetsel werd geprezen als rammelden als castignetten, wanneer hij voor den wind die dc philosopnische geneeskunde v\as megcuaa 0 orientaaltje". „een costelyc setsel „de naar iemand toe kwam) er niet in zag, te publiceeren was van mcening dat aderlaten nutteloos bloed- „een geung oncnidauje j zooveel thee te mogen drinken als men m&ar wenschte dan en zelf voor ging met op een voor- en namiddag een - - - was de thee veroordeeld. Daar iedere dame er trotsch 1100 tot 200-kopjes van dezen drank te nuttigen, daar oc staan en verlangend naar mijn eerste kopje de j vanlujalleheü venvaehtte, de- op was „een dunne tongh te hebben om ze wel te valt het niet te verwonderen, dat leeken navolgden. toebereidselen daarvoor in orde maak, moet ik on- e,.Ct„eMndlidd bewaren kunnen proeven", en haar thee zelf in den theewinkel Gelukkig heeft trots al die overdrijving en twee- willekeurig denken aan de vele woelingen die de eer- zen diank alleen kon liet zetten en proefde alvorens ze in te slaan, was dracht de thee in ons vaderland zijn eenmaal verkrc- f» ko„,ns,„al.L„a met aftreksel heef. leweeggc- aderlate, „og al HTm.Ter ook b't„ zou hel dezen gedroogde, blaadjes, zooals .ft zappen we.Sen er doet honden, opende duz I Was men »i, etk.ar op dan.wtst men er ook. Als ik in het rustig avondschemeruurtje mijn thee-vergieten was, wijl God dit had verboden. Voor dezen gastvrouw had er eer af", enz., enz. servies, dat tot gezellig bijeenzitten noodt, voor mij ar's was de theedrank een prachtige uitvinding, waar- Zweeg echter het gezelschap, bleef de lof uit, c,oan wi-ianannd T,nar Tniiri e.«rste korde devan hij alle heil verwachtte. was de thee veroordeeld. Daar iedere dame er tr< Na het voorbeeld Ce\J\J IALJ 4-^/ - - i X - - -- - l-• - daar in mijn theebus je liggen, niet aanzien, dat ze verstoppingen van alle ingewanden, hielp de spijs ver- een goed gebruik van te maken, r - v zooveel onrust en tweedracht in ons vaderland ver oor-teren, genas de scorbuut, heelde jicht en podagra", enz. van dr. Bontekoe, die aanraadde „Hoeveel thee wy vaderland met raad en daad bestiert en behartigt! ---- -r -111 -- -111 ^1- y»n rli/v Z7nl f 1 I 11*1 n Iz f tlvon rt-iii 1-, r\n nr\r. J -■ gen burgerrecht behouden en met voldoening over de ze overwinning zou ik dr. Lucas Schrock na willen roepen: „Drinkt thee, gij heeren staatkundigen, die het .1J <- -I 1 1 zaakt hadden, zoo'n ommekeer in het dagelijksch le-1 Nicolaas Tulp, een groot aanhanger van "hetthee- drincken, zulx ons noijt qualijck bekomt" ven hadden teweeggebracht, en toch.... zijn zij ip.hun dnnken, verzekerde zelfs „dat er geen plant ter we- op een voor- en namiddag een 50 ja 100 en meer J 'I - Iz/ytylac Ipirtirfrlp oipti trip damiPi«5 ifvr nipt tftölÊtö OD OIÏ1 nncchnld de srluifrT vin veel Gebeurtenissen I i'eld was, bij welker gebruik men° ouder werd; dat kopjes ledigde, zagen de dames er niet tegen op, om Z i in zen u veroo idee ld? 8 ze van de kramp bevindt en de kracht bezit om den tien. twintig, ja veertig en meer kopjes thee te nut- Neen. nooit! raak mijn kopje thee niet aan piet j mensch uit den slaap te houden zonder daardoox ver- dgen. en die zelf J Drinkt thee, gij heeren geestelijken, die uw lichaam met prediken afmat! Drinkt thee, gij' heeren studenten. uw afkeuring, want niet de thee, doch de mense.hen dragen de schuld wanneer zij in hun onwetendheid en ongebondenheid een verkeerd gebruik van spijzen of drank maken. De eerste kennismaking die wij, Europeanen, met de thee hadden, was bij de Chineesche en Japansche volken, die reeds van oudsher theedronken. Door den uitgebreiden handel, .die er met het Oosten gedreven werd. zejte men ook den voet aan wal in China en Japan en zag daar dat de bevolking een kokend hee- ten onbekenden drank dronken. Men dronk mee, be vond zich er goed bij, vond het smakelijk en lekker, en het zal niemand verwonderen dat men er spoedig handel in ging drijven, waardoor de bekendheid zich uitbreidde. De Chineezen zelf schrijven de uitvinding van den theedrank aan den heiligen Darma toe, die 500 jaar v. Chr. zou geleefd hebben en als vreemdeling uit het westen naar China was gekomen, om zich in de zedekunde en in de kennis der godgeleerdheid te oefé nen. Door zijn matigheid en gestadige beheersching van al zijn driften was hij het volk een prachtig voor beeld. Steeds leefde hij in bespiegelingen over het hoogste goed waarmede hij zich zocht te vereenden. Hij zou de belofte afgelegd hebben, nimmer meer te slapen, om zich maar dag en nacht aan het zoeken en peinzen te kunnen overgeven. Eéns echter, door waken en vasten afgemat, overviel hem de slaap en met schrik ontwakende, sneed hij zijn oogleden af, en wierp ze verontwaardigd van zich. Toen hij den volgenden dag naar dezelfde plaats terugkeerde, zag hij dat er op die plek twee schoone theeboomen waren opgeschoten en toen hij daar eeni- moeid te worden." j Doch bij thee alleen liet men het in die dagen Zoo ook schreven vele aanhangers„thee was een niet. Men was de meening toegedaan van„een theetje geestige dranck soo als geen onser voorouders gekend mondt wel, maar een afzakkertje meer", of „een glaasje hadden, een secreet voor alle sieckten en krankhe- Sampa kroont het werk", „een brandewijntje verdrijft den, boven alles te achten wat de apotheek inhoud." de vapeuren", en het afzakkertje ging rond in den vorm van de brandewijnkom met een lepel er in. j Ja soms dronk men na de thee een „sekje", ver volgens een anijsje en eindelijk een zuiver brandewijn- t tje. I Dat zulke theesaletten kostbaar waren Iaat zich den ken, wanneer ge weet dat thee in die eerste jaren harer bekendheid 40, ja tot 100 en 120 gulden het Thee, ja thee die moet men roemen, Lighaams beste dokter noemen, Want die Medezyne thee Komt ons alle daag ter znee. Thee maakt ons heel graag in 't eeten, Thee verkoelt en thee doet zweeten, Thee dat zuivert hals en mont, Thee lest ook de dorst terstont. Thee maakt ons een vast gebit Thee maakt zwarte tanden wit. Thee helpt hooft- en herte pijn, Thee is duislings medizijn. Thee -verheldert ons gezigt, Daar 't verstant en al verligt. Komt dan, o gij drooge zielen! Komt rondom de theepot knielen, Zwelgt en ongepegelt graag Waater thee door strot en maag. En of deze uitnoodiging ook ingang vond en er „ongepegelt" graag gedronken werd, kan nagegaan wor den als we van zoo'n „theetje" uit dien tijd lezen. Na den eten, te wee of drie uur, kwam het ge- ee bladeren vanplukte en opat, voelde hij zich ver-zeischap, dat uitgenoodigd was, te zamen. De ont- kwikter dan ooit en was hij meer nog dan te voren vangst ging in dien tijd met veel buigingen en com- cestemd tot overpeinzen en bespiegelingen maken. plimenten gepaard, en de uitgenoodigden heantwoord- Uit deze legende spreekt duidelijk de veering der den deze vormen even stijf en statig. Chineezen voor de thee. I Waren de gasten allen aanwezig, dan schaarde men Door den handel der Oostindische Compagnie is de zich rondom de theetafel op gereedstaande stoelen, thee in ons vaderland eerder ingevoerd dan in Frank- waarbij de gloeiende stoven voor de koude voeten niet rijk en Engeland, en in Frankrijk heeft ze nimmervergeten en zoowel 's zomers als 's winters gebruikt zoo'n burgerrecht' verkregen, als dit in ons land etn werden in Engeland het geval is. I Nu begon de gastvrouw thee te zetten, doch had Doch dat alle berin moeilijk is, heeft ook de thee- de beleefdheid de gasten te laten kiezen welke thee pond kostte en de benoodigdheden naar verhouding waren. Men had er een apart vertrek voor ingericht, dat deftig gemeubeld werd en waarin een theetafel te vin den was, en dat slechts diende om de gasten te ont- vangen. De theetafels die men in deze vertrekken had, wa ren vaak van schitterend maaksel, fraai verlakt, met zilver en paarlemoer ingelegd. De serviezen waren van prachtig Chineesch of Japansch porselein, met goud i of zilver beslagen; verder had men fraaie suikerdoo- zenv confituurbakjes, gouden vorkjes, enkele en dub- bele trekpotten van allerlei vormenmen had er bij die de vormen van' bijenkorven hadden of van vogels met snavels; op andere stonden letters, spreuken of wapens geteekend; zeer kostbare vierkante potten met het zoogenaamd goud-schilderwerk. Ook de theekopjes waren, evenals deze potten, verschillend van vorm. Dat er op een dergelijke overdaad reactie moest volgen, is licht te begrijpen. „De vrouw gingh van huys als een pauwin", le zen we, „en liet de menage aan de maert". „De theedorst nam wonderleyck toe en verzwelgde de du- catons", „de carolussen vlugten uit 't comptoir in de theebacken". „De huishoudens raakten in de war. want de man van 't comptoir komende geen wijf of spinnewiel vindende, gingh naer de taverne". Is het wonder dat men op de thee schold: „het is een pestilentie voor horst en lyf", „een désperatie voor 't vrouwvolck", „een onderganck voor 't lant", noemde? De invoering der thee bracht een groote omwente- drank ondervonden," want zooals alles wat onbekend zij begeerden. Hiervoor zette zij eerst thee in kleineling in het huiselijk leven teweeg, veroorzaakte uit en nieuw is voor 's werelds burgerij', is ook zij tij- porseleinen theepotjes met zilveren zeefje, en schonk huizigheid en de zucht om boven stand en ver- 1,:.1 .j'1 rtntmiioTi tl.n T.r/uif!.i'nnritti moffen te leven, zelfs in gulden heel wat be- en veroordeelen moeten doorstaan. lend en gaf de eene gast de voorkeur aan de eene, nvvi nui oui i\e.ui uan uv v. Jij het midden der 17e eeuw werd de thee meer een andere gast prefereerde oen andere theesoort, doch verwonderen, dat er menige stem gehoord werd, die 1aangeraden - - - - - i en koort sen. "voorgeschreven. Ook sprak men er al over als - - IVICltX/lUC DD1I aiivtviD Ul^tOWI l? uuuil - - v als medicijn door sommige geneesheeren aangeraden meestal liet men het aan de gastvrouw over, welke tegen het theedrinken te velde trok," het goddeloos en en tegen verschillende kwalen als krampen en koort-thee er gedronken zou worden. nutteloos achtte en het meer bij den „meepot" hield. i, „i mm- nic I Vermengd met saffraan dronk men de thee in die Woeling dus in de medische wereld en woeling on- Roman van Hoeker. 2. De rechter maakte een ongeduldige beweging en wenkte den geestelijke toe een eind aan het afscheid te maken. „Ja, ja, ik ga reeds," fluisterde de jonge boer. „Jongen, je zult groot worden en zij zullen je zeg gen, dat zij je vader hebben vermoord. Wreek dan je vader, wreek hem!" riep hij woest uit. „Wreek hem op den schurk, die trotsch en machtig is, ter wijl je vader voor zijn misdrijf moet sterven. Wreek je vader, knaap." Hij wendde zich nu tot zijn vrouw, die hem met doffe oogen aanstaarde. „Margriet, wanneer ik je niet nog in mijn graf moet vloeken, voed dan onzen jongen op voor de wraak van zijn vader. Breng hem groot in het geloof aan mijn onschuld. Zie, Margriet, zij brengen mij reeds weg. Nu zal het spoedig gebeurd zijn." Door de smart der beide jonge menschen werd zelfs de rechter geroerd en het streed tegen alle Bienschelijkheid om man en vrouw met geweld van elkaar te rukken. Hij wenkte daarom den geestelijke ®et de jonge vrouw en het kind heen te gaan. Onder het slaken van een hartverscheurenden kreet drukte de jonge boer nog eenmaal vrouw en kind aan zijn borst. „Margriet, laat mij niet lang alleen," fluisterde hij haar toe. De jonge vrouw staarde hem met droge oogen aan. >.Zoodra onze jongen groot is kom ik bij je Martin. Ik zal God dan bidden, dat Hij mij dan tot je laat Saan," antwoordde zij plechtig. -Leef gelukkig met den jongen en wees bedankt v°°r je groote liefde. Nog éen kus en het oogenblik van scheiden was eekomen. -Ik ben bereid," zelde Martin plechtig tot den efhtei\ „doe met mij wat ge wilt." v Daarna vertrok de treurige stoet en weldra ^kondigde een luid gemompel daarbuiten, dat de 'oordeelde den beulswagen had beklommen, en opdat u de bolworm niet in 't hoofd kruipt! Drinkt thee al die dorst lijdt!" enz., enz., doch met dit ver schil: dat ik evenals Vosmaer de meening ben toe gedaan.... met mate. Deze samenvoeging werd in 1680 door de mar kiezin De la Sablière in Frankrijk ingevoerd. Zitting van Dinsdag 10 Augustus 1909. OP HEETERDAAI) BETRAPT. De ^eerste beklaagde jtien we vandaag te zien kre gen, was Cornelis Vlaar, een 37-jarig los werkman, geboren te Edam, thans verblijf houdende in het Huis van Bewaring te Alkmaar. Sinjeur was dit jaar zeker wat zwaar aan het Pink steren geweest, want in den nacht van Pinkster-drie verzeilde hij „zonder erg" op het erf van Jacobus Bos te Opperdoes. Daar hoorde hij nu op 't moment wel minder thuis, maar dat kan hem geen zier schelen, en hij maakte zooveel lawaai, dat*Bos ontwaakte. Juist zou onze avonturier een raam opschuiven, met het kennelijk doel om met Bos' interieur eens nader kennis te maken, toen hij bij die vergeefsche pogingen door den reeds ontwaakten heer des huizes pardoes in zijn kraag werd gepakt. Moeder de vrouw, die door haar man gewaarschuwd was geworden, herkende den snaak, slaperig als ze nog was, secuur en dat was voor ons baasje beroerd genoeg. Want trots zijn ontkennen zat hij er nu lee- lijk in. Vlaar schrok zoo geweldig, dat hij maar in eens om... nachtlogies vroeg. Eilacy!het mocht niet ba ten. 'n strafvervolging werd zijn loon en hij al die misère kwam zoo langzamerhand nog aan den dag, dat hij zich aan diefstal ook had schuldig gemaakt. Wat zijn zaak, dat toch al niet erg wou „rollen", niet (mooier maakte. De vruchten van dien diefstal had Kees zorgvul dig tot een pakje gebonden. En Jan Grootewal van Opperdoes en zijne vrouw Trien Pijper zijn eenige kleedingstukken armer, die hunne dochter Aafje, die de wasch had gedaan, op de bleek had laten liggen. In sommige logementen, o.a. te Medemblik, zoowel als te Hoorn en ook te Alkmaar, had vriend Vlaai- zijn neus laten zien en in laatstgenoemde stad had hij de kleedingstukken, die hij van Grootewal's bleek veld stal, weten te verkoopen. Daar werd het koopje echter naderhand in beslag genomen door de onver moeid speurende politie, Kees moest vandaag ondervinden, dat zoo'n nach telijke excursie nu juist niet zoo heel aanbevelens- naar de strafplaats w^rd vervoerd. De oude geestelijke zag doodsbleek, de waarheid was tot hem doorgedrongen, de verschrikkelijke waar heid, dat hier een onschuldige werd ter dood ge bracht. „Mijn God, mijn God, hij is onschuldig," riep de oude man wanhopig. „In het aangezicht van den dood liegt men niet. Heer in den hemel, wees zijn ziel genadig en vergeef den zondaar, die in zijn plaats het schavot moest hestijgen." De jonge vrouw, die tot dusverre als verdoofd voor zich had gestaard, sloeg eensklaps de oogen op en keek verward en verschrikt om zich heen. „Martin, mijn man!" riep zij angstig. Nu begreep zij wat er gebeurd was, zij zag dat de cel leeg was. Zij sprong als een razende op en haar kind tegen zich aandrukkend, gaf zij zich als een wanhopige aan haar smart over. Alle troostwoorden van den geestelijke bleven zon der eenigen invloed op de vrouw. Wat vermochten hier ook woorden van een mensch! Maar Margriet werd weer kalm en bedaard. Zij lief koosde het kind en fluisterde het toe: „Ja mijn jongen, om jouwentwille moet ik leven. Je vader heeft mij een heilige taak op de schouders gelegd. Jij zult hem wreken, mijn jongen, dat zal je doen! Er is veel te verzoenen voor den dag van heden. God heeft jou en mij laten leven tot den dag dat de beul van Wolfenstein zal gewroken zijn. Dan zal ik u loven en prijzen." Zij sloeg geen acht op de verzoenende woorden van den priester. Maar met het hoofd hoog opgericht ver liet zij met haar kind de cel. Maar nauwelijks was zij in de gang,, of zij viel ach terover in de armen van den geestelijke, die haar nog bijtijds wist op te vangen. De vernietigende smart had haar kracht gebroken en haar opnieuw het bewustzijn doen verliezen. HOOFDSTUK II. De grootste en mooiste hofstede van het dorp Wolfenstein bezat bepaald wel de oude Katzenberger. De hofstede lag buiten de kom van het dorp, in de nabijheid van het kleine kerkhof, op een groote terp, die naar alle zijden een ruim uitzicht gaf over het veld. De breede, goed onderhouden straatweg, die naar liet oude stamslot van den graaf Wolfenstein, voerde, liep langs de uitgestrekte en fraaie boeren plaats. Het slot zelf lag op den afgeplatten top van een vrij hoogen berg en bood met zijn grauwe, ver weerde muren en slanke torentjes en breede grach ten een indrukwekkend gezicht. Wanneer men wilde aanduiden in deze streek dat het een mensch welging en hij een onbezorgd leven kon leiden, placht men te zeggen: „wien het gaat als de groote boer". De welvaart van Katzenberger was spreekwoordelijk geworden. Niet alleen bezat hij veel land, maar ook zijn groote stallen waren gevuld met veel beste koeien. De grootste kudde schapen uit de gansche omgeving noemde de groote boer de zijne. Wie evenwel vandaag op de hofstede van Katzen berger zou zijn aangekomen had moeilijk kunnen zeg gen. ,dal de groote hoer de gelukkigste man ter wereld was. Tenminste men zou den ouden gebogen man, die in dof gepeins verzonken, tegen de poort van zijn boerderij leunde en naar het werken zijner huis- genooten keek, volstrekt niet tot de gelukkige sterve lingen op aarde gerekend hebben. Severin Katzenberger was een lang en forsch man. In vroeger jaren was het bepaald een echte reus geweest; maar nu was hij grijs en gebogen. Maar toch had hij nog den scherpen en doordringenden blik van vroeger. Een trek van groote hardheid en onverholen hoogmoed misvormde het anders wel gevormde gelaat van den ouden boer. De scherpe trekken en dien© rimpels om don mond verrieden maar al te duidelijk de diepe minachting, die de groote boer in den glans zijner eigen grootheid en rijkdom voor de rest zijner omgeving koesterde. Nu was die trek weliswaar verdwenen voor een uitdrukking van diep leed. Alles pp dat gelaat bewees boe deze man ten prooi was aan een verterenden angst. Maar toch. .zelfs deze groote smart maakte dit gelaat niet edel of aantrekkelijk. Er lag toch nog iets uitdagends, iets terugstootends in de harde trekken en deze verkondigden minder den jammer van een ge broken hart dan den wraakzuebtigen haat van een mensch, die in opstand leeft met God en de geheele wereld. De knechts en meiden die op den hof werkten, keken met schuwen blik naar hun meester; het was of al dat jonge, ruwe volk bang was voor den ouden man. Zij wisten immers maar al te goed, wat het hart van dezen ouden man beroerde. Zij kenden allen het vreeselijke leed, dat nu het anders zoo koude hart van den ouden boer martelde. Men sprak immers sedert maanden over niets anders meer In het dorp, dan van de treurige geschiedenis van Mar tin Katzenberger, den eenigen zoon en erfgenaam van den grooten boer. De meeningen in het dorp waren zeer verschillend. Terwijl het kleinste deel der in woners partij trok voor den slotheer en met veront waardiging de beschuldiging, dat deze den houtvester Anton zou hebben neergeschoten, van de hand wees, trok het overgroote deel van het dorp sterk partij voor Martin. Severin Katzenberger had niet voor niets een groote en uitgebreide familie; daarbij kwam nog, dat hij sinds vele jaren dorpsschout was. Al be kleedde hij deze functie slechts in naam, daar een ervaren secretaris de gemeentezaken afwikkelde, het gaf hem toch aanzien en eer. Dit laatste had echter door de inhechtenisneming van zijn zoon een gevoeligen knak gekregen. Dit stak den trotschen en zelfbewusten boer niet weinig. Hij had aarde en hemel in beweging gebracht om zijn zoon het leven te redden. Al zijn invloed had hij ge bruikt, zelf was hij op audiëntie bij den vorst van het land geweest en had voor dezen den trotschen, stijven nek gebogen maar alles was tevergeefs geweest. De uitspraak van het gerecht was door den vorst bekrachtigd geworden en de openbare meening buiten het dorp Wolfenstein hield Martin Katzenber ger ondanks zijn hardnekkig ontkennen voor den moordenaar. De meesten hadden evenwel met den boer geloofd, dat er op het laatste oogenblik wel genade voor recht zou gelden en de jonge boer, die pas een jaar getrouwd was met een lieve jonge vrouw, voor den schandelijken dood door den beul bewaard zou blijven Nog tot de laatste dagen had de oude boer zich aan die hoop overgegeven. Wat de dorpsgeestelijke hem vertelde, dat er voor den ongelukkige geen redding meer mogelijk was, hij had het niet willen gelooven. Sedert het oogenblik evenwel, dat hij het bericht had ontvangen, dat de vorst het verzoek om gratie had afgewezen en het doodvonnis had bekrachtigd, was de groote boer naar lichaam en ziel geknakt. Als een, slaapwandelaar sloop hij de laatste dagen door hof en huis. Geen woord had hij meer gesproken, zelfs op de vragen van zijn dienstboden had hij niet geantwoord, maar hen steeds maar droefgeestig aangestaard. „De schan deo, de schande!" Dat was alles wat hij liet hooren. Deze woorden had hij doorloopend in den mond, het was zijn morgen- en avondgebed. lyio. i i L.- 1J ti til'LJ LJLJL, LJtL„T Wordt vervolgd. A

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Schager Courant | 1909 | | pagina 1