No. 81*.
Negen en tachtigste Jaargang.
1887.
ZONDAG 10 J U L I.
Verkiezing 19 Juli.
De strijd over art. 194.
Nadat de d. C. Kiesvereenigiog
heeft gesproken, en hare stem heeft
ontzegd aan de beide aftredende wet
houders, is de K-iesvereeniging „Eens
gezindheid" aan het woord geweest.
J.l. Donderdag heeft z|f de fileeren
C. BOSHAW en T. L. K.ÖOÏ5M van
hare candidatenigjst gebannen. Is dit
een antwoord, of een terugslag op
het besluit der R.C Kiesvereeniglng?
W]j weten het niet, maar dit staat
vast, dat de beide S£lesvereenigingea
de gemeenteraadsverkiezingen op
die wfïze brengen op een gevaarlijk
terrein, en dat de kiezers, die prijs
stellen op het behoud van vrede en
vriendschappelijke welwillendheid
tussehen de burgers van verschil
lende partijen en richtingenen die
het blijvend belang van deze stad,
en den bloei en de weivaart der ge
meente hooger stellen dan persoon-
Ijjke grieven, dan meeningen van één
dag en voorbijgaande verschillen
wel zullen doen minder naar de voor
lichtingen der Miesvereenigingen
dan naar hun eigen gezond verstand
en hun gevoel van plicht te luisteren.
AIKMAARSCHE COUR ANT
Het verschil van gevoelen tussehen de liberale leden
der Tweede Kamer over de aannemelijkheid van de
Grondwetsbepalingen omtrent het onderwij:), die on
langs door de Tweede Kamer zijn aangenomen heeft
zichgelijk te voorzien was onder de liberaleu buiten
de Kamer even sterk geopenbaard. De groote vraag
waarover de strijd looptmoet naar onze meening niet
zijn moest het bestaande artikel 194 in alle opzichten
onveranderd behouden worden maar wel dezever
dient dat artikel de voorkeur boven de bepalingen
waarmede de meerderheid der Tweede Kamer zich heeft
vereenigd
Bij de beoordeeling van het bestaande art. 194 be
hoort niet de nadruk gelegd te worden op de bedoeling
waarmede in 1848 zijn verschillende bepalingen zijn
vastgesteld. Men heeft b.v. aangetoond dat het derde
lid„Er wordt overal in het Rijk van overheidswege
voldoend openbaar lager onderwijs gegeven" ten doel
had de vrijheid van onderwijsdie men slechts uoode
toestondzooveel mogelijk in te krimpen uit vrees
dat het bijzonder onderwijs een te hooge vlucht zou
nomen. Thorbeckevan wien deze zinsnede niet af
komstig is en van wien dus geen al to gunstig oordeel
daarover mag worden vermoed, heelt dit slechts ton
halve toegegeven. In 1865 liet hij er zich aldus over
uit: „Zooveel mij voor den geest staat, is niet de
schrik voor het bijzonder onderwijs de hoofdreden ge
weest maar wel de zorg die men voor -eene algemeene
ontwikkeling van het lager onderwijs meende te moeten
dragen. L et men dit aan bijzondere pe rsonen en in
richtingen over, dan zou wellicht hier en daar het
onderwijs eene behoorlijke ontwikkeling kunnen erlan
gen, maar op andere plaatsen zou men g©en of een zeer
onvoldoend onderwijs hebben. De weldaad moest over
alle deelen des lands gelijkelijk worden verspreid van
daar de verplichting ia de Grondwet (geschreven. Dat
daarbij een opzien van velen tegen het, bijzonder onder
wijs gekomen is, wordt niet ontkend."—- Wat echter
in 1848 bet hoofddoelhet doel van velen het doel van
de meesten moge geweest zijn. is thans- van geen belang.
De vraag is, hoe het voorschrift is toegepasten dan kan
niet ontkend worden dat bij de oprichting van openbare
scholen wel eens te weinig is gelet op de behoefte aan
openbaar onderwijs en op het bestaan van bijzondere scho
len, Het voorschrift is uitgelegd en toegepast in den zin,
dat er overal openbaar onderwijs moet worden gegeven,
hetzij er bijzondere scholen zijn ot niet en dat de
Regeering dit dus niet wegens het bestaan van bijzondere
scholen mag nalaten. Intusschen is dit met de praktijk
der laatste jaren. Herhaaldelijk zijn bij Koninklijk Be
sluit op advies van den Raad van State besluiten van
gemeenteraden tot opheffiDg van openbare scholen goed
gekeurd en de besluiten van Gedeputeerde Staten
waarbij aan die raadsbesluiten de vereischte goedkeuring
was onthouden vernietigd. Bij Koninklijk Besluit van
2 November 1883 werd onder anderen aan art. 194 der
Grondwet in verband met art. 16 der wet op het lager
onderwijs deze uitlegging gegeven dat het strekt om
„te waken dat altijd de gelegenheid be'sta, dat kinderen,
die van de openbare school gebruik willen makendit
inderdaad kunnen doen." Volgens die opvatting be
hoort alzoo geen openbare school te worden opgericht,
waar door bijzondere scholen in de biahoefte aan onder
wijs wordt voorzien, en behoort zij te worden opgeheven
waar zij niet noodig is.
Wij mogen aannemen dat art. 194 bij voortdnring
en steeds meer in dezen zin worde opgevat en toegepast.
De wet op het lager onderwijs kan, voor zooveel noodig,
gewijzigd worden, om een letterlijke opvatting van het
woord „overal" te voorkomen. Had de rechterzijde der
Tweede Kamer zich vergenoegd met eene wijziging der
Grondwet om deze bedoeling duidelijk en onbetwistbaar
uit te drukken, dit doel zon bereikt zijn geworden. De
zinsnede ten vorigen jare door den heer de Beaufort en
vier zijner medeleden voorgesteld had geen ander doel,
en 22 liberale Kamerleden gaven er hunne stem aan.
De vraag is thanskan men vrede hebben met een
Grondwetsartikel zooals thans is aangenomenwaarin
wel wordt bepaald dat het onderwijs een voorwerp is
van de aanhoudende zorg der Regeering; dat het geven
van onderwijs vrij is dat het toezicht der overheid op
het onderwijs in het algemeen de inrichting van het
openbaar onderwijs envoor zoover het lager en mid
delbaar onderwijs betreftook de aan den onderwijzer
te stellen eischen van bekwaamheid en zedelijkheid
worden geregeld door de wet, en dat de Koning jaar
lijks aan de Staten-Generaal verslag geeft van den staat
der hooge-, middelbare en lagere scholen; maar waaruit
is weggevallen de bepaling dat het onderwijs op zoo
danige wijze wordt ingericht, „dat ouders, voogden en
verzorgers de gelegenheid niet ontbreke, om de kinderen,
die onder hunne macht zijn of aan hunne zorg zijn
toevertrouwd, in het genot te stellen van voldoend lager
onderwijswaarbij hunne godsdienstige overtuigingen
niet worden gekrenkt" P
De weglating van deze bepaling wordt op driëerlei
grond verdedigd.
Gij moet den wetgever vrijlatenzegt men om het
onderwijs te regelen naar zijn beste weten, en gij hebt
niet het recht om uw Btelsel van onderwijs in de Grond
wet gebiedend voor te schrijven en den wetgever te ver
plichten dit stekel in praktijk te brengen, ook al mocht
hij aan een ander stelsel de voorkeur geven. Juist
maar wij ontkennendat door de bepalingdie wij
zouden willen bandhaven een stelsel van onderwijs in
de Grondwet wordt voorgeschreven. De wet zal het
openbaar onderwijs regelen. Hoewordt nier beslist.
Men zal het z<5<5 kunnen doen dat het openbaar on
derwijs niet op den voorgrond wordt geplaatst, dat het
aan de natie niet wordt opgedrongen, dat ieder die er
voor zijn kinderen gebruik van wenscht te maken en
niet onvermogend is, een behoorlijk schoolgeld betaalt,
zoodat het financieel op hetzelfde neerkomt, ot men zijn
kinderen een openbare of een bijzondere school laat
bezoeken. Men zal het openbaar onderwijs zóo kunnen
regelen dat er alleen voor openbaar onderwijs wordt
gezorgd voor zoover er behoefte aan blijkt te bestaan
voor zoover de bijzondere scholen niet reeds voor alle
kinderen gelegenheid geven om behoorlijk onderwjjs te
ontvangen, hetzij dan geheel in de godsdienstige richting
waarin de ouders hen wenschen op te voeden hetzij
zonder bepaalde godsdienstige richting maar met eer
biediging hunner godsdienstige gevoelens. De wetgever
zal aan bijzondere scholen met of zonder kerkelijke ot
godsdienstige kleur, geldelijken steun kunnen verleenen
uit 's rijks- of gemeente-kas. Hij zal zelfs openbare
gezindheidsscholen kunnen oprichten. Dat alles zal de
Grondwet vrijlatenniets daarvan wordt gebiedend
voorgeschreven niets verboden de wetgever zal vol
komen vrij zijnslechts één ding moet vaststaan
de gelegenheid moet voor den Nederlandschen burger
niet ontbreken om zijn kinderen voldoend lager onder
wijs te doen genieten zonder dat de godsdienstige
overtuigingen waarin zij werden opgevoeddaarbij
j werden gekrenkt. Kan men dat nu een stelsel van
onderwijs noemen Is dat een voorrecht voor de libera
len Wij zouden meenen dat het een recht is dat aan
alle burgers behoort te worden gewaarborgd een recht,
waarop ieder prijs moet stelien dat ieder in de Grond
wet moet wenschen verzekerd te zien tegen een moge
lijke meerderheiddie op dit punt minder nauwgezet
mocht zijn. Door zulk een bepaling wordt voorkomen,
dat men ooit katholieken zou verwijzen naar min ot
meer Protestantsch-gekleurde scholen, zooals vóór 1848
plaats had. Zulk een bepaling moet beletten, dat ooit
een openbaar onderwijs zou kunnen worden ingevoerd
met een aan de godsdienst vijandig karakter. Zulk
een bepaling moet verhoeden dat ooit iemand genood
zaakt wordt öf zijn kinderen naar een school te zenden
met een godsdienstige of kerkelijke kleur, waarmede
hij zich niet kan vereenigen óf wel zijn kinderen van
onderwijs verstoken te laten. Hoe de wetgever het
onderwijs ook zal willen regelen wanneer hier of daar
een kleine minderheid geen andere school mocht kunnen
vinden dan waarin de leerlingen worden opgevoed in
een ander geloof dan het hare dan moet de staat te
gemoet komen en haar althans een gelegenheid ver
schaffen om hare kinderen te doen onderwijzen zonder
krenking harer godsdienstige overtuigingen. Dat is de
beteekenis van deze bepaling, en daarmede wordt geen
voorrecht; geen privilege geschapen voor dezen of genen,
maar een algemeen recht voor allen.
Eén der zeven liberale kamerleden die tegen het
wegvallen van deze bepaling geen bezwaar hadden de
heer van Houten erkende dat hij er geen voorrecht
in zag voor de liberale partij. Hij zag er een bene
ficium in „ten behoeve van hen die scherp geteekende
godsdienstige gevoelens hebben, en die hunne kinderen
niet willen blootstellen aan het gevaar om bij het ver
keer met andersdenkenden andere denkbeelden over
godsdienst te vernemen en daarover te gaan nadenken.
„Maar" zeide hij „wanneer die 3e alinea door
de overzijde niet wordt op prijs gesteld wanneer zij
geen bezwaar vindt den wetgever vrij te latenook
indien hij wat zeer mogelijk is meer militant
anti-religieus mocht zijn dan de tegenwoordige liberale
partijdan :zal ik daartegen geen bezwaren opperen."
Voor den heer van Houten moge dit een onverschil
lige zaak zijnwij kunnen niet aannemen dat het
Nederlandsche volk er ook zoo over denkt. Wat meer
is, het standpunt door den heer van Houten verdedigd,
mag onzes inziens niet zijn het standpunt van een
volksvertegenwoordiger. Het moet voor hem niet de
vraag zyn Stel ik of stellen mijno geestverwanten prijs
op deze of geene bepaling in de Grondwet? de anderen
gaan mij niet aan hij moet zich de vraag stellen
is die bepaling wenschelijk voor het Nederlandsche volk
in het algemeen
Een andere grond die voor de weglating dezer bepaling
is aangevoerd, is dezewat helpt u een papieren waar
borg in de Grondwetwaaraan de meerderheid zich
later niet zal storen en waarvan zij scheurpapier zal
maken Ernstige wederlegging verdient echter doze
opmerking in Nederland nietzoolang men er prijs op
zal stellen tal van bepalingen in de Grondwet te be
houden, waartegen dezelfle bedenking kan worden aan
gevoerd. Jaeen Grondwettig voorschrift kan in de
wet gebrekkig worden uitgewerkt, kan op een bekrompen
wijze worden toegepastmaar met het denkbeeld van
geheele terzijdestelling van de Grondwetmet het
denkbeeld van Grondwetschennis is men gelukkig hier
te lande nog niet zóó gemeenzaam dat men er geen
prijs op zou stellen, wat de Grondwet al of niet bepaalt.
Een derde grond, die wij ook in het Sociaal Weekblad
zagen aangevoerd is deze stel vertrouwen in den wet
gever, laat alles aan hem over, neem uit de Grondwet
we» alle geschilpunten en alles wat boven en buiten
deD strijd der partijen staat, voor zoogenaamde grond
rechten is in de Grondwet geen plaats. Aan dat
stelsel blijft intnsschen niemand getrouw. Men had
het eens moeten beproevende bepaling „het geven
van onderwijs is vrij" uit de Grondwet te lichten
Hoe, alle geschilpunten zouden uit de Grondwet moeten
verdwijnen met alles wat boven en buiten den strijd
staat? Wat staat boven den strijd der partijen en wat
is een geschilpunt Gisteren ditheden datmorgen
weer iets anders. Wat thans door allen zonder tegen
spraak schijnt te worden aangenomenkan binnen kor
ten tijd een belangrijk geschilpunt zyn, en omgekeerd.
Maakt men dan een Goondwet voor een paar maanden
Weet men dan niet, dat de Grondwettige bepalingen
dat ieder zijn godsdienstige meeningen met volkomen
vrijheid belijdtdat aan alle kerkgenootschappen gelijke
bescherming wordt verleend, dat de belijders der onder
scheidene godsdiensten allen dezelfde burgerlijke en
burgerschapsrechten genietendat de Koning waakt
dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de
palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat,
dat alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen
en besloten plaatsen wordt toegelatenweet men
nietdat al deze bepalingen evenals de vrijheid van
drukpersernstige geschilpunten zijn dat daarom de
Belgische bisschoppen in 1815 zich tegen de toenmalige
Grondwet hebben verklaarddat die bepalingen nog
heden ten dage evenzeer door de Katholieke Kerk
worden veroordeeld, en dat lang niet alle antirevolutio
nairen op deze punten zuiver in de leer zijn?
Zouden wij die bepalingen uit de Grondwet moeten
schrappen, omdat zij belangrijke geschilpunten betreffen,
of misschien welvermits niemand er thans tegen
opkomtjuist omgekeerd omdat zij boven en buiten
den strijd staan? Wij zonden integendeel meenen dat
het van het grootste belang is, deze zoogenaamde grond
rechten te waarborgen juist omdat het gewichtige ge
schilpunten ziju en blijven a! schijnen zij thans boven
en buiten den strijd te staan. Wie durft de leer ver
kondigen dat het goed is, de beslissing over zulke
gewichtige volksvrijheden eenvoudig aan den wetgever
der toekomst over te laten Wie durft beweren als
de meerderheid later goed vindt die bepalingen te
wijzigendan moeten zij ook maar verdwijnenwij
moeten den wetgever niet aan banden leggen wat de
meerderheid beslistis altijd goed Die het wel meent
met zijn land en volk moet onzes inziens anders oor-
deelen. Tegen overheersching van de minderheid door
de meerderheid moet in belangrijke zaken door de
Grondwet gewaakt worden. Er zijn volksrechten en
volksvrijheden die in veiligheid moeten gebracht worden
ook tegen tijdelijke afdwalingen der meerderheid. Als
men een Grondwet maakt, heeft men iets gewichtigere
te doen dan ten aanzien van zulke zaken te zeggen
laat alles maar vrij vertrouw maar op de goede ge
zindheid de vrijheidsliefde, de rechtvaardigheid en het
juist inzicht der meerderheidal dwaalt zij tijdelijk
dat komt toch later weer te recht, door bittere erva
ring zal zij wel tot beter inzicht komen wij mogen
ons niet aanmatigen de meerderheid der natie tegen
dwaling en treurige ervaring te beschermen.
Schatten na langen strijd verkregen zoo mogelijk
in do Grondwet te waarborgen is toch al het minste
dat het "tegenwoordig geslacht kan doen.f