MMinfl Alkmaar—Hoorn. No. 150. Een en Negentigste Jaargang. 1889. WOENSDAG 18 DECEMBER. AMSTERDAMSEIIE BRIEVEN. Prijs der gewone Advertentiën: ALKMAARSCHE COURANT. Deze Coarant wordt Dinsdag-, Donderdag-en Zaterdagavond uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f 0,80franco door het geheele rijk f 1,—. De 3 nummers f 0,06, Per regel f 0,15. Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de Uitgevers HERM«. COS- TER ZOON. Het is niet lang geleden het was kort na de jongste vergadering van de landbouwvereeniging Hol lands Noorderkwartier waarvan het verslag ook in ons blad werd opgenomen dat de heer W. H. Arkes van Enkhuizen ons gastvrijheid vroeg vooreen lang artikel naar aanleiding van het gesprokene op bedoelde vergadering over den lokaalspoorweg Alk maarHoorn. Eene aandachtige lezing vau bedoeld artikel gaf ons de overtuigingdat het geenszins op den weg van ons blad lag, te dienen als de trechter, waardoor genoemde heer in staat kon worden gesteld, zijne persoonlijke belangen tegenover onze lezers te bepleiten. Wij schreven clan ook den heer Arkes, dat wij zijn stuk niet konden opnemenomdat wij het algemeen belang van Hollands Noorderkwartier in geenen deele door dit zijn pleidooi voor eigen belang gebaat konden zien. Wij namen die gelegenheid tevens waarom hem mede te deelen dat de Alkmaarsche Courant zich tot taak had gesteld, met de middelen, die haar ten dienste stonden, het tot stand komen van eene verbinding tusschen beide plaatsen te bevorderen; dat zij den locaalspoorweg beschouwde als de aller meest gewenschte verbindingom de alles afdoende reden dat Alkmaar daardoor op betere wijze zou worden aangesloten aan het oostelijk spoorwegnet; dat zij het daarom eene ramp zou achten voor dit deel van Noordhollandwanneer de heer Arkes er in slaagdedoor zijne achterna gekomen tramplannen den lokaalspoorweg van de baan te krijgen; dat echter, wanneer het hem niettemin, tot schade van dit deel dezer provinciemocht gelukken hij ons aan zijne zijde vinden zou gedachtig aan de spreuk«-beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht", in de over tuiging dat iedere, zij 't ook gebrekkige verbinding, als een tram o. i. zou zijn beter is dan geen ver binding. Dat wij nu niet alleen staan in de meeningdat aan een lokaalspoorweg in allen deele voor onze streek de voorkeur is te geven bewijst onderstaand artikel uit het Handelsblad van den 13. Wij blijven het dan ook als onze plicht beschouwen, zoolang mogelijk te trachten, het tot stand brengen van eene gebrekkige verbinding door middel van een tram, het maken van, voor onze streek, half werk te voorkomen, zoolang er de geringste hoop bestaatdat ons eene verbinding kan gegeven worden die voor het Noor derkwartier aan alle eischen voldoet. Het gemelde artikel uit het Algemeen Handelsblad luidt in zijn geheel als volgt: In het Staatsblad No. 2ö6, van 10 en 11 November j.l., is opgenomen de wet van 28 October 1889, rege lende den dienst en het gebruik van spoorwegenwaarop met beperkte snelheid wordt vervoerd. Te gelijk is inge trokken de wet van 9 Augustus 1878Stbl. No. 124, omtrent de regeling van den dienst en het gebruik der locaalspoorwegenDe naam locaalspoorwegen is vervallen onze wet kent dus alleen spoorwegen, waarop met beperkte snelheid wordt vervoerd, daaronder begrijpende zoowel de spoorwegen, die op eigen baan rijden, als de tramwagen. De laatstgenoemde, waaronder wel alleen stoomtram men zijn te verstaan, zijn overgelaten aan de bepalingen, die de provinciale of gemeentewetgever in het belang van de veiligheid van het verkeer zal noodig viuden te makenen daarenboven aan de voorwaarden die de eigenaren van de wegenwaarop de stoomtram loopt aan de concessie enllen verbinden. De Rijkswetgever bekommert zich niet verder over dat onderwerp, dan alleen in zooverredat hij de maximumsnelheid heeft bepaald op 20 mijl per uurterwijl die bij de nu af geschafte wet van 9 Aug. '78 slechts 15 mijl bedroeg. Het zal dus voor een tramweg nimmer geoorloofd zijn de snelheid van 20 mijl te overschrijdenwel kunnen provinciale en plaatselijke autoriteiten die maximum snelheid naar hun goedvinden beperken. Alle macht is derhalve in deze materie gelaten aan provincie en gemeente. Na is het waar, dat tramwegen alléén dienen en kunnen dienen tot vervoer over beperkte afstanden en tot voorziening in zuiver locale behoeften. Als regel mag men aannemen, dat de gemeenten het best in staat en het meest bekwaam zijn die zuiver locale toestanden te beoordeelen en te regelen. Ook hebben meestal de gemeente den eigendom geheel of gedeeltelijk van de wegen waarlangs de tram moet loopen. De vraag is echter of het goed is geziendat de Rijkswetgever de ondernemers van tramwegen zoo geheel in den steek laat als hg thans doet. De gevallen doen zich vooren hebben zich veelvuldig voorgedaandat bekrompen gemeentebesturen nuttige tramondernemingen tegenhieldenof dat de meerderheid in zulke gemeen teraden meer met bijzondere belangen dan met die der gemeente te rade ging. Voornamelijk de plattelands- gemeenteraden hebben in dit opzicht veel op hunne rekening. Is de macht hun gegeven om tegea te houden en te beperken, niet inderdaad veel te groot P Want tegen hunne beslissing staat voor den ondernemer van tram wegen gean enkel middel tot voorziening open, Men onderscheide daarbij tweederleiöf de gemeente is eigenares van den wag en zij verbindt aan de con cessie om over dien weg te rijdon beperkende bepa lingen; öf de gemeente stelt in het belang der veiligheid politiebepalingen vast. Voor het eerste geval zal men de gemeente hare vrijheid van handelen, die zij uit het privaatrecht put, wel steeds moeten laten. Ia het tweede geval hebben wij met zuiver publiek reebt te doen. Trekken de Staten der provincie zich die aangele genheid aan dan vervalt de bevoegdheid van den ge meentewetgeverdoch dan worden in de provincie ook alle locale toestanden over éóa kam geschoren terwijl bij verkeer tusschen de provinciën onderling toch weder verschillende regelen gelden. Levert gelijkvormige rege ling voor eene geheele provincie geen bezwaar op, dan kan ook tegen eene zoodanige regeling voor alle pro vinciën geene bedenking worden ingebracht en komt men tot de opvatting dat de algemeene Rijkswet de bepa lingen voor aanleg en exploitatie der tramwegen moet regelen. Met het oog op de verschillende locale toe standen voor iedere tramonderneming zou zulk eene Rijkswet echter veel moeten overlaten aan K. B., die voor iedere tramonderneming gehoord de betrokken gemeentebesturen en de ondernemer zouden moeten worden vastgesteld. Geheel anders is het met de spoorwegen„waarop geen vervoer plaats heeft dan met eene snelheid van ten hoogste 40 mijlen per uur"de spoorwegen die meer eigenaardig locaalspoorwegen worden geheeten eu die wij zoo zullen blijven noemen al gebruikt de wet van 28 October j.l. die uitdrukking niet meer. Ia te- geustelling met de trams rgden deze spoorwegen geheel op eigen baan. Bestaat bij een tram overal gelegenheid om reizigers op te nemendie zich ergens op den publieken weg, waarlangs de tram zich voortbeweegt, aanmelden, de locaak-poorweg is van den publieken weg afgezonderd eu loopt van station tot station. Is de tram alleen geschikt voor minder snel vervoer over korte trajecten, de locaalspoorweg is uit zijn aard aan gewezen om een onderdeel te vorm n van het groote spoorwegnet in Nederland. Waar de spoorwegen de heirbanen zijii, langs welke het groot verkeer zieh be weegt, daar zijn de locaalsporen de groote verbindings wegen die de heirbanen vereenigen. Voor deze ver bindingswegen is het een eerste eischdat zij in een snel en geregeld vervoer kunnen voorzien. Eene goede gedachte is het dan ook geweest, die bij de jongste wet is gerijpt tot eene goede daad dat de snelheid van vervoer over de locaalspoorwegen is uitgebreid tot 40 mijl per uur. Hier bouwt en exploiteort de ondernemer een spoorweg, in alle opzichten gelijkende op de gewone spoorwegen alleen in zooverre daarvan verschillende dat bij algemeenen maatregel door den Koning bepa lingen kunnen worden gemaaktwaarbij wordt afge weken van enkele voorschriften van de spoorwegwet. De ondernemer is geheel onafhankelijk van de provin ciale en plaatselijke autoriteit. De politiebepalingen die zoo hinderlijk kunnen zijn voor de tramwegen, heeft hij dus niet te duchten. Ook behoeft hij geene concessie van eigenaren van wegen, om daarin zijne spoorstaven te mogen leggen. De locaalspoorweg heeft zijn eigen, afgesloten baan waarlangs het publiek zieh niet mag bewegen. Om het terrein te verkrijgen is onteigening noodigwelke voor een tram als van plaatselijk beiang niet dan op minnelijke wijze zoude kunnen geschiedenvoor zooverre ooit een gedeelte van den tramweg over particulier terrein zoude moeten loopen. Voor den locaalspoorweg zijn alleszins termen tot toe passing van de wat van 28 Augustus 1851, Stbl. No. 125, regelende de onteigening ten algemeenen nutte. Wij komen dus tot de slotsom dat de jongste wet van 28 October, Stbl. No. 146, eene alleszins verbeterde regeling bevat voor de locaalspoorwegen, waardoor deze belangrijke en nuttige ondernemingen geheel tot haar recht kunnen komen. Ten opzichte vau de tramwegen echter laat deze wet alles ongeregeld en komt haar bepaling, dat eene snel heid van 20 mijlen niet mag worden overtroffen, feitelijk neer op een verbod aan den provincialen en gemeen telijken wetgever, om oen grooler snelheid toe te staan. Het is waar, vóór deze wet was de grootste snelheid 15 mijl en in zooverre bevat de nieuwe wet een gunsti ger bepaling voor de trams. In het vrije veld kunnen zij zonder eenig wezenlijk gevaar eene snelheid van 20 mijlen ontwikkelen. Maar wat naar bet oordeel der commissie uit de Vereeniging tot bevordering van fa- brieks- en handwerksnijverheid noodig is, eene wettelijke regeling van het onderwerp (zie Handelsblad 1 December j.l., derde blad), ontbreekt geheel. Het is echter de vraag, of zulk eene wettelijke rege ling niet op tallooze bezwaren zoude afstuiten. Zooals boven reeds is opgemerktzoude men zeer veel moeten overlaten aan koninklijke besluiten. Daar enboven blijven de gemeenten onbeperkt in het ver- leenen van concessieom over gemeente-eigendom te rijden en ia het stellen van voorwaarden voor het ver krijgen dier concess ën. De aard van het vervoermiddel brengt mededat het steeds met de betrokken ge meentebesturen in aanraking blijft. Daarom blijft het de vraag, of het voor de tramondernemingen wenschelyk zoude zijndat zij publiekrechtelijk werden gesteld tegenover den centralen wetgever, en evenzeerof de veiligheid van het verkeer in de gemeenten op die wijze voldoende zoude kunnen worden gewaarborgd. IV. Ja, furchtbar wird die Himmelskraft Wenn sie der Fesael sich entraflt Einhertritt auf der eigenen Spur, Die freie Tocbter der Natur. Wehe wenn sie losgelassen Wacbsend ohne Widerstand Durch die volkbelebten Gassen Wiilzt den ungeheureu Brand Zooals mijne lezers zullen begrijpen, is tegenwoordig de brand in de Kalverstraat hier het onderwerp der gesprekken. Ia langen tijd is het niet aan het vuur gelukt, Amatels veste iu haar centrum op zoo krachtige wijze aan te pakken wel heeft het daartoe dikwijls moeite gedaan, maar steeds stond de brandweer gereed om zijn vernielenden invloed althans tot één perceel te bepalen. Nu ligt het kleedermagatijn van Katten- burg geheel aan den grond de muren die het vuur nog liet staan, gebood de veiligheid omver te halen. Ook van Sehravendijk's welvoorziene winkel is zoo goed als niets gespaard gebleven op de plaats, waar nog zoo korten tij.l geleden menigeen scond te hopen dat St. Nicolaas voor hem hier zijne inkoopen zou doen staart het oog thans op verkoolde balken en zwart geblakerde muren. Het hotel Suisse mat zijn sierlijken gevel heelt ai evenzeer de waarheid moeten ondervinden van Schiller's woorden uit het scboone „Lied von der Glocke die wij hier boven plaatsten de bovenver dieping daarvan is geheel een prooi der vlammen ge worden. Het is een somber gezicht, dat het tooneel van den brand aanbiedt. Honderden by honderden verdringen zicb daar dagelijks en zachtjes vraagt men daar aan oikaader; Is hij al gevonden! Want ook deze brand heeft zich weder niet alleen met het leveDlooze tevreden gesteld, een knaapje, dat op de bovenste ver dieping sliep, heeft zich niet bijtijds weten te redden; toen de brand ontdekt werd, was het te laat om hem ter hulpe te snellen nu hebben zijne ouders naast hen verlies van hunne bezittingen ook nog dat van hun achtjarigen lieveling te betreuren. Waartoe ons te verdiepen in de oorzaak van het ongeval r Kattenburg beschuldigt Scbravendük eu Schra- vendyk zegtdat de brand bij Katteuburg is ontstaan wie zal uitmaken welke partij gelijk heeft Zoo lang het nauwkeurige onderzoek door bevoegde per sonen ingesteld, nog niet is af'geloopen, doet men zeker het verstandigstzijn oordeel op te schorten. Doch we mag men zich afvragen hoe zulk een brand mid- ea ln mogelijk is geweest bij de inderdaad voortreffelijke inrichting van de brandweer. Het is waar, a deze eerste gealarmeerd istoen het perceel van Kattenburg reeds in volle vlam stond maar ook toeu moet er nog vrijwat tijd verloopen zijn eer de spuiten water gaven. Inderdaad, bier is etn streng onderzoek van het uiterst gewicht; blijkt het, dat meu zich aan p ïchtverzuim heeft schuldig gemaaktdan schrome meu nietstreng bestraffend op te tredenopdat de amsterdamsche burgerij het vertrouwen behoude op haar b uschmiddelen die anders te recht de bewondering van iedereen opwekten. Het zijn flinke lieden, die brandweermannen I Men behoeft ze alleen maar te zien zitten op de in vliegende vaart voortgetrokken spuiten om respect te krijgen voor hun forsch uiterlijk. En dao moet meu ze eeus zien in hun strijd tegen het verslindende elementAls katten zoo vlug klauteren zij naar de plaatsen waar zij het vnur het krachtigst Kunnen aanvallen en hoe vaak de vlam men ook trachten om haar prooi die het water haar ontwrongen heeft, weder aan te pakken, de brandweer mannen verschalken zij nietde standpijp wordt naar haar gewend en sissend van ergernis worden zij door het water verstikt. Dan rijdt de brandweer in triomf weder weg en menig oog rust dan met welgevallen op de kloeke vertegenwoordigers van het Hollandsche ge slacht. Iu de bewaarplaatsen der spuiten staan steeds twee paarden getuigd en de mannen geheel gereed om uit te trekken, daar bereikt een brandsignaal hunne oorennauwelijks hebben zij het geluid gehoordof reeds klinkt de luide bel van een wegsnellende spuit en de brand is meestal bedwongen voordat het vuur gelegenheid had te toonen hoe weinig hef geeft om

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1889 | | pagina 1