PAKIJSCHE BRÏËYËS". zal de gemeente te minder aanleiding hebben om ooit aan opheffing van het muziekkorps te deDken of eene andere plaats voor de gemeentelijke muziekuitvoeringen uit te kiezen, dan juist in de onmiddellijke nabijheid van de buiten-sociëteit. Dan immers loopen beider belangen ineen. Dnsdoende zullen de goede hoedanigheden, de deugden van de nieuwe Vereeniging »Alkmaarsche Buiten-Socië teit" tegelijkertijd hare wapenen zijn. Parijs, 18 Januari 1898. III. Het jaar begint in de duisternis. Wij zien niets. Bui ten op straat hangt een dichte mistzoo dicht en ge vaarlijk dat wij liever te voet naar huis gingen dan don trein te nemen. Op de drukke punten der stad met al de lichten van koffiehuizen en winkels hebben wij niet te veel last van den nevel doch in de meer opene bui tenwijken luisteren wij op eiken hoek eener straat of bou levard aarzelend of de rijtuigen van links of rechts, van voren of van achteren ons zullen omwerpen. Gelukkig de paarden loopen stapvoets, en de koetsiers houden hunne beesten bij den teugel. Waarlijk, strenge koude hadden wij nog niet, de thermometer daalde slechts eonige gra den onder het vriespunt sneeuw en ijs bleven achter wege doch mist en duisternis kregen wij te veel. Het is of de natuur onze innerlijke gemoedsstemming wil be geleiden. Want moreel gesproken tast toch geheel Parijs in het duister. Het is of men er van alle kanten genoe gen in schept de menschen in het onzekere te laten. Natuurlijk doelen wij hier op de zaak Dreyfus over die zaak als rechtspraak willen wij heden niet spreken de lezers zullen er thans wel genoeg van weten om het met ons eens te zijn wanneer wij verklaren uit die ge- heele affaire niet wijs te worden. Doch de beweging ten gunste van den veroordeeldewelke in slechts een paar dagbladen begon en welke door de groote meerderheid der parijsche couranten werd veroordeeld en tegengewerkt, is thans op de straat overgeslagen. Evenals indertijd de camelots liedjes zongen ten gunste van generaal Boulan- gerevenzeer hooren wij thans zingen tegen Dreyfus tegen ZolaScheurer Kestner en tegen de joden in het algemeen. Gewoonlijk zijn het twee of drie camelots, straatventers, die samen deze liederen zingen, en bij elk couplet houdt een hunner eene korte toespraak tot de om standers, ongeveer in dezen trant»let wel op, het vijfde couplet, Zola de vader van Nana, de minnaar van la Mon- »quette waar »mélasse" (stroop, maar men bedoelt een »minder fatsoenlijk woord) ismoet hij zijn neus steken'' daar hebt gij het portret van den youpin Dreyfus" »twee sous maar zoo er een youpin (smous) onder de „menigte is, betaalt hij 1 franc 50 centimes,'' VerschiD lende groepen van studenten en leegloopers trekken door de straten en schreeuwen »weg met Zola weg met de joden leve het leger, leve Frankrijk", en beproeft maar niet »leve Zola" te roepen, zoo gij niet honderden vuisten en rottingen tegen u wilt zien opheffen. Intusschen zijn niet allen tegen den grooten schrijver gekantintegen deel van vele zijden ontvangt hij brieven en telegrammen, welke hem gelukwenschen met zijn moedig gedrag de courant l'Aurorewelke den brief van Zola aan den president Felix Faure openbaar maaktobevat tevens twee protesten tegen de wijze waarop de processen Dreyfus en Esterhazy gevoerd werden en deze protesten worden nog iederen dag geteekend door leden van de Académie van het Instituut door schrijvers, doctoren, rechtsgeleerden door menschen van wie men waarlijk niet beweren kan dat zij door het syndicaat Dreyfus betaald worden. Het is hier trouwens de ongelukkige gewoontedat men ons altjjd wil wijs maken dat de menschen die eene andere meening zijn toegedaan nood zakelijk verraders zijn en hunne stem en meening ver kocht hebben. Men heeft steeds den mond vol van de vrij heid van denken schrijven en spreken doch wil die vrijheid slechts voör zichzelven wie anders denkt, moet noodzakelijk een ellendeling zijn. Men heeft waarlijk lust al die lui toe te roepen szooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten", want leest men hier de bladen van verschillende richtingen dan zou men tot het besluit komen dat de joden en vrijdenkers geen vaderland hebben dat de protestanten meer honden van Engeland en van den bijbel en dat alle katholieken noodzakelijk clericalen en ultramontaneD zijn,-- Maar de meest onverdraagzamen van allen zijn toch de anti-semieten, en deze hadden gis terenavond in de groote zaal van Tivoli-Vauxhall eene vergadering belegdwaar misschien wel zesduizend an deren zeggen tienduizend personen tegenwoordig waren. Deze zaal is gelegen rue de la Douane, dicht bij de groote Place de la République, de zaal is buitengewoon groot, doch het was er eivol, want het publiek had de grootste deur van buitenaf opgerukt, en zoo was in een oogwenk het geheele gebouw gevuld. En men heeft er vreeselijk huis gehouden. Eene kleine groep revolutionairen en anarchisten maakt zieh meester van een vaandel, scheurt er het blauw en wit afbindt het rood aan een stok, en nu gaat het met de roode vlag voorop in optocht door de stampvolle zaal. Het is een oorverdoovend leven, men hoort de kreten »Vive l'armée a bas les Juifs", waarop de kleine groep anarchisten antwoordt met het zingen van de Carmagnolehet regent stok- en vuist slagen zelfs de messen worden getrokken de geheele zaal is een waar slagveld. Eindelijk heeft men Tivoli verlatende manifestanten verspreiden zich over de boulevard de kreten »Mort aux Juifs", vive la Libre Parole" weerklinken voor de bureaux van dit anti semitische dagblad op de Place en in de Avenue de 1' Opéra maakt de Garde Republicaine eene charge in volle galop en vele manifestanten worden door de paarden omvergeworpen. En dit alles bij zware mist, hoe ele personen gewond werden is moeilijk te weten. En nog minder weten wij waar dit alles heen moeten zonder ons verder met de politieke zijde van de zaak Dreyfus te bemoeien, gelooven wij dat de geschiedenis streng zal zijn in haar oordeel tegen allen die medewerkten aan een proces waaraan de wet totaal vreemd bleefen tegen hen die het volk opruien tegen een deel hunner landge- nooten tegen de joden omdat zij van een ander ras en geloof zijn. Na de joden liggen de protestanten aan de beurt velen koppelen hen nu reeds samen. Volgens de berichten in de dagbladen worden in alle groote fransche steden betoogingen gehouden tegen de Israëlieten en Zolawellicht loopt alles nog met een sisser af want onder de manifestanten zijn er velen wien het alleen te doen is om eens prettig te schreeuwen en drukte te maken men denke slechts aan de woelige tijden van generaal Bonlanger, toen dachten wij ook ieder oogenblik aen het uitbreken van een burgeroorlog en toch liep alles beter af dan men durfde hopen. Bijzonder fraai was Zondag de groote betooging ter eere van generaal Saussier den afgetreden militairen gouverneur van Parijs. Honderd zes en twintig veree- nigingen defileerden op de place Vendöme voor het hotel van den generaal het waren de soldaten van het ver- ledene en van heden, eu allen kwamen den ouden ge neraal het bewijs brengen van hunne liefde voor leger en vaderland. Het waren de oudstrijders van de Krim en van Mexico de soldaten van Gravelotte on van den Rijn de verdedigers van Belfort de Lyre van Elzas- Lotharingen do vroegere Zouaven de verdedigers van Parijs, de Gauloise, de Fanfare parisienne, Pro Patria enz. enz., >n nadat allen het balcon voorbijgetrokken waren, moest de generaal nog vele malen zich opnieuw aan het publiek vertoonen, hetwelk hem luide toejuichte. Nog ont ving generaal Saussier eene fraaie bronzen groep »La défense du Drapeau", benevens een Livre d'Or of gouden boek, bevattende de namen van alle groepen en vereenigingen welke hunne instemming betuigden met deze fraaie ma nifestatie. Het toont tevens dat de Franschen nog altijd veel houden van hun leger, zij gevoelen behoefte hun leger en de generaals te vereeren, wij zijn in de derde repu bliek, doch gelooven dat zoo men iederen Franschman kon afkrabben dan zou men onder het dunne laagje liefde voor vrijheid, gelijkheid en broederschap, bij negen tienden der Franschen eenen vereerder vinden van den grooten Napoleon. Men moge het jammer vinden, men moge hier nog zoo hard spreken van de weldaden van vrede, rust en beschaving, in hun hart zouden de meeste Franschen liever een generaal hebben, die hen ter over winning voerde. met afkeer te vervullentoen zij voorbij een schouw burg kwamen, en hij den naam van een welbekend acteur las, toen eerst verhelderde zich zijn gelaat en kwam zijne tong los. »0 1" riep hij uit, »speelt Washington daar Is dat zijn eigen schouwburg »Ja, zeker," zeide Sir Matthew»je moogt er eens 's avonds heengaan." >0, dank u!" zeide Ralph verrukt. vHoe vreeselijk lief van u. Vader heeft mij eens naar Southampton mee genomen, om hem te zien spelen in »de Klokken." Het was prachtig het was een droom, weet u, men zag alles duidelijk voor zich. Hij droomde van het gerechtshof, en het was steeds zijn eigen geweten en de wroeging die hem kwelden, omdat hij den reiziger in de slede gedood had. Ik dacht dat ik bij het einde stikken zou, toen hij meende dat hij gehangen werdhij zegt alleen nog maar weet u, in een snik, »neem den strop van mijn nek 1" en dan valt hij dood neer, en het stuk is uit. Ik was toch zoo blij, toen ik uit die donkere zaal naar buiten kwam, en de zon scheen, en alles er even vroolijk uitzag als altijd, en te weten dat al die vreeselijke ellende niet werkelijk waar was." »Niet waar?" zeide Sir Matthew peinzend. »H'm" hij keek met een soort van afgunst naar den open, on- schuldigen blik van den knaap, en wendde het hoofd af of hij in zijne eigene gedachten verdiept was, of naar de zwarte menigte keek, valt moeielijk te zeggen. Zij hielden voor een huis in Bowstreet stil, waar hij eenige inlichtingen moest vragen, en Ralph was weldra in een aangenaam gepeins verzonken, waarin de beroemde toonpelspeler als held verheerlijkt werd, waarna hij plotse ling tot de naakte werkelijkheid werd wakkergeschud, toen de hansom eindelijk voor een huis in de Queen Anne's Gate stilhield. »Veeg je voeten af," zeide Sir Matthew, op zijn ge wonen levendigen, gebiedenden toon. Ralph gehoorzaamde en zag tot zijn groot vermaak dat hetzelfde bevel in groote letters op de mat geschreven stond. Wanneer ik een eigen huis heb," dacht hij, »zal er eene mat voor de deur liggen met »Welkom" er op. Dan zullen de menschen weten dat ik zeer blij ben hen te zien, en dat ik niet eerst aan mijne tapijten denk." Sir Matthew stond intusschen met een grijzen huis knecht te spreken Ralph boorde slechts het laatste ge zegde En laat iemand aan jongenheer Denmead den weg naar de leerkamer wijzen." De huisknecht keek naar het kleine verlaten ventje in zijne zwarte kleeren. »Fraulein en juffrouw Everald zijn uit, mijnheer," antwoordde hij, daar hij dezen bedroefd uitzienden knaap niet in de eenzaamheid van de hoogere verdieping wilde zenden. »0, dat is goed, ga dan maar liever met mij mede, Ralph," zeide Sir Matthew, en hij ging hem voor, den trap op. De knaap keek bij het binnentreden zenuwachtig rond. Dit was niet een van die huiselijke, gezellige, veel gebruikte salons, zooals hij e in Westbrook Hall had liefgekregen, maar eene groote zaal, door eene welbekende firma, in den nienwsten stijl gestoffeerd, en met even weinig ziel en individualiteit als eene Parijsche pop. Verscheidene personen waren aanwezig. Lady Maeta- vish, eene ontevreden uitziende dame, met kleine wan trouwige blauwe oogen en zenuwachtige manieren, schudde hem de hand en keek hem van onder tot boven misnoegd aan, alsof zij zich zelve afvroeg wat zij in hemelsnaam met hem beginnen moest. »Janet," riep zij, zich tot hare oudste dochter wendend, »dit is de zoon van dien armen mijnheer Denmead." Janet, een knap meisje van vier er twintig jaar, met eenigszins scherpe trekken, kwam naar hem toe en schudde hem de hand, maar hare koude lichte oogen die onder rood haar te voorschijn kwamen, keken hem onvriendelijk aan. Zij gaf hem dadelijk aan hare jongere zuster over, die aan het andere einde van de kamer zeer gezellig met een officier van middelbaren leeftijd zat te coqnet- teeren (Wordt vervolgd.) Weder werd een galante vrotrw vermoord gevonden, in andere tijden zou dit veel ophef maken, doch thans kunnen wij volstaan met deze eenvoudige mededeeling. Alles wat niet op de zaak-Dreyfus betrekking heeft, schijnt thans in parijsche berichten niet tehuis te hooren. J. M. T. Ken Franschman over onze Konfnglnf George Vanor, die onlangs in ons land voor ver schillende afdeelingen van de Alliance Framjaise" gecau- seerd heeft, geeft nu in den Gil Bias enkele aanteekenin- gen over Holland. Na een inleiding over de werken van Gornelis Troost, geeft hij enkele zeer eigenaardige bijzon derheden over Nederlandsehe journalistiek en begint dan plotseling een enthousiasten lof van koningin Wilhelmina. O, de lieve kleine koningin, die in alle Hollandsche harten gekoesterd wordtroept hij uit. Drie jaren geleden, heb ik Haar bewonderd, bevallig en ernstig, met het lieve voorkomen van klein meisje, dat een groote konin gin zal worden. En nu heb ik Haar teruggezien als een dame, die, o, zoo goed de waarde van een glimlach kent als er een vreemdeling voorbijgaat en van twee glim lachjes als die vreemdeling een Fransehman is Vanor vertelt van Hare populariteit. Hij zag Haar beeltenis in alle winkels en te Rotterdam heeft hij den bioscoop zien vertoonen. Toen ten slotte het reusachtig portret van Koningin Wilhelmina op het doek geworpen werd, brachten de drieduizend bezoekers Plaar een betoo ging, zóó innig-hartelijk, dat het mij toeleek een volk te zien van Ruys-Blas, innig gehecht aan zijn koningin. Hij heeft Haar gezien in het Haagache bosch, men nend een vierspan met de zekerheid van een Romeinschen wagenvoerder. Haar rijtuigje rolde tusschen de boomen, hoog en slank als pilaren in een tempel, van dit kleine bosch, ontbladerd door den winter en een zachte zon be- glansde de wegen als om een feest van het bezoek der koninginne te vieren. Voor de morgenwandelaars ging zij heen als een belofte van geluk, als een zonneverschij- ning, die zich verloor in de stille diepten van het woud; lachend visioen van een moderne Diana, die morgen ge kroond wordt Vanor's Fransch hart is beklemd bij de gedachte aan de mogelijkheid, dat een prins uit Duitschland het Doorn roosje wekken zal Kantl verhuizing. De landverhuizing uit Duitschland bleef in 1897 ten achter bij alle voorgaande jaren 3edert 1874. In het geheel vertrokken over Duitsche havens, Antwerpen, Rot terdam en Amsterdam 23,220 te en 32,114 in 1896, 37,498 in 1895, 40,964 in 1894, 87.677 in 1893. Daar tot 1880 terug het aantal landverhuizers niet beneden de 80.000 daalde en in 1881 zelfs 221.000 bedroeg, valt er dus in de laatste vijftien jaren een sterke verminde ring van het aantal landverhuizers te constateeren. Van de landverhuizers in 1897 gingen er 9560 over Bremen, 8800 over Hamburg, 440 over Stectin, 3770 over Antwerpen, 584 over Rotterdam (tegen 1030 in 1896) en 66 over Amsterdam (tegen 114 in 1896). Behalve de Duitsche landverhuizers vertrokken uit Duitschland in het afgeloopen jaar nog 64,420 buiten landers naar de Nieuwe Wereld. lloet als meststof. Roet uit schoorsteenen, kachels enz. is een mest stof die aandacht verdient. Maar men moet er zooveel doenlijk op letten, dat men goed roet heeft, d. i. met niet te veel asch gemengd, of ook wel met andere din gen, want er is zelfs vervalscht roet m den handel. Vooral goed is roet, dat boven uit schoorsteenen is verzameld. Boven het einde van de kachelpijp bevat roet de meeste asch, door de asch uit de kachel die met het roet wordt meegevoerd. Negen deelen roet met één deel zout (keukenzout) ge mengd, geven een voortreffelijken mest voor tuinen. Be winter 189?J98. De winter van 1897/98 zal als een merkwaardigheid worden geboekt in de annalen der weerkunde. Wij schrijven Januari en in het Vondelpark tooien reeds enkele struiken zich met een nieuwen bladerdos. Uit Frankfurt wordt gemeld dat bloeiende violen, leven de vlinders en meikevers geen zeldzaamheden zijn. De ooievaars keeren reeds uit het zuiden terug. Te Grüna is er reeds een op zijn vorig nest aangekomen. Op oen weide te Altgersdorf werd den 2den Januari het eerste gras van het jaar gemaaid. In bet Scharzwald is het des middags zoo warm ais in Mei. Op zonnige plaatsen vertoonen zich reeds groene spruiten aan de struiken. Op de weiden bloeien ganze- bloemen en primula's op een hoogte van 900 meter. Slechts aan den mist kent men den winter weêr en wat hij in veelvuldigheid te kort schiet, vergoedt hij aan sterkte. Iets van een SO jaar geleden. In een verg. van het Oudheidkundig Genootschap hield Mr. E. J. van Someren Brandt dezer dagen te Amsterdam een lezing over >De jongste oudheden. Daarin zei hij o. a. »Den Helder was vóór 1830 bepaald een idyllisch plaatsje plaveisel kende men er nog niet en de meisjes droegen wel eens steentjes in een hengselmandje mede, die ze in de plassen legden om er dan over te wippen, als zij nl. bang waren dat haar schoentjes en witte kous jes nat werden. In dienzelfden goeden tijd werd aan de grootmoeder van spr. door den dokter een toen z,g. wonderpoeder" toegediend, waarvoor een ducaat betaald moest worden. Die wonderpoeder" was een poeder Kinine, die destijds in zwang kwam. Het jaar '30 was wel een vreeselijke tijd. Spr.'s groot vader deed toen zijn eerste stap op zijn militaire loop baan, door voor 't Oost-Indisch Huis de wacht te betrek ken, gewapend meteen stok met langen spijker er in. In dien zelfden tijd gingen bij zwaren mist de dienders aan de huizen aanzeggen, dat de ingezetenen al hun kaarsen (natuurlijk brandende) voor de ramen moesten zetten en touwen langs de grachten spannen, een maat regel, die lang niet verkeerd was. De Nieuwmarkt was toen nog de plaats, waar mis dadigers werden terechtgesteld. Tegen de Waag werd het schavot opgericht, waar de misdadigers werden gehangen of gebrandmerkt.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1898 | | pagina 2