Pil üHMar Maal ail iDiaflen Alice van Westerhove. DAGBLAD Honderd en achtste jaargang. VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. ZATÜEOAC 24 FEBRUARI, Van Week tot Week. Amstenlamsche Brieven. FEUILLETON. s"ets°Areh"'TSt hetiJzij'n' dus Maanda*- Da» hadden Deze Courant wordt eiken avondbehalve op Zon- en Feestdagenuitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f 0.80franco door het geheele Rjjk f I,— Afzonderlijke nummers 3 Cents. Prijs der gewone advertentiën Per regel f 0,10. Pij groote contracten rabat. Groot» letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N.|V. Boek- en Handelsdrukkerij Telefoon»water 3. v h- ^FRMs. COST ER ZOON Voordam C 9. Samen werking. Al wat den bloei eener gemeente kan bevorderen, wat strekken kan haar meer en beter te doen kennen door den buiten wonende, heeft recht en aanspraak op de belangstelling der burgerij eene belangstelling die zich evenwel niet moet bepalen tot platonisohe bijvalsbetuigingen, maar zich moet omzetten in daden in medewerken, in steunen. Dat is niet alleen in 't belang der gemeenschap maar ook in dat van het individu. Het is een wet van gezonde Staathuishoudkunde, dat het geld, hetwelk van buiten in een land, dus ook in een stad, komt, den algemeenen rijkdom verhoogt, de welvaart vermeerdert; terwijl het geld, dat naar buiten gaat, het tegenovergestelde uitwerkt. Deze onmiskenbare wet wordt maar al te veel over het hoofd gezien, vooral in onze stad, en daaraan meenen wij het dan ook te moeten toeschrijven, dat, in t algemeen gesproken, zoo weinig steun en medewerking bij de burgerij wordt gevondon, als iets wordt beraamd om het vertier in onze stad te bevorderen, feestelijkheden in te richten die vreem delingen herwaarts kunnen lokken, in één woord, geld van buiten af in de stad te brengen. Enkele guldens in 't jaar beschikbaar gesteld om de Vereenïgingen te steunen, die ten doel hebben het vreemdelingenverkeer te bevorderen of althans door den aard van haar werkkring daartoe kunnen medewerkenzouden zeer veel mogelijk maken wat nu moet nagelateu worden, omdat haar geldmid delen zulks niet toelaten, en de steun, dien zij bij do burgerij zoeken, zoo gering is, dat hij niet in aanmerking kan komen. Hoe vaak hoort men niet zeggen, als er bijdragen worden gevraagd^ voor een zaak van algemeen bel »ng wat heb ik daaraan P Dat is goed voor A en B, die profiteeren er van maar ik, ik heb or veeleer nadeel van, want alles loopt uit om naar de feesten, den optocht, de tentoonstelling enz. te gaan zien, en mijn winkel blijft even leeg als mijn geldlaadje. Kortzichtiger en bekrompener redeneering als bo ven aangehaalde, die geen fantaisie maar treurige werkelijkheid is, kan moeielijk uitgedacht worden. Natuurlijk kan niet elke neringdoende onmiddelljjk voordeel hebben van de feesten of vermakelijkheden die in de stad georganiseerd worden om haar bloei te bevorderen niet ieder zal des avonds, zijn winkel- laadje ledigende, er een groottr bedrag in vinden dan hij gewoon is zelfs het tegenovergestelde kan waar zijn en doet zich vaak voor maar is dat nu een bewijs dat hij er later geen voordeel van zal hebben P Een goed ingerichte feestelijkheid, hetzij deze bestaat in Bloemencorso, Reclameoptocht, Harddra verij of wat dies meer zij, zal, zoodra zij een grooten toeloop van buitenlieden naar de stad trekt, een onmiddellijk en niet te versmaden voordeel opleveren voor een zeker aantal der burgers, er komt meer geld in de stad, de algemeene welvaart wordt er door bevorderd, de koopkracht van eenigen aanmer kelijk verhoogd en dit brengt natuurlijk mede dat alle burgers, in meerdere of mindere mate, van die verhoogde koopkracht zullen profiteeren. Wat een direct, een tastbaar en momenteel voordeel voor eenigen was, wordt een indirect, niet altijd terstond merkbaar, maar niettemin zeker en niet weg te cijferen voordeel voor allen. De mensch is immers geen eenling in de maatschappij, maar een schakel van den langen keten, die alle burgersou- scheidbaar verbindt. TT Wij vinden het een verblijdend teeken dat zioh in onze stad vereenigingen hebben gevormd die, zij liet ook langs verschillende wegen, toch in een punt elkander ontmoeten, n.l. daar, waar bet geldt het vertier, het vreemdelingenverkeer te bevorderen En de laatste jaren hebben bewezen dat, wanneer de medewerking der burgerij haar er toe in staat stelt wanneer vrijwillige bijdragen haar kas steunen, er veel goeds kan tot stand komeD, er veel bereikt r^at ,meu vroeSer algemeen voor onbereikbaar hield Dit alleen staaft het bekende gezegde Where there is a will, there is a way. Als men wil kan men alles. Waarom mij dit alles schrijven? Om geen andore reden dan om de burgerij zoo mogelijk te doen zien, dat een bekrompen egoïsme een altijd in de eerste plaats denken aan eigen voordeel, nu juist niet de weg is om de zaken blijvend te doen prospereeren. Laat men toch van deze groote waarheid doordrongen zijn, dat hoe ineer geld men naar de stad weet te lokkon, des te meer ook alle zaken zullen bloeieu. Er zjjn groote plannen in 't verschiet, waarvan reeds in algemeene termen de aard en strekkin» bekend zijn. Men wil hier gedurende eenige dagen een „Uud Alkmaar oprichten onze stad in miniatuur weergeven, zooals zij twee eeuwen geleden zich voordeed, met haar typische geveltjes, haar kleine in lood gevatte ruitjes, haar luifels en al dieeigeu- aardigheden welke onze oude Hollaudsche steden een cachet van originaliteit gaven, welke men te vergeefs in eenig ander land ter wereld kon vinden eigenaardigheden die nog nu, in de weinige exem plaren welke ons zijn overgebleven, de belangstelling opwekken van den vreemdeling, die onze stad bezoekt Zou zu k een streven niet ten volle verdienen de belangstelling, de medewerking, den steun van allen. Algezien nog van de groote finantieele voordeelen welke daaruit voor de burgerij kunnen voortvloeien, zou reeds de onkele idee, het oude Alkmaar te zien lerrjjzen, voor allen een spoorslag moeten zijn tot medewerking. XV. Een belangstel lend lezer der Amsterdamsr.be brieven deed mij een verzoek, dat, hoe vereerend ook mn in met geringe verlegenheid bracht, ZEd. vroeg'mn n.l. een korte, doch heldere uiteenzetting van de eleclrische tram te Amsterdam. Als niet-deskund.ge op electrisch gebied was het my echter tot mijn leedwezen onmogelijk aan dat verzoek te voldoen. Om mjjn vriendeljjken lezer ROMAN Dooa A.Vï OA SMIT, Sohrijvervm Dokte,Duquesrm, GelukzoekersVnendBarte.a. 44) geweest" hif'zilf l u Hi Ze'^ was de n'et eenvoudige d« weelde deer d?n ombirt '"hs" hS™1"™ d"°r langd. terwijl ,jj O, nu lachte hem alles weer tegen l Haastig kleedde hij zich uit, doofde de kaars en »in» van haar°m haar' onj er Zoomen En hij dacht aan morgen, als zij elkander zouden ontmoeten aan het ontbjjt. Gênant het bjjzfin van de anderenAlleen een wisseling zou het tusschen hen beidjes zyn van verstolen oogblikken en verborgen toespelingen op hun naderend geluk. - a het ontbjjt wat een genot, dat hu' moro-Pn eerst om tien uur les had zou Toos - die had nog al tact - hen wel een tijdje alleen laten. Zoo niet dan zou hy zyn Alice meetroonen naar de studeerkamer - biets had om negen uur al les - en dan - O, van avond hadden alleen hun oogen het elkander toege- glansd, maar morgen g Wat zou hij dan tro'sch gelukkig naar het gymnasium gaan Zy zou hem wel brengen. Gearmd Neen dat Lam"'61' engagement diende eerst publiek to zjjn. Maar overmoigen, als pa en ma thuiskwamen dan goed, best, al was het dan ook niet publiek - dan zeuden zy op het perron gearmd hun tegemoet gaan! Wat zouden ze verbaasd opkijken, wat zou ma's wip neusje wippenI Wat zou zjj ook trotsch gelukkig zjjn! Ma wou ook zoo graag de hoogte in. En pa? ?°°ide zifh om in zijn bed, en zuchtte. Daar adt je het weer I Alweer een schaduw! Pa zou verrast kiik'nn a ma, maar niet bljj. Ernstig zou hy daarna kyk„n en blyven kyken gedurende de wandeling naar geschreven. Z°" denken» Wat hg Zgn brieven had En hij zou zjjn Dirk zoo gauw mogelijk apart nemen en hem uit het diepste van zijn hart beklagen, dat zn het tot een engagement had laten komen. Het sprak immers vanzelf, dat het weer af zou raken I «Een beroerde boeU mompelde Dirk. Toen, in drang alle schaduw te verdrijven, ging hy na, hoe hjj zijn vader tot andere gedachten zou brengen. Hjj zou be ginnen met het karakter van zijn Alice te teekenen vooral haar eenvoud. En dan? Dan zou vader „0g ernstig blyven kijken, en zeggen, dat de freule de familie van haar man meetrouwde, behalve de oudelui, ook de ooms en tantes en neven en nichten. overtMl«Z0Cht' z°cllt- boe hÜ 2>Jvader zou kunnen overtuigen Ha, daar had hjj er iets op gevonden, maar tegelyk zuchtte hy diep. Een ellendig middel, wan aJs hy hel wou aanwenden, zou hjj het goddelijk ge uk, dat hy zich voorgesteld had morgenochtend reeds te zullen genieten, moeten uitstellen. Soit, hij zou het ,mocbt £een angst voor de toekomst hebben liefhad. g Va" Zijn j°ngen' dlen hÜ 200 Hoe lang zou het uitstel duren? Laat zien, wanneer r,°" "lldde' aangewend worden Morgen kon het 7fltA.HQ^ i en hy hadden allebei vier uur les; ZomlHo-g kwamen de oudelui dus dan ook niet; g' neen> Toos was dan jarig, en een da» iinr nü i5 ?en mlddag vr<j. 's ochtends ieder twee gebeuid° ondeu omgezet worden; dat was wel rneer en^hii niaand7g' fandag zouden Toos en Siets, Alice dat hH huo ^aandam gaan. Aan Alice zou iiij zeggen, zien. GoedF «l?6, tyRlscha !)laats 100 graag eens wou laten y zouden het doorwandelen en zy zou er J evenwel niet te leur testellen, heb ik mjj tot een koetsier Ier Amsterdamsehe tram gewend, die zich onmiddellijk bereid verklaarde, de gewenschte uiteenzetting te geven en wien ik dan ook dezen keer het woord verleen."Mijn aandeel aan hetgeen er thans volgt bestaat alleen in het verbeteren der meest zinstorende taalfouten in het schrijven van mjjn deskundige. Mynheer de Redacteur, Ik had, om u eerlijk de waarheid te zeggen, nooit gedroomd, dat ik nog eens van m'n leven in de krent zou schrijven, 't Kan al raar gaan in de wereld I Non al zeg ik 't zelf, ik ben m'n Hollandsch nog niet. ver geten jonge nee I En al zal ik natuurlijk van tijd tot tyd wel eens een rare schaats slaan, ik maak me tóch sterk, dat ik m'n brief tot een goed einde zal brengen Wel zeker - ieder in zn vak! Kyk. M d e R Tk ben niet gewoon, een blaadje voor m'n mond te nemen aPneem ik van tijd tot tjjd een blaadje in m'n mond en daarom zeg ik ronduit, dat ik niet geloof, dat uw gewone Amsterdamsche briefschrijver iets van de eiec- trische tram zou hebben terecht gebracht. No» eens ieder in z'n vak en hij is heelemaal geen vak mensch! dat weet ik positief. En ik zegmaar; waar je alle dagen mee omgaat, daar zal je toch op 't laatst wél zoo'n klein beetje verstand van krijgen; wat zegt u, M de R Zoo wil ik wel eerlijk bekennen, dat ik er maar geen hoogte van kan krijgen, hoe jullie Redacteurs eiken da» zoo'n krant in mekaar krijgt; en hoe jelui dat.allemaal weet van oorlogen en ziektes en wat er in Pary's gebeurt en in Londen en in Rusland en in de Oost en overal en hoe jelui ons dat allemaal 7.00 deftig en zoo netjes weet te vertellen, zoo net of jelui d'r zelf bij geweest bent; en hoe jelui aan al die mooie verhalen komt en die grappige moppen in de Zondagsbladpn. Klaas (dat 's m'n kameraad, moet u weten) zei laatst: «Gerrito (dat ben ik, ziet u?) «dat verzinnen die heeren van de krant maar zoo'n beeije.» Maar ik zei: «Klaas. praat in nou waar je verstand van hebt. Hoe weet je dat nou?» «Gerrit», zeid'ie, «zulke mooie verhalen en zulke leuke moppen gebeuren d'r toch niet elke week!" - »Klaas.« zei ik, «de wereld is grooter dan je denkt en gebeuren e niet in den eenen hoek. dan toch in den anderen Zoodat ik maar zeggen wil. M. de R„ dat ieder in z'n vak moet b'jjven en dat het spreekwoord van den schoen maker. die 'm bij z'n leest moet houen, maar een prachtig uitvindsel is geweest Meneer de Amsterdamsche briefschrijver, heeft me dan gevraagd, of ik voor uw lezers eens een explikaasje w,,u geven van de electrische tram en ik zei„Kijk meneer verwaandheid vind ik het allermiserabelste wat ik ken' maar als u me vraagt, of ik 111e in staat reken de goeie menschen in Alkmaar dat zaakje eens netjes aan d'r verstand te brengen, dan zeg ik ronduit: Meneer, hier is je man en je kan nooit beter vragen dan aan iemand, die, om zoo te zeggen, met de electriciteit opstaat en er mee naar bed gaat». Is 't waar of niet, M. de R.? Tk zal dan voor de duidelijkheid m'n redeneering in verschillende deelen splitsen, net als de dominee in de kerk en eerst de vraag behandelen Wat is electriciteit? Ziet u, daar zijn ze 't heelemaal niet over eens. Som mige menschen zeggen't is een vonk, want je ziet 'm van den^ draad op den beugel overspringenanderen zeggen: t zyn vlammen, want je ziet ze om de wielen spelen. Maar dat is allemaal niet de echte electriciteit M. (je R., dat zyn d r, om zoo te zeggen, maar de uit vloeisels van. De echte electriciteit kan je heelemaal niet zien, net zoo min als het gas, dat ja 's avonds brandten ruiken kan je 'm ook nietdat 's nou weer een verschil met het gasmaar zooveel te beter kan je m voelen en ik verzeker u. dat je d'r zulke violente schokken van krjjgen kan, dat je voor de wereld ligt, eer je tyd hebt om te schreeuwen. Nu ik dan duidelijk gemaakt heb wat electriciteit eigenlijk is, ga ik over tot de vraag: hoe we d'r aan komen. En dat is al heel eenvoudig. De electriciteit, Md® H wordt gestookt in een groote fabriek aan den Kadyk. Hoe? Nou, ik zou 't een gemeenen streek van me vinden als ik -ei dat ik 't wist. Want ik ben nooit in die fabriek geweest, ziet u? Mijn plaats is voor op de tram. Maar ik denk, dat ze de electriciteit uit steen kool trekken, net als 't gas Klaas denkt, dat ze eerst gas maken en dat ze daar dan allerlei substanties bij noen om electric iteit te krijgen, 't Kan wel waar wezen maar 't kan ook wel mis zijn; want zooals u zooeven kon bemerken, Klaas zegt wel eris meer dan hy ver antwoorden kanvooral als hjj d'r eentje te veel op heeft, maar dat gebeurt hem niet dikwijls. Maar affqn we zullen dan aannemen dat ze de electriciteit klaar hebben. Nou komt er weer een verschil met het gas. Van de gasfabriek gaan buizen door de stad heen, zooals u weetvan de fabriek op den Kadjjk gaanldraden als maar draden en langs die dradon komt de electriciteit waar je 'm hebben wil. Dat gaat deksels gauw. al kan je 't met zien. En nu ik het M. de Rover die draden heb, moet ik er meteen bij zeggen, dat het hier is: Handjes thuis, ten mins'e als er de electriciteit. doorgaat, want als die zoo versch van de fabriek in je lichaam komt en met je zenuwgestel in aanraking komt, zeg dan maat t Is mis met me, want dan ben je d'r geweest en voor goed ook 1 En hoe brengt nou de electriciteit de tramwagens in bnweging Nou, dat kan een kind wel begrypen. U h^bt toch wel die grijze palen gezien die in Amsterdam overal langs de rails staan Nou. die palen zijn hol en vullen zich met de electriciteit, die langs de draden uit den grond komtuit die palen komt ie weer langs de draden boven den grond en daarvandaan gaat ie langs den ijzeren beugel naar de wielen. 'ie beginnen natuur lijk^ dan te draaien en brengen zoo de tram in beweging. I ziet, da' is allemaal eenvoudig genoeg. Maar u zal vragen is dat geen omweg voor die electriciteit: eerst in den grond, dan in de palen, dan langs de bovendraden ,da d naar de wiel.en? Z0ker is dat een omweg. M. de R., maar dat is vanwege het gevaar voor het publiek; want als de electriciteit zoo maar uit den grond op de wielen oversloeg, dan vielen er eiken dag dooien en daar is het gemeentebestuur bij ons op tegen. Boven dien gaat de electriciteit zoo razend gauw, zooals ik u al zei, dat ie, om zoo te zeggen, tegen een omweg niet erg opziet. Als er nu lezers zijn. die mjjn explikaasje nog niet heelemaal begrepen hebben, dan is de beste raad die ik geven kan. he nog eens te lezen. Begrijpen ze het dan nog niet. dan kunnen ze gerust zeggen, dat ze geen aani'g hebben om electrische zaken te begrypen. Natuur- lyk is de zaak altijd wat moeieljjker dan de inrichting van de gewone paardentramdat spreekt. Je legt maar rats, zet d'r een wagen op met een beest 'r voor en Hürt, knol daar ga je Neen, zóo eenvoudig is 't met de e ectrische niet; maar ik denk dat heU met mijn explikaasje wel gaan zal en dat durf ik te zeggen, omdat ik een vakman ben. V raagt u me anders, of ik een voorstander ben van het electrisch bedryf. dan zeg ik eerlykNeen. Dat heeft nou wel met m'n explikaasje niet te maken, rrmar nu tk toch eenmaal aan 't schrijven ben, wil ik toch ook hierin even m'n meening zeggen. Neen. zeg ik, ze hadden die knoileu nooit moeten afschaffen. Mooie beest jes, M. de R., echte Ardennertjes, mak als lammetjes en vroolyk als jonge honden. Maar dat's tot ddér aan toe. Maar weet u wat het verschil is tusschen den electnschen tyd en den knollentyd, zal ik maar op zn koetsiers zeggen? Kijk, toen we nog zoo'n mak Ardenneüje voor den wagen hadden, kon je 't wel slapende af. In elk geval hadt je als koetsier alle gelegen heid om een praatje te maken met de heeren die met je op 't voorbalkon stonden. Ik begon meestal over de peerden; b.v. zóó: «Prachtig beessie, meneer I'' of «Wat loopt ie lekker, hè meneer?" en zoo meer. En ik moet zeggen, de heeren waren altyd vol belangstelling. Nou het typische van zien, maar zij zou meer zien en hooren en dat was het doel van den tocht zij zou kennis maken met de ooms en tantes en ne.enen nichten, die zy meetrouwde, met tante Guurt met haar boerekap op en oom Remmert, die met zijn chais naar de Pui- merender kaasmarkt ging, met oom Bram. die een pet op, klompen aan en een stompje Gouwsche pijp, bun gelend tusschen zyn lippen, naai' zyn molen gmg met nicht Aal die telkens over «loove biene» klaagde en altijd een poes op haar schoot en een trommeltje «alle machtige lekkere taaie» voor zich op tafel hadmet oom Ab, den timmerman, die piuimde. met neef Gerre- 01 and, den verver, liefst als hy daar aankwam met zijn haaksche beenen, in iedere hand een pot verf. Alice, zou zoo mogelijk kennis maken met heel de santekraarn, met al die wel goede, degelyke, maai' tegelyk in burgerlijke en ongeletterde menschen. Siets en hy zouden haar stil observeeien. En als zy dan kennis gemaakt had met hen allen en liy haai' gizegd had, dat zijn oudelui en ook hij zelf heel goed met hen waren, dat zy over en weer bjj elkaar logeerden en zij dan niet het minste blijk van minach ting of weerzin had gegeven, als zy integendeel lief en eenvoudig was geweest, dan kon vader gerust en zoon gelukzalig zyn. Doch in het omgekeerde geval 1 O, er viel niet aan te denken Het was zoo'n vreeselyke proef'1 ln liet omgekeerde geval, zou het uit zijn. Vadei mocht geen ang-U hebben en zy geen berouw Daar had hjj haar veel te lief voor. Veel te lief. hoe zou hjj die drie lange, lange dagen nog door komen Geen woord van liefde, iaat staan een omar min», een kus, mocht hjj zich in dien tjjd vei oorloven. V»ant, hij gevoelde het, als zij die beantwoord had, dan haatte dat gaan naar Zaandam niet meer, dan kon zy haar mooien neus optrekken, haar heerljjke lippen spit sen van weerzin, aan kon zjj lachen, spotten zelfs, dan was hjj de hare, haar siaaf desnoods, voor goed, voor eeuwig I Dus wachten nog, wachten. «Zjj is er alleen,» fluisterde den volgenden morgen Toos Dirk toe. Toos kwam de tuinkamer uit, hjj was op het punt die binnen te gaan. Hjj dankte haar zwijgend met een bevenden hoofdknik, wat ellendig, dat hjj nog zoolang moest wachten l lly zou maar geen Alice z»ggen, want, bjj het uitspre ken al van dien bekoor'jjken naam. zou het hem mis schien zoo te moede worden, dat hjj aan de verzoeking haar terstond te vragen geen weerstand zou kunnen bieden. Dus «freule.» Bovendien, zij had Siets alleen verzocht haar bij baar naam te noemen. Hjj glimlachte om dat zotte argument. Alsof haar oogen het hem niet gezegd hadden Hij ping binnen, en beefde by het zien van haar toilet, den klaprozerooden peignoir, dien zjj dien ochtend aanhad, van haar stralenden oogblik, van haar vlug bevallig opiyzen. «Morgen, freule,» groette hij met een korte hoofd buiging. «Goed gerust tiaar gezicht beirok bij die stijfheid. Toen, bji de ge dachte, dat zij hem gisterenavond niets van bij den naam noemen gezegd had, verdween haar misnoegd heid, straalden haar oogen weer op. «Geen freule meer, als je blieft, hè?» drong zjj, met iets lief smeekends in haar stem en zjj reikte hen» de hand. Hjj vatte die haastig aan, hield haar even in de zjjne en trilde «Heel graag, Alice.» Bij het hooren van haar naam, door hem uitgespro ken, zoo zoet, schier tweesyibig, met iang aangehouden en smeltende is, sloeg zij de oogen in verwarring neer en kleurde een diepe blos haar wangen en haar hals. Bjj dien bedwelmenden aanblik liet Dirk schieijjk haai- hand los en vervolgde kortaf en hard «En ik ben IJf.» Toen liep hij driltig op en neer. Zy onderwyl ging zitten, het hoofd gebogen. Strak keek zjj naar den grond, tranen drongen tiaar in de oogen. Wat klonken die laatste woorden ruw en hard na zyn bevende geiuksuiling, die er aan voorafging I En waarom dat driftige op en neer loopen Wordt vervolgd.)

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1906 | | pagina 1