DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. De Zoon van het Volk. No. 45 Honderd en twaalfde Jaargang. 1910. Nationale Militie. Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor P /ktnaar f franco door het geheele Rijk f 1,— Af >nder!ijke nummers 3 Cents. Prij» der gewone advertentiën: Per regel f 0,10. Bij groote contracten rabat Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Bode- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 0. WOENSDAG 23 FEBRUARI. FEUILLETON. li I i\T N E L A i\ I). Telefeoiuiainftsef 3. Oproeping in werkelijken dienst. Arrondisse ents Rechtbank te Alkmaar. ALKMAARSCHE COURANT. De BURGEMEESTER der gemeente ALKMAAR gelast, krachtens bekomen aanschrijving, den onder- staanden verlofganger, binnen deze gemeente in het register van verlofgangers der nationale militie inge schreven, om zich, ingevolge art. 109 der Militiewet 1901, 's nam. vóór 4 uur, hij zijn korps te vervoegen, als volgt 4e Regiment Vesting-Artillerie, lichting 1909, gar nizoen Helder. 11 Maart 1910: JACOBUS CORNELIS GROOT. Voor zooveel de milicien door ziekte of om eene an dere reden niet tot den werkelijken dienst kan over gaan, wordt hij verzocht daarvan, vóór het tijdstip voor de opkomst bepaald, ter gemeente-secretarie me- dedeeling te doen. De Burgemeester voornoemd, O. RIPPING. Alkmaar, 22 Febr. 1910. HINDERWET. BURGEMEESTER en WETHOUDERS van ALK MAAR brengen ter algemeene kennis, dat heden op de gemeente-secretarie ter visie is gelegd het aan hen ingediende verzoek met bijlagen van J. LIEKELES OEBLES, aldaar, om vergunning tot het oprichten van eene kleedenklopperij, op een terrein, gelegen aan de le Kabelstraat, ten kadaster bekend in Sectie F. No. 884. Bezwaren tegen deze oprichting kunnen worden in gediend ten raadhuize dezer gemeente, mondeling ot Dinsdag, 8 Maart e. k., 's-voormiddags te elf uur en schriftelijk vóór of op dien tijd. Gedurende drie dagen vóór gemelden dag kan de verzoeker en hij, die bezwaren heeft ingebracht, op de secretarie dezer ge meento van de terzake ingekomen schrifturen kennis nemen. Alkmaar, 22 Februari 1910. Burgemeester en Wethouders voornoemd, G. RIPPING, Voorzitter. DONATH, Secretaris. ALKMAAR, 23 Februari. De Nederlandsche buitenlandsche politiek wordt te genwoordig in de Fransche bladen druk besproken. Een deel der Parijsche pers is een campagne tegen ons land begonnen. Men schijnt het aan de Seine niet best te kunnen verkroppen, dat onze kanonnen bij Krupp besteld worden, men vindt het niet prettig, dat er on langs in onze Tweede Kamer door den minister van buitenlandsche zaken vriendelijk© woorden jegens Duitschland werden gezegd waaraan trouwens geen andere beteekenis kan worden toegekend dan van be leefdheidszinnetjes men seint met veel gewicht, eenige weken nadat dit gebeurde, dat de burgemeester van Rotterdam in een feestelijke bijeenkomst van kooplieden eveneens woorden heeft gesproken, -die vriendelijk klinken in Duitsche ooren. Op grond van dit alles is een deel der Fransche pers zoo welwillend ons te waarschuwen, ons te wijzen op het Duitsche ge vaar, ons te manen tot voorzichtigheid. Plotseling echter heeft in het koor der stemmen een door BARONESSE ORCZY, Schrijfster van „De Roode Pimpernel". Naar het Engelsch door ED. VAN DEN GHEIJN. 6!) „Wel," hernam de priester met een teleurgestelden zucht, „na dien dag scheen de cholera te hebben uit gewoed en erbarmde God zich ten laatste over ons. Maar ^het kleine kerkhof is overvol, Andras en op Zondagen zie ik menige plaats in ons kerkje le dig." j]°,-ge kuikens zullen weldra groot zijn, Vader," zei Andras met zijn voormalige vroolijkheid. „Kijk eens, de bandors, die knapen van den smid, moeten al opgeschoten jongens zijn, en Margit Fényes had dezen zomer tweelingen; al die dreumissen, die ik vroeger in apenrokjes zag waggelen, moeten nu al flink uit de kluiten zijn geschoten. Drommels! ik heb een heirle- ger van petekinderen aan dezen kant van de Tarna." „Ja! er zijn heel wat verstandige moeders, Andras, in die dorpen, zei de Pastoor glimlachend, „geen wonder dat Arokzallas jaloersch wordt op Zarda." „Dat is niet noodig", zei Andras, terwijl een wolk zijn voorhoofd betrok, ,,'t is geen verblijf van vreugde geweest." „Het is het verblijf geweest van ware christelijke toewijding en edelmoedigheid, mijn zoon, te grooter nu niemand dit in zijn vollen omvang schijnt te we ten. Maar de epidemie is voorbij; gij hebt in alle el lende voorzien totdat het Gode zal behagen weer een goeden oogst te gunnen, gij hebt rust noodig, mijn zoon, en zult u thuis gelukkiger bevinden." „Gelukkiger Het woord was er onwillekeurig uitgekomen, was hem onverhoeds ontsnapt, want hij klemde de lippen op. elkander, om verdere uitlatingen te voorkomen, ter wijl de lijnen van zijn gezicht harder werden, meer ge- proponeeerd. De priester wilde gaarne iets meer zeg- geheel andere klank geklonken. De heer de Pressensé heeft zich eens laten hooren en het zijne ervan gezegd. Deze journalist en afgevaardigde is niet de eerste de beste. Hij staat bekend als een autoriteit op het ge bied van de buitenlandsche politiek. Hij is jaren re dacteur aan het Fransche ministerie van buitenland sche zaken geweest, werd later tweede gezantschaps- secretaris in Konstantinopel en Washington. In 1883 trad hij op als dagbladschrijver en trok onmid dellijk de aandacht door zijn dagelijksche artikelen over de buitenlandsche politiek. Sinds jaren heeft hij met zeldzame autoriteit fraai gestyleerde overzichten van de belangrijkste gebeurtenissen in het buitenland in de Temps geschreven. Wie bijv. zijn artikelen las over Nederlandsche politiek stond herhaaldelijk ver baasd dat een vreemdeling zoo goed op de hoogte was van de vraagstukken van den dag in ons land, dat dan toch maar een heel klein onderdeel was van het groote gebied, waarvan hij de gebeurtenissen kende, bestudeerde en bekritiseerde. Des te merkwaardiger moest men zijn artikelen vinden, als men, zijn onpar tijdigheid waardeerende, wist dat hij socialist was. Een paar jaar geleden is hij opgehouden redacteur van de Temps te zijn en verbonden aan de Humanitê. Thans veroordeelt hij, zonder het blad te noemen, het optreden van de Temps jegens Nederland, en zegt vrij duidelijk, dat de geheele campagne op touw gezet is in het belang van Fransche groot-industriëelen.\ Hij zegt voorts dat de officieuse Fransche bladen de geruchten exploiteerden betreffende een brief, dien keizer Wilhelm aan de Nederlandsche regeering zou geschreven hebben en waarmede de pers en het parle ment in Nederland zich de laatste dagen bezig hiel den, om de vaderlandsliefde der Hollanders aan le wakkeren., en een neutraliteit aan te bieden, die aan de vorming van een beschermend verbond met de mo gendheden, welke Duitschland vijandig zijn, zou moe ten voorafgaan. Hij verklaart, dat Nederland niet de dupe is geworden van die groote woorden; het wil geen pion worden in de schaakpartij, die het niet al leen spelen kan. Het resultaat van dien veldtocht is een uitbarsting in de Hollandsche pers geweest van levendige verontwaardiging en diep wantrouwen, niet alleen tegen degenen, die de mislukte intrige op touw hebben gezet, maar ook tegen Frankrijk zelf, dat ver antwoordelijk wordt gesteld voor de onbezonnen daden van de officieuse journalisten. „Deze overdrijving van de onhandigheden van eeni ge Fransche dagbladen" zegt De Pressensé „zal zeker door de geheele Duitsche pers geëxploiteerd worden." Tot nog toe hebben wij van een dergelijke exploitatie iu de Duitsche pers nog niet veel gemerkt. Maar het kan nog komen. En zoo is het geenszins onmoge lijk, dat een Nederlandsche gebeurtenis, waarvan eigenlijk niemand het rechte nog weet, tot een ver woed twistgeschrijf in de Fransche en Duitsche pers aanleiding geeft. gen. Hij zag een- of tweemaal zijn jongen vriend van terzijde aan, haalde zijn snuifdoos te voorschijn en speelde er zenuwachtig mee. Er lag zulk een intense wanhoop, zulk een afgrond van verdriet in dat ééne hittere woord, dat zijn vriendelijk karakter ervoor te rugdeinsde een wond verder aan te raken, die zoo he vig bloedde. „Uw moeder moet u wel zeer gemist hebben, An dras", zei Vader Ambrosius. „Ja. ik weet het.hernam de boer, „we zijn geneigd egoïstisch te zijn in ons verdriet. Het huis stond me tegen. Zonder aan die goede ziel te den ken, ontvluchtte ik het. En toen de cholera met haar ellende te Zarda zoo vreeselijk huishield, was ik wel genoodzaakt er te blijven, want men had mij noodig. Ik geloof wel dat het egoïstisch waswant zij moet zich zeer eenzaam hebben gevoeldMaar ik zal weldra terug-gaan.... Misschien wel morgen." „Natuurlijk heeft uwe moeder vele eenzame dagen gesleten, Andrasmaar gedurende den verschrik- kelijken tijd van de cholera was ze niet volstrekt al leen Bedeesd sloeg de priester zijn oogen op naar dat jong gelaat, waarop het verdriet zulke diepe voren had gegroefd. Pastoor Ambrosius wist nagenoeg niets van het vreeselijk drama, dat den bruidegom van één dag aanleiding had gegeven zijn woning te ontvlie den, van het ontzettend tooneel, dat die grijze strepen in zijn donker haar had doen ontstaan en aan die vriendelijke oogen een uitdrukking gegeven van na- melooze ellende. Zij was bij uwe moeder, Andras, opdat Etelka niet alleen zou achter blijven." „Ik weet het, Pastoor, God zal er haar voor loonen" ,,Zij is de goede engel geweest van het dorp, An dras. Naast u is er geene, die meer hulp en leniging aanbracht bij de zieken, die de weezen in bescherming nam en de weduwen wist te troosten." „Ja, Vader, voor al die liefdadigheid is een hemel- sche belooning weggelegd." „Al deze lieden zegenen haar en bidden voor haar." „Allen hebben we behoefte aan het gebed, dat weet u beter dan iemand onzer." „Allen bidden zij voor haar geluk." „God zal haar dit weldra schenken", zei Andras TWEEDE KAMER. Vergadering van Dinsdag. Besloten werd, aangezien eenige afdeelingen der Kamer nog niet gereed zijn gekomen, de eerstvolgende openbare vergadering eerst te houden a.s. Dinsdag 1 Maart, te elf uur v.m. en alsdan o.a. aan de orde te stéllen de interpellatie-Marchant, betreffende het pen sioenfonds der beambten van de TI. IJ. S. M., het ont werp betreffende de rechterlijke organisatie en het be- j leid der justitie, de suppletoire justitiebegrooting be- j trekkelijk de ontslagen gevangenen, het ontwerp be treffende de administratieve rechtspraak, de suppletoi re financiën-begrooting, betreffende de nieuwe predi kantsplaats te Rotterdam en daarna het debat over de sociale verdedigingswetten, dat tijdens de behandeling der landbouwbegrooting tot later was uitgesteld. De voorzitter deelde mede, met de verschil lende Kamerfracties overleg te hebben gepleegd, om dit debat niet in een academisch debat te doen ont aarden, maar het te doen blijven binnen de grenzen der practische politiek; ten slotte de interpellatie-Ter Laan over schooltoestanden te Putten en het ontwerp nopens een geldleening ten laste van Suriname. De justitieele wetten voornoemd zullen bij afwezigheid van den minister v. Justitie door minister Heemskerk verdedigd worden. Hierna werd de vergadering gesloten. waarborgd, voor de onderwijzers en onderwijzeressen aan banden leggen, en dus de burgerrechten van de ambtenaren aanranden 1" DE NEUTRALITE1TSKWESTIE. Men schrijft uit Rotterdam aan Het Volk: De interpellatie, 'door Spiekman aangekondigd, te houden in de zitting van den Rotterdamschen raad van Donderdag a.s., is als volgt geformuleerd: „lo. Op grond van welke wet, welk wettelijk voor schrift, of welke wettelijke bevoegdheid, hebben burge meester en wethouders zich bevoegd, en op grond van welke feiten hebben zij zich geroepen geacht, de circu laire te verzenden d.d. 14 Febr. 1910, aan de hoofden der openbare lagere scholen te Rotterdam, waarin van het op deze scholen gegeven onderwijs wordt geëischt, dat het dienstbaar zal «worden gemaakt aan het propa ganda voor het koningschap? Terwijl ouders, die daar tegen bezwaren mochten hebben, en toch hun kinderen juist op de openbare school wenschen onderwezen te zien, zich zonder meer daaraan hebben te onderwer pen? 2o. Zijn burgemeester en wethouders van meening, dat slechts kinderen die in den door hen aangegeven geest onderwezen worden gelijk zij het in hunne circulaire noemen goede burgers van den Neder landschen Staat? 3o. Is het de bedoeling van burgemeester en wet houders, om een onderwijzer, of onderwijzeres, die bui ten de school blijk geeft, krachtens eenigerlei hande ling, een socialistisehe, socialistisch gezinde of staat- kundig-republikeinsche overtuiging te bezitten, voor ontslag voor te dragen, of achten zij zulke onderwij zers en onderwijzeressen wèl in staat, in den door hen bedoelden geest onderwijs te geven? Indien het eerste het geval mocht, zijn, krachtens welke wet, welk wettelijk voorschrift of welke bevoegd beid matigen zich burgemeester en wethouders dan het recht aan, dezen eisch te stellen aan de onderwijzers, wier taak in de wet op het lager onderwijs en in de plaatselijke verordening is omschreven? Zijn burge meester eu wethouders niet van meening, dat zij daar mee de vrijheid van overtuiging, bij de Grondwet ge- kalm. Pastoor Ambrosius zag hem uitvorschend aan. Hij begreep niet recht wat Andras met zijn antwoorden wilde zeggen, maar het trof eensklaps zijn aandacht welke diepe voren gegroefd waren in dit jeugdig ge zicht, en hij vroeg zich zeiven af hoe lang het zou du ren, alvorens dit jong gestel kon bezwijken onder het gewicht van een overweldigend verdriet, dat aan zijn hart scheen te knagen. Het was opklimmen tegen een steilen berg om het onderwerp te vervolgen. De bejaarde Priester die het vertrouwen genoot van zijn jeugdigen vriend, zag er geen bezwaar in achter het ééne geheim te komen, dat de fiere landman good achtte voor hèm te verbergen. De dorpspraatjes waren gelukkig niet tot Andras door gedrongen. Natuurlijk moest hij vermoed hebben dat er zou gepraat worden. Hij kende het leven in zijn ei gen dorp maar al te goed, om de naïeve gedachte te kunnen koesteren dat de luidjes aldaar over de buiten gewone gebeurtenissen van dien grooten Meidag een eerbiedig stilzwijgen zouden bewaren. Maar Andras had zich nooit aan praatjes gestoord en daaropi was de cholera verschenen, die met ijzige hand een ieder den mond had gestopt voor alle mogelijk gepraat, doch niet voor haar al verdelgende macht. Zwijgend liep het tweetal naast elkander voort en deed de sneeuw onder hun voeten kraken. Zij hadden het verstrooide dorp Zarda achter zich gelaten, slechts enkele eenzame hutten braken alsnu de eentonigheid af van het Laagland dat zich vóór hen uitstrekte. Diepe stilte en verlatenheid heerschte alom. De sneeuw lag als een glinsterende tooi op de takken van de enkele hoornen, op de rieten daken en stoppels der maïsvelden. Boven hun hoofd liet een vlucht raven hun droefgeestig gekras hooren, en in de verte was het de spitse toren eener dorpskerk, die, eenige teeke- ning bracht een schitterend rood op het dof ta foreel, terwijl links door de kale takken der acaciaboo- men de gele en groene muren van het kasteel Bides- hiit doorschemerden voor hun dwalende blikken. „Andras", zei vader Ambrosius, plotseling een wen ding' gevende aan het gesprek, „er is iets anders dal mij na aan het hart ligt, een onderwerp, dat ik laf hartig genoeg, nauwelijks bij je durf aan te roeren „Ik wist niet, Vader, dat ik opeens zulk een ver- ROMANTISCH. In een stuk, Romantisch getiteld, gaat De (antire- volutionnaire) Rotterdammer in op de mededeelingen die Het Volk ontving van de ehristelijk-socialistische schrijfster mej. Van der Vlies, omtrent een gesprek over dr. Kuyper's verklaringen. In dat gesprek zou mr. A. de Jong, hoofdredacteur van De Rotterdam mer, gezegd hebben: „Och, dr. Kuyper liegt altijd, en hij stelt altijd alle dingen verdraaid voor. Ik ben nu voor mij zelf tot de conclusië gekomen, dat hij het onbewust doet." In De Rotterdammer nu wordt het verhaal in Het Volk genoemd: „een voor iederen lezer op zich zelf al zeer wonderlijk romantisch relaas, opgemaakt volgens mededeelingen van een christen-socialistische juf frouw, hetwelk op verscheiden punten geheel foutief en totaal verdraaid aan een ander een oordeel over dr. Kuyper ook in verband met de decoratie-quaestie tracht toe te dichten. „Woorden aan een, door haar slechts gedeeltelijk aangehoord, gezamenlijk, privaat, vriendschappelijk gesprek van anderen ontleend, worden daarin op ge heel eigenaardige wijze, vermengd met enkele grove en min grove onjuistheden, in elkaar gezet." Al denken wij er natuurlijk niet aan het door ver schillende personen gevoerde vertrouwelijke Zondag avond-gesprek op de publieke markt te brengen, toch is het gelukkig, dat eenzelfde beschouwing als dan wel door een hunner is ten beste gegeven, welke eenerzijds noch met Kuyper-aanbidding is te vereenigen, ook te genover verschillende andere personen buiten den door de juffrouw genoemden kring is uitgesproken en dan ook volstrekt niet een overtuiging is waarvoor iemand zich behoeft te schamen. Verre van dien. Voor het publiek was echter die beschouwing tot dus ver niet bestemd. Wat niet belet, dat zij wellicht wel eens in het pu bliek zal worden gegeven. Want die beschouwing zel ve kan ook publiek als een eerlijke overtuiging worden neergeschreven. Mits te rechter tijd. Dan zal tegelijk het romantische van het bovenbedoelde relaas blijken. Dan zal ook de Nieuwe Courant zien, dat een anti revolutionair wel degelijk kan blijven waardeeren de groote verdiensten van dr. Kuyper, en volkomen van oordeel kan zijn, gelijk tot op dit oogenblik ook onze vaste overtuiging is, dat dr. Kuyper in de dusgenaam de decoratiequaestie op zijn eerewoord geloofd moet worden, wanneer hij als fatsoenlijk man verklaart: „in mijn consciëntie sta ik recht," terwijl er dan overi gens, zooals later is gebleken, in de afgelegde verkla ringen, gelijk ook buitendien in zijn optreden, ver schillende tegenstrijdigheden, die om een psychologi sche oplossing roepen, kunnen voorkomen. RECHTZAKEN. Zitting van Dinsdag 22 Februari. Diefstal. Jan K., 30 jaar, los werkman te Helder, had zich te verantwoorden voor het feit, dat hij den 14 Januari 3 zakken anthracietkolen, behoorende aan den Staat, althans aan een ander dan aan hem, had weggenomen. De getuige Blokhuis, bootsman, toen dienstdoende als portier aan het hospitaal te den Helder verklaarde dat beklaagde hem had gezegd dat hij aan het puin- schrikkelijk menseh ben geworden; het schijnt dat ik al een aardigen warboel van mijn leven heb gemaakt", voegde Andras er bitter aan toe, „nu zelfs u hebt op gehouden mij als een vriend te beschouwen." „Do hemel verhoede, Andras, dat ge aldus mijn be doeling opvat. Onhandig was het van me, te spreken zooals ik heb gedaan, en bovendien is het ondankbaar mijnerzijds niet dadelijk voor den draad te zijn geko men met hetgeen me zoo na aan het hart ligt." „Telaat is het nog niet, Pastoor, we zijn nog ver van den kruisweg waar onze wegen zich scheiden." „Het betreft de school, Andras." De boer fronste de wenkbrauwen. „Ik weet wel, dat je niet geheel met het denkbeeld ingenomen zijt", hernam de Pastoor haastig, „maar God heeft mij een heilige taak opgedragen, en ik mag niet lafhartig mij daaraan onttrekken. Wij hebben samen dikwerf het grootsche plan besproken van een school voor onze dorpskinderen. Ge waart er even warm voor gestemd als ik; ge hebt, ik weet zulks, aan gename herinneringen van de drie jaren, die ge onder mijne leiding hebt gesleten, en meer dan eens hebt ge me gezegd, dat het de gelukkigste dag van uw leven zou zijn als iedereen in het graafschap ITeves kon le zen en schrijven, en nu „Nu ben ik ervan teruggekomen", zei Andras met zekere ruwheid, „en telkens als u het onderwerp aan- roerdet, heb ik geweigerd met u er over van gedachten te wisselen. Jawel, ik ben veel veranderd sedert u, na dien verschrikkelijken brand van Bideshüt, met het groote plan bij mij te berde kwaamt en mij de bizon- dere eer aandeedt mijn steun te vragen om het door te zetten. Maar sedert dien tijd, Vader, heb ik zulk een bitter, zulk een vreeselijk verlangen gekoesterd naar een staat van grove onwetendheid, met geen andere wenschen dan het dagelijksch brood, geen idealen, maar overvloed van wijn, goede Zigeunermuziek eu vroolijke dorpsmeisjes, een verlangen naar het geluk der dieren in Gods schoone Natuur, en het ligt nu niet meer op mijn weg datzelfde geluk te ontrukken aan mijn medemenschen in de dorpen onzer Laaglan den, want er is zoo weinig dat zij als vergoeding voor dat gemis zouden ontvangen." Wordt vervolgd.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 1