DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. De Wiskottens No. 64 Honderd en twaalfde Jaargang. 1910. F Deze Courant wordt eiken avond, behiilve op Zoo- en eestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor P ikmaar f franco door het geheele Rijk f 1, Af' hinderlijke nummers 3 Cents, DONDERDAG der gewone advertentiën: Per regei f 0,10. Bij groote contracten rabat Groote Setters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h, HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 0. 17 MAART. dbsftrukfëe* FEUILLETON. BINNEN LAND. ReMooeaiasamsf S DRA.NKWET. i 4) ALKMAARSCBE COURANT. BURGEMEESTER en WETHOUDERS van ALK MAAR brengen ter algemeene kennis, dat bij hun col lege zijn ingekomen verzoekschriften van: 1. A. BERTELS, wed. van Th. KRAAKMAN, al daar, om vergunning' tot den verkoop van sterken drank in het klein in het perceel Verdronkenoord C 68; 2. R. BOON te HARENKARSPEL, om verlof tot den verkoop van alcoholhoudenden anderen dan ster ken drank in het perceel Omval F. 5. Binnen twee weken na deze bekendmaking kunnen tegen het verleenen der vergunning en van het verlof schriftelijk bezwaren worden ingediend. Burgemeester en Wethouders voornoemd, Q. RIPPING, Voorzitter. DONATH, Secretaris. ALKMAAR, den 16 Maart 1910. Toen Mr. Geertsema in 1897 zijn schets over „De (Nederlandsche volksvertegenwoordiging" schreef, kon hij daarin getuigen: „Mogen bij enkele gelegen heden, de gemoederen ietwat warm zijn geworden en „de discussie scherper dan noodig was, in den regel „heerschte er een kalme, een goede parlementaire „toon, die gunstig afsteekt bij hetgeen in andere par lementen pleegt te worden opgemerkt." Op dien regel is thans in onze Tweede Kamer een uitzondering, voorgekomen, hetgeen te wijten is aan het abrupte einde, dat er aan de verzekeringsdebatten is gemaakt. Veel heil, veel practisch resultaat was er, we had den onlangs gelegenheid dit op te merken toen we schreven over parlementair verval, van deze debatten niet te verwachten. Drie dagen, daaraan besteed, was waarlijk voldoende aan nationalen tijd geofferd. Maar dat mocht geen reden zijn van den voorzitter, om, al of niet op inspiratie van een ander Kamerlid, Dins dag de beraadslaging bij overrompeling voor gesloten te verklaren had minister Talma bijv. als laatste spreker niet persoonlijkheden in het debat gebracht, waarop de desbetreffende leden dienden te antwoor den? Toen de voorzitter dan ook de sluiting mededeelde, ontstond er in de Kamer, naar de bladen meldden, be weging. Toch kon men niet anders denken, dan dat, indien er den volgenden dag een voorstel tot herope ning van de beraadslaging kwam, dit fatsoenshalve zou worden aangenomen. Het voorstel kwam inder daad, de heer Goeman Borgesius diende het in, de hee- ren Schaper en Treub steunden het. Verschillende le den der rechterzijde ontraadden aanneming; een van hen zag er evenwel niet tegen op een eenzamen post in te^ nemen en zich vóór het voorstel te verklaren. De minderheid, zoo merkte deze sffreker, de heer de Stuers (kath.) zeer terecht op, moet niet bij de meerderheid komen bedelen en soebatten om te mogen debatteeren, dat is pijnlijk en zal een gevaarlijk precedent schep pen; het gaat eenvoudig niet aan, met allerlei chica nes en krenterigheden de minderheid het woord te ont nomen. Dit kloeke woord mocht niet baten, de rech terzijde „gloeiend1 aaneengesmeed" overstemde de lin kerzijde met den heer de Stuers. Geen wonder dat er na deze stemming groote beweging in de Kamer heerschte. De heer Schaper liet zich zelfs verleiden, woorden te bezigen, welke men niet gebruikt in een fatsoenlijk college, dat een waardigheid heeft op te houden. Het is waar, een parlement is geen kinder kamer, waarin Pietje of Keesje, als ze leelijke woorden zeggen dadelijk gestraft moeten worden, omdat nu eenmaal uit een kindermond zooiets niet komen mag. In een parlement bezitten in den regel de grootste mannen een heftig temperament en het is niet zoo erg als de beker van den politieke hartstocht bij het sterk mousseeren eens overschuimt. Doch de grenzen van het geoorloofde werden door den groven uitval van den heer Schaper, die indertijd volkomen juist werd vergeleken met een nijdig-opspringend duivel-in-een- doosje, overschreden en de voorzitter was volmaakt in zijn recht toen hij hem daarvoor tot de orde riep. Hiermee was het incident echter niet gesloten. Wat er verder gebeurde schetst de overzichtschrijver van de Telegraaf aldus Van Lennep bracht rapport uit over een ingeko men adres en stelde voor, het te doen drukken en ronddeelen. Dit gebeurt duizend keeren in 'n jaar en er wordt nooit over gesproken. Toen klonk plot seling de stem van den heer Schaper: „Ik vraag stemming!" Groote verbazing. „Ja," verduidelijkte de afgevaardigde uit Appin- gedam.„de heeren hebben zich vanmorgen op het reglement van orde beroepen, welnu, volgens dat reglement heb ik het recht stemming' te vragen. En iederen keer als er gestemd kan worden, zal er ge stemd worden, hoorDat was dus 'n vorm van par lementaire obstructie aangekondigd. De voorzitter moest het natuurlijk doen, maar er waren te weinig leden, en de stemming werd tot na de pauze uitge steld. De sensatie steeg. Toen er eindelijk ge stemd zou worden, moesten de commies-griffiers en de boden het heele gebouw doorhollen, om de leden bijeen te krijgen. Uit hoeken en g-aten werden ze te voorschijn gehaald. Drie sociaal-democraten, de heeren Duys, Hugenholtz en ILelsdingen, verlieten de zaal, om de Kamer beneden de 51 leden te doen blijven. En dat alles onder stijgende hilariteit: links zich verkneuterend in den leepen zet van den heer Schaper, rechts zich op de lippen bijtend. Het voorstel, om het rapport te doen drukken, werd aan genomen (hoe is het mogelijk!) met 52 stemmen vóór engeen enkele tegen. Toen ging de heer Ter Laan weer met z'n school-interpellatie door: vervelend, eentonig, saai. Er zweefde echter onrust door de Kamer. Een nerveuse stemming kwam over vele leden. Op de banken der sociaal-democraten (de heer Troelstra is ongesteld), werd zeer duidelijk een krijgsplan beraamdfluister-gesprekkenge roep van liberale leden.koppen-bij-elkaar. groote, stiekeme vroolijkheid.Om vier uur was de interpellatie geëindigd. De Kamer maakte zich op om huis-toe te gaan. „Mijne.... heeren!".... Voorzitters-stem klonk luid. Algemeene aan dacht.... „Mijne heeren, ik stel vóór het ontwerp, betreffende het aangaan van een leening voor Suri name voorloopig van de agenda af te voeren. Als niemand. ,,Ik vraag stemming!" Kalm riep de heer Schaper het, maar er volg'de 'n uitbarsting van vroolijkheid links, van verbittering rechts. „Ja, jullie krijgen je trekken thuis," sarde de heer Thomson, waarop mr. Lohman, den karak teristieken kop wit van boosheid, naar den kapitein snelde, en 'n heftig standje begon. Men zag van uit de verte een oorlogs-gebarenspelIntussehen, er moest gestemd worden. Met 59 tegen 1 stem (de heer Van Wijnbergen vergiste zich blijkbaar) werd het ontwerp van de agenda afgevoerd, maar toen deze uitslag' bekend was gemaakt, kon de voorzitter zich niet meer bedwingen, en riep den heer Schaper toe „U maakt 'n bespotting van het parlement," waarop deze terug'-brulde„Dat is er vanmorgen van gemaakt...." De woordenwisseling- duurde nog eventoen hield de voorzitter z'n mond tegen den spiernijdigen afgevaardigde. De tribunes zwom- men in zaligheid. „Mijne heeren. met het oog op de treurige familieomstandigheden, waarin de minister van Oorlog verkeert, stel ik voor, de conclusies op militaire adressen morgen niet te be handelen. Het laatste wöord was er nog niet uit, of: „Ik vraag stemming," klonk het sarrend. De sensatie was onbeschrijflijk. Verbitterde Kamer leden, gemoedelijke Kamerleden, glimlachende Ka merleden zagen we, maar we zagen er óók, die hun buik vasthielden van pleizier. Rechts was er echter 'n felle woede. Plotseling stond de heer Schaper weer op en zeide: „Uit 'n oogpunt van kieschheid tegenover den minister van Oorlog, zal ik mijn vraag om stemming, voor ditmaal intrekken, maar morgen zal ik over alle ontwerpen stemming vra gen Bij de gratie Schapers, ging het voorstel er dus zonder stemming door. Na sluiting der ver gadering had er echter nog 'n heftige woordenwis seling tusschen den voorzitter en den heer Schaper plaats. Tot zoover de feiten. In de Nederlandsche Tweede Kamer bestaat derhal ve op het oogenblik obstruktie. Immers onder dit, tot dusverre uitheemsche, kwaad wordt verstaan (be halve de kwaal, waarvoor Engelsch zout een middel is!) het optreden van een minderheid', welke door het pijnlijk nauwkeurig toepassen van formeele bepalin gen en artikelen van het huishoudelijk reglement, door het maken van herrie, door het onvoltallig-maken der vergadering of het niet-uitbrengen van stemmen, het afdoen van zaken bemoeielijkt, onmogelijk maakt of verschuift, enkel en alleen om de meerderheid in ver legenheid te brengen. Het is, in kort Hollandsch ge zegd, treiteren bij gebrek aan overmacht, het is dwars- boomen om te dwarsboomen, in de lioop dat de meer derheid daardoor tot rede en tot inkeer gebracht zal worden. De moeder van het parlementarisme heeft dit booze kind ter wereld gebracht is niet van historische be- teekenis de zitting van het Lagerhuis van 12 Maart 1771, toen de minderheid 23 stemmingen noodig maakte om de bestraffing van de drukkers der parle- mentsdebatten te verhinderen (het was wel een an deren tijd toen tenopzichte van het openhaarmaken van de redevoeringen der afgevaardigden, destijds ab soluut verbod en daardoor groote belangstelling, thans zeer groote bevordering der publiciteit en zoo goed als geen belangstellingEn denken we niet onwille keurig aan de tijden van Gladstone, als we het woord obstruktie hooren? The grand old man had er meer dan eens tegen te kampen. Het was eerst de leider der Ieren Parnell, die, om zelf-regeering in Ierland te krijgen, door eindeloos rekken der debatten trachtte de beraadslagingen in het Lagerhuis onmogelijk te maken. In 1882 werdi aan de obstruktie een einde ge maakt, doordat de voorzitter, (hoort!) tegen het ge bruik en het recht van de sprekers in, zonder zich te storen aan bedreiging of verzet-, de debatten sloot en daarna onmiddellijk deed aannemen een afzonderlijk reglement op de beraadslagingen. Als gevolgen van deze daad zij enkel vermeld dat herhaalde pogingen gedaan zijn om het parlementsgebouw in de lucht te doen vliegen en het voortzetten der obstruktie! Lerst in 1892 zag Gladstone na harden strijd, zijn voorstellen aangenomen. Omstreeks den zelfden tijd, in 1891, had in den Oostenrijkschen rijksdag obstruktie plaats, welke zich openbaarde in de beruchte tooneelen, ten doel heb bend door geraas en getier den tegenstanders het spreken onmogelijk te maken, terwijl 5 jaren daarna de woeste zittingen al het voorafgaande nog overtrof fen, en in November '97 de meerderheid door politie de obstruktie-voerende afgevaardigden uit het parle ment liet verwijderen. Ook na dien tijd kwam daar obstruktie herhaaldelijk voor en tot wapens werden veelal gebezigd klapperende lessenaars, inktkokers als projectielen, fluitjes, auto-toeters, stoelpooten en revolvers eens is zelfs het geheele Kamerameuble ment vernield. Wij zijn thans in het eerste Engelsche stadium. De ziekte is nog vrij onschuldig. Reden bestaat er echter om te vreezen, dat er complicaties zullen komen en de toestand daardoor zal verergeren. Een sterke meer derheid en een zwakke voorzitter zijn in zulk een geval kwade dingen. Bovendien kan het bekende enquête- voorstel voor de machtige meerderheid een aanleiding wezen om zieh te doen gelden, om la mort sans phrasa over het voorstel te voltrekken en daardoor de min derheid te prikkelen tot verzet. Mocht dat gebeuren wee dan „de kalme goede parlementaire toon,diezoo gunstig afsteekt bij hetgeen in andere parlementen pleegt te worden opgemerkt." Naar de vijf en veertigste Duitsche uitgave door RUDOLF HERZOG. „Je hoorde van Gustav, dat ik verzen maak, en hoe hij daarover denkt." „Diens meening telt in dit g'eval niet mee. Van datgene, wat de ziel ontroert, heeft hij geen flauw be grip. Slechts de zaken, de zaken erkent hij, maar geen individualiteit." „Alleenloopende indivudialiteiten zijn er genoeg Hij noemt ze „de zijtakken". Hij heeft grooter din gen in den zin." „Dat weet ik, dat weet ik: de grootheid der fa briek." „De individualiteit der familie." „Dat begrijp ik niet. Dat is een paradox." Tegenwoordig wil iedereen eene „persoonlijkheid zijn. Dat is toch onzin. Dat vernietigt ten slotte ie eieren vasten band en drijft ons de scheuring tege moet. Ik zeg je, de persoonlijkheid der toekomst zal de persoonlijkheid der familie zijn. Slechts een stevi ge samenhang kan een geslacht krachtig en duur zaam maken en tot genie. Wij mogen niet gelooven allen uitzonderingsgevallen te zijn. Maar als ieder familielid zijne portie genie bij dat der anderen voegt- wordt het ook één geheel." n^ai'^eze nuchtere wijsheid voeg je je? Jij met je rijke ziel?" „Gustav heeft ook eene rijke ziel. Wellicht de rijk ste van ons allen. Hij kan haar slechts niet zoo vol gen en ter wille zijn, daar hij al zijne krachten op de fabriek, op ons aller heil concentreeren moet. Daarom brengt hu zijne particuliere aangelegenheden tot zwij gen. Als dat geen zielegrootheid ie „Ach kom, en thuis? In zijn huiselijken kring? Is dat geluk wel alle opgenoemde grootheid waard?" „Stil, Ewald. Daar moet jij niet over spreken. Toen hij, even twintig zijnde, Emilie trouwde, moest de fabriek, die zich juist in hare ontwikkelingsperiode bevond, een fundament hebben. Moeder zag dat in, en Gustav ook. En als het- leven in zijn huis geen vreedzaam leven geworden is mogen wij hem dat niet aanrekenen, doch moeten het hem zoo makkelijk mogelijk maken, omdat hij, juist daardoor, ons leven lichter gemaakt heeft." De jongste Wiskotten keek somber voor zich. ,Ik heb er hem niet om gevraagd", stiet hij uit. Ewald „Wat Ewald!? Neen! Ik bedank voor zijn offer, als ik er mede onder lijden moet. Ik denk er niet aan, het te erkennen, als hij mij van de vrije beschikking over mezelf berooft." „Jou? Jij komt in 't geheel niet in aanmerking. Jij moet studeeren." ,Maar ik wil geen theoloog worden „Je wil niet?" Neen! Ik wil niet! Al zou Gustav op zijn hoofd gaan staanHij g*aat zelf ook niet naar de kerk." »Hij respecteert moeder's liefste wensch. Voor dat gene, wat moeder wil, is hij bereid te sterven." „Sterven! Dat kan ik ook. Maar niet leven. Niet zóó leven. Ik kan toch niet met levenden lijve te gron de gaan!" llij schreeuwde het uit. Zijne oogen vlamden. Zijn geheele lichaam was een en al opwinding. „Ewald!" 1 oen viel het jonge mensch zijn eenige jaren oude ren broer om den hals en snikte het uit. j „Schilder wil ik worden, schilder! De gansche fa- j milie zal mij aanvallen. Alsof ze met een krankzin nige te doen hebben. Alsof ik landlooper worden wil, let er maar op! Doch laat ze maar! Wat weet men in het Wupperdal dan van kunst? Paul, jij hebt er gevoel voor. Jij begrijpt mij! jij zult mij helpen, als thuis de duivel los is! Paul „Jongen zeide Paul V iskotten, „domme jongen." Iiij schudde het hoofd. ,Wil jij me ook niet helpen?" ...Moeder geeft nooit hare toestemming. Ze zal je eer al het andere veroorloven, dan dat ze gedoogt dat je kunstenaar wordt." „En toch word ik het!" „Maar heb je dan talent Ik bedoel, boven de an dere talenten uit. Dat je naast de familie alleen kunt staan?" Ewald Wiskotten wierp hoogmoedig' het hoofd in den nek. „Dat zal wel terecht komen." ,Als je het niet eens met zekerheid weet ,Nu begin je ook al een burgerman te worden. Wie weet dan alles, wat worden zal? Wat er in iemand al steekt? Op den moed komt het aan, op de geestdrift. En die heb ik!" Paul Wiskotten keek zijn broer in het verhitte ge laat. Hij wilde hem van zijne geestdrift niet berooven. thuis vooreerst niets", ried hij na eenig na denken. „We zullen Zondag naar Elberfeld gaan, naar de bijeenkomst der Vereeniging voor Kunst en Literatuur. Ik ben daar lid van en zal je introducee- ren. Daar kan je dan eens met anderen in aanraking komen en om je heen kijken. Wellicht helpt je dat." „Paul, komt ook de oude schilder Weeft daar?" „Zeker. En ook de oude dichter Korten. Let maar goed op." „Paul, Paul „Wacht eerst maar eens af." „Paul, één ding moet- je mij nog zeggen. Ik begrijp je namelijk niet. Niet geheel. Ileb jij in dat gezel schap van dichters en kunstenaars dan nooit den drang gevoeld, den drang om ook naar buiten te tre den en en ver weg van de zwarte Wupper te gaan, naar den groenen Rijn, of ergens anders heen?" „De anderen blijven toch ook in het Wupperdal?" „Ach, de anderen! Die hebben geen vuur, g-een on dernemingsgeest meer in zieh. Dat zijn grijsaards' achter de kachel, talenten voor huishoudelijk gebruik. Jij echter bent jong!" „Dat, waren de anderen ook eenmaal. En de weg van dichter en kunstenaar tot tot lid der Vereeni- TWEEDE KAMER. Onder groot rumoer, in de Kamer, ving gisteren d# interpellatie van den heer Ter Laan en de bespreking van de schooltoestanden te Putten, Zuilichem, Beunin- gen, Weert en Oudshoorn aan. De heer Ter Laan (soc.-dem. Hoogezand) zeide dat deze gemeentebesturen in de vacatures bij het open baar onderwijs niet hadden voorzien ten einde oprich ting van bijzondere scholen in de hand te werken, on danks den wensch van eenige ouders om de openbare scholen die opgeheven waren behouden te zien. Spr. wees op verschillende voorvallen welke zijns inziens wezen op opzettelijke afbreuk en voortdurende ver- waarloozing van de openbare school van gemeentewe ge o.a. te Putten. Het leegpompen der openbar# school te Zuilichem had tengevolge dat 125 kinderen onder één onderwijzer een jaar lang in een ongeschikt kerkgebouw onderwijs hebben gekregen en de kindeien werden opgezet tegen scholieren der openb. school en zelfs tegen de onderwijzers daarvan. Vervolgens gaf spr. eenige staaltjes vam--de benadeeling der openb. school te Beuningen en ook te Weert, waarvan de vrije keuze der ouders wat betreft het onderwijs hun ner kinderen niets overblijft. Minister Heemskerk, in 't algemeen op merkende dat er natuurlijk gezorgd moet worden voor openbaar onderwijs maar niet' als voor iets hoogers dan het bijzonder onderwijs, ging vervolgens verschillende der door den heer Ter Laan ter sprake gebracht ge beurtenissen na. De Minister kon, aangezien nog geen beslissing- is genomen op een deswege aan de Koningin gericht adres nog geen antwoord geven op 's Heeren Ter Laan's vraag of de gemeente Putten op voldoende wijze in de onderwijzersvacature heeft voorzien. Hij ontkende voorts dat het gemeentebestuur van Putten art. 3 der wet op 't Lager Onderwijs heeft overschre den. De Minister betoogde dat met het nemen van een besluit tot opheffing eener openbare school niet behoeft te worden gewacht totdat het laatste kind daarvan is heengegaan. Wat het raadsbesluit van Zuilichem aangaat merkte de Minister op dat dit nog- door Ged. Staten moet worden goedgekeurd. Wat Beu ningen betreft was er naar de minister meende geen reden tot klagen. jing voor Kunst en Literatmir zal ook hun offers aan illusies, smartelijke offers genoeg gekost hebben, voordat ze de werkelijkheid erkenden en zich daarin schikten. Zie je, beste jongen, niet iedereen kan een Goethe worden. Er moeten er ook zijn, die Goethe le zen." "Etl zop een ben jij er Ewald Wiskotten richtte zijn lange gestalte hoog op. „Zoo een ben ik er. Nu maak ik mezelf het leven aangenaam en beschouw het van den vroolijken kant. In het andere geval echter had ik het anderen niet aangenaam kunnen maken, en dus ook mijzelf niet. Men moet omtrent zijn talent slechts zekerheid ver krijgen. Dan blijft men altijd' nog zeer dankbaar ge hemd. En ga nu mee naar huis en slaap uit." In liet dal sliep de zwarte arbeidsreus, door het maanlicht zoo zilver bestraald, alsof hij een lachende genius was. Geen sprookjesverteller voor de weini gen, een levengever voor de velen. Paul Wiskotten wenkte hem toe. „Hoe mooi is dat toch!" Ewald W iskotten haalde de schouders op. „De ge heele atmospheer riekt naar rook en zweet. Kom vlug!" En ze daalden van den berg, waar ze het pano rama aanschouwd hadden, in het dal af. Ook Gustav Wiskotten was thuis gekomen. Toen hij voor de huisdeur van zijne broers, die bij hunne ou ders inwoonden, afscheid nam, ging hij toch nog even naar de slechts weinige schreden verder gelegen poort der fabriek, om in het portiershokje naar de controle klok te kijken. Daarna besteeg hij zacht de trap naar zijn woning. Behoedzaam opende hij de deur der kin derkamer en-trad binnen. Bij den schijn van het nachtlampje bewonderde hij zijne nakomelingschap, zijn zevenjarigen jongen, zijn vijfjarig meisje. Een oogenblik dacht hij er aan, dat hij zelf pas twee-en- dertig telde. Doch altijd krachtiger bestraalden zijne blauwe oogen de kinderen. „Dat is even goed als mij ne jeugd. En hij boog zich voorover, om de kleine, in den slaap geopende mondjes te kussen. Wordt rervolgd.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 1