DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN De Wiskottens IJ.JI Honderd en twaalfde Jaargang. 1910. ZATERDAG 23 A P R|I L. Noodhulp-Kaasdrager. Plaatselijke Belastingen. Uit schooi en huis. FEUILLETON. No. 95 Deze Courant wordt eiken avonds behalve op Zon- en Feestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor 9 franco door het geheele Rijk f 1, AF jjnderlijke nummers 3 Cents. der gewone adverteniiëm regel f 0,10. Bij groote contracten rabat Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan dt N. V. Boek- en Handelsdrukkerij HERMs. COSTER B ZOON, Voordam C 9. -o- S es h aak mi b mek. Wm ttifit. mmHüi ,„jm ïglafoe&aBBsnsar si» Sollicitanten naar da betrekking vin NOOD HULP KA.ASDRA05-R worden verzocht zfch vóór den 26Men ApGl as aan te roeiden ter Gemeente-Secretarie. 6 5 4 b c d e f g h COURANT ZS-li—ViL BURGEMEESTER en WETHOUDERS van ALK MAAR brengen ter algemeene keunis, dat liet Supple toir Kohier der Belasting op de Gebouwde Eigendom men, dienst 1909, door den Gemeenteraad vastgesteld 30 Maart 1.1., en door de Gedeputeerde Staten goedge keurd den 13en April d.a.v., heden aan den Gemeente- Ontvanger ter invordering is uitgereikt en gedurende vijf maanden op de Secretarie in afschrift voor een ieder ter lezing is nedergelegd. ^Bezwaren tegen dezen aanslag kunnen op_ ongeze geld papier bij den Gemeenteraad worden ingediend binnen drie maanden na den dag der uitreiking van de aanslagbiljetten. Alkmaar, 18 April 1910. Burgemeester en Wethouders voornoemd, G. RIPPING, Voorzitter. DONATÏT, Secrearis. LANGS verschillende wegen. Men kan bij bet onderwijs twee wegen inslaan; op zijn doel afgaan volgens den mededeelenden en den vragenden leervorm; erin brengen wat er nog niet of eruit halen wat er reeds inzit. De eerste manier, de doceerende, gewoonlijk toegepast bij bet booger en middelbaar onderwijs, is vaak en vurig bestreden. Zij maakt, volgens de tegenstanders, „den docent tot een automaat, den leerling tot een ledepop; zij doodt alle zelfstandigheid en is de grootste vijand der zelfwerk zaamheid." „Gekheid", beweren de voorstanders; wij wet£n wel, wat de leerling weet, dat vragen is overbo dig; bij beeft behoefte aan nieuwe kennis; wij deelen die mee en de leerling moet het opgenomene zelf ver werken." Er blijft een middenweg open, die door zijn naam terstond uitlokt, de opwekkende leervorm. Niet de onderwijzer alleen of het kind alleen, maar beiden aan bet woord; door mededeelen en vragen belangstel ling wekken in de leerstof. De voorstanders van de zen vorm houden over het algemeen weinig van boek jes en methoden bij bun onderwijs. Het doceeren of mededeelen bezorgde ons de zoogenaamde leerleesboe ken over natuur- en aardrijkskunde en geschiedenis, waarmee de draak gestoken werd, zonder dat men den hiaat, dien zij bevatten, recht gevoelde. „De leerlin gen laten lezen is nog gemakkelijker dan ben wat te vertellen", werd spottend den docenten toegeroepen. „Ja, en gij behoeft de stof niet eens vooraf voor uzelf te kiezen en te verwerken; boeken uitgedeeld, bladzij zooveel; begin; die volgt. enz. 't Marcheert van een leien dakje", riep een derde venijnige beoor- deelaar. De vraagmethode bezorgde ons een ander soort boe ken, natuurlijk gericht op den vragenden leervorm. „Hoeveel maanden zijn er in een jaar?" vraagt het boek en de leerling moet mondeling of schriftelijk of beide in een volzin antwoorden. Zoowel de lees- als de vraagboeken hebben een hiaat. De eerste brengen leerstof aan, die te ver buiten bet kind en niet voldoende onder bet bereik van den on derwijzer ligt; inhoud noch plaatjes sluiten aan bij den ten dienste staande voorraad aanschouwingsmate riaal. De tweede gaan aan hetzelfde euvel mank; zijn of te moeilijk -of te onbenullig. Wat bier in zake onderwijs is gezegd, klopt volko men met wat voor de opvoeding geldt. Ook daarbij kan men twee wegen volgen; het kind aan den leiband houden zoolang mogelijk en geven en onthouden, wat men zelf noodig of nadeelig acht. Het kind wordt dan wat men ervan maken wil en maken kan. Maar men kan het kind ook laten uitleven, af wachten en gadeslaan, wat erin zit. Dan volgt het zijn eigen gekozen weg en wordt wat bet worden wil en worden kan. Om dit met een zeer eenvoudig voorbeeld aan te duiden: Het kind beeft gezien, dat andere kinderen wel eens geld bij zich hebben en snoepen en deelt dit zijn ouders mede. Dezen kunnen terstond het kleine mondje snoeren met een frase: „Snoepen staat lee- lijk; nette kindertjes doen het niet. Dat snoepgoed is vies, er is aan gevingerd en geduimeld; het is ook ge vaarlijk, ja zelfs vergiftig, vele kindertjes moesten bun snoeplust met den dood bekoopen; snoepers worden dieven", enz. De ouders zijn er af; het kind kan niet snoepen, omdat het geen centen krijgt. Maar het houdt voortaan zijn wèlsnoepende makkertjes in bet oog en vindt, dat daarbij toch wel „nette" kinderen zijn; het krijgt een stukje en gaat niet dood; bet houdt moeders koektrommeltje in het oog en vraagt zich af, of dat geen snoepen is. De ouders willen geen filisters tot kroost, voorzien het van eenig zakgeld en wachten af. Ook de treu rigste resultaten kunnen ben niet van de wijs bren gen. „Het kiud% moet maar vroeg leeren met geld om te ga>an en ondervinden, wat het zegt, te veel, te kort of genoeg te hebben. Beide wegen schrikken de ouders af en ze kiezen den middenweg, den opwekkenden leervorm. Ieder onderwijzer weet, dat deze schijnbaar de moeilijkste en toch in den grond de prettigste, dus gemakkelijk ste is. Deze toch is de eenige, die aanstuurt op de rechte samenleving; van vervreemding, wantrouwen en filisterij kan hier geen sprake zijn; de onderwijzer geeft zich en het kind geeft zich, beiden leeren elkan der kennen ten voeten uit. Hebben de ouders dezen weg eenmaal ingeslagen, clan zullen ze hem noode verlaten. Helaas die weg is voor ben niet altijd te bewan delen. Dat opwekkend leeren en leven eischt een per soonlijkheid en tijd. Zal het kind een man uit één stuk worden, dan moet zijn opvoeder het minstens ook zijn; zich niet vandaag zóó en morgen weer anders vertoonen, niet nu hol dan bol zijn. Wil ieder ouder nederig bekennen, dat clit een heele kunst is? Tijd! Heeft onze tijd nog tijd voor opvoeding van de zijde der ouders? Ts Moe niet blij, als de kleintjes naar bed, is Pa niet boos, als die levenmakers bij zijn thuiskomst nog niet van den vloer zijn? Och, de stum- perds, ze weten het wel en maken zich uit de voeten zoo gauw en zoo lang mogelijk. Zeker, wij weten het; de omstandigheden drijven vader de deur uit en moeder het buis door; (och bleef het nog daarbijmaar wij weten ook, dat de re sultaten dier omstandigheden maar al te vaak zoo diep treurig zijn. Wij boorden eens een vrouw zeggen, „Ik heb acht kinderen gehad, maar het kerkhof heeft zich gelukkig over mij ontfermd. Toen ze jong waren, kon ik mij niet met hen bemoeien en als ze oud wer- S den, liepen ze van mij weg1." Dat klonk mij bard in de ooren, maar stemde mij tevens tot ernstig nadenken. Er is zooveel, waarover wij ons bitter beklagen, dat wij zoo graag heel anders hadden. Zoo ook in deze. Wie over dit onderwerp meer wil lezen, bij neme bet boeksken van Cald Ewald: „Mijn kleine jongen ter band. Wie bet belang van zijn kroost hooger stelt dan eenig ander, bij gewenne zich tegenover zijn kroost „iemand", d. w. z. zich zelf gelijk te zijn en zoeke den tijd om zich met zijn kinderen te bemoeien. Want bet is een treurige harde waarheid, dat vele ouders hun eigen kinderen en vele kinderen hun ouders niet kennen en ook in deze maakt onbekend onbemind. Hier schuilt een groote maatschappelijke fout. W. W. NO. 233. S. 1.0YD te New-York! 1 Q 0 2 1 Mat in 2 zetten. i Oplossing vaja Probleem No. 230 (A. van Eelde). 1 D a8 c8 enz. Goede oplossingen ontvingen wij van: P. J. Boom, I E. Böttger, O. Bramer, G. van Dort, P. C. van Haren, C. van der Ililst-, J. J. Ilubelmeijer, G. Imhiilsen, G. Nobel, G. M. Pool, C. van Stam en C. Visser, allen te Alkmaar; Mr. Ch. Enschedé te Haarlem; P. Bak ker en II. Weenink te Amsterdam; S. te S.; J. Vijze laar te Hilversum; A. Tates te Heiloo; J. Deuzeman fe Frederiksoord.0. Slot Kzn. te Broek op Langen- dijk„Schaaklust" te Koedijk; J. Reeser te Voorburg. Toen wij No. 2301) op 2 dezer publiceerden; deelden wij mede, hoe wij bij de oplossing het een en ander over den sleutelzet wilden zeggen. Wij kondigden dit aan, omdat wij onzen lezers wilden mededeelen hoe de sleutelzet van dezen 2zet valt onder de minder goede. Inderdaadden zwarten koning een vluchtveld afne men hier c5 kan in het algemeen geen aangeno men indruk maken, al geschiedt dit ook met opoffe ring van het bandelende stuk. Trouwens zonder dit laatste geloof ik niet, dat een componist, die een ze kere reputatie heeft op te houden, bet zou publicee- ren, ten minste niet in een 2zet. Wij meen'en dat 1 D a8 c8 in No. 230 dan ook al gemeen beschouwd wordt als e,en sleutelzet, die geduld doch eigenlijk in beginsel afgekeurd wordt. Persoon lijk hebben wij er een hartgrondigen hekel aan. Want een van tweeën! Of de afwikkeling is onbeduidend als wanneer men gerust kan concludeeren, dat de com- Naar de vijf en veertigste Duitscbe uitgave door RUDOLF HERZOG. 35) Toen Ewald Wiskotten binnentrad, was de gelagka mer leeg. Hij moest baar door, om door de achterdeur de trap te bereiken, ^die naar zijn atelier-dakkamertje leidde. Nu kwam er toch beweging achter het buffet. Zijne schreden hadden den waard gewekt, die met het hoofd op de toonbank had liggen slapen. „Zoo iets maakt een kabaal alsof de fijnste klant binnen kwam," bromde hij kregelig, toen hij.zijn huur der herkende. „Mijnheer Zinters, ik heb schulden bij u „Enne? Aan zoo iets denkt u ook. Ik denk er voort durend aan." „Hier zijn vijf en zeventig mark, mijnheer Zinters. Ik kan wel niet zoo regelmatig betalen als bet wel be hoort. Maar betaald wordt er als u wilt met rente. Slechts moet u mij met rust laten." De oude streek met de hand door zijn grijzen baard en lonkte naar het geld. Toen schoof hij het met hol le hand in de lade. „Ja, als u op die manier tot mij spreekt jongeheer ik stond anders al klaar om u de huur op te zeg gen." Ewald Wiskotten streek door zijn lang haar. De huur opzeggen? En terwijl hij den schrik over dat woord trachtte te bestrijden, viel hem plotseling in wat Ernst Kölsch hem eenige uren geleden toegeroe pen en wat hij eenige uren geleden pas ver van zich afgeslingerd had. Zonder dat hij het wilde, vormde het zich op zijne lippen tot woorden. „De huur opzeggen? De naam Wiskotten is toch even goed als baar geld." „Zeker, jonge heer. Als er baar geld achter steekt. „Wij werken met drie honderd man thuis!" „Verdorie De sluwe uitdrukking op het gezicht van den oude verdween en maakte voor ver baasde hoogachting plaats. „Wat zegt u? Drie Ilij tastte mSt de hand naar de flesschen-batterij. „Ik geloof, dat een jenevertje u wel smaken zou." Ewald Wiskotten dronk het glaasje leeg. En eens klaps gevoelde hij een brandende schaamte. Hard zette hij het glas op de toonbank en opende de achterdeur. „Adieu." „De kwitantie zal ik dadelijk door Gretchen hoven laten brengen," riep Zinters hem na. „Atjuus, mijn heer Wiskotten Op zijn zolderkamertje gekomen, ergerde hij zich razend. Hij had zichzelf vergeten, hij had met vreem de voeren gepronkt. En tegelijkertijd leefde de trots in hem op, de trots op den familienaam, die respect afdwong. Dit bedwong zijn toom en wekte hem weer op. Doch ten laatste bleef er toch eene overwinnaars- stemming in hem. Hij wierp zijne jas uit. Het werd hem te warm. De champagne deed ook nog hare na werking gevoelen. Nu wilde hij werken. Daar werd aan zijn kamerdeur geklopt. „Binnen Gretchen Zinters kwam de kwitantie brengen. „Dank u wel. Wilt u soms nog iets?" „Oh wat 'n idee De slanke achttienjarige liet hare donkere oogen bliksemsnel langs hem heen gaan. Ewald Wiskotten werd rood. Nu pas bemerkte hij, welk een bijzonder wezen ze was. Dat verhoogde zijn verlegenheid nog. Daarbij trilde het zoo zonderling in zijn aderen, dat hij bijna een lichten aanval van duizeligheid bespeur de. Hij staarde haar aan, en toen hij spreken wilde, voelde hij dat zijn adem stokte. Opgewonden klopten zijne slapen en razend snel bonsde zijn hart. „Domme jjongen!" schold hij zichzelf driftig. „Juffrouw Gretchen „Ja „U u kon mij werkelijk wal een» *ls model die nen!" ponist verstandig had gedaan, zijn opgave in porte feuille te houden. Of de afwikkeling is van werkelijke waarde, in welk geval de componist o. i. niet rusten moet vóórdat hij een beteren sleutelzet gevonden heeft alvorens het probleem te publiceeren. Publiceert hij het toch dus mèt den minder goeden sleutelzet zoo geeft hij zich zelf een brevet van onmacht, niet waar? Wat nu No. 230 zeil' betreft, zoo willen wij ronduit verklaren op gevaar af het met den componist aan don stok te krijgen dat wij het vrij wel een ontoon- baren 2zet vinden. Wel is het waar, d,at het niet onaardig is hoe de pi onnen 1)7 en d7 door kunnen loopen zonder dat dit af breuk doet aan de correctheid. Ook de matstelling na 1 pX D is goed evenals die na 1 k e4. Doch wat er dan nog overschiet? Oordeel zelf, lezer! Na sommige zetten van het zwarte paard ontstaan er soms overvoudige matzetten. Dit zouden wij intusschen nog laten passeeren, ja ons zelfs kunnen voorstellen hoe de componist den 2zet met den aanvechtbaren sleutelzet had laten uitgaan, omdat hij deze duals toch niet verijdelen kon. Ons voorstellen wel, lezer, doch goedkeuren is weder een ;eheel andere quaestic. Doch wat aan de opgave o. i. alle waarde ontneemt, dat |is het feit hoeïiagi keG zoowel 2 Lc4+ als 2 l)c-| opgaat. En daarmede achten wij dezen 2zet veroordeeld Nadat wij dit vonnis geveld hebben, rijst van zelf de vraag' bij ons en, wellicht ook bij u, lezer 'hos of de componist er toe gekomen is zijne opgave onder die omstandigheden te publiceeren. Hier een positief antwoord op te geven is uit den aard der 'zaak niet wel doenlijk. Het waarschijnlijkste achten wij echter, dat de componist de dubbele rnat- stelling na 1. .k eG niet gezien heeft. Hoe is net mogelijk, zijt gij wellicht geneigd uit- te roepen, lezer. Doch, laat ons billijk zijn en liever wijzen op het geen de wereldberoemde componist J. Kohtz die al tijd in samenwerking' met K. Kockelkorn componeert op hetgeen J. Kohtz dezer dagen in het „Deutsehes Wochenschac.h" schreef: „Dwalen is menschelijk en er zijn er weinigen, die zich daaraan zoo vaak bezondi gen als probleemcomponisten." En wij vragen ons in verband met deze uitspraak van een erkend meester op probleemgebied af of wij niet beter hadden gedaan de gebreken van -probleem No. 230 met den mantel der liefde te bedekken. Ir. ieder geval wij doen er nu het zwijgen toe, het geen zoo lazen wij niet lang geleden in een vader- landsche schaakrubriek hetgeen vaak een der beste zetten is, dien men op het schaakbord des levens doen kan. „Ben je nou gek?" ,.D{m dan ten minste -een kus. Ze Hief slechts het hoofd op. Bijna onverschillig. Maar toch liep ze niet weg. Toen trad hij naderbij en sloeg onbeholpen zijn arm orn haar heen. Doodsbleek was hij geworden. Eu toen bespeurde hij door hare japon heen het kloppen van haar jonge bloed. „Gretchen!" riep hij en drukte zijne zoekende lippen op haar mond. Slechts eene seconde, en ze duwde hem met beide handen terug. „Gretchen, wat is er Gretchen stamelde hij. Ze pruilde. „Maar Gretchen!" ,,1' bent dadelijk zoo vrijpostig'. Alsof ik de eerste de beste was." „Nu ja een prins ben ik ook niet." „Maar u ben toch van de rijks Wiskottens?" ..Hoe weet je dat?" vroeg' hij verbaasd. „Oh dat ziet men dadelijk aan u." Toen lachte hij. En nu poogde hij haar opnieuw te vangen. Zo dolden door de kamer, totdat, hij haar om vat hield. Maar ze boog zich in zijne armen achterover. „Eerst kleur bekennen! Anders krijg je niets." „Ia" heb je gezegd!" jubelde hij. „Dat beteekent niets. Dat zeg je maar zoo. Los la ten „Eerst wil ik mijn kus Ze hield hem, achterover buigend, den mond voor. „Schreeuw niet zoo. StilIk kom terug." „Hè Van verbazing liet hij haar los. „Ik ga alleen maar zien, of vader weer slaapt. Wacht Hij keek haar na, zooals ze krachtig en gracieus de kamer uit sloop. Buigzaam als een wezel. Zijne oogen hadden zich zeer ver open gesperd. Daar kwam ze terug, den vinger op de lippen. De deur knapte in het slot. „Ga zitten," gebood za. „Maar heel verstandig spreken:" „Pikzwart haar heb je." „West ik al lang." J) K ga, D a8, T e8, L b5, I' f7, Pi b7, d2 en d7; k d5, p e7, pi d4. VOOR D2 DAMES. KLIKJES IN DE MODEWERELD. Er was een tijd, waarin de vrouwen haar haardos Opofferden om den toorn der goden te bezweren. Be stond deze gewoonte nog, dan zouden zeker vele vrou wen er gemakkelijk toe overgaan om haar haardos ten offer te brengen. Een groote opoffering, zal men zeggen. Toch niet zoo groot als men wel denkt, want de hedendangsche vrouwen, die zich van haar haartooi zouden ontdoen, zouden zich natuurlijk valsch haar. aanschaffen en kunnen dan zelf de gewenschte kleur, lengte en kwaliteit uitzoeken. Misschien ont- „En pikzwarte oogen, die als dwaallichtjes in het donker op en neer huppelen." „Gek ben je nou eenmaal." „En een heel fijn aristocratisch neusje, met neus vleugels, die zich voortdurend bewegen." Ze lachte in zichzelf. „En een mond zoo rood, alsof het bloed er door kwam." „Die heb ik van m'n moeder." „Was ze wel zoo mooi als jij, Gretchen?" In de oogen van het meisje begon het te schitteren. „Vader ontmoette haar in Rotterdam, toen hij nog op den Rijn voer. Daar was ze de ster." „De ster?" „Zoo noemt men dat in de fijnste café-chantants. We! bij de opera de prima-donna is. Als zij niet ge storven. was, hoefde ik vader niet te helpen en was Ook bij het theater." „Zou je willen?" Ze sloot de oogen. Hare neusvleugels bewogen zich sneller. „Rijk worden, voornaam worden -- Ilij hield haai' stijf vast. Zijne keel was als uitge droogd. „En als ik het werd. Voor jou tegelijk?" „Jij -?" „Ja ik!" „Laat naar je kijken. „Neen!" riep hij en sprong op. Zijne jonge oogen fonkelden. „Laat jij naar je kijken!" Ze stonden tegenover elkander en monsterden elkan der, alsof ze elkaar nog nooit gezien hadden. Alsof ze voor elkander iets-nieuws, iets zeer eigenaardigs ge worden waren. Nu en dan een kort lachje. „Wilde kat!" stiet hij uit en naderde weder haren mond. Hare tanden schitterden hem tegen. En nu kusten ze elkander. „Gretchen, Gretchen „Ewald „Nu heb ik een meisje!" „Oho, daarvoor hen je nog te jong!" ,,lk? Hst volgend» jaar ben ik mondig." Wordt vervolgd.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 5