DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Honderd en twaalfde Jaargang. 1910. DONDERDAG 26 MEI. BINNENLAND. No. 121 Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagenuitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk fl,— T: Afzonderlijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f0,10. Bij groote contracten rabat. Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. STEDELIJK MIISEU M. Bezichtiging tegen betaling van 10 cents per persoon, op Zondag, 29 Mei a.s., 's middags van 1 tot 3 uur. Ingang Breedstraat. Het is verboden in de lokalen te rooken. ALKMAAR, 26 Mei. I „Vier uwe vierdagen" heeft eèns de man gezegd, die de laatste dagen een der meest besproken Neder landers is geweest en van wien later niet zal worden getuigd, dat zijn roem hem overleefd heeft. In Argentinië had men een vierdag en men heeft hem niet laten voorbijgaan, hoewel de omstandighe den waaronder de viering moest plaats hebben niet zoo heel gunstig waren. De Argentijnsche republiek had gisteren honderd jaar bestaan en dit feit is fees telijk herdacht. In 1810 heeft de Spaansehe La Plata- kolonie zich van het moederland losgescheurd en een republiek gevormd. Het was toen, we hadden in het begin van dit jaar gelegenheid dit op te merken, een veelbewogen tijd. Op den Spaanschen troon zat een zwakkeling, wiens moeder met gemeene middelen te gen hem intrigeerde ten bate van een ander; de groote Napoleon drukte zijn stempel op tal van groote landen en zijn voorzienig oog was gevallen op het gebied aan de la Plata, waar hij -naar achterna ge bleken is volkomen terecht rijke schatten vermoed de. De kolonie, welke genoeg had van een verkwisten de koningsfamilie, zou, meende hij, zich gaarne aan haar ontworstelen. Daarom zond hij iemand naar Zuid-Amerika met de opdracht de leidende staatslie den van La Plata over te halen zich te voegen naai den wil des keizers. Men had daarginder evenwel weinig trek om het eene juli voor -het andere te ver wisselen en heeft zich handig van dat eene weten te ontdoen, zonder er een ander voor in de plaats te krij gen. Zoo kon men den 25sten Mei 1810 de republiek uitroepen. Men heeft over die daad geen berouw ge had. Het is Argentinië niet slecht gegaan en vooral niet als men vergelijkingen maakt met andere Zuid- Amerikaansche republieken. Zeker, een groot deel der inboorlingen zijn half beschaafden, er komen ook hier heel wat „generaals" voor, die zoo nu en dan eens meenen aan hun rijk gegaloneerde uniform verplicht te zijn een revolutie-' in het leven te roepen, de wisse ling in het presidentschap gaat in den regel gepaard met bloedvergieten en het is in het land van de vrij heid zoo gesteld, dat vóór de feesten de staat van be leg over het geheele gebied moest worden afgekondigd, maar toch, de toestand is er niet zoo erg als in nabu rige landen, terwijl de republiek er in verschillende opzichten beter aan toe is en ongetwijfeld een goede toekomst tegemoet gaat. De bodem is rijk en onder de bevolking schuilt energie. Een dertigtal jaren ge leden meende men dat veeteelt de hoofdbron van in komsten moest vormen en dat de' landbouw nimmer van veel beteekenis zou worden. Maar de betrekkelijk kleine bevolking Argentinië is bijna 100 maal zoo groot als Nederland en heeft nauwelijks een millioen inwoners meer dan ons land, terwijl alleen in Buenos Ayres „de stad der gezonde lucht" 1.2 millioen wonen heeft het land tot een korenschuur van Europa ge maakt, zoodat de oppervlakte van den grond waar tar we wordt verbouwd van 8500 H. A. in 1875 is geste gen tot 5.000.000 H. A. in 1909. Toch heeft men de veelteelt niet in den steek gelaten en hoe de regeering aanmoedigt moge blijken uit het feit, dat eenige ja ren geleden een Durhamstier van staatswege werd gekocht voor 45.000 gulden. Daarnevens hebben zich nijverheid en verkeer ontwikkeld. Het spoorwegnet is toegenomen van 2600 tot 27000 kilometer, het tele- graafnet van 11.400 tot 152.000, het scheepsverkeer van 991.476 tot 12.700.000 tonnen. In de groote slacht huizen worden tijdens het seizoen soms 1800 ossen per dag geslacht,j waarvan het vleesch naar Europa wordt gezonden. Van welke beteekenis de economische ont wikkeling van het land voor de wereldmarkt geworden is bewijzen de cijfers van in- en uitvoer, waarbij Ne derland een slecht figuur inneemt, en België met Difitschland vooraan staat, bewijzen ook de herden kingen van den 25sten Mei in verschillende buiten- landsche steden, waar de belanghebbende groothandel feesten heeft georganiseerd, Argentinië ter eere, be wijzen ten slotte de aansporingen, om de tentoonstel ling, welke thans te Buenos Ayres wordt gehouden te bezoeken en handelsbetrekkingen in deze moderne stad of haar rijke omgxaving aan te knoopen. Daar is de basis voor een steeds voortgaande ontwikkeling aan wezig, welke die van vele andere Zuid-Amerikaansehe Staten zal overtreffen, verzekeren mensehen, die het weten kunneiT- Hoe die ontwikkeling ook zijn moge, het verleden heeft getoond dat er alleszins reden is om de vrij-making van Spanje feestelijk te herdenken zij het dan ook, dat de staat van beleg de feest vreugde eenigermate zal temperen. TWEEDE KAMER. De beraadslaging werd gisteren voortgezet. De heer Van Doorni (u.-l. Gouda) repliceeren- de, zegt door een aanval op zijn persoon, door den heer Lohman gedwongen te zijn nog een enkel woord te spreken. Spr. had in zijn eerste rede gewag gemaakt van den indruk, welken de Kuyper-zaak in het bui tenland gemaakt heeft. De heer Nolens beriep zich op Brussel, waar men uit hoffelijkheid, natuurlijk niet officieel over de zaak gesproken heeft. Spr. kan echter de verzekering geven dat hem te Brussel van drie zijden over de zaak gesproken heeft en wel op eene wijze die hem pijnlijk aandeed, omdat de eer van een regeeringspersoon is de eer van het land. Het is gisteren gegaan als altijd met den heer Loh man. Deze heeft weer den censor gespeeld maar spr. zal zich daaraan nimmer onderwerpen. Hij wenscht zich niet te onderwerpen aan het censorschap van wien dan ook, maar vrijuit zijné meening zeggen. Spr. betreurt het dat de heer Lohman niet hier is, want nu zal men het argument laten hooren net als men tegenover dv. Kuyper heeft gebezigd dat een afwezige zich niet verdedigen kan. Uit de gehouden redevoeringen is gebleken dat de verwerping van het enquête-voorstel door de rechterzij de vaststaat maar dat kan spr. wel voorspellen, plei- zier zal zij er niet van hebben; de waarheid zal toch wel uitkomen. Eigenaardig is het dat geen lid der rechterzijde de daden van dr. Kuyper in bescherming heeft genomen. Van die zijde werdl zelf erkend, dat dr. Kuyper in voorzichtigheid, tact en beleidi was te kort geschoten, maar was hij maar wat handiger ge weest (gelach). Aan de rechterzijde ontzegt spr. het recht zich te noemen, drager van het monopolie der politieke eer lijkheid. Nogmaals herhaalt spr. dat het hier gaat om de eer des lands en hij hoopt dat de rechterzijde dit alsnog zal inzien. De heer Roodhuyzen (u.-l. Brielle) repliceerende, betoogt dat het hem alleen te doen is om de waarheid aan het licht te doen komen en toen hij, eenvoudige ziel naar de waarheid zocht, is hij tot de overtuiging gekomen, dat men voor de enquête moest stemmen op grond van het rechtsgevoel. Waar zijn de pogingen van de rechterzijde om deze zaak tot klaarheid te brengen? Zij laten nog steeds op zich wachten. In wat impasse zijn wij nu geraakt? De heer Loeff heeft ontoerekenbaarheid gepleit. Naïviteit. Men heeft: gezegd, dat dr. Kuyper niet eens wist, dat er Lehmannetjes hestonden. Straks gaat men nog zoover te verklaren, dat dr. Kuyper niet eens weet hoe de kindertjes geboren worden. (Groote vroolijkheid). Maar al is hij dan ook nog zoo naïef, men heeft hier te doen mét een verantwoordelijk minister der Kroon. Spreker ontkent, dat de linkerzijde zich laat leiden door haat tégen dr. Kuyper. De bewering, dat het hier om de regeeringsmacht gaat is onzinnig. De heer Lohman zei de: het is alleen te doen om den heer Kuyper van de regeeringstafel te houden, maar wie heeft daarvoor het hardst gestreden? De heer Loh man. Niemand heeft hem venijniger bestreden. De heer De Geer (c.-h. Rotterdam) meent, dat de omvang, welke het debat genomen heeft en de scherpte, welke zich daarbij heeft doen kennen, geheel te wijten is aan de sociaal-democraten, die zich op den persoon van dr. Kuyper hebben geworpen. Spreker zal zijn stem niet laten beheerschen door zijn lidmaatschap der partij, noch door zijn lidmaat schap der rechterzijde. Op dien: grond zal hij noch voor, noch tegen het voorstel stemmen. Het is een absurde persoonsoverschatting als men meent, dat van een persoon het bestaansrecht afhangt van de christelijke school en van de christelijke ar beidersbeweging. Wat heeft die christelijke arbei dersbeweging te maken met de briefjes aan juffrouw Westmeyer Al had dr. Kuyper alle zeven hoofdzonden tegelijk begaan, de eer van het christendom heeft daarmede niets uit te staan. De lieer Vliegen (s.-d. Amsterdam IX): Dat bewijst, dat het christendom niets te maken heeft met uw politiek. De heer De Geer, vervolgende, vraagt zich al leen af, of het landsbelang een enquête eischt. Hij ontkent dit en acht noch een eereraad noch een en quête noodig. De heer Van Idsinga (c.-h.' Bodegraven) repli oeerende, zegt, dat de heer Lohman gisteren een edel moedige rede heeft gehouden, maar hij was zwak waai hij er zich op beroept, dat een enquête alleen zaken, nimmer personen kan omvatten. Spr's standpunt is: een onnoodige enquête moet men niet houden, hij acht deze enquête onnoodig en daarom, en ook daarom alleen, stemt hij er tegen. Do positie van dr. Kuyper berust op zijn persoonlij ken invloed in den lande en. die zou niet veranderen wat de enquête ook opleverde. De heer Troelstra wil het volle licht, spr. ook, maar niet omdat hij de nationale eer van ons land bij deze zaak betrokken acht. Onze nationale eer wordt niet aangerand door het geen dr. Kuyper dan zou gedaan hebben. Onze natio nale eer zou alleen lijden, wanneer niet werd afge keurd in het gedrag van dr. Kuyper wat men daarin afkeurenswaardig vindt. Spr. vraagt zich af of er in hetgeen gebeurd is re den voor de Regeering kan zijn om. hem te passeeren als lid voor de Grondwetscommissie. Daarvoor bestond geen reden, maar iets anders is het of dr. Kuyper niet wijzer gehandeld had om te bedanken. De heer Duymaer van Twist (a.-r. Steen- wijk) motiveert zijne interruptie tegenover den heer Roodhuyzen: allemaal comediespel. Daartoe beroept spr. zich op een stuk in De Vaderlander, het orgaan van den heer Roodhuyzen, waarin deze een Eereraad verdedigde en haar samenstelling prees. Welnu is zijn veranderde houding en zijn stemmen nu voor de enquête dan geen comediespel. Hetzelfde vraagt spr. ook met een beroep op hetgeen in Het Volk heeft ge staan, aan de soc.-dem. partij. De heer Roodhuyzen, met toestemming der Kamer voor' de dex-d# maal het woord voerende, heeft al weer wat geleerd, n.l. dat het eene Kamerlid van comediespel mag spreken tegen het andere. Hij dacht tot dusver dat dit een ernstige beleediging was. De voorzitter heeft dit woord allicht aan den heer Duy maer van Twist toegelaten, omdat hij door zijn gods dienstige en politieke richting niet geacht kan worden te wéten wat comedie is, al plukte hij als regisseur lauweren op dat gebied bij de bekende boetedoening- van dr. Kuyper. Wat nu de zaak zelf betreft, kan de heer Duymaer zich niet voorstellen, dat men in zeven maanden van opinie kan veranderen. De voorzitter merkt op, dat hij het woord co mediespel, bij wijze van interruptie gebruikt, niet ge hoord heeft. Er wordt hier geen comedie gespeeld en de voorzitter hoopt dat hier ook nooit comedie ge speeld zal worden. De lieer Van Hamel (u.-l. Amsterdam IV) re- pliceerende, zegt dat voor hem de waarde der enquête ligt in punt 3, de vraag in hoeverre de weg gewezen werd voor een decoratie. Dat is niet bekend en dat punt zag hij gaarne opgehelderd. Daarom zal hij voor 't voorstel stemmen. De heer Limburg (v. d. Schoterlandl) herhaalt, wat het standpunt der vrijzinnig-democraten is tegen over dit enquête-voorstel. De heer Troelstra (S. D. A. P. Amsterdam III) constateert, dat in het debat- de al of niet noodzake lijkheid der enquête geheel op den achtergrond is ge drongen. Over de duistere punten is men heengegle den, zich verdiepende in quaesties van niet-ontvanke- lijkheid enz. Slechts een enkele spreker heeft getracht het voorstel in zijn hqrtader aan te tasten en wel in de eerste plaats de heer De Stuers. Uwe verontwaardi ging over de wijze, waarop met. de decoraties wordt omgesprongen, heeft geen zin, zeide de heer De Stuers. Het verleenen van decoraties, gelijk dit is geschied, is niet strafbaar, zelfs niet laakbaar. Toen spreker dat hoorde, dacht hij weder aan hetgeen dr. Kuyper omtrent de Christelijke rechtsbeginselen hij het verleenen van decoraties in „Ons Program" heeft gezegd'. Daar heeft men heel wat anders ge hoord. Spreker komt er tegen op, dat een Regeering vooraf daden in uitzicht zou mogen stellen, die met een ridderorde kunnen beloond worden. Dan staat hooger het standpunt van den heer Van Idsinga, dat geen bewijs aanwezig is voor het ten laste elegde verband. Men heeft gesproken van de naieviteit van dr. Kuy per, maar dr. Kuyper was herhaalde malen gewaar schuwd tegen de Lehmanns en het bewijs voor het ver band is ten deele reeds geleverd. Een enquête zou de verdere feiten aan het licht kunnen brengen. Ten bewijze, dat het hier wel geldt een zaak van algemeen belang, welke reeds over de grenzen is ge gaan, beroept spreker zich op een stuk in de Indepen dence Beige, waarin gesproken wordt van onze inter nationale reputatie. De verdediging is hoofdzakelijk geweest eene verde diging van juridischen aard, maar bij gemis'aan den leider der batterij heeft het vuur zich tegen eigen bat terij gewend en daarin leelijk bres geschoten. Toen heeft men de politieke batterij opgeworpen. Daaruit is geschoten met los kruit, dat wel veel rook op jaagt, maar geen kwaad doet. Uitvoerig betoogt spreker daarna nogmaals, dat de wetgever de enquête niet beperkt heeft tot de strenge opvatting van den heer Lohman. Een dankbaar gebruik is door de tegenstanders ge maakt van het politieke deel van sprekers rede, maar naar hun zin is hij nog- niet uitvoerig genoeg geweest, omdat hij nog niet gesproken heeft van 1903. Wellicht komt spr. daarop straks nog wel terug. Gij kunt het niet verkroppen zegt men dat het dr. Kuyper is ge weest die u de politieke meerderheid heeft doen ver liezen en dat kunt ge niet verkroppen. liet- geldt hier niet om den persoon van dr. Kuyper te treffen. Die heeft afgedaan als politiekman of hij al dan niet afgevaardigde van Ommen blijft. En wij zijn niet zoo laf den reus ip zijn Achillishiel getroffen te vergruizen. Juist met de enquette willen wij hem de gelegenheid' geven zijn goeden naam te herstellen en de rechterzijde moest die gelegenheid met beide handen aangrijpen. Hulde brengt spr. aan de rede van den heer Colijn waarin hem eene uitdrukking tegenviel. Maar daarnaast hebben wij gehoord de re devoeringen van de twee pal-edijnen de heeren Ooster- baah en Duymaer van Twist, liet z. g. comediespel van de soc.-dem. door den heer Duymaer aangehaald is te gek om los te loopen. Zeker als het geval KuyperSweerts juist was gebleken dan zou dat nog erger zijn dan de zaak KuyperLehman maar om dat nu comediespel te noemen dat is toch to gek en ge tuigt van gemis aan onderscheidingsvermogen. De heer Ketelaar: (v. d. Amsterdam V): Hij gaat nooit naar de comedie. De heer Troefctra vervolgende, zegt dat het hier niet gaat om trouw en aanhankelijkheid, maar om licht te verschaffen. De caesaro-papie in de anti-revolutionnaire partij lieeft ons geplaatst buiten de zerjelijke gemeenschap van het volk. Met machtspreuken heeft dr. Kuyper doen zenden en duizenden gedreven op den weg waar hij ze hebben wilde en als die man gelden van de Leh- mann voor zijn partij opstreek, dan trapte hij de ethi sche beginselen van zich af. De man die de Christelij ke werklieden belette op Zondag voor hunne belangen te vergaderen, die man, de. incarnatie van het Christe lijk beginsel, zat zelf op Zondag te Brussel in een wit pakje voor een café met een glas bier voor zich. (Groot rumoer aan de rechterzijde). De voorzitter hamert en verzoekt spr. zijne persoonlijke aanvallen niet voort te zetten. De heer Troelstra vraagt voor zich dezelfde vrijheden als de heer Oosterbaan kreeg. De voorzi 11 e r merkt op, dat er reeds vier da gen over een persoon gesproken is, wat hier vroeger nooit gebeurde. De heer Troelstra komt op voor zijn goed rechtvan de overzijde is de menschelijke figuur van dr. Kuyper ter sprake gebracht. Spr. gewaagt» dan van een politiek farizeeisme, waarvan thans de zweer uitbreekt. Om geld is 't te doen. We hebben hier gehoord zegt spr. o. a. hoe een man als Lehman rechts wordt, wanneer hij geld heeft voor de partijkas. Dat is alles zoo plat, zoo weinig kiesehkeurig. En er was hier een juffrouw, niet al leen roomsch, maar van een soort zoo laag, dat een fatsoenlijk mensch er niet mede omgaat; die juffrouw werd aangemoedigd, om altijd maar meer geld aan te dragen. Als Kuyper van diefstal werd beschuldigd, was zijn partij de heler. Het geld! van Lehmann is gegaan door de handen van den heer Heemskerk, destijds the saurier, die Lehmann toch zeker wel kende; meer zal ik hier niet van zeggen. De geheele houding der par tij is verdacht. Zoo is de politiek van de anti-revolu- tionnairen. En nu die van de sociaal-democraten: Zij is anders. Spr. heeft hier niet gestaan als een man van haat. Ik heb bij mij zelf nooit een sprankje van haat tegen dr. Kuyper gevonden, maar ik haat de gore tactiek, de leugentjes, de halve onwaarheden, de draai erijen, waarvan hij gebruik maakt. Over 1903 behoef de ik hier niet te spreken. Wat dr. Kuyper jegens de arbeiders misdreven heeft, kreeg hij in 1905 thuis. Die rekening is dus afgesloten. Spr. gaat dan in op de beschrijvingen van dr. Kuy- pei-'s karakter. Bij den een is hij een kind in erva ring, bij den ander een grijsaard1 in ondervinding. (Gelach.) Met de naïviteit van dr. Kuyper heeft spr. minder kennis gemaakt. Wat hij van dr. Kuyper weet, toonde g-ehrek aan naïveteit, toonde geslepen heid, een oordeel, dat spr. nog eens met verschillende voorbeelden toelicht. Spr. behandelt vervolgens den eereraad Zelfs de heer De Jong heeft, volgens verklaringen van Enka gezegd, dat een enquête beter is dan een eereraad. De heer De Jong: Dat is gelogen! De heer Troel s tra handhaaft zijn voorstel. Het wordt een partijstemming, dat weet spr. Zijn voor stel zal worden opgeofferd aan de coalitie-politiek. (Bravo's.) De heer Loeff leest een brief voor van advocaat Van Gigeh, uit Amsterdam, waarin deze aan dr. Kuy per op een desbetreffend verzoek mededeelde, dat bij het proces-Haas-Van-Hall geen der gebroeders Leh mann betrokken was. Toch heeft de heer Troelstra. het doen voorkomen, of dat wel zoo was. De heer Troelstra is dus blijkbaar nog- niet volkomen mondig in de politiek. (Rumoer.) Het enquête-voorstel wordt met 49 tegen 31 verwor pen. Vóór de linkerzijde, behalve de heer Thomson. Tegen de rechterzijde en de heer Thomson. De vergadering wordt verdaagd tot heden 11 uur. REORGANISATIE ONDERWIJS. Het Rapport der Staatscommissie voor de Reorga nisatie van het Onderwijs, dat reeds geruimen tijd ge leden vastgesteld was, is thans geheel gedrukt, en zal waarschijnlijk nog deze week aan de Koningin worden aangeboden. Het- bestaat uit 2 deelen, samen onge veer 1800 pagina's groot. Met den druk van het eerste deel het eigenlijke Rapport. is in November van het vorige jaar een aanvang- gemaakt, terwijl het tweede deel dat de rapporten der subcommissiën bevat reeds vroeger gedrukt was. DE STAMBURCHT DER NASSAUS. Op grond van een ambtelijke verordening, zal de burcht Nassau voortaan den naam van „gemeenschap pelijke stamburcht Nassau" dragen, omdat hij de stamburcht van het huis Oranje-Nassau en van het huis Üiez-Weilburg-Saarbrücken is. De burcht is in 1101 gebouwd, kwam in 1159 door ruil aan het aarts bisdom Trier en is later aan de graven van Luxem burg, die zich daarna meestal graven van Nassau noemden, in leen gegeven. Omstreeks 1530 verkeerde de burcht nog- in goeden toestand. Nu staan nog overeind de vierkante groote toren, een paar muren, een ronde toren en een poort met een ronden boog. Van het hoogste punt van den bouwval af heeft men een prachtig gezicht op het Lahndal en de bergen van de Lahn. RECHTZAKEN. ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ALKMAAR. Zitting van Dinsdag 24 Mei. VERNIELING. Jan V., koopman te IJlst was den 2öen April ter zake van vernieling hij had den 7den Maart te Grootebroek bij de familie Bot een ruit ingeslagen door de rechtbank bij verstek veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf. Beklaagde was toen niet aanwezig en teekende verzet tegen het vonnis aan, zoodat de zaak thans opnieuw behandeld werd. Opnieuw werden dezelfde getuigen gehoord. Uit hunne verklaringen bleek, dat beklaagde, die. zelf beweert een ongeluk met de ruit te hebben gehad, wel degelijk opzettelijk heeft gehandeld. De officier noemt dergelijke menschen als beklaag-

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 1