De Wiskottens Bobled voor Alkmaar en Omstreken. De Brusselsclie Tentoonstelling. FEUILLETON. Uit school en huis. w. w. Schaakrubriek. im No. 135 ZATERDAG 11 JUNI. Uitgave van de N.V. Boek- en Handels drukkerij v|h. HERMs. GOSTER ZOON, Voordam C 9. i 'ÜÜl abcdefgh I m üiit. VIII. (Particuliere correspondentie.) Zon. Een warme, oploopende weg. Een neger in een schreeuwend! rood en blauw pak. En daarna groen, eerst wallen van groen, ver voor ons uit, hoog aan weerskanten boven den rechten weg. En daarna de plechtige zalen der hooge beukenbosschen, bruin bevloerd, de rustige rust der groene jonge bosschen, het onder dicht groen begroeide open bosch, het g hcimzinnige dennenwoud. Het al in oneindige ver scheidenheid, uren ver zich uitstrekkend in majestu euze stilte, waartegen het vogelengezang uitkomt als wit kantwerk tegen een donkeren achtergrond. Twintig minuten later: Een oogvermoeiend geklet ter en geklater van kleuren. Een gehaast van goed aangedane menschen over met dik fijn, grijs steenslag bedekte paden en door eindelooze hallen van japonnen, doozen, potten, fleschjes, machines, locomotieven. De cake walk. Wagentjes in dolle vaart schietend over smalle sporen die in allerlei richtingen zijn opgehan gen aan hooge ijzeren gevaarten. Menschen in draai ende, doozen rondgehost over een hellenden vloer van een reusachtig Russisch biljart. Menschen in nage maakte autoschuitjes dobberend over een nagemaakte ijzeren zee. En dan weer bierhuizen en wijnhuizen en een Diisseldorfsch marktplein en Senegalsche negers en Oongonegers en dan weer dezelfde neger )een Fransche koloniaal) in blauw en rood'. De neger lacht tegen ons een dommen lach. Als zoo'n neger eens niet dom ware! Want wèl is de gegeven tegenstelling enorm. Het eerste bedrijf toch speelt, in het Zoniënbosch, beter be kend als het Forê: de Soignes buiten Boitsfort (Boschvoorde heet het ook, ma,ar noemt men het niet) waar zoowel de neger als wij tijdens de tentoonstel ling een onderdak vinden. Het tweede bedrijf 15 mi nuten later te Brussel op de grootste tentoonstelling der wereld, die alleen'door Sb Louis in oppervlakte maar door geen andere tentoonstelling in aantal expo santen wordt overtroffen. (25.000 zegt men, terwijl er 5000 zijn afgezegd doch de Belgen houden van groote, ronde getallen). Grooter tegenstelling is dan ook h^ast niet denkbaar. En toch ligt er maar 10 mi nuten trammens - tusschen en gaat' de tram overdag ten minste elke 15 minuten. Boschvoorde ligt dan ook (even ten Z. O. van Brussel) verrukkelijk voor een bezoek aan de tentoonstelling. Men hoeft werke lijk geen vijf minuten te loopen om van het plein van het dorp in het mooiste bosch te zijn, dat men maar wenschen kan en waar het althans nu nog heerlijk rus tig is. Het is waar: het bosch is1 niet rijk aan beeken. Vérder moet men 's avonds laat in zulke groote bos schen in de omgeving van groote steden niet alleen, ongewapend gaan wandelen. Doch overigens is het .een van de mooiste en meest uitgestrekte bosschen die wij kennen. En van de tentoonstelling is men minder ver weg dan in het overgroots deel der Brusselsohe agglomera tie. Tien minuten trammen brengt u aan het hek, naast het Ilollandsche paviljoen, welke ingang vrij al gemeen „Section Allemande" genoemd wordt (de Duitsche afdeeling ia er namelijk niet ver vandaan). Dc tram is goedkoop en van deze zijde komend in den regel niet vol. En tramt men (voor hetzelfde geld) 15 minuten verder, dan is men aan de Naamsche Poort en dus vrij dicht bij het hart van Brussel. Voor hen, die dus de tentoonstelling willen zien en toch nog oen beetje buitenlucht en boschlucht willen hebben, is Boschvoorde de aangewezen plaats, nkar 't ons schijnt. Er is maar één bezwaar. De logeerruim- te is er beperkt en die zal vooral in dezen zomer zéér beperkt zijn, omdat natuurlijk wel meer menschen, die de buurt kennen, de opmerking hebben gemaakt en zullen maken, dat er 's zomers eigenlijk geen mooier gelegenheid is om een bezoek aan de tentoonstelling te verbinden met een buitengewoon aangenaam bui ten verblijf dan juist dit Boitsfort geeft» Nog één opmerking' voor lezers, die aan oriëntee- ringszucht lijden, een nieuwe ziekte, die den lijder geen rust geeft voordat hij het topografische naadje van de kous weet. Te voet of per rijtuig gaat men van Brussel door de Avenue Louise en het Bois de la Cambre (Ter Kamerenbosch) naar het Zoniënbosch en Boschvoorde. Doch de tram neemt een minder smakelijken weg die dwars door de tentoonstelling Naar de vijf en veertigste Duitsche uitgave door RUDOLF HERZOG. 72) Ze drukte zijn arm en sprak niet. „En jij je zult mij nooit in den steek laten. Ook niet als als ik mijn hoofd1 eens op steek?'' „Als ik geen zorgen had, zou ik ze mij verschaffen. Enkel om altijd1 weer opnieuw de vreugde te zien ko men." „Drie jaar zullen wij nog moeten wachten. Maar dan, als ik vierentwintig ben." „Dan 1" „Verheug je je er op?" Haar schouder beefde tegen zijn arm. En zij ver haastte plotseling haar tred, alsof ze buiten het be reik hunner woorden moesten komen. Doch in den lichtkring der eerste straatlantaarn hielden ze halt. Om elkander met oogen, die door ontroering wijd ge opend waren, aan te zien Voordat de trein zich in beweging stelde, steeg ze nog eenmaal uit de coupé. „Zal je vlijtig zijn, Ewald? Voor ons!" „Oho! Voor de firma Wiskotten en Zonen! Ik zal een woordje mee te spreken hebben!" „O, jou bakerkind!" „Wil je dat woord wel eens ©ogenblikkelijk terug nemen? Hier staat, een toekomstige chef!" „De mijne! Dat is mij voldoende." „In stappenPortieren dichtDe conducteur liep langs den trein. Met eene plotselinge beweging greep ze naar zijn hoofd en keek hem in de oogen. „Wel ter ruste." Hij voelde hare lippen bloedwarm op dé zijne. De trein Stelde zich in beweging'. Uit het portierraampje heen gaat. Er loopt namelijk een gewone voorstads- straat dwars door de tentoonstelling, waarvan de ge middelde bezoéker geen1 Ahnung heeft, zóó handig heeft men die straat weggestopt. Die straat gaat tus schen Holland en Spanje door, „doortunnelt" dan ge heel onzichtbaar den hoofdweg tusschen de beide groo te tuinpleinen, verdwijnt achter het smalle Fransche gedeelte en tunnelt dan nog tusschen Frankrijk en Engeland door. Speciaal die laatste moeielijkheid hebben de handige tentoonstellingsarchitecten weten te maken tot een aantrekkelijkheid. Zij hebben de heele straat op de grens der beide groote af deelingen overbouwd met trappen, die aan het eind der Engel- sche afdeeling en aan liet eind van de hoofdzaal dér Fransche afdeeling buitengewoon mooi decoratief doen en een aangename afwisseling zijn op het eeuwig eentonige van altijd weer in elkander loopende ten toonstellingshallen. Curieus is hier weer de tegenstelling met het in wendige van het N-ederlandsche paviljoen, waarvan de trappen zeker niet het mooie aspect verhoogen. Dat is hier een goede-eigenschapsfout naast een nationale fout. Wat verstaan de Belgen goed de kunst mooie trappen en deuren te maken, een kunst, die in Ne derland heel wat minder tot haar recht komt, al zoude dit toch ook wel een zaak zijn, waarin onze kleine na tie groot zou kunnen zijn. Maar ter zake. Het Ne- derlandsche gebouw is mooi en indrukwekkend, maar niet vooral geschikt voor tentoonstellingsruimte en zeker niet geschikt voor zulk een ruimte, waaraan steeds toenemende eischen zijn gesteld. In dat ge bouw moest Nederland en Indië samengebracht wor den. Het lag dus voor de hand, dat men heide afdee lingen scheidde door in het midden een open trap te maken, die leidt naar een platform en vervolgens naar de galerijen der eerste verdieping. Was nu het g bouw reusachtig geweest met wijde ruimte voor éta lages, dan zou dat platform in het midden een mooien kijk gegeven hebben. Doch nu draagt het nog weer bij tot den indruk van gedrongenheid, die de Neder- landsche afdeeling van binnen aan zoovelen geeft. Het platform torst twee mooie Utrechtsche inzen dingen. Fraai is de stand van de bekende firma C. J. Begeer met buitengewoon mooi zilverwerk, waar van een stuk voor middeltafelversiering hijzonder op valt. Van dezelfde firma is op de gaanderij ook nog een mooie collectie penningen, terwijl wij in het Pa lais Cinquantenaire denzelfden naam mét niet minder genoegen zxdlen ontmoeten. Tegenover de uitstalling van de firma Begeer is er eene van de firma Jan H. Brom te Utrecht, die evenzeer alle aandacht verdient. Het is een vitrine met mooie voorwerpen van edel smeedkunst, vooral op het gebied der kerkelijke kunst nijverheid, terwijl ook elders op ander gebied nog' ver dienstelijk werk (reliefs) van deze firma te zien is. Hier op het platform kunnen wij nu het oog eens la ten wijden over de véle pyramides van glazen, fles- schen, blikjes, pakjes enz. enz., die voor ons de betee- kenis van Nederland bezingen als verzorger van den inwendigen mensch. En dan treft ons dadelijk een symphonic van geel, waarin het kokosgeel der grond- kleeden, als behoorlijk is, de bas aangeeft. Uit dat stemmige geel rijst dan eerst de reusachtige en mooie étalage, van de Fransch-Hollandsche oliefabrieken Calvè Delft met een onnoemelijk aantal gele olie- fleschjes vlak voor de reuzen-brandkast van Lips óp, ons herinnerend aan een betrekkelijk nieuwe indus trie, die met moderne methodes in korten tijd' een groote uitbreiding heeft gekregen. Naast dit gele allegro con brio vinden wij in de mooie étalage van de heeren Ph. van Perlstein en Zn. te Doetinchem het zachte andante van het geel der fijne verduurzaamde advocaat dezer firma. Vroolijk lichtgeel lachen daar- tusschen als losse trillertjes de linten van Ilultskamp en Zoon en Molijn's kruiken oude genever, waarbij een gele guirlande den harmonischen achtergrond geeft. De gele asperges van deze uitstekende fabriek, de N. Y. Kennemerland te Alkmaar, waar men gansch bui tengewone zorg besteedt aan de voortreffelijkheid van het materiaal, zoodat men met vele medailles prijkt, geven te midden van dit gele geschetter een zachten en teeren wenk, die door onze tong maar al te zeer wordt verstaan, vooral nu smakelijke groene erwten en roodgele worteltjes hun stemmetjes paren aan dat lieve geel der asperges en het tot een drieklank van kleur brengen. Doch stil daar komt van de met oranje versierde étalage van Lumay's maaghitter van de firma M. T. Goossens te Venlo-o zeker een herinnering aan haar goede producten, maar ook die stem, die in het vaderland; maar vooral ook daarbui ten zoo_ luide tot het harte van den Nederlander spreekt en die in een Oranje boven onze gele sympho nic doet uitklinken. Wij hebben den lezer meer te vertellen over den in wendigen mensch op de Nederlandsche afdeeling van de groote Brusselsche tentoonstelling, doch voordat wij dat doen vervolgen wij even onzen tocht naar boven om iets zeer uitwendigs maar zeer interessants te be wonderen de stand1 van de bekende Amsterdamsche juweliersfirma J. A. Iloeting. Wat een bizonder mooie bonbondoosjes, email op goud, met zoo prachtige rib betjes bewerkt, niet z-oo'n achevé, met zoo'n rijkdom van emailkleur, dat wij ons een oogenblik hebben afge vraagd of wij hier wel in het zoo naar binnen levende en voor den inwendigen menseh zorgende Ne derland waren. wuifde zij hem toe. „Ontzie je nog, Alsof hij de krachten der geheele wereld in zich droeg, zoo schreed hij met oog opgericht hoofd het station uit de stad door. Een daad had hij willen doen, een kreet slaken, die de burgers alarmeerde. Vlak bij de Gartenstrasze begon hij op een draf te loo pen om sneller het huis te hereiken. En thuis geko men viel hij Emilie om den hals en kuste haar, niet tegenstaande de tegenwoordigheid1 der ontstelde oude juffrouw, dat het een! aard hadl Ze weerde zich slechts iu schijn. „Geldt dat mij .Vraag niet! Jou, jullie, allen tegelijk! Wat zijn jul lie toch lieve, lieve vrouwen1" „Wij behoeven slechts te willen. En ze streelde zijn verhit gelaat en zag hem met wijdgeopende oogen aan. HOOFDSTUK VII. Gustav Wiskotten schoof de zakenbrieven ter zijde en bleef, de armen op het blad der schrijftafel lang uitgestrekt, met half gesloten oogen zitten. Maar hij dacht niet na, hij trachtte tot zichzelf te komen. Een vermoeide trek was op zijn gelaat merkbaar. Gedu rende de laatste weken had hij zelf van zijne nooit te kort schietende krachten een weinig te veel gevergd, zonder thuis het noodzakelijke tegenwicht te vinden. Een paar minuten volhardde hij in zijne gebogen houding. Toen leunde hij langzaam achterover en keek naar zijn broer August, die ijverig schrijvend te genover hem zat. „Nu kan je mijn rekening wel weer openen." „Voorloopig zijn we over den berg". „Voorloopig Ik zeg je, dat blijft nu zoo. De afne mers hebben mij geheel overrompeld, ze vreten de nieuwe, artikelen als de boter van het brood, meer be stellingen dan we ten uitvoer kunnen brengen, de concurrentie Scharwachter hoort tot het verleden." „De haat is standvastiger dan de liefde. Houd je maar op verrassingen voorbereid." „Die heb ik reeds in handen. De oude probeert een Ja wij waren in Nederland, in Amsterdam. En dié bonbondoosjes waren mooi. Ze kostten trou wens een kleine pauze, lezer 2500 francs het stuk. „.Nederlanders, die zulke doosjes koopen!" Men gaf ons toe, dat zij niet veel voorkomen. „Wij werken dan ook vooral voor het buitenland'. Al het fijnere goed in Parijs en Weenen is van ons. Let u maar eens op Dat was wat nieuws- voor ons, die vroeger in Weenen weliswaar oud' email zoo hebben bewonderd'. Nu - wij zijn op de tentoonstelling aan het zoeken ge g-aan. Duitschland' o, maar, geen sprake, geen spra ke van. Het email daar en dit emailer gaapt een afgrond tusschen. Iu België, in Frankrijk dach ten wij ons fortuinlijker, zoo niet gelukkiger. Maar ge lukkig: neen! Wij hebben beter, even mooi gezocht en niet gevonden» Het is werkelijk bizonder mooi. Ook overigens is het niet zoo'n heel erg wonder, dat men ons- de waarde der in deze kleine vitrine tentoongestel de waren op tonnen gouds schatte. Men ga maar eens kijken. En lette eens op dat ronde, lichtpaarsche doos je! (Wordt vervolgd.) VOORUITGANG. „Wat niet in bedw.ang- gehouden wordt, verplaatst zich." In deze schijnbaar eenvoudige uitspraak ligt de oplossing van het wereldraadsel. De straatsteenen zouden niet zoo rustig blijven liggen, de bergen niet zoo onwrikbaar staan, de mensch zou zijn dagelijksche straatje niet zoo kalm bewandelen, als.... ze maar niet in bedwang werden gehouden. Laat de oorzaak van dien dwang' ophouden met dwingen en ze sprin gen uit den band, willen zich verplaatsen, gaan voor uit. Het is nog- maar 250 jaar geleden, dat de men schen bij monde van den wijsgeer Newton tot dat in zicht zijn gekomen. „Hang ëen steen aan een draadje op, hij blijft hangen; knip het draadje door hij valt." Dat wist men reeds eeuwen te voren. Maar hoe komt dat? Wie doet dat? Waarom verplaatste de steen zich juist naar beneden, waarom niet zij waarts of omhoog? De 23-jarige student Isaac New ton vond in het jaar 1666 het antwoord! op die vragen. Als alle groote denkers was Newton weinig sociaal. „Waar de eenzaamheid ophoudt, begint de markt", heeft Nietzsche gezegd! en al zoeke men niet alle wijs- geeren onder de hanebalken, in het „gezellig verkeer" of „op dé markt" voplen die menschen zich niet thuis. Dat is trouwens ook weer een heel natuurlijk en zeer verklaarbaar verschijnsel, dat voor een groot deel in de markt schuilt. Newton dan was- te vinden op het college of op de boekerij te Cambridge, of in de eenzaamheid, waar zijn markt was. En zoo bevond hij zich in de maand Augustus van het jaar 1666 onder een appelboom en keek naar boven. Daar viel een ap pel van den boom en Newton sprak de woorden uit: „Wat niet in bedwang wordt gehouden, verplaatst zich. Hij hield den appel in het oog; straks hing die, nu lag hij. Een uur lang zat de wijsgeer onder den boom. Toen stond hij op; hij had de verklaring van het raadsel gevonden. De appel viel naar benedën omdat hij kleiner, lichter was dan de aarde, die hem aantrok. De appel was- blijven hangen, zoolang de macht, die hem aan den tak verbond die aantrekking overtrof. En Newton keerde naar Cambridge terug om den grondslag te leggen voor zijn leer over de „Wet van den vrijen val." En wij praten nu Newton en zijn volgeling Atwood' na. Wij denken niet meer aan dat zonderlinge, eenzelvige jongmensch, dat lie ver in de eenzaamheid dan op de markt was, wij den ken en danken niet en toch zijn ook wij allemaal jongens, die vooruit willen. De drang om zich te verplaatsen zit in het kleinste stofdeeltje. Teeken een aantal stippen naast elkander en denk u dien drang in elk dier stippen; ge ziet ze als het ware bewegen, te zamen vooruitgaan. Teeken ze nu in een kringetje en het valt u op, dat het eene zich gemakkelijker zal verplaatsen dan het andere. Het begrip van de rondheid! der hemellichamen, van hun ronddraaien en van de centrifug-ale kracht wordt u duidelijk. Die onbewuste drang is zooi groot, dat er onderlinge naijver tusschen de stofjes bij in het spel komt; het eene zal het andere trachten te beletten zich te verplaatsen; de vooruitgang wordt gestuit; de sterke beheerscht de zwakke, het groote regeert over het kleine. Zoo heel eenvoudig als wij hier de zaak voorstellen, is ze in werkelijkheid niet; wij hebben slechts aan de^ woorden cohesie en adhesie, affiniteit, magnetisme, enz. enz. te denken of een blik in een natuurkunde te slaan bij de hoofdstukken: „Aantrek kingskracht" of „Valmaehine van Atwood" om in on zen leerijver en waanwijsheid bekoeld! te worden. Voor onze populaire wetenschap is het echter al meer dan voldoende te weten, wat Newton opviel„Wat niet in bedwang wordt gehouden, verplaatst zich." Of wij nu de draaiende hemellichamen, een vallenden appel, een dronken kerel, een hossende menigte, een snaterhekje of een eenzelvigen wijsgeer als voorwerp van beschou wing nemen, altijd weer komen wij tot diezelfde con clusie. En als dat wat wel in bedwang wordt gehouden, wel dan. staat het stil? Neen, ook dan blijft de innerlijke drang in werking, dan beweegt -het zich vol- wapenstilstand' te verkrijgen, om zijne dooden te be graven. In een persoonlijk tot mij gericht schrijven." August Wiskotten legde de pen neer. „Jeremias Scharwachter heeft jou jou persoonlijk geschre ven „Ja, m'n jongen, dat heeft hij. Niet uit schoonva- derlijke gevoelens-. Hij bemerkte eensklaps de mot in zijne jas, en die moet ik er uitkloppen. Voor het uit kloppen zal ik zorgen." „Komt hij hier?" „Hij schrijft, dat hij mij heden voormiddag in mijn huis op zal zoeken. Om de zaak een familiaar tintje te verleenen." „En jij, Gustav?" „Mij gaat slechts het zakelijke deel van het gesprek aan.' Hij stond o-p en ging voor het raam staan. August wierp hem een langen, onderzoekenden blik toe en greep kalm weer naar zijne pen. „Luister eens, August. Dat is muziek!" „Wat?" „Zes honderd paardekrachten aan het werk! Eu de menschen er bij! Laat iemand nu maar zeggen, dat dat niet de poëzie des levens is!" „Als je heden je sentimenteelen dag hebt, kan je schoonvader -het er nog goed afbrengen." „Ook dat heeft hij mij willen ontstelen, ook dat! Toen is hij echter tusschen het vliegwiel geraakt." „Geloof je, dat hij uitgepraat is?" „Hij heeft zijn kapitaal aan moeten spreken. En dat soort menschen tast nog liever zijne principes aan. Dat kost slechts een benauwd gezicht en geen geld. Maar voor zijn benauwd gezicht kan ik niet koopen. Hij voor het mijne ook niet." Hij wendde zich van het raam af en greep naar zijn hoed. „Wat zeg- je wel van Ewald? De jongen doet zich gelden. En die phantasie wou de hengel op linnen verbroddelen, waarbij hij nog niet eens- het geld voor de olieverf er uit gehaald zou hebben. Ik ben, God weet het, een ernstig mensch geworden, maar die vechtpartij in het Neanderdal zegen ik. Die heeft het slotstuk gevormd." gens voorgeschreven banen of verzamelt het latente kracht, totdatde drang ophoudt en er weer ver plaatsing, vooruitgang volgt. Al heeft Newton ons dit alles pas 250 jaar geleden verteld of te denken gegeven, -het feit zelf heeft be staan zoolang alles bestaat. Die drang tot verplaat sing en die druk van het groote op het kleine ver klaart de gansche geschiedenis der wereldorde. Tracht na deze overweging- nu antwoord te geven op de vra gen als: Waarom valt de maan niet? Waaïo-m ont last zich die zware wolk? Waarom brak de Fransche revolutie uit? Waarom ging- Napoleon naar St. He lena? Waarom vond Zeppelin zijn luchtschip uit? Waarom staan sommige menschen zoo te praten bij de muziektent? Waarom ben ik een jongen, die vooruit wil? Waarom zijn er politieke partijen? Ge komt al tijd weer bij Newton terecht. Doe meer. Vestig uw aandacht op de tallooze he mellichamen en sta verbaasd over de orde en verdraag zaamheid, welke daar heerscht en heerschen moet om uwent wil. Kom tot de nederige erkentenis, dat orde en verdraagzaamheid ook voor onze menschelijke sa menleving onmisbare factoren zijn. Die appel valt naar beneden, omdat hij nu eenmaal niet naar boven stijgen kan, omdat zijn verplaatsen aan bedwang on derhevig is. Wees maar tevreden en blijde, dat het zoo en niet anders is. Wij zien het immers niet graag appels regenen van ons af. En zoo er volgens uw inzicht wat hapert aan we reldorde en vooruitgang denk aan den druk, denk aan de regeering van het sterke en groote over het zwakke en kleine. Wees zelf sterk en groot. Hef druk op en oefen druk uit, al naar mate ge behoefte hebt aan vermeerdering of vermindering van drang tot verplaatsing. Zoo was- het, zoo is het en zoo zal het wel altijd blijven. Zonder dat is geen vooruitgang denkbaar. No. 240. Motto „Simplicissimus I". Ist.e Prijs Duitsche Schaakbond 1910. 8 7 6 5 4 3 2 1 mwWa Mat in 2 zetten» Oplossing van No. 237 (J. KOTRO) 1 De8 X d7 enz. Goede oplossingen ontvingen wij vanP. J. Boom, F. Böttger, O. Bramer, G. van Dort, J. J. Hubel- meijer, G. Nobel, C. van Stam en C. Visser, allen te Alkmaar; P. Bakker, Jos. de Koning en- H. Weenink te Amsterdam; J. Vijzelaar te 's Gravenhage; G. H. B. Hogewind te Utrecht; J. Deuzeman te Frederiks- oord; A. Tates te Heiloo; J. Reeser te Voorburg; II. Strick van Linschoten te 's Gravenhage en O. Boomsma te Kampen. Wij vermoeden, dat de warmte de schuld is, dat er zoo menige oplosser op heti appèl ontbreekt. Intuschen wij wenschen het niet aan deze oorzaak toe te schrij ven, dat er in de opgave in letters en cijfers, waarme de wij in de vorige rubriek den lsten- prijs in „The Australian" (A. Moseley) aangaven, dat er in deze opgave niet meer of minder dan de zwarte dame op fl ontbrak, waardoor ook 1 g3 opging. Veel liever bie den wij onze verontschuldigingen voor dezen „lapsus" aan. Ad No. 237. Van opgaven, die een kleine 25 jaar oud zijn, weten wij weinig af. Wij vermoeden intus- schen, dat een Dame-offer als inleiding in dien tijd een veel frisscher indruk maakte dan tegenwoordig en dat er veel vaker een pion bij den sleutelzet werd ge nomen dan in onzen tijdl Hoewel wij met dit nemen op den lsten zet weinig vrede kunnen hebben, hindert dit ons in No. 239 slechts weinig. Bovendien vertoont de opgave in de afwikkeling o. i. een zekere elegance en zijn 1 D f7 en 1 D g8, die heide slechts op p f7 falen, aardige verleidingszetten, niet waar? Ad. No. 240. De wedstrijd van den Duitschen Schaakbond, het vorige jaar uitgeschreven, omvatte vier-, drie- en tweezetters, terwijl elk componist „We zullen een nieuw weefgetouw moeten laten ma ken." „Vooruit maar. Hoe meer verrassingen voor de concurrentie, des te beter. Als ze deze patronen nage maakt hebben, zijn wij weer een sprong verder en schenken hun het oude model voor huu Kerstmis. Heb je gezien wat Paul gisteren avond! uit Diisseldorf mee gebracht heeft? Ik had me kunnen bedrinken van vreugde." „Gustav, druk je toch wat beschaafder uit." „Ach, jij ouwe dominee, als je wist -hoe het mij te moede isHoe mij dé muziek in de fabriek goed1 doet. Die heeft mij niet bedrogen. Die niet. En die blijf ik trouw." „Van Emilie niets?" vroeg de broer, zonder den blik van zijn papier op te heffen. Gustav Wiskotten gaf geen antwoord. Hij verliet den hoed achter op het hoofd, het privé-kantoor en liep de gang door naar de h-aspelkamer. „Hebt u een oogenblik tijd, moeder?" De oude vrouw trad met hem uaar buiten. En ze daalden de trap af, doorkruisten de zaal met de weef getouwen, liepen het fa-brieksplein over tot aan de Wupper. Naast het stookhuis stond! de oude Chris tian en wierp met een- zwaai de kolen in het vuur. „Morgen samen. Neem me niet kwalijk, juffrouw Wis kotten, maar als de mensch niet van de apen -afstamt, hoe komt het dan, dat ik juist op mijne handen ekster- oogen krijg?" Hij wou liever het antwoord der oude vrouw niet af wachten en verdween in het stookhuis. Juffrouw Wiskotten vertrok geen spier. „Wat is er, Gustav?" „Moeder, ik wilde iets in mijne herinnering terug roepen." „Kan je dat niet zonder mij?" „Neen, moeder, mij staat het beeld helderder voor den geest, als u er bij bent. Hier stonden wij den vo- rig-en November. En toen gingen we na-ar de nieuwe ververij en gingen op de leege kuipen zitten. U en ik» Weet u het nog?" Wordt rerroIgdL.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 5