DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Inleiding wapenen, kleeding. uitrusting, enz Honderd en twaalfde Jaargang. 1910. ZATERDAG 16 J U L I. WAARSCHUWING. Mevrouw Hooker's „hertog." Tante Laura's testament. No. 165 Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk f 1, Afzonderlijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. O Prijs der gewone advertentiën Per regel f0,10. Bij groote contracten rabat Oroote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. DINSDAG 19 JULI 1910, COURANT. BURGEMEESTER en WETHOUDERS van ALK MAAR brengen ter kennis van de verlofgangers dei- Landweer, die in 1903 naar de Landweer zijn overge gaan, onverschillig op welke data die overgang in dat jaar is geschied, dat door den heer Commissaris der Koningin in deze provincie is bepaald, dat de i n 1 e vering van de wapenen, de kleeding- en uitrus tingstukken, het ledergoed en de reglementen en dienstvoorschriften door bedoelde landweerplichtigen, als belioorende tot eehe lichting landweer welke in liaar gelieel wordt ontslagen, voor zoover zij in het register van verlofgangers der Land weer dezer gemeente voorkomen, moet geschieden op cles voormiddags ten 9 ure, in een der lokalen van den Nieuwen Doelen aan de Doelenstraat te ALK MAAR. /.ij noodigen mitsdien bedoelde verlofgangers uit op den genoemden datum en de aangegeven plaats aan de hun bij art. 31 der Landweerwet opgelegde verplich ting tot inlevering te voldoen en brengen voorts in herinnering de navolgende bepalingen voorkomende in de „Regeling" voor die inlevering, vastgesteld bij be schikking van den Minister van Oorlog van 6 April 1910, Vie Afd., No. 90: „Indien de verlofganger wegens ziekte, verblijf bui tenslands, of andere geldige redenen verhinderd is persoonlijk de wapenen, de kleeding- en uitrusting stukken, het ledergoed en de reglementen en dienst voorschriften in te leveren, dan is hij, of zijn, bij on macht zijnerzijds, zijne naastbestaanden gehouden, er voor te zorgen, dat de inlevering door een ander ge schiedt. Yan de geldigheid der redenen van verhinde ring moet blijken uit een bewijs, afgegeven, c. q. gele galiseerd, door den burgemeester en bij de inlevering over te leggen door den persoon, die namens den ver lofganger tot de inlevering verschenen is. Indien de verlofganger zich tot het inleveren van zijne wapenen, kleeding- en uitrustingstukken, leder goed en reglementen en dienstvoorschriften buiten zijn woonplaats moet begeven, geniet hij, als de af stand van de woonplaats tot de plaats van inlevering meer dan 10 K. M. bedraagt, vrij vervoer naar laatst genoemde plaats en terug." Met nadruk wordt den manschappen er op gewezen dat zij bij de inlevering niet in uniform gekleed mogen verschijnen. Overtreding of verzuim van de betreffende bepalin gen der Landweerwet wordt gestraft op de wijze als is aangegeven in de artt. 32, 33, 35bis, 35ter en 36 dier Wet. Burgemeester en Wethouders voornoemd, G. RIPPING, Voorzitter. DONATIL, Secretaris. De ingezetenen der gemeente ALKMAAR worden herinnerd aan art. 14 der Verordening houdende be palingen omtrent het verdeelen der gemeente in wij ken en het opmaken van volledige staten der bevolking en barer huizing (Gemeenteblad No. 90 van 1898) luidende: VAN ELKE VERHUIZING BINNEN DE GE MEENTE WORDT BINNEN ACHT DAGEN KENNIS GEGEVEN TER SECRETARIE VAN DE GEMEENTE: BIJ VERHUIZING VAN EEN GEZIN, DOOR HET HOOED VAN HET GEZIN; BIJ VERHUIZING VAN AFZONDERLIJK LE VENDE PERSONEN, DOOR HENZELVEN: BIJ VERHUIZING VAN INWONENDE DIENST- EN WERKBODEN, DOOR HENZEL- BIJ VERHUIZING VAN PERSONEN NAAR INSTELLINGEN, GESTICHTEN, INRICHTIN GEN VAN WELKEN AARD OOK, IN WELKE PERSONEN ONDER EENIG BESTUUR SAMEN WONEN, DOOR DE BESTUURDERS DIER IN STELLINGEN, GESTICHTEN OE INRICHTIN GEN. Verzuim van de bovenstaande kennisgeving wordt gestraft. Op de een of andere manier had mevrow Hooker, van Kansas City, het gedaan weten te krijgen, dat zij een uitnoodig-ing- ontving voor een avondpartij bij de gravin van Belvédère. Hoe zij dat aangelegd had, zal wel altijd een geheim blijven; wellicht hadden de machtige dollar en een invloedrijke vriendin er een groote rol in gespeeld. Mevrouw Hooker vertelde, dat zij vijf en dertig zo mers gezien had'; haar vriendinnen veronderstelden, dat een bezoek aan een verfraaiings-inrichting haar een boei goed had gedaan. Hoe dat ook zij, mevrouw Ilooker zag- er tamelijk jeugdig- uit; haar tanden hadden haar tweeduizend dollar gekost; verder had een professor in de welspre kendheid haar een meisjesachtig lachje geleerd, dien honorarium was insgelijks tweeduizend! dollar. Al deze goede hoedanigheden werden evenwel nog overtroffen door het kapitaal van mevrouw Hooker, dat^tusschen de 9 qn 10 millioen dollar moest zijn. V ilfred Hamilton, zoo juist uit Oxford terug-, was spoedig- aan de zijde van de levendige weduwe. Hij vond haar vrij in haar spreken, en haar niet al te be schaafde manieren een aardige afwisseling, zoodat hij spoedig met haar op goeden voet was. „Bi behoef u niet te zeggen, mijnheer Hamilton", fluisterde de weduwe vertrouwelijk, „ik behoef u niet te zegg-en, dat ik naar Engeland' gekomen ben om een echtgenoot te zoeken." Een gevoel van angst doortrilde Hamilton, maar de volgende woorden van de weduwe brachten verlichtin, voor zijn ziel. „Hij moet een titel hebben", ging zij voort. „Wat ik eigenlijk verlang, is een echte hertog. Luister eens mijnheer Hamilton; is het niet waar, dat een massa van uw Engelsehe hertogen niet meer waard' zijn dan hun kroontje?" „Ik geloof wel, dat velen onzer adellijke heeren niet zoo rijk zijn, als ze graag wilden zijn", antwoordde Ha milton. „En nu wou ik een van die arme kerels hebben" mompelde mevrouw Hooker. „Ik heb het geld' vijf tienduizend dollar por jaar, en die zet ik voor de helft op den hertog- vast. Kunt u er nu eeu voor mij vin den, mijnheer Hamilton? Dien ik eigenlijk zou wil len hebben, is de hertog van Dersleigh. Ik hoor, dat het een góed uitziende jongeman is. Bovendien zegt men, dat hij heel arm is", ging- de weduwe voort. Hamilton zat een oogenblik in diep gepeins, sprak toen: „Het schijnt me toe, mevrouw Hooker dat u kennis moet maken met een heer, wiens zaak het is, menschen introducties te bezorgen, die u kennis kan brengen met wien u maar wilt; natuurlijk voor een belooning-." „Natuurlijk! Wat een goed idee! Kunt u een van die agenten voor me opscharrelen?" „Er is hier vanavond een man, Wolfden genaamd Ik heb met hem school gegaan. Hij is de persoon, dien u noodig hebt. Zal ik hem aan u voorstellen?" „Als u dat wilt doen, heel graag!" antwoordde me vrouw Hooker. „Hij staat hierover in den versten hoek van de ka mer, wilt u met me meegaan?" Terwijl hij sprak, bood Hamilton de weduwe zijn arm aan, en bracht haar naar den overkant van de kamer, waar Wolfden alleen zat. „Dit is mevrouw Ilooker", zei Hamilton. „Ze wenscht een paar woorden met u te wisselen, Wolf - den." Wolfden keek verbaasd op en scheen van plan te zijn Hamilton aan te- spreken, maar die jongeheer was alweer halverwege de kamer. „Drommels", mompelde Wolfden, „nu speelt hij mij zeker een poets." „Luister eens, mijnheer Wolfden", begon de weduwe met haar duim wijzend in de richting van Hamilton, „Hij vertelde mij, dat u eeu introductie-agent bent, èn ik zou wel zaken met u willen doen. U kunt daar zoo veel loon voor vragen als u wilt", ging ze voort. „Al wat ik wensch is een introductie bij eeu baron, bijvoo- beeld bij den baron van Dersleigh." „Zoo, wenscht u, dat ik u een introductie bezorg- bij den hertog van Dersleigh?" herhaalde Wolfden. „Dat is de zaak. Ik wenschte aan hem voorgesteld te worden. Ik wil openhartig met u zijn. Ilt bezit ne gen millioen dollars." „Hebt u ze mogelijk bij u?" vroeg Wolfden. „In uw zak bijvoorbeeld?" „Au drijft ge den spot met me!" lachte de weduwe, met haar tweeduizend dollarsl ach. „U zult het wei voor me doeu, nietwaar, mijnheer Wolfden? Ik geef er niets om wat het kosten moet, als ik maar kans heb den hertog te krijgen." Wolfden streek zich peinzend langs de kin. „Misschien kan ik toch wat beters voor u doen", merkte hij op, „want men zegt dat Dersleigh een vree- selijk slecht humeur heeft." „Dat had mijn eerste man ook", mompelde mevrouw Hooker, „maar vóór wé een half jaar getrouwd waren, had ik hem dat afgeleerd." Langzamerhand was het evenwel laat geworden en een groot deel der gasten gaf zijn voornemen te ken nen om te vertrekken, zoodat de bedienden de ver schillende rijtuigen aankondigden, die vóórreden. „Het rijtuig van den hertog van Dersleigh." „Wat! Is de hertog hier?" riep mevrouw Hooker. Wie is hij „Laat ons naar beneden gaan, en dan zullen we hem zien', antwoordde Wolfden. „U wilt me wel voor een oogenblik excuseeren, nietwaar? Ik ga de gravin even groeten." „O, stellig", antwoordde de weduwe. Wolfden moest zich een weg door de menigte banen om bij de gravin te komen, reikte haar toen de hand, en keerde naar mevrouw Hooker terug. Toen bracht hij haar naar beneden in de vestibule. „Dat is het rijtuig van den hertog", merkte hij op, wijzend op een automobiel in den vorm van een cou pé tje, met het wapen der Dersleighs op het portier ge schilderd." „Nu moet u hier een oogenblik wachten, dan zal ik gaan zien of hij komt." Mevrouw Hooker's flinke boezem zwol van moeilijk te verbergen verlangen, toen zij zag, dat Wolfden zich naar de deur begaf. ,Je zoudt werkelijk denken, dat hij zelf van plan is om weg te gaan", mompelde ze ongeduldig in zichzelf, ,als je ziet hoe iedereen plaats voor hem maakt en voor hem buigt. Hij wil het zeker eens aan den chauf feur vragen", ging zij voort, haar gedaclitengang luid voortzettend, toen zij zag, dat Wolfden recht op de automobiel toestapte. „Die agenten moeten toch wel met iedereen goede vrienden zijn." „Daar komt stellig de hertog-", ging ze voort, toen ze zag, dat een bediende op het punt was het portier e openen. „Die Wolfden zal warempel nog in den weg staan, ais hij niet uitkijkt." Maar tot haar niet te beschrijven verbazing stapte Wolfden recht op het portier van de automobiel toe. Hier hield hij stil, en op een toon, luid! genoeg om door mevrouw Hooker verstaan te worden, zeide hij „Naar het Ritz-LIotel, Barton." „Ja, uw hoogheid", antwoordde de bediende. Het portier werd gesloten en de automobiel zette zich langzaam in beweging, terwijl mevrouw Hooker zich half bewust was, dat ze door het portierraampje werd aangestaard door een gelaat, dat een lachende uitdrukking drdeg. „Wie was de persoon, die daar juist wegreed; kunt u me dat ook zeggen?" vroeg zij met bevende stem aan een heer, die naast haar stond. „Dat was de hertog- van Dersleigh", mevrouw." De bediende was erg- verbaasd, door een dame ge vraagd te worden om een glas brandewijn met sodawa ter en een exemplaar van „Who's Who". Mevrouw Hooker dronk het eerste in één teug uit, en zij raad pleegde het tweede, zoodat zij te weten kwam, dat Guy Wolfden de negende hertog van Dersleigh was. Mevrouw Hooker is nu verlangend den heer Ha milton te ontmoeten. Vermoeid en loom liet Laura haar handen zakken. Zij zocht nu al twee dagen, twee heele dagen, van den vroegen morgen tot diep in den nacht naar tante Lau ra's testament. „Wacht maar Laura, tot eerst eens mijn testament geopend isdaarmee had tante haar volgzaam en lijdzaam gehouden. De beste jaren van haar jeugd had zij bij de altijd sukkelende, altijd knorrende peettante doorgebracht, die haar eigenlijk heelemaal niet noodig had, haar zelfs niet gemist zou hebben, indien zij eens voor goed was weggegaan. Dag na dag was' voorbijgegaan met nooit eindigen dc, in den grond echter overbodige kleine diensten, waarvan tante Laura- met verbazende vindingrijkheid er telkens nieuwe wist uit te denken. „Ik leef zoo lang niet meer en ben ik eenmaal dood, dan is bijna alles voor jou, dan kun je doen wat je wilt." Daarmee had zij haar nichtje weten te binden, met een band', die langzamerhand tot een ijzeren keten werd, die zwaarder en zwaarder begon te drukken en waarop alles in stukken brak: jeugd, werkkracht en liefde. Ja, ook de liefde! Want toen de liefde plotseling- als een gouden zon nestraal haar somber leven bimnajadrong, neen niet als een straal, doch als een mooi fonkelende, schitterende, I tijk had hij al heel wat hemclsche zon, toen Gustaaf haar vroeg of zij zijne I Gustaaf had over dat vrouw wilde worden, toen had tante Laura net zoo lang- gezeurd en gezanikt tot zij ook den krachtigen, levenslustigen Gustaaf gebogen had. Wat hebben jullie, als je nu al trouwt! Armoede en bekrompenheid. Dat beetje salaris is te veel om te sterven en te weinig om te leven! Wacht toch no een paar jaar, tot ik dood ben. Het leven is immers nog zoo lang. Dan kunnen jullie nog lang genoeg getrouwd zijn! Ja, 't is jullie plicht om te wachten. Je heilige plicht! Want dat zeg ik jullie", tante Lau ra's stem werd schel en haar magere gestalte richtte zich hoog- op in den stoel voor 't venster, van waaruit zij den lieven langen dag alles afgluurde wat er op straat gebeurde, „Laura krijgt geen cent, als zij mij nu in den steek laat - geen cent! Denk er nu maar eens over na, hoeveel je je kinderen te kort doet. Denk daar maar eens aan!" Eerst had Gustaaf zich met hand en tand verzet. Wat konden hem die centen van tante schelen, waar op zij wellicht hun halve leven lang zouden moeten wachten! Zij zouden trouwen, gelukkig zijn, zoolang zij nog jong waren. Doch later bespraken zij de zaak nog eens kalm met hun beiden honderdduizend gulden was geen kleinigheid, vooral niet als men met tweehonderd gulden per maand rond moet komen. En dan, tante Laura zou toch niet eeuwig blijven leven. Het einde was, dat zij besloten te wachten. Doch zooals 't gewoonlijk gaat, tante Laura, die ie- deren dag over sterven sprak, werd ouder en ouder en ten slotte moesten zij 't wel erkennen, dat zij feiteUjk met den dag gezonder werd. En tante zelf? Die ver heugde zich er over, dat zij haar erfgenamen zoo lang liet wachten. Steeds werd' zij knorriger, onverdraag zamer. Doch de twee jonge menschen misten de kracht hun boeien te verbreken. Het leek wel, dat een groote kruisspin hen in haar net had gevangen en hen met haar draden omwikkelde, steeds vaster, en hen lang zaam uitzoog iederen dag wat meer. Zij waren beiden moedeloos geworden en menigmaal in slapelooze nach ten scheen het Laura of zij beiden al niets meer te wenschen hadden van het leven, of zij beiden de kracht misten, een nieuw leven te beginnen, indien 't ooit zoover kwam. En nu was het zoover gekomen. Onverwachts was de dood gekomen, die tante Laura zoo lang vergeten scheen te hebben. Nadat zij den avond te voren Laura en Gustaaf nog- stekelig had toegevoegd, dat zij lang op de erfenis moesten wach ten, vond Laura haar 's morgens dood in bed, met een geheimzinnig lachje om den starren mond. Laura liet zich uitgeput in een stoel vallen. Zou lat lachje een triomflachje zijn geweest? Zou zij hun nog na haar dood een pets gebakken hebben? Want viel bijna niet- meer aan te twijfelen: er was geen testament Het heele huis hadden zij afgezocht. Ieder schuil hoekje, ieder laadje met koortsachtig ongeduld en 'mama nog eens met gewilde kalmte en nauwkeurig heid doorzocht. Nergens was iets te vinden. Ook bij len notaris, die nu en dan tante's zaken behartigde, was geen testament te bekennen. Dus zou de erfenis gedeeld moeten worden met een dozijn neven en nich ten, die zich nooit van hun leven iets omi tante Laura gelegen hadden laten liggen, integendeel haar zooveel mogelijk uit den weg waren gegaan. Laura barstte uit in tranen. Daarvoor dus had zij haar jeugd ten offer gebracht, haar liefde en haar le vensgeluk En Gustaaf, die met een somber gelaet naast haar stond, kon slechts zwakke troostwoorden vinden. De ontgoocheling was te groot, te wreed. In-dien er geen testament was, dan moest de nala tenschap verzegeld! worden en moest men de andere erfgenamen waarschuwen. Met niet te beschrijven gevoelens zagen de beide bedrogenen den notaris zijn plicht doen. Nu werd' de laatste deur gesloten, nu de buitendeur. Langzaam gingen zij de stoep af, vermoeid, vernie tigd, zonder hoop, zonder geluk. Bon-eden nam de notaris afscheid. Met eeu dof ge voel van vertwijfeling "keken zij hem na. Doch plotseling- keerde Laura terug op haar schre den. „Wat wil je?" vroeg Gustaaf, haar terughoudend. „We hebben Lora vergeten", stamelde Laura, „d-i» zou daar boven verhongeren en verdorsten." Lora was tante Laura's papegaai, een onuitstaan baar kwaadaardig en valsch dier, dat door een ieder gehaat werd, een schorre sehreeuwleelijk, die woedend naar iedereen beet, die in zijn nabijheid! kwam, een beest, dat alle ondeugden bezat, welke een vogel slechts kan hebben. „Wil je je nog druk maken met dat beest?" vroeg Gustaaf tamelijk norsch. „Je hebt nog- pas veertien dagen met -een pijnlijken vinger kunnen loopen, omdat hij je valsch een knauw gegeven heeft." „Maar we kunnen hem toch niet laten doodhonge ren". zei Laura. ,,En dan, zie je, tante Laura was zoo aan hem gehecht." „En dat is natuurlijk een reden, om voor hem te zórgen", merkte Gustaaf met een ironisch lachje op. Op Laura's verzoek liep hij echter toch deu notaris achterna, di-e tamelijk knorrig en ontstemd weer om keerde en met hem terugkwam. Het ging- niet zoo- heel gemakkelijk, Lora met haar reusachtige kooi zoo in te pakken, dat men hem zon der gevaar voor vingers en neus kon transporteeren. De notaris sloeg het geval met een sarcastischen blik gade. In plaats van een kapitaal' van honderd duizend gulden op te strijken, zich nog op kosten te jagen voor zoo'n bijtend mormel, dat was wel met recht een streek van het noodlot. Doch in zijn prac- gezien. dat- noodlot echter nog heel wat te zeggen, toen zij eindelijk veilig- in een rijtuig zaten met het krijschende dier, op weg naar Laura's ge trouwde zuster, bij wie zij voorloopig in ii?)u kunnen wonen. Toen hij echter het bedroefde gezichtje van Laura zag, hield! hij op en begon hij haar voor te rekenen, dat zij met een deel van de 8000 gulden, die toch nog- altijd voor hen waren, hun huis heel aardig- zouden kunnen inrichten en nog een sommetje op zij leggen bovendien. „Nu gaan we zoo gauw mogelijk trouwen", zei hij. Hadden we alles geweten, dan zouden we nu al vijf jaar man en vrouw zijn geweest." Terwijl Lora met zijn kooi naar binnen werd gedra g-en, trachtte hij door den bedekkenden doek heen zoo veel mogelijk onheil aan te richten. Hij b.eet, krijsch- te, krabde, en toen hij eindelijk op zijn plaats van be stemming was neergezet, maakte hij zoo'n spektakel, dat ten slotte de heele familie tot wanhoop werd' ge bracht. Laura noemde hem bij de liefste naampjes, doch het duurde langen tijd' eer zij het kwaadaardige beest ©enigermate tot kalmte had gebracht. Daarbij bemerkte zij, dat de kooi wel eens een flinke beurt mocht hebben, want in de laatste dagen had natuur lijk niemand er aan gedacht, haar schoon te maken. Toen zij de onderste schuif wilde uittrekken, zag zij met verbazing dat deze zorgvuldig met een stevig koordje was vastgebonden. Merkwaardig! Het is waar, tante Laura had altijd! zelf den vogel verzorgd en daar-door had zij dit nooit eerder bemerkt. Misschien had Lora wel eens geprobeerd de vlucht te nemen, als de schuif uit de kooi was genomen. Met de noodige voorzichtigheid maakte zij het koord! los en trok zij de schuif uit. Doch plotseling gaf zij een schreeuw en zonk zij bevend in den dicht-stbijstaanden stoel. Want onder de schuif lag een groote enveloppe en toen zij deze eruit genomen had, las zij in tante- Laura's ka rakteristieke hanepooten de bet-eekenisvolle woorden: „Mijn testament," Op haar geschreeuw waren Gustaaf en de heele fa milie toegesneld. Zij stonden nu. allen om haar heeh en staarden verbaasd' den schat aan, dien Lora zoo uitstekend had behoed. Het couvert was uiet gesloten en sidderend trokken zij het papier er uit, dat zij ont vouwden. Onder lachen en huilen sloeg- Laura haar armen om Gustaaf's hals. Tante Laura hadl gespaard, veel meer dan men vermoed had. Doch in de eerste plaats erfde Laura de honderdduizend gulden, terwijl de laatste zin van het testament luidde: „Hij of zij van mijn familie, die zich het lot- van mijn papegaai Lora aan trekt, krijgt 15.000 gulden. Kort daarna stonden de twee voor de kool van Lo ra. Door al de opwinding was de vogel niet vriendelij ker gestemd. Woest sloeg hij met de vleugels en hij krijschte zoo onharmonisch als hij maar kon, en on derwijl beet hij naar alles wat in zijn nabijheid kwam. Maar toch knikte Laura hem teeder toe. Gustaaf echter had een zeer onbehoorlijke gedachte „Lijkt 't beest niet wat op tante Laura?" vroeg hij. 1

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 9