In het wilde Westen* Schaakfabriek* aan de meermalen geslaakte verzuchting, „Wat is het leven toch een last, wat is er een verdriet en ellende! 't Is maar goed, dat een kind! daarvan nog geen be grip heeft. Wat zou het met loome schreden het le ven instappen, als het wist, wat wij weten!" Ook in deze hebben partijen zich pro en contra ge steld. Er zijn ouders, die hun kinderen laten leven als in een sprookje; er zijn anderen, die hen reeds vroeg wijzen op het feit, dat het leven geen toover- landen, geen wondertuinen, geen feeën en tooverstok- ken biedtdat het, leven hard en ernstig is en dat het kind zich niet genoeg kan inspannen om voor die harde leerschool bestand te worden. Nog sluimeren zorg en zielsverdriet. Zou het waar zijn? Zouden wij in de diepte van ons eigen kinderle ven zoover kunnen afdalen, dat wij ons herinneren of ook in ons zorg en zielsverdriet nog sluimerende wa ren. Hoe vreemd!Wij hebben het beeld van onze kin derjaren nog zoo goed voor oogen en wij herinneren ons die zorg en dat zielsverdriet niet. Of ze er niet geweest zijn? Aan wie of wien hadden wij dat te dan ken? Wiet alleen aan toevallige omstandigheden, maar bovenal aan verstandig beleid. De bede tot het stille morgenwindje was overbodig. En zoo wij in onze kinderjaren wel zorg en zielsverdriet kenden, dan was dat te wijten aan onverstandig beleid en kon de bede tot het morgenwindje wel achterwege blijven. Wiet duidelijk genoeg? Wij voor ons wenschen het kind niet opzettelijk in slaap te dommelen, wij zijn niet zoo angstig, dat het morgenwindje het wekken zal. Omdat wij het niet eens zijn met degenen, die het leven, het rijke leven zoo lastig, verdrietig en' el lendig vinden, dat zij tegen den tijd' opzien, waarin zorg en zielsverdriet op het kind zullen afkomen. Daarom nu meenen wij, dat er dingen zijn, die het kind dient te weteli. Wijs beleid doet het. kind over zorg en zielsverdriet heenstappen, wat iets anders is dan stil voorbij gaan. Shed no tear, o shed no tear, 'A-. The flower will bloom another year. Dat moet het kind niet alleen weten, maar inzien en ervaren. Het moet leeren wachten, zich leeren aanpassen, teleurstellingen leeren dragen. Wat die Engelsche dichter daar in bloemrijke woorden uit drukt, komt neer op ons goed Hollandsch spreek woord: Wa regen komt zonneschijn. Da'ar zit veel meer natuurlijke wijsheid in dan er gewoonlijk uit wordt gehaald. Welzeker, regen is even noodig als zonneschijn en daarom komen beide, als hun komst vereischt wordt. Het leven biedt slechts datgene, wat wij er zelf van willen maken. Het leven ligt wel' voor een goed! deel buiten ons, maar voor een veel g.rooter gedeelte in ons en aan wien de schuld als buiten en binnen in strijd komen Als er zorg en zielsverdriet in het kind door den morgenwind worden gewekt en het kind ze toch niet durft, niet wil openbaren, aan wien de schuld? Dan ontbreekt er iets aan omgaing en verhouding. O, er zijn zooveel dingen, die het kind wel moet weten en andere, die het wel moet openbaren. Omdat in deze zooveel verzuimd! wordt, wordt de bede tot het mor genwindje zoo dikwijls geuit. De volwassen mensch stemt in met de dichtregelen: Waar het leven! lijden bracht, Heeft de zachte wiek der droomen, Alle smarten weggenomen. Zoeken wij onze legersteden! daarvoor op? Neen, als er iets is, dat onze kinderen moeten weten, dan is het dit, dat zij de oogen flink moeten openen, dat heel veel zorgen geen zorgen zijn en dat zielsverdriet heel vaak het zeer natuurlijk gevolg is van 't sluimeren op den zachten wiek der droomen, dat zij met hun zorgen en zielsverdriet niet te laat bij vader en moeder moe ten aankloppen. Als er een goede, een innige ver standhouding bestaat tusschen ouders en kind1 en als die ouders een open oog hebben voor het; leven, van dat leven heel veel willen maken voor het kind, dan wordt het in handen geven van hoeken, waaruit het kind kan leeren wat een kind weten moet, vrij wel overbodig. Wij meenen uit de verschijning- van zulke lectuur te mogen afleiden, dat er in omgang en vex-houding een hiaat moet zijn, niet alleen bij ouders en kinderen, maar ook bij volwassenen onderling. Die hiaat kon zeer wel de oorzaak zijn van „zorg en zielsverdriet" en het is de vraag of het niet 'beter ware het morgenwind je maar wel voor wekker te laten spelen. W. W. No. 249. 2de en 3de Prijs ex aequo „Ned. Schaakbond." J. Deuzeman te Frederiksoord, abcdet gh Mat in 2 zetten. No. 250. 2de en 3de Prijs ex aequo „Ned. Sehaakbond." J. J. Rietveld te Kesteren. abcdefgh Mat in 2 zetten. Wegens uitstedigheid van den redacteur worden de oplossing van No. 246 en de namen der goede oplos sers in de volgende rubriek vermeld. „Wat denkt IJ, mister Waldhaus, zullen wij Dodge vandaag nog bereiken? „Jawel, miss Adams, tegen den avond dat wil zeggen de omgeving, dus nog ongeveer een uur rijden." „Zult ge aan dit Dorado van alle cowboys een be zoek brengen 3 „Zeker, ik verlang er bepaald! naar. Ik beschouw het als een werkelijk genot, na dit wekenlange kampeeren onder den blooten hemel en dit uit de vuist eten, eens weer de voeten onder een gedekten tafel te kunnen steken en als een beschaafd mensch met lepel en vork te eten." „En slechts hierom wilt ge Dodge bezoeken?" „Slechts hierom ik zou tenminste geen andere reden weten." „Nu! Komt u dan liever voor de waarheid uit en voeg er nog bij om miss Adams eens voor een avond kwijt te zijn." Robert von Waldhaus, eertijds een der meest gevier de lions van de Weensche wereld, thans aanvoerder van een 8000 koppen tellende kudde runderen, die hij geleiden moest in opdracht van zijn chef den vee eigenaar Adams, schudde licht het hoofd. „Vergeving miss Adams, heb ik misschien door mijn gedrag dit vei-wijt verdiend?" „Neen, neen, mister Waldhaus, ik schertste maar, ik heb nipt d» minste reden mij over u te beklagen. Maar wat zou u zeggen als ilc u op uw uitstapje bege leidde?" „Maar miss Adams! Dodge is toch geen verblijfplaats voor jonge dames!" „Waarom dan niet? -Ik ben toch ook niet van plan daar voor eeuwig mijn woonplaats op te slaan, doch slechts het gedoe daar eens in oogenschouw te nemen." „Maar ik moet u er opmerkzaam op maken, dat het verblijf van eene dame in Dodge altijd ernstige geva ren in zich houdt." „Ik zou niet weten, waarin deze moesten bestaan. !Mjsschien, omdat onze cowboys een wel wat ruw corps zijn? II jyeet toch ook even goed' als ik zelf dat wij vrouwen ook hier in het zoogenaamde „wilde westen" door de ruwste veedrijvers gerespecteerd worden, en als het zijn mocht dat dit niet het geval was, dan heb ik," zij sloeg met haar hand licht óp haar heup, waar in een leeren foedraal een elegante revolver stak, „hier in mijn „Coli" een y.erdjedigèf, die zeker niet te ge ringschatten is." „Ik wil hopen miss Adams, dat u niet in de gele genheid zult komen, hem te moeten gebruiken, want als uw begeleider mag ik mij zeker wel h©t' recht ge ven, voor uw veiligheid zorg te dragen?" „Mooi en wanneer breken wij op?" „Nu over een uur ongeveer," „Dan staat u mij nu wel toe, dat ik mij tot zoo lang terugtrek. Als het tijd is, bent u wel zoo vriendelijk mij Van den wagen aftehalen. Een lichte buiging en in galop vloog het jonge meis je op den rug van haar pony naar de in de verte zicht baar wordende proviandwagen. Daar zij als eenig kind van den rijken veehouder in vrijheid was groot gewor den en gewend was elke harer luimen, al was die nog zoo absurd, yervuldl te zien, was niemand buitenge woon ven-ast toen zij den wensch te kennen gaf met de kudde te reizen. De groote proviandwagen diend© knar tot verblijf en door de lieden van haar vader als een oogappel be hoed, was tot-nog-toe alles goed' gegaan. Evenals een cowboy deed zij haar werk, zat 's avondte met de lie den aan het kampvuur en doodidb haar tijd met den leider der kudde Robert van Waldhaus het leven lastig te maken. Diepe duisternis lag over de straten van Dodge, toen de beide avonturiers hun paarden voor het „Grand Hotel vastbonden. Het langgestrekte gebouw had wel is waar een zeer groote gelijkenis met een stal, doch daar het voor bet meest comfortable dei- stad gold, bleef onzen vrienden niet anders over, dan binnen te treden. In de ruime eetzaal verdrong zich een groot aantal gasten uit alle klasseu dër maatschappij. Hier zag men de eigenaars van de kolossale kudden runderen met hun agenten, daarnaast cowboys, zoo juist uit het za del gestegen, in ijverig gesprek met de dandies uit het Oosten, wien niet eens de glimmende, zijden hoed ont brak. Elegante dames, de lokvogels der speelholen, verspreidden overal haar opdringerige parfums, de buitendien al niet zuivere lupht nog onfrisscher ma kend. Nadat Waldhaus zich een plaats veroverd had van waar uit zij het leven in de zaal voldoende konden ga deslaan, kon hij ook aan de bevrediging van zijn in- wendigen mensch denken. Het bestelde diner was wel-is-waar niet bijzonder goed, daarentegen buiten gewoon duur. Terwijl zij aten, had Waldhaus voldoende gelegen heid zijn beschermeling te bewonderen. Kitty Adams zag er in haar eenvoudig voetvrij rijkleed verrukkelijk uit. Haar frisch, door de zon gebruind gezicht straal de van genoegen; daarbij stond baar mond geen oog-enblik stil en Waldhaus moest zich op de lippen bijten, om niet in schaterend! gelach uit te barsten, zoo juist waren haar opmerkingen, die getuigden van een gezonde, hoog ontwikkelde opmerkingsgave. Zij amuseerde zich, volgens haar zeg-gen,' buitenge woon, doch verlangde nadat het diner was afgeloopen, in een der speelzalen gebracht te worden. De beden kingen, die Waldhaus1 hier tegen uitsprak, dwongen haar slechts een medelijdend! glimlachje af. Daar hij echter niet moede wei-d, steeds nieuwe gronden! aan te voeren, verklaarde zij hem in alle kalmte, alleen te willen gaan. Na deze korte, bondige verklaring bleef hem niets anders over, dan zich voor haar wil te bui gen. Hoewel het reeds laat was, was het nog buitenge woon druk in de straten van dit „Port Said" der Step pe. Uit alle „salons" hoorde men geschreeuw en ge zang en het kletterend geluid der dobbelsteenen ver mengde zich met de ruwe vloeken der spelers. In een van deze gelegenheden, waarin het nog het rustigst tc-eging, bracht Waldhaus zijn metgezellin. Een woest lawaai heerschte in de door een twaalftal lampen ver lichte ruimte, waarin de bezoekers zich om drie speel tafels die midden in de zaal stonden, verdrongen. Een toon lieerschte daar, die Waldhaus de ontwijfelbare overtuiging opdrong, dat wel geen van hen die daar om het geluk streden, Knigge's „Omgang- met men- schen" ook maar van hooren zeggen kende. Hij had zich dadelijk naar de „bar" begeven en bestelde twee glazen portwijn, waarvan Kitty Adams het eene als een oude stamgast in één teug naar binnen sloeg. Met ginsterende oogen genoot ze toen van dit 'nieuwe schouwspel, slechts nu en dan lachte ze eens tegen haar metgezel, die met bange zorg in 't hart naast haar stond. Juist drong een nieuwe schaar van gasten met woest geschreeuw het lokaal binnen en liepen dadelijk met hun „dames" naar de bar. Aan de starre oogen en de zwaaiende bewegingen was duidelijk te zien dat ze zonder uitzondering te veel van 't goede hadden ge had. Een van den troep bestelde een „rondlje" en met wild gejubel werden de glazen geledigd. Ook Wald haus goot bet voor hen bestemde naar binnen, daar hij wist, dat een weigering door de woestelingen als een doodelijke beleed'iging zou worden opgevat. Kitty deed echter alsof de heele zaak haar niet aanging en ze liet haar gias Onaangeroerd staan. Hij wenkte haar met de oogen om toch te drinken, maar het eeni- ge antwoord was een trotsch samentrekken der wenk brauwen. Een nieuwe dronk werd besteld'. Bij de nu ontstaande verwarring gelukte het Waldhaus, zijn beschermelinge toe te voegen: „Ga mee, miss! De zaak wordt ernstig." Miss Kitty antwoordde ook nu weer met een verachtelijk schouderophalen dat hem het bloed naar de wangen deed stijgen, en zich haastig van haar terugtrekkend, ledigde hij vlug zijn glas. Nu was echter een der dames op Kitty opmerkzaam geworden en, vei-bitterd door de trotsehe houding van het meisje, deelde ze haar waarneming aan een der anderen mede. Deze, reeds tamelijk onder den invloed van den drank, greep met trillende hand het versmade glas en met wankelende schreden op Kitty afgaand, bood hij het haar aan met de woorden: „Voor den duivel meisje, drink en geneer je niet." Het jonge meisje werd rood! van woede, maar zij gaf geen antwoord. De man echter werd door de ver achting, die uit haar trekken sprak, tot het uiterste gebracht eir hij strekte zijn hand naar haar schoudter uit. Maar nu kon Waldhaus zich niet meer beheer- schen en eer iemand er aan dacht, smakte hij den dronkaard als een zak tegen den grond. Woest tu mult. was het gevolg van deze daad en slechts met moeite gelukte het den jongen man, zijn beschermelin ge naar den uitgang te brengen, want in het volgende oogenblik stoof de bende als een troep wolven op hen aan. Maar ze waren aan het verkeerde adres; Wald haus stompte de naaste aanvallers omver, nog een oogenblik van geweldige inspanning, waarbij nog eeni- ge aanvallers onder een tafel werden geslingerd, en hij tuimelde de deur uit. Daar viel uit de kluwen van zijn vervolgers een schot, dadelijk daarop nog ee,ip Eeti brgndpnd gevoel doorstroomde zijn linkerarm, hij trok zijn revolver, maar zag het nuttelooze vair een verdei-e kamp in ©p snel volgde hij Kitty, Bij de paarden aangekomen wachtten ze geen oogen blik, maar in volle vaart vlogen ze in de richting van het kam© dg stad uit, Eerst toen het kamp in 't gezieht kregen matigden ze hun vaart en, terwijl ze langzaam door de rustende kudde reden nam Wald haus, wien het bloed door de opwinding nog sneller dan anders door de aderen stroomde, het woord. „Ik geloof miss, bij een weinig goeden wil van uw kant hadden we het voorval kunnen vermijden." „Wat meent ge, mister Waldhaus?" „Nu, ge weet toch hoe woest deze knapen zijn bij zulk een gelegenheid en ge had hun kalmpjes bescheid moeten doeip „Wat deze zinnelooze, bedronken menschen?" „Dan hadden we de spelenden moeten verlaten. We hadden er tijd genoeg yoor een onnoodig gevecht was toch oyepbodig." Miss Adams wierp het hoofd in den nek en haar stem klonk hard en snijdend zoodat de menschen bij het kampvuur het hoorden. „Ik dank u, mister Wald haus, voor dpze gop4e lps en ik zal er in de toekomst naar handelen overigens mijn vader zal u voor de hulp wel schadeloos stellen. Ze dreef haar paard snel naar 't vuur en liet zich daar van den rug vair 't dier glijden, zonder naar haar metgezel om te zien. „Nu," vroeg Andy, Waldhaus' plaatsvervanger, „reeds terug uit Dodge? Maar man, je bloedt! Hebben de jongens je daar te pakken gehad?" Miss Adams, die intusschen haar op den achter grond staanden wagen bestegen had, wendde zich doodsbleek om en met een stem, die duidelijk haar angst verried, vroeg zij„Bent u gewond, mister Waldhaus?" „Niet de moeite waard, miss Adaips. De dank van uw vader zal ook dit bagatelletje uitwisschen." Het was een paar dagen later. In een breed front trok de kudde door een dei- dalen, die zich door de voorgebergten der Smoky Hill Biver uitstrekken. Waldhaus reed met miss Adams voor de kudde aan; sedert den bovenbeschreven avond meden ze elkaar, nu voerde het toeval hen samen. Heet en gloeiend brand de de zon vanuit den wolkenloozen hemel en het door duizenden hoeven opgewoeld© zand' hulde de langzaam voortgaande dieren in een dichten nevel. Meer dan eens keek Waldhaus achterom om zich te verheugen aan die zee van horens. Het was zijn trots, dat hij tot nu toe nog geen enkele van zijn gehoornde leerlingen had verloren, want hij nam zijn beroep, dat zooveel verschilde van zijn vroegere positie ernstig op. En lioe schitterend zijn vroeger leven ook geweest was, het tegenwoordige beviel hem toch nog beter. Een dof gebrul van de kudde deed hem uit ziju droomerijen ontwaken. Iets moest de dieren verschrikt hebben, de achtersten drongen de voorsten op, met gebogen kop en opgeheven staart stormde de angstig brallende kudde hoe langer hoe sneller voorait. Dadelijk zag Waldhaus in welk gevaar zij verkeerden. Ilij riep Kit ty, die 't gevaar ook inzag toe, de krachten van haar paard niet te sparen, terwijl hij zelf al 't mogelijke deed om de kudde tot staan te brengen. Hij schreeuw de, vuurde zijn revolver af, maar niets kon den loop der angstige dieren, onder wier hoeven de bodem dreunde, doen ophouden. Tot zijn vreugde zag bij, dat Kitty reeds een tame lijk gi-ooten voorsprong had! toen. plotseling, de pony struikelde en viel. Het dier was in een spoor terechtgekomen en zoodoende gestruikeld. Waldhaus zag nog, dat miss Adams in een. groote boog uit het zadel vloog. Toen gaf hij zijn paard de sporen en joeg naar de plants van het ongeluk. Yoor afstijgen hadl hij geen tijd want de razende kudde volgde hem op den voet. Zijn paard tot dicht bij het lichaam van Kitty sturend, boog hij zich in 't zadel en met inspanning van al zijn krachten greep hij haar. Het paard snelde nu met een dubbele last maar met onverminderd© snelheid naar den uitgang van de pas. Steeds dichter kwamen ze bij den uit gang, nog een oogenblik en ze waren gered. Met een zucht van verlichting dreef Waldhaus zijn sidderend paard naar een afgelegen liggend! rotsblok en daar liet hij de bewustelooze op den grond glijden. Terwijl de kudde voorbijsnelde, trachtte hij Kitty weer bij te krijgen en ten slotte werden zijn pogingen beloond. Hij had het hoofd van de verongelukte aan zijn borst gelegd; langzaam sloeg Kitty de oogen op, een oogen blik keek ze hem verwonderd1 aan, toen scheen ze zich haar toestand te herinneren. De plaats aan Waldhaus hart scheen haar echter niet onaangenaam te zijn, want, terwijl ze haar oogen' weer sloot, nestelde ze haar kopje nog vaster tegen zijn borst. Haar lippen zeiden slechts twee woorden, die als „mijn Bob", klonken. En Waldhaus die door den dollen rit en de nabijheid van het geliefde meisje geheel in de war was gebracht, drukte in zaligen liefderoes kus op kus op de roode lippen van zijn Kitty. Toen het de zon eindelijk gelukte door de opgewor pen stofwolken heen te dringen, vielen haar stralen op een paar,dat alles, scheen te hebben vergeten en slechts voor zijn liefde leefde. SPURRIE EN KNOLLEN. Onze Landbouwcorrespondent schrijft ons: Is de rogge van 't veld, dan is de tijd voor stoppel knollen en spurrie aangebroken. Deze gewassen wil len op zand en veengronden uitstekend groeien en ge ven een niet te versmaden groenvoer. Met het uit strooien van ons zaad mogen we niet wachten, daal de groeiperiode niet in de beste maanden valt. Is de vruchtbaarheid van den grond voldoende, dan mogen We per H.A. toch nog wel op een 15000 K.G. stoppel knollen rekenen. Ons fijn spurrieplantje geeft aan opbrengst niet zoo veel. Toch kunnen we, zoo de plant over voldoende voedsel kan beschikken, nog wel een 6000 a 7000 K.G. oogsten. Niet alleen het weer, maar ook de bemestingstoestand van den grond regelt de opbrengst. Het is vooral kali en stikstof wat door de plant gevraagd wordt en waar onze veen- en zand gronden niet rijk aan zijn. Staan de stoppelknollen weelderig, is de opbrengst groot, dan wordt ongeveer 48 K.G. stikstof 16 K.G. phosphorzuur en 56 K.G. kali aan den bodem ont trokken; overeenkomende met 3 baal chili 1 baal slakkenmeel^2% baal patentkali. Zoo zal ook de stoppelspume, al is de opbrengst ook maar het 0.4 ge deelte van die der stoppelknollen, toch nog een 20 K. G. stikstof 16 K.G. phosphorzuur en 35 K.G. kali voor haar groei noodig hebben. Het zou dwaas zijn onze bemesting naar genoemde cijfers vast te stellen, daar ook met andere factoren rekening gehouden moet worden en een onmogelijkheid is het voor de verschil lende gronden één „bemestigsrecept" op te geven. Iedere boer kent zijn eigen land! het best, moet we-. ten waar zijn grond in de eerste plaats behoeft© aan heeft, moet rekening houden met de voorvrpeht en de meststoffen, die daarvoor gegeven zijn om te bepalen of de tweede vracht nog toegift noodig heeft. Zoo ja! dan zal in de eerste plaats stikstof genoemd moe ten worden, daar deze meststof maar heel zuinig uit gestrooid wordt en de voorvrucht zeker- weinig heeft achtergelaten. Daarom zal e©q weinig chili op onze stoppelgewassen wel raadzaam zijn. Yeel behoeft «iet, Eeq 100 K-G. op stoppelknollen is wel voldoende, ter wijl we op den spurrie akker met ?S K.G. per H.A, kunnen volstaan. i De groej WOïdt er krachtig door bevorderd, wat juist in die slechte maanden noodig is. Spurrie is voor ons melkvee een uitstekend voer. De dieren ge ven in 't algemeen veel en goede melk, ook het gehalte en de smaak van de boter wordt bij 't voederen van spurrie er beter op. Bij 't gebruik moet men in eens niet te veel. afmaaien, want blijft het groenvoer in hoopen liggen, dan begint het licht te broeien, waar door smaak en voedzaamheid! achteruitgaat. Gemengde Meded«elingen. IETS OVER DEN STRANDDISTEL. Tot bescherming van het mooiste sieraad van de Duitsohe kusten heeft fhans weer, evenals eenigo ja ren geleden, de overheid! Ie volgend© bepaling uitge vaardigd: „Met een geldboete tot 150 Mark subsidiair hechte nis zal degene gestraft worden, die ook maar één dis tel van hot strand weghaalt, afplukt of slechts een ge deelte ervan afplukt." Dit verbod betreft ook de bloe menhandelaars, bij wie de bloemen ten verkoop aange boden worden, De regeering heeft geen kans gezien om op een andere manier het sieraad! van dfe kust plaatsen door uitroeiing te vrijwaren. Men kan zich evenwel heel goed in deze krasse maatregel indenken, als men éénmaal gezien heeft, hoe onmeedoogend vele badgasten de planten met wortel en al uittrekken, óm haar als aandenken aan het heerlijke verblijf aan zee mede naar huis te nemen. Geen enkele badgast is de ze mooie bloem onbekend, zij valt dadelijk tusschen de dorre duinbeplanting op door hare bijzondere schoon heid. Op den mooien zilveren stengel bevinden zich de zoo gezochte blauwe bloemen. De strand'distel is een echt kind van de zee en de duinen en kan niet overgeplant worden, dan sterft zij van heimwee. Of schoon men in verschillende plantentuinen, zelfs in de duinstreken getracht heeft haar met de grootste zorg vuldigheid op te kweeken, ontwikkelt zij zich desniet tegenstaande zeer langzaam en zonder de frissche zoe te zeelucht, kan zij niet leven. Ook bij de visschersbe- volking neemt juist deze bloem een eereplaats in. Wanneer de visscher een zeereis onderneemt, versiert zijn vrouw eerst zijn kleine hut met de stranddistel, het symbool der trouw en de jonge bruid wacht haar verloofde bij zijn terugkeer van de reis met een takje van de geliefde bloem tusschen haar ceintuur. LEELIJKE MEISJES. In het oude Babylonië werden in elk dorp eens per jaar alle huwbare meisjes bijeen gebracht. Rondom haar stonden de mannen en dan werden ze geveild, eerst de mooisten, dan de minder mooien. De rijke mannen boden tegen elkaar op, om de mooiste meisjes te kunnen trouwen, de arme mannen daarentegen moesten tevreden zijn met de leelijkste meisjes, maar deze kregen een bruidschat uit de opbrengst van haar mooiere zusters. In onzen tijd zon een dergelijke verknoping bij op bod niet meer kunnen worden gevolgd, al was het al leen hierom, dat de meisjes niet tot de leelijksten zou den willen behooren en zich altijd troosten met de ge dachte, dat er nog leelijker zijn. Wie is leelijk? Het is een kwestie van smaak, dus iets zeer subjectiefs. Leelijkheid is dan ook lang niet altijd een belemme ring voor een huwelijk en het zijn lang niet alleen de leelijken, die ongetrouwd bleven. Een groot deel van de oude jongejuffrouwen waren vroeger zelfs mooi, het ontbrak haar niet aan aanzoeken, doch deze we zen zij om de een of andere reden af. Tal van voor beelden bewijzen, dat leelijke meisjes aardige ver schijningen kunnen zijn, en een gelukkig huwelijk kunnen sluiten. De dichter Voltaire bijv. had een lee lijke nicht, die een mopneus en een groote mond be zat, maar zeer beminnenswaard! en bekoorlijk was en in haar eenvoudige, maar smaakvolle kleedij algemeen werd bewonderd. De beroemde madame de Staël was buitengewoon leelijk en op George Sand, de dichteres, die een hoofd had als eenschaapskop, geraakten tal van mannen verliefd. Elizabeth Charlotte, de gemalin van hertog Philips van Anjou en de moeder van den hertog van Orleans, zeide van zich zelf: „Ik moet wel leelijk zijn, want ik heb geen fijne trekken, kleine oogen, een korten, dik ken neus, dunne lange lippen en dat alles kan geen mooi_ gelaat vormen. Klein van gestalte, dik en breed ben ik met mijn kort lichaam, summa summarum een leelijk schatje." Anna van Kleef, Katharina van Arregon, Maria. Leczinska, de gemalin van Bodewijk XV, Mathilde, Keizerin van Duischland, waren eveneens leelijke vrouwen, maar niet vergeten mag worden, dat bij het sluiten van haar huwelijken politieke overwegingen in het spel waren. Uit de geschiedenis en de leterkunde zijn echter tal van andere voorbeelden bekend van lee lijke meisjes, die door haar eenvoud, beminnelijkheid, huiselijkheid, gezond verstand, groote mannen geluk kig gemaakt hebben ten slotte leeft men niet alleen van en voor de schoonheid van een vrouw. En geluk kig bedenkt menig jonge man wat Poirters dus een weinig ruw, aldus zeide in zijn Rijmspreuken: Die een wijf trouwt- om 't schoon lijf, Verliest het lijf en houdt het wijf. i LEVENSDUUR EN SPORT. Dikwijls wordt beweerd, dat er geen oude athleten en sportmenschen zijn, of wel, dat personen, die aan sport doen, vroeg komen te overlijden. Het gaat, zoo meenen velen, den mensch als een machine, hij slijt en hoe me.er werk hij verricht, des te grooter is zijn slij tage. In een Duitsch sportblad! komt een dokter tegen deze voorstelling op. Hij herinnert er allereerst aan, dat de machine niet, gelijk de mensch, het vermogen bezit om zich te herstellen. En dan betoogt hij, dat de gewiehtstillers en beroepsathleten, die jong ster-

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 6