DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Groote Veemarkt Groote Paardenmarkt De Heidemolen. No 249 Honderd en twaal de Jaargang. ZATERDAG 22 OCTOBER. op Woensdag 9 November a.s BUITENLAND. FEUILLETON. De man met den kalfskop, te Alkmaar, op Maandag 7 November as. te Alleman r, EEN EENZAME MAN een groot liefhebber van gekookten ALKMAARSCHE COURANT HET LONDENSCHE' HYDEPARK. In een buitenlandsch blad vinden we een aardige beschrijving van het Londensche Hydepark, waaraan we het volgende ontleenen: De lange rijlaan, waar 's morgens en 's middags zoo druk wordt gegaloppeerd, wordt in den volksmond! ..rotten row" genoemd, een verbastering van „route du roi", de Koningsweg, omdat een koning, George II, hem voor zijn eigen gebruik heeft aangelegd. s Mid dags zitten hier in lange rijen schoone slanke vrouwen en meisjes, later op den dag witgekleede minnen en blonde kinderen in scharlakenroode en gras-groene manteltjes. De kinderen trippelen naar een doodloo- pend watertje en kijken naar een_heuveltje aan den overkant, waar de dwerg-palmen staan, tusschen wel ker stammen konijnen en hazen huppelen. De diertjes zijn bijzonder mak en laten zich, evenals de vette dui ven en de kleine eenden graag voederen. Verderop vindt men een lang meer, de serpentine, dat reeds 180 jaar oud1 is en door de gemalin van George den tweeden werd aangelegd. Vroeger liepen er beken door het park en om deze af te leideni en tot een meer te vormen heeft men 240,000 gulden moeten offeren, maar het geld is goed besteed niet ten onrechte heeft lord1 Chatham Hydepark London's long ge noemd. Midden in den vijver ligt een klein eilandje. .Booten er voor, op den achtergrond een kapel. Rondom de groote grasvlakten. Het zachte gras groeide hier reeds in het jaar 1000, toert, St. Dunstan het stuk grond en het bosch voor Benedictijner monniken te Westminster ten geschenke kreeg. Hier, waar thans slechts schapen weiden, jaagde Hendrik VIII op wil de zwijnen, vossen en hazen en wandelde hij met Anna Bcle.ijn. De koning' en de hovelingen hielden hier ook wedrennen en thans nog is de baan te zien, die „de ring" heet. Eerst Karei I opende het park voor het groote publiek. Tal van anecdotes, zijn er in omloop, waar-bij het Hydepark een rol vervult. Zoo wordt verteld van twee mooie, jonge meisjes, de misses Gunnings, die in de 18e eeuw in Londen hun geluk zochten. Zij gingen, als iedereen, in) Hydepark wandelen, in de costumes, welke Peg Waffington, de tooneelspeelster, geleend had. Zij hadden weldra zooveel mannen1 achter zich aan, dat ze de hulp der politie moesten inroepen. De jongste werd in het geheim te middernacht in den echt verbonden met den hertog van Hamilton en daar de bruidegom geen trouwring had, nam hij een gor dijnring van het raam van den kapel. De oudste zus ter huwde veertien dagen later lord Coventry. Eens reed er de hertogin van Bedford en droeg een nieuwe blauwe japon met witte randen. GeoTge II zag haar en deed onmiddellijk de roode jassen van zijn .marine-soldaten vervangen door blauw met- witte. Sinds dien tijd' draagt de marine van de geheele we reld de blauw-witte uniform. Ook is Hydepark een tijd lang een zeer gezochte plek voor duels geweest. De eenige gevechten, welke er thans nog plaats vinden, zijn woordgevechten. Bij „Marble Arch (gewijd aan Kelson's nagedachtenis, wat bijna niemand) weet), vindt men den sprekers- hoek, de tribune van Londen. Hier staan dag aan dag, avond aan avond ontevredenen der geheele wereld en spreken voo-r den vuist weg wat huni voor den mond Roman naar het Duitsch van OSWALD BERGENER. 22) Hagenloh was bij dit bezoek, dat in den namiddag- plaats had, tegenwoordig. Ook hij kwam met den ou den heer in een levendig gesprek. En al pratend vat ten deze twee terstond sympathie voor elkander op. De oude vrijgezel vroeg ten slotte of de jonge ja ger van den heidemolen niet eens een bezoek aan hem wilde brengen. Daarbij drukte hij Hagenloh stevig de hand en zei: „Er zijn menschen die terstond als men ze ontmoet vertrouwen opwekken en tot wie men zich plotseling zeer voelt aangetrokken. En tot dab soort menschen meneer Hagenloh sta mij toe dat ik het zeg- be hoort gij." Hagenloh keek wat verbaasd! op bij die openhartige merkwaardige betuiging van sympathie. Half be schaamd, half voldaan luisterde hij naar de hartelijke woorden van den ouden heer. Toen de slotheer in zijn door motten stuk gevreten pels, weer in zijn oude chaise klom, bedankte hij Ha genloh nog eens op zijn eigenaardige wijze voor het bezoek dat deze hem beloofd had. Slingerend en waggelend reed) de chaise toen voort op den weg- door het dal. Ver weg hoorde men nog het hoefgetrappel op den rijweg. X. Vol belangstelling keek Hagenloh naar den toren van Eulenhorst, die ernstig en grauw van kleur boven de boomen uitstak. Zij waren op weg naar Grüntanne in het wagentje van Wolkenstein. Zondagmiddag was het en met algemeen goedvinden was tot den tocht besloten. De molenaar mende, terwijl Gisela en Ha genloh in druk gesprek achter in den wagen zaten. Zij komt, over de staatsmacht en godsdienst en anders denkenden. Daar zijn blanken en negers, christenen, Joden, Mohammedanen, conservatieven en radicalen, anarchisten en zendelingen, godsdienststichters en bommenliefhebbers, ontslagen gevangenen, revoluti- onnairen, godloochenaars en godsdienstigen. Allen, allen vinden hier een plaatsje, waar ze ongestoord, door geen macht der aar'de beperkt, den twijfel hunner ziel kunnen verkondigen, propaganda maken, klagen, schreien, disputeeren en weerleggen, brullen, spotten en donderen mogen. Hier onder boomen, in de vrije natuur, sterven hunne klanken weg, vervluchtigt elk meeningsverschil, al is het nog zoo groot. De reu- zenstad vindt in het Hydepark haar ventiel, dat voor haar een weldaad, een behoefte, een sieraad, een onontbeerlijk deel van het geheele organisme is. VOOR DAMES. Kijkjes iu de modewereld. Er is schijnbaar niets meer toevallig dan de grillen van de mode. Waarom men nu eens kleeren draagt, die wijd en los zijn, een anderen keer die nauw en stijf zijn, waarom men korte en lange mouwen draagt, ele gante sleepen en voetvrije rokken elkaar afwisselen, 't zijn schijnbaar alle raadselachtige sprongen in den smaak der menschen. En toch heeft bijna elke mode haar psychologisch motief. Slechts dan vindt zij bij de dames aanhang en waardeering, als zij op een of andere wijze het wezen der vrouw ten goede komt. Modes, die dat niet ten doel hebben, vinden nooit waardeering. En daarentegen keeren modes, die de vrouwen nut bewezen hebben, telkens en telkens weer terug, zegt „der Tag" en vervolgt: Men kan zich begrijpen, met welk een vreugde de dameswereld naar de nieuwe hoedenmode greep. De moderne hoeden hebben, zooals bekend! is, zeer ver schillende vormen. Zij gelijken op bijenkorven of bloempotten, turbans en! mutsen of op de groote hoe den uit«den Gainsborough-tijd; maar dit hebben zij alle gemeen: zij werpen een donkere schaduw over de helft van 't gelaat, 't Kost veel moeite, een dame, die een modernen hoed' draagt, in 't gezicht te zien. Men ontwaart den kin en den top van den neusslechts als zij het hoofd draait, vangt men vluchtig een blik uit de oogen op. Evenwel een blik diep in de oogen te slaan, die ver borgen zijn in de schaduw van den hoed, behoort te genwoordig tot de moeielijkste problemen in den om gang met de vrouw. Reeds van oudsher heeft de vrouw zich beijverd den mannen zoo weinig mogelijk van haar gelaat te too- nen. Zij greep steeds alle mogelijke middelen aan om het spel van hare trekken te verbergen. Sluier en waaier, hoeden-schaduw en zakdoek zijn sinds onheu gelijke tijden daarbij de geliefkoosde wapens. Er zijn vrouwen, die, zoo vaak zij met een man praten, steeds haar plaats zoo kiezen, dat zij het raam achter den rug hebben en dus zelf van de schaduw profiteerend, het gezicht van den man in 't volle licht zien. Het gelaat van een vrouw verandert namelijk voortdurend. Een vrouwengelaat kan buitengewoon bekoorlijk zijn om in het volgende oogenblik een harde, onmeedoogende uitdrukking te krijgen. Twee kleine kuiltjes in de wangen, waaruit gratie, overmoed! en vroolijkheid spreken, kunnen plotseling twee dreigende plooien worden, waarin een geheimzinnig onweder sluimert. Een voorhoofd, licht en klaar als een lentemorgen, kan ineens met twee groeven geteekend! worden, waar in het licht verzinkt als de zon ini den nacht. Een lief kinderlijk gelaat verandert in een Medüsa en uit een koud gelaat, dat bijna wanhopig maakt, kan soms als bij tooverslag een grenzenlooze bekoring schijnen. Het zijn de wonderen der metamorphose, die eiken dag voorkomen. En evenals het gezicht veranderen kan, kunnen ook de oogen het. Zoo welsprekend als de oogen van een vrouw kunnen zijn, is nooit een minne brief van den man. In 't schitteren van den blik, het sluiten der oogleden, ja zelfs in 't bewegen der wim pers kan meer beteekenis liggen dan in het verstan digste of in het liefste woord. Dat weet de vrouw. Maar zij is er bang voor, met het spel van het gelaat, met de spraak der oogen te veel te zeggen, te veel te verraden. De man mag nooit weten, hoe zij over hem reden door Hundefleck en Espenwiese om een bezoek bij de familie Wilda en dokter TodWndedicht te bren gen. Toen zij Espenwiese achter zich hadden, zagen zij steeds het dak en den toren van) Eulenhorst tus schen de boomen door. Dat gaf Hagenloh aanleiding om op te merken, dat de toren hem begroette evenzoo als de hooge populier midden in het heidedal gedaan had, toen hij van het station voor de eerste maal naai den heide molen reed. Gisela zag hem niet aan. Maar een vroolijk lachje week niet van haar mond en haar oogen schitterden, terwijl zij schijnbaar al haar aandacht aan den ouden toren van Eulenhorst wijdde. Daar Walpurg nog altijd wat tegen dergelijke bezoe ken had, was zij thuis gebleven. Haar donkere scha duw stond heden niet tusschen Hagenloh en Gisela en zij konden ongedwongen en vrij met elkander pra ten. Lustig' klonk het paardengetrappel langs het bosch eri vlug gleden zij voort langs heide en boomen en vel den. Alles vloog- voorbij als in een dtoom. Veel te vlug ging het hen beiden - zij wilden zoo g-raag deze ge lukkige oogenblikken vasthouden. maar zij spoed den voorbij. Ka nog een minuut of vijf hield de wagen stil mid den in de stad op de markt, dicht bij de groote oude kerk, voor het huis van de familie Wilda. Het was een groot buis dat iets rustigs had, maar tc-gelijk iets ernstigs door zijn eerwaardigen ouderdom. Het marktplein zag er overigens zeer gemoedelijk uit. Welig tierde er het gras en in de week graasde er vaak de koe van den burgemeester. Twee groote steenen leeuwen lagen naast den stoep van het huis van de Wilda's, die onbewogen staarden naar de jonge dame met haar pelsjaket, bontmuts en mof, die uit den wagen stapte. Kog bewoog zich niets in het tweeverdiepingen hoo ge huis, met zijn oud-modische gordijnen en de met ijzer beslagen deur met den glimmenden deurklopper. Alles aan het huis deed denkeu aan den tijd: van den ouden Frits. Kwam hij daar niet in blauw uniform met degen en stok, langzaam over de markt gereden, om te aien' hoe denkt, wat zij voor hem gevoelt. Dat kan zijn houding tegenover haar veranderen, dat kan hem een over wicht geven, waarvan zij niet houdt. Haar woorden kan zij in bedwang houden, haar stem kan zij tempe ren, maar zelfs de beste tooneelspeelster kan geen meester blijven over hare trekken en hare oogen. Daarom worden1 de aangenaamste gesprekken in het schemeruurtje gevoerd, als heb daglicht uitgaat en nog niet vervangen is door kunstlicht en daarom dweepen de meeste vrouwen met de hoeden, in welker schaduw het gelaat verdwijnt, want zij stemmen over een met het vrouwelijk instinct. De vrouw toch wil den man zien en bespieden en zelf onbespied1 blijven. Dezen wensch moeten de mannen eerbiedigen. Slechts hij, die de vrouwen geheel miskent, zal haar steeds willen bewijzen, dat hij haar doorzien heeft en dat laat geen vrouw zich goedschiks welgevallen. Zij wil in haar hart een klein, gesloten tuintje hebben, waar van alleen zij den sleutel bezit en waarin geen vreemd oog een blik mag slaan. In dit geheime tuintje staat misschien geheel verborgen onder bloemen, het beeld van den geliefde. Hij zal heb niet zien, hij zal het niet weten en nooit bemerken, hoe hij bemind werd. Slechts een barbaar ontrukt de vrouw haar liefste ge heim. De vrouw zal den man dankbaar zijn, die haar zucht tot geheimzinnigheid, het verbergen van haar gevoel waardeert en eerbiedigt» Wanneer een vrouw zich in de schaduw zet, moet men om 's hemels wil niet trachten haar gelaat te be lichten. Wanneer een vrouw den rand! van haar hoed paar beneden slaat, dan zal slechts een indiscreet persoon trachten een blik onder den hoed' te slaan. Dat is een nieuwsgierigheid, die van een slechten smaak getuigt en die een fijngevoelige vrouw nooit vergeven zal. Deze fijngevoelige vrouw zal tegen den man, die haar niet schijnt gade te slaan, misschien zeggen: „Och, wat ben je dom!" Maar zij zal tevens deze dom heid als een bijzonder lieve eigenschap in hem waar- deeren. Èn zoo is het woordje „dom" in den mond der vrouw een liefkoozing geworden. De moderne klok- en pothoeden hebben schijnbaar met de liefde niets te maken, zoo besluist het blad, maar dat is evenwel het wonderbaarlijkste, dat de vrouw alles dienstbaar weet te maken aan de liefde. Iedere, mode wordt door haar in een werktuig van 't gevoel veranderd en zeer zeker heeft de nieuwe hoe denmode haar bijzonder getroffen, want zij hult het hoofd der vrouw in die geheimzinnige schadüw, waar uit des te lichter de heilige schijn van het gevoel straalt. door PAUL BLOCK. Den 20sten Juni stond de volgende advert»nti« in het „Kieuwsblad van St. Germain": kalfskop, kan zich tot zijn spijt dit gerecht slechts zelden veroorloven, daar een kalfskop slechts in zijn geheel verkocht wordt, en een geheele kalfskop voor één mensch veel te duur en veel te veel is. Hij zoekt dus een COM PAGNON (hetzij één of meer) om drie maal in de week kalfskop te eten. Brieven onder letters R. D., aan het bureau dezer courant. Toen ik dezen noodkreet las, kwamen mij allerlei dingen in de gedachte. Mijn eerste indruk was mede lijden te gevoelen met een man die zich zoo eenzaam voelt, dat hij zelfs heimwee voelt naar een kalfskop, maar het volgend oogenblik noemde ik denzelfden man weder gelukkig, daar zijn grootste wensch zich bepaalt tot een vrij goedkoop gerecht, dat zeer goed te bekomen is. Deze schijnbare tegenstrijdigheid bracht mij op de gedachte de methode van mijn vriend Sherlock ILolmes op deze advertentie toe te passen en het was met de bewoners van de markt te Grüntanne? En rammelde daar uit die zijstraat de gele postkoets niet aan, die eenmaal in de acht dagen Grüntanne be zocht. Klonk daar niet de posthoorn en) sloeg niet de echo terug van den grijzen toren? Ging daar de huis deur niet open en stapte niet langzaam en waardig in oud costuum, een gepoederde pruik op, de heer desr huizes naar buiten -e.n volgden hem niet tal van heeren, sprekend over Maria Theresia? Was het uur werk van den tijd hier honderdvijfen-twintig jaar blij ven staan? Luid klonk nu het schelle gerucht van de huisbel door de gang. Maar wat nu naar buiten kwam, was niets ouderwetsch, maar een frisch,levendig beeld vau den tegenwoordigen tijd. Voorop ging de lange dok ter Eisenbart alias Todwendedich met zijn blonden baard en daarachter volgde de dochter des huizes, de patiënte van zijn dokterswijsheid, die door zijn liefde genezen was. Vroolijk en lachend! was de begroeting' tuSsehen de als schildwacht zittende leeuwen in. En' de- blauwe oogen van Katharina, waarin al de sprookjes van dit land waren te lezen, lachten vooral naar Gisela, die er zoo gelukkig en gezond! uitzag. In Katharina's slaapkamer trok Gisela haar mantel uit en ontdeed zich van hoed en handschoenen- Nog even ging zij voor den spiegel staan en schikte haar haar wat terecht. Katharina kwam achter haar staan, sloeg haar arm om haar heen en zei: „Zoo, zoo." En toen Gisela haar zacht afweerde voegde zij er a.an toe: „Hoor eens, ik begrijp je eigenlijk niet. Ik weet niet wat je toch eigenlijk wilt." Terwijl de koetsier met de paarden naar het hotel „De ware Waldemar" reed, liep het gezelschap,, druk pratend en lachend, de breede, eikenhouten tr.ap op. Spoedig stonden zij nu boven in de groote, Heftige ontvangkamer. Veel antiek goed! was er in de kamer, zoo stond er een hooge, fraai besneden kast en een- reusachtige klok met statigen slinger. Hier had de bc-grpeting plaats met den heer en mevrouw "Wilde. Midden in de kamer onder de kaarserukrooin stond de heer Wilda. Hij droeg een glimmenden gouden bril op zijn haviksneus, eerbiedwaardig vfas Stijn ver- door beschouwing en gevolgtrekking te bepalen hoe de man met den kalfskop er uit ziet, of hij oud is of jong, welke levenservaring hij opgedaan heeft, hoe hij er toe gekomen is zooveel van kalfkop te houden, hoe veel vermogen hij bezit, welke politieke beginselen hij toegedaan is. De geachte lezer 'betwijfelt misschien of al die dingen uit de advertentie af te leiden zouden zijn? Dan kent de geachte lezer Sherlock Holmes niet en met alle bescheidenheid! gezegd evenmin de journalisten, die tegenwoordig uit veel minder gege vens iets moeten opmaken, wanneer zij de sympathie van het publiek willen verwerven. Laten wij de zaak van den kalfskop eens nader beschouwen. Ik ben overtuigd, dat al die geheimen zullen worden opgelost wanneer wij den kalfskop maar goed! analyseeren. In de eerste plaats is het volkomen duidelijk, dat de heer die liefhebbers van kalfskop zoekt, geen ver mogend man is, maar toch goed kan rondkomen met zijn geld. Hij kan niet driemaal in de week een hee- len kalfskop koopen en wat hij er niet van opeet aan de armen geven: tot zulk een verkwisting is zijn inko men niet toereikend. Toch kan hij zich wel de weelde veroorloven eenige irancs uit te geven aan de vervul ling- van een wensch, die toch niets meer is dan een lievelingskostje. Hoe zulk een bijzondere voorliefde voor het een of ander gerecht ontstaan kan zijn, zul len wij later zien. Voor 't oogenblik bepalen wij ons tot de uitwendige levensomstandigheden van den on bekende. De heer R. D. woont alleenhij is dus óf een ongetrouwd man of weduwnaar, óf gescheiden van zijn vrouw. De beide laatste gevallen ziju onwaar schijnlijk; geen enkele vrouw ter wereld zet haar man driemaal in de week kalfskop voor. De vrouwen zijn er in 't algemeen niet op gesteld haar man in gelati ne te doen veranderen. Wij kunnen dus gerust aan nemen, dat onze vriend een jonggezel is, een man, die niet veel onder de menschen verkeert. Daaruit volgt, dat hij een solied man is. Was hij een stamgast van het een of ander café, dan zou hij ook zonder de cou rant wel een paar kameraden kunnen vinden waar hij kalfskop mee kon eten. En daaruit volgt verder, dat de geheimzinnige smulpaap geen betrekking heeft, die hem dagelijks met vakgenooten in aanraking brengt, want daaronder zou hij wellicht menschen aantreffen met denZelfden smaak als hijhij verdient het geld waarvan hij leven moet dus niet in een fa briek of op een kantoor, en is geen post- of spoorweg beambte. Wij weten nu reeds, dat onze man niet rijk is maar toch vrij goed kan leven, dat hij geen ambtenaar is; g-een fabrieksarbeider, dat hij in afzondering leeft, en zonder vrouw woont in het stadje St. Germain bij Parijs. Laat ons nu nagaan of wij ook opsporen kun nen welke bijzondere eigenschappen deze eenzame zon derling bezit. Hij is zonder twijfel practisch van hard, daar hij voor een vrij zonderlingen wensch op de eenig mogelijke wijze vervulling zoekt. Ook moet hij vastberaden en moedig van aard zijn, daar hij rechtuit afgaat op zijn doel zonder met stil verdriet over zijn gemis te peinzen, zooals een zwakkere natuur mis schien gedaan zou hebben. Op welke wijze verwerft een man zulke nuttige eigenschappen? Gewoonlijk door den strijd des levens, die hem geleerd heeft - slechts op zichzelf te vertrouwen. St. Germain is niet de plaats voor zulk een levensstrijd. De. man moet I dus ergens geweest zijn waar het leven gewichtiger eischen stelt. In Parijs? Dat zou mogelijk zijn, in- dien de wijze van adverteeren daar niet tegen ge- tuigde, tn de Parijsche couranten komen nooit zulk# afgeronde advertenties voor. Ze zijn óf zeer groot, óf ze bestaan uit slechts zeer weinig woorden, soms afgekort als een geheim schrift. Maken wij hieruit I de eenigszins vermetele gevolgtrekking, even practisch 1 ais de heer R. I). zelf schijnt te wezen, dat hij in En- i geland of Amerika gewoond heeft, zich pas later in St. Germain gevestigd) heeft, nadat hij het kleine ka 'i pitaaitje heeft opgespaard, dat hem in staat stelt vreedzaam te leven in een rustig klein plaatsje. Wij kunnen zelfs als zeker aannemen, dat de tegenwoordi ge rentenier in vroegere jaren veel op reis is geweest cn bijna altijd in hotelk of restaurants gedineerd heeft. Want kalfskop is een restaurant-gerecht. In het familieleven wordt aan de andere deelen van het a'chijnmg en wit was zijn haar. Naast hem stond Wol ft Sf.enstein, die een belangrijk stuk grooter was. Daar j .stond ook de vrouw des huizes, een slanke verschu il uaimg. Zij droeg het haar op ouderwetsche wijze, ge- heel anders dan thans de mode was. Vijftig jaar was zij reeds, maar zij had nog iets jeugdigs, soms iets meisjesachtigs over zich. Rem dom de koffietafel gezeten, achter hun kopjes met gouden randjes, zaten de dames koek etend de door mevrouw Wilda zelf gebakken koek en de heeren hun sigaren rookend. Ter-wijl de schemering viel, spraken de dames ge moedelijk over de dingen, die vrouwen interesseer-en, over Walpurg, de kleeding- en de dienstbodenquaestie. De heeren discussieerden over den toestand1 van den grijzen keizer en de ziekte van den kroonprins, over Bismarck, den Rijksdag, de gemeentelijke belasting <en de houtprijzen. Na de koffie gingen de dames het buis door Gisela •wilde al die oude cn groote kamers graag eens zien. Zij stelde belang in Katharina's werk, wilde haar uit- I.ze.t Bezien en alle kleine dingen die zij bezat. De |ieeren begonnen een spelletje kaart aan een i klein tafeltje in een der hoeken van de kamer. Ha- genloh toonde zich een ietwat verstrooid speler. Tus- schen het spel door en af en toe als ze een kleine pau- 1 ze hielden, werd er druk gediscussieerd. De mannen voelden behoefte om eens van gedachten te wisselen. Zij waren allen denkers, hadden vaste meeningen en opraken graag eens over hun ondervinding en de lee- ringen, daaruit door hen geput. Er was hier heel wat verschil van opinie en! hun gedachten over ver- schillende onderwerpen liepen nog al uiteen. I Anders was dat met de dames, haar gesprek was veel kalmer, haar gedachten vloeiden veel meer ineen. Toch was het of Gisela niet geheel waagde haar ge dachten uit te spreken. Katharina begon met haar te fluisteren en trachtte door allerlei slimme vragen en •opmerkingen haar een bekentenis te ontlokken. Maar Gisela liet niets los, lachte voor zich heen, blijkbaar vermaak scheppend in de nieuwsgierigheid van haar vriendin. (Wordt servolgd.)

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 5