DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. De Heidemolen. Honderd en twaalfde laargang. 1910. V R IJ D A O 25 NOVEMBER. FEUILLETON BINNEN LAND. No. 278 -JCSte Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk f 1, Afzondei lijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f 0,10. Bij groote contracten rabat. Groete letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkery v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. - i ALKMiIRSCHE COURANT. ALKMAAlt, 25 November. De dagen van strijd zijn in Engeland' begonnen. Reeds houden de leiders verkiezingsredevoeringen. De conservatieve heer Balfour heeft te Nottingham gesproken en o.m. verklaard, dat de Amerikaansclie dollar moet dienen om de Engelsche grondwet te doen vernietigen het heet n.l. dat de Ieren uit Amerika financieelen steun hebben ontvangen. Daarover heb ben de liberale ministers een hartig woordje gezegd. De heer Lloyd George verklaarde, dat de lords vaak hun wapen met Amerikaansche dollars, als de oude goudkleur wat verweerd is, vergulden! En verder ver telde hij, dat arme Ieren naar Amerika waren getrok ken om daar geld te verdienen, teneinde te voorkomen dat "hun ouders uit het eigen huis, dat ze zelf gebouwd hebben, worden gezet tachtig millioen dollars, zei- de hij, worden jaarlijks uit Amerika naar Ierland ge zonden om de Britsche landheeren te betalen. En de heer Winston Churchill heeft de Ieren in een redevoering in bescherming genomen. Onder de politieke partijen in het Lagerhuis zeide hij hebben alleen de Ieren geen ambten, geen titels, geen gunsten, geen emolumenten gezocht. Dertig ja ren hebben deze zelfde mannen, van wie sommige zoo begaafd waren, dat zij, wanneer zij hiet tot Ieren had den behoord, zeer zeker tot de hoogste ambten in den staat benoemd zouden zijn, dertig jaren lang hebben deze zelfde mannen met geringe middelen, met hart brekende teleurstellingen gearbeid zonder een schijn van persoonlijke beweegredenen, zonder een gedachte aan persoonlijk winstbejag, voor één zaak en ook slechts voor één zaak en die zaak is de zaak die ieder Engelschman, die de vrijheid van zijn land liefheeft en hoe hij over Home Rule denkt, met eerbied dient te behandelen. Het uur voor een verzoening van het Engelsche en het Iersche volk heeft geslagen. De hemel klaart reeds op en er is een belofte van Roman naar het Duitsch van OSWALD BERGENER. 50) Toen hij eindelijk weer alleen was, bleef hij naden kend voor zich staren. Terwijl hij at, begon hij over allerlei dingen uit het verleden te denken. Hij dacht aan Lena, aan den moord in het hosch, aan den predi kant in zijn geboorteplaats bij de Ilarz, aan den hei demolen en aan de geheimzinnigheden van het dal. En zijn gedachten gleden verder, van het grijpbare naar het abstracte. Het was hem of er nevels om hem heen kwamen en of daaruit allerlei gestalten, wazig en vaag te voorschijn kwamen. Beelden uit zijn jeugd traden voor zijn blik. Hij zag zich zelf worstelen om allerlei kleine dingen om daarna onder te gaan. Ilagenloh ademde zwaar en diep. Hij kreeg het wat benauwd in de warme kamer. En dat werd erger. Het statig tikkende uurwerk ergerde hem plotseling. Het rammelde plotseling in de klok en Hagenloh schrok toen het uurwerk begon te slaan. Hij kreeg weer het doffe gevoel dat hij gisteren had gehad, het heftig kloppen en bonzen in zijn hoofd. Weer was het hem of er een zware last langzaam op hem neer kwam. Daarbij werd hij zeer slaperig en Scheen het hem of een sterke hand een poging deed om hem de keel toe te knijpen. Toen stond hij op en besloot evenals den vorigen avond troost en rust in zijn bedstede te zoeken. Hij lag daar nog niet lang of door de warme kamer kwamen lieflijke droomen tot hem. Hij hoorde in zijn nabijheid muziek, een zachte, weeke walsmelodie was j het. Eerst leek het hem onbekend, maar weldra hoor de hij dat het muziek van Grieg was, muziek die hij in een gelukkig uur in Gisela's nabijheid had gespeeld. den dageraad, die Gladstone zoo lang verwacht heeft, maar dim hij niet meer mocht beleven. In het licht van dien dag zullen we Ierland vrij zien in alles wat het zelf betreft. Loyaal tegenover de Kroon, en met toenemende voorspoed zal het zijn plaats innemen on der de koloniën, als die dappere Boeren hebben gedaan in een oprecht n onverbreekbaar verbond met het Britsche Rijk. Tenslotte willen we nog even een bijtend stukje ge ven uit een redevoering, welke minister Lloyd George in het Oosten van ouden heeft gehouden. De minister traclittc zijn gehoor nog eens in te scherpen, hoe dwaas dn samenstelling van 't Hooger- huis w is, en stelde voe r hoe men Australiërs aan het verstar d zemde moeten brengen, dat zij toch hoognoo- dig ook zoo'n prachtige wetgevende vergadering moes ten hebben. Ja maar, nou de Australiër zeggen, hoe komen wij er aan 'i Niels is gemakkelijker, zou de heer Lloyd George dan antwoorden. Ik zal je vertellen hoe wij aan onze aris roerat ie zijn gekomen, eerst aan de oudste en beste, want het is met den adel als met kaas, hoe ouder hoe voortreffelijker. En toen vertelde hij van de Franschen, die met eenige scheepsladingen in Engeland waren gekomen van de kust van Norman- dië, en die doodsloegen al de grondbezitters die hun onder de handen kwamen, en van de overige successie rechten hieven 100 pC.',. Ongelukkig zijn de af stammelingen van die veroveraars tijden lang bezig geweett, elkaar den hals af te snijden, zoodat er maar weinigen van overgebleven zijn. O, zegt dan de Australiër. Wij hebben er ook van dat sli g gehad. Wij noemden ze struikroovers. Ze sta len ve Maar wij hehbc n een tijdje geleden den laat- sten al doodgeschoten, voor zij de kans hadden om na komelingen te krijgen. Heb je nog een ander soort'? En dan vervolgt de heer Lloyd George: Dan is er nog orze tweede scort aristocraten. Wij hebben in ons land een groote godsdienstige hervorming gehad, en toen varen er een aan!al menschen, die daar partij van tr )kken om land en gebouwen, die bestemd waren tot vo ;ding van de armen en tot verpleging van zie ken, ten eigen bate zich toe te eigenen. Er kwam groo te ellende in het land, e i daaruit ontstond ontevre denhei l en hongersnood en oproer. En toen bedachten die menschen, die de kerkelijke goederen aan zich had den g< trokken, een stelse', waarbij de armen onder stand kregen uit de belastingen. En nu betalen gij en ik belastingen om liet inkomen goed te maken, dat genaast is door de voorouders van het edele volk, dat onze begrooting verwerpt en dat ons uitmaakt voor roover,1, dieven en vrijbuiteis, omdat wij ons vermeten een halve stuiver belasting te leggen op het land dat zij hebben weggekaapt. Mijn vriend de minister van binnenlandsche zaken (Churi hill) en ik bezochte n laatst de gevangenis te Dartmror. Daar vonden wij een man van 65 jaar in het gevangenispak. Hij was veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf, omdat hij, onder den invloed van sterken drank, in een kerk een armbus had opengebro- i ken en er twee shilling uit had gehaald. Als ik weer voor dief en roover wordt uitgescholden, omdatik het waag de rijken te heiasten en de armen te sparen, de eerste maal dat een afstammeling van dat edele volle mij zoo uitscheldt, zal ik zeggen: U leeft nu, en u leeft behagelijk uit de opbrengsten van de kerkelij ke armbus, die uw voorouders hebben geleegd. De heer Lloyd George noemt dan nog den adel op, die bestaat uit de afstammelingen van de onechtelijke onvoorzichtigheden van de koningen, en het eind is, dat de Australiër uitroeptDank je, dan zouden we nog liever een Senaat van kangeroes hebben. TWEEDE KAMER. Gisteren werd in de Tweede Kamer de algemeene beraadslaging over de staatsbegrooting voortgezet. De heer' Kuyper (A. R.) vervolgde zijn afgebroken rede, en betoogt, dat de oppositie weinig te beduiden heeft. Zij werpt zich op kleinigheden. Spr. zet uiteen, dat de schoolquaestie nog niet is opgelost, en de partijen van rechts nog bijeenhouden moet. Tusschen partijen van rechts en links kan niet anders dan eene tijdelijke sa menwerking voor een bepaald doel plaats hebben. Spr. zet de antithese tusschen rechts en links uiteen. De heer Kuyper bepleit daarna eene publiekrechte lijke organisatie van het bedrijfsleven, en zet zijne denkbeelden daaromtrent uiteen. Spr. blijkt- ten slotte een voorstander van vestiging van een Hoogeschool voor internationaal recht in den Haag. Vervolgens werden door den heer van Dedem (C.-H.) de financiën besproken. De regeering moet de uitgaven beperken tot de allernoodzakelijkste. Er is nog veel te bezuinigen. De heer D r u c k e r (V.-D.) spreekt eerst over den on gelukkigen vorm van onze wetgeving. Hij dringt aan op de inrichting van een klein bureau voor wets- redactie. Spr. geeft enkele indrukken over het belejd van het Kabinet. Dan constateert spr. dat met de „christelij ke" rechtsbeginselen niets te bereiken valt, zelfs niet een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Spr. toont aan, dat men de toepassing der christelijke beginselen in kleinigheden moet zoeken. Alleen ten aanzien van onderwijs en benoemingen zijn de rechterpartijen het eens. De groote staatkundige vraagstukken kan het Kabinet niet oplossen. Spr. behandelt verder de financiën en sluit zich hieromtrent bij den heer De Meester aan. Vervolgens oefent hij critiek op het beleid van oorlog en marine. De afgevaardigde bespreekt nu de memorie van ant woord der regeering, die hij zonder geestdrift noemt. Hij komt op tegen het streven naar Zondagsheiliging dat daarin aan den dag komt. Gaat de regeering voort op het ingeslagen pad, zoo betoogt 9pr. ten slotte, dan zal ook deze wetgevingspe riode weer onvruchtbaar blijven. Laat de regeering, in stee van zich vast te klampen aan haar 59, steun bij de hervormingsgezinden ook van links zoeken. De heer De Visser (C. H.) dringt aan op be vordering van Zondagsrust. Spr. waardeert de werkzaamheid van het kabinet, waarbij de ethische richting wordt ingeslagen. Hij be pleit het ontwerp tot bestrijding van zedeloosheid, dat over de echtscheiding, en het eedswetje. Spr. looft de onpartijdigheid van het kabinet, en bestrijdt de rede van den heer Roodhuysen, die aan- Het scheen hem toe dat de muziek gedempt tot hem doordrong uit een andere kamer. Toen veranderde het tooneel en hij danste.... danste met Gisela ver der, st ;eds verder. Dkht tegen zich aan hield hij haar vast t< gen zijn borst. Heur harr kwam tegen zijn ge laat, heur adem omwoei hem zuchtjes. De muziek klonk zachter, sleeds gedempter, als ver wijderden zich de mu; ik anten En het tooneel veranderde weer. Hij stond' nu mid den in woeste golven, io wilden storm op een wrak, dicht bij de kust. Beneden zag' hij klippen, boven hem joegen donkere wolken in wilde vlucht voort. Nacht was h< t en overal om ham het grijze, woelige water. Hij klemde zich warhopig vast aan den mast, hield zich net moeite staande., tot op den donkeren oever een vuursignaal hem nieuwen moed gaf. Het was hem of hij stemmen hoorde: houd moed! houd het nog vol! als het dag wordt en do storm gaat wat liggen, dan zal hel, ons gelukken je te redden. En uit de verte klonk hem van het land weer de walsmelodie toe, lok kend, zwevend. Op het oogenblik dat de laatste toon wegzweefde, werd het schip onder hem uit een ge slagen en met de stukken van hot wrak zakte hij ker mend en gillend in vei schrikkelijken angst weg in de dieptewaarheen VIII. 's Morgens van den eersten Moi, die volgde op het bezoek aan Eulenhorst en den nacht, die zoo rijk aan aandoeningen was, gin;; Pechlena, zooals haar bevolen was om zes uur naar boven om den opzichter te wek ken. Zij klopte herhaaldelijk maar er kwam geen ant woord. Zij ging weer stil naar beneden en dacht: Och hij is zoo laat naar bed gegaan en zeker nog vermoeid. Een half uur later kwam zij veer zachtjes naar boven en luisterde aan de deur of hij ook al opgestaan was. Doch daar binnen klonk nog niet het minste gerucht. Zij tikte schuchter aan de deur en, daar dat niet hielp, wat luider. den worden. Zij waagde het eindelijk aan den knik te draaien, maar de deur bleek van binnen gesloten te zijn. Een moeilijk geval en Lena wist niet wat ze doen zou. Ze ging naar buiten en zag naar boven of zijn raam gesloten was. Overal om het huis klonk vogelgejubel het was een heerlijke morgen, pe ramen van Ha- genloh's kamer waren dicht en de gordijnen waren nog gesloten. Om zeven uur had zij den moed om uit alle macht op Hagenloh's deur te slaan, maar alweer zonder het gewenschte gevolg. Ondertusschen waren buiten onder de boomen de ar beiders bijeen gekomen, die Hagenloh om zeven uur daar had besteld. De oude Lehman kwam juist door de achterdeur in de keuken om den opzichter te waarschuwen dat zij gereed waren. Lena wachtte nog steeds tevergeefs op antwoord aan de deur. „Is hij nog niet op?" riep Lehmann haar van bene den toe. Maar hij kreeg geen antwoord! Lena kon door de lievige spanning geen woord uitbrengen en bleef met haar oor tegen het slot gedrukt stijf staan. Er stond zooveel angst op haar gelaat te lezen, dat de oude de trap op kwam. „Wat is er aan de hand, meisje?" Toen zij nog steeds niet antwoordde, kwam ook hij naar de deur toe en luisterde. Plotseling hoorden zij beiden een zacht reutelend geluid. Terstond daarop was het weer dood stil in de kamer. Zij wachtten even en het gerochel herhaalde zich. Lena deed, bleek van angst en schrik, een stap ach teruit. Maar Lehmann begreep dat er iets gedaan moest worden, bonsde met den schouder tegen de deur en wrong met zijn sterke vuist aan den deurknop. „Meneer Hagenloh!" riep hij luid. Als eenig antwoord klonk uit Hagenloh's kamer weer het zachte kreunen. Lena's angst en Lehmann's woede, omdat het hem niet gelukte de deur te openen, brachten het raadsel merking maakte op de wijze, waarop het Kabinet de sociale verzekeringen ter hand genomen heeft. Toch wil spr. de regeering vriendschappelijk waar schuwen tegen verwarring van staat en maatschappij en pogingen, om de organen van het particulier initi atief bij* de sociale verzekeringen uit te snijden. De heer O o st e r b a a n (A.-R.) bepleit salaris verbetering voor de lagere ambtenaren. De heer Goeman Borgesius (U.-L.) be strijdt daarna den heer De Visser in diens betoog dat de detailwetgeving, op verzekeringsgebied' toegepast door het Kabinet-Pierson-Borgesius, ons de ongeval lenwet heeft gebracht, die, afgezien van technische gebreken, een zegen voor het volk is geweest. Van het beleid van minister Talma verwacht spre ker niets ook omdat de goede financiën ontbreken. Ook bestreed spr. het betoog van dr. Kuyper. In de avondzitting werd behandeld het hoofdstuk Landbouw, Nijverheid en Handel der Begrooting voor 1911. Den heer Teenstra (V. D.) prees den tegen- woordigen directeur van den. landbouw. Organisatie van den landbouw noemde spr .urgent. Er moeten groote provinciale bonden komen, zoo noo- dig met staatssubsidies. De tentoonstelling van 1913 moet ook gesubsidieerd. Het jachtwetrapport heeft spr. teleurgesteld door het voorstel om jaehtschappen te vormen, die echter niets gemeen hebben met waterschappen. Er is in het rapport niet gedacht aan het recht der landbouwers, om het volle genot van hun grond te hebben. Spr. verzocht den minister, naast- de voorlichting der Staatseommis'sie, ook die der landbouwers, tot het vormen van zijn oordeel, te willen aanvaarden. Hij drong voorts aan op verbetering van de positie der landarbeiders door wettelijke maatregelen. Ook de heer Vorsterman van Oye.n (V.D.) kwam op tegen het voorstel der staatscommissie tot instelling van jaehtschappen; zelfs de instandhouding van een matigen wildstand, welken de commissie hier mede bereiken wil, achtte spr. schadelijk voor den landbouw. Daarenboven noemde spr. hunne inrichting ondoel matig. De heer S m e e n g e (U. L.) bracht hulde aau den directeur-g-eneraal van den arbeid en aan zijn voorgan ger, den heer Lovink, voor hunne pogingen tot bevor dering van het landbouwonderwijs. Spr. bepleitte het nemen van maatregelen om verzet van grondeigenaren tegen ontginning te breken. De heer Van Wichen (R. K.) juichte de be loofde wet tot grondverstrekking aan landarbeiders toe, Spr. wenschte in tijden van werkeloosheid directe hulp van de regeering tot werkverschaffing aan de landarbeiders in het geheele land. De heer Helsdingen (S.D.A.P.) bepleitte wij ziging der artt. 1631 en 1632 B. W. (vrijstelling van pacht bij oogst-mislukking). Hij wees daarbij op de door watersnood geteisterde landerijen van Friesland. Spr. gaf zijn afkeuring te kennen over het rapport der Jachtcommissiehij noemde de richting van hare beginselen, vermeerdering van den wildstand, slechts in het belang van de groot-grondbezitters. De heer Duymaer van Twist (A.-R.) noemde de herziening van de Jachtwet urgent en ver heugde zich over het uitgebrachte rapport. De heer Beckers (R.-K.) verzette zich tegen beperking der uitgaven voor den landbouw. Er moet gezorgd worden voor een gezonden veestapel; de pro ductie van vleesch en melk moet worden opgevoerd. Voorts vraagt spr. een voorontwerp ter zake der ruil verkaveling. De heer T yd e m a n (V. L.) noemde een discussie over het rapport der Jachtcommissie ontijdig. Spr. niet tot oplossing. Er moest wat krachtiger opgetre- „Lena wat sta je daar. toe, meid, gauw naar beneden en haal een bijl of een ander zwaar ding om de deur mee open te breken! Vooruit, een beetje gauw Lena snelde naar beneden, maar in haar verwarring liep zij naar de keuken in plaats van naar het hout- schuurtje waar de bijl lag. Zij nam het eerste het beste wat haar in de handen kwam, en rende daarmee in doodsangst de trap weer op. Het was de oude, zware keukenstoel, waarop zij gisteren had zitten slapen. Lehmann schold haar uit over haar onhandigheid, maar greep het voorwerp toch en sloeg er met al zijn kracht mee tegen de deur aan. Het geroep en lawaai was ondertusschen tot den hospus Waldspecht en zijn vrouw doorgedrongen. Zij kwamen toeloopen, beiden hevig ontsteld. Buiten wer den de arbeiders ongeduldig en zij kwamen de gelag kamer binnen om te vragen wat er toch wel aan de hand was. Lehmann was er met uiterste inspanning in geslaagd het slot stuk te slaan en de deur sprong open. Hij slingerde den stoel op zij en stond in het volgend oogenblik in de kamer. Op het bed naast de kachel lag Hagenloh met niets anders aan dan een nachthemd. Hij lag daar in een houding als had hij een vreeselijken strijd met iemand gevoerd, een strijd op leven en dood, waarbij hij het onderspit had moeten delven. Door de reet tusschen de gordijnen viel een lichtstraal op zijn gelaat, een lachende zonnestraal die scheen te spotten met het verwarde tooneel. Deken en hoofdkussen lagen op den grond. Zijn hoofd hing uit het bed en zijn mond was geopend, als had hij een poging gedaan om om hulp te roepen, zonder gevolg.... Zijn eene vuist was krampachtig in het laken gedrukt, de andere lag slap op zijn matras. VMV.ltfd.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 1