DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. De Heidemolen. éPis in wÊk lHf lik No. 279 Honderd en twaalfde Jaargang. 1910. ZATERDAG 26 NOVEMBER, een onderwijzer. FEUILLETON |1F1 ipj B i f Schaakrubrieki Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk f1,— Afzondei lijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f 0,10. Bij groote contracten rabat. Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. EEN PRAATJE OVER HET ETEN. m Wi AL&MAARSCHE COURANT VI Aan de BURCJEKSCIIOOI, te 1LRMAAB (Hoofd de Heer F. J. AUKES) wordt gevraagd met akten Frausch en Vrije- en Ordeoefeningen. Aan- vangsjaarwedde f 800. die wegens periodieke ver hoogingen kan stijgen tot f 1100. Voor hoofdakte 1" ÏOO meereventueele vergoeding huishuur f 100. Stukken (adres op zegel) in te zenden aan het Ge meentebestuur vddr 1 December a s. IPBOKKGLOGE S. UIT EEN SIBERISCHE VESTING. 'n Prettige stad schijnt Wladiwostok, hetgeen „heerscheres van het Oosten" beteekent, te zijn. Tij dens den Japansch-Russischen oorlog las men herhaal delijk de ongelooflijkste verhalen uit deze Siberische havenstad. Het is sindsdien niet veel veranderd. Moord,- dood slag, spel en dans, wijntje en trijntje, blijven er aan de orde van den dag, of liever van den nacht. Meer dan de helft van de politie-agenten moest in het be gin dezer maand terecht staan, omdat zij zich hadden laten omkoopen en de andere helft maakte intus- schen nog betere zaken. De „bewakers van de open bare veiligheid" maken met misdadigers en oplichters gemeene zaak. En hoever het kwaad gaat, moge hier uit blijken, dat als getuigen voor de rechtbank o. a. moesten verschijnen een generaal, een Fransche „schoone," een zeeofficier, een Chinees opiumverkoo- per. Maar nitsjewo 't kan niet schelen! Eens in de maand hebben de meeste bewoners geld den twintigsten. Dan is het algemeene betaaldag, de zoogenaamde „gouden dag." De winkeliers wagen het dien dag nauwelijks hun magazijn te verlaten, om de n^nschen, die bij hen in het krijt staan, niet mis te loopen. Want de Wladiwostokker komt maar éénmaal zijn rekening betalen. Is er niemand thuis, dan laat hij zijn kaartje achter en verschijnt nooit weer. 's Avonds in Alhambra of Apollo laat hij voor het geld, dat hij heeft willen betalen maar niet kwijtge raakt is, de champagnekurken knallen. Champagne wordt er verbazend veel gedronken, hetgeen niet be hoeft te verwonderen in een stad, waar de menschen geen geld voor een waterleiding hebben. Sinds jaren zou er een waterleiding komen, de stad stelde een aanzienlijke som beschikbaar waar zij gebleven is, weet niemand. Ook heeft de stad indertijd! besloten, de bewoners gelukkig te maken met een electrische tram. De rails zijn gelegd maar de wagens ontbro ken nog altijd. Het toegestane bedrag moet onvoldoen de gebleken zijn, maar menschen, die het weten kun nen zeggen, dat het grootste deel der roebels gede- dailleerd is! UIT EEN BRITSCHE STRAFKOLONIE. Ross-Tsland, het eilandje in den golf van Bengalen, dat tot de Andamanen behoort is het bestuurscentrum van de Britsch-Indische strafkolonie. Daar wonen de goeverneur en de ambtenaren, militairen en politie dienaren. Gestraften ziet men er weinig en de mees ten zijn als huisknecht of manusje-voor-alles bij de ambtenaren en officieren werkzaam. Terwijl wij op onze moordenaars en doodslagers en inbrekers jacht maken helaas is het resultaat niet altijd geëvenredigd aan de pogingenworden ze daar als personeel in huis genomen. Men ziet er bijv. iemand, die wegens moord tot levenslange verbanning is veroordeeld dienst doen als vriendelijke droge min. De gespierde rechterhand, welke vroeger eens het bloe derige mes omklemd heeft, schommelt thans langzaam Roman naar het Duitsch van OSWALD BERGENER. 51) De oude Lehmann kon bij den aanblik van dit ver schrikkelijk tooneel een zachten vloek van schrik niet onderdrukken. Lena echter sprong vooruit, was in een oogenblik bij Hagenloh's bed en deed een onbe holpen poging om hem te helpen. Maar al spoedig sloeg zij vol ontzetting haar handen voor 't gezicht, omdat zij bemerkte dat haar pogingen niets hielpen. En jammerend ging' zij de kamer uit. Waldspecht, de stille, bedachtzame man, die ge woon was aan kalm maar beslist handelen, deed een stap naar de kachel en voelde naar de schuif. Hij be greep terstond dat de schuif in den kachelpijp dicht was geweest en dat er niet tengevolge kolendamp in het vertrek was gekomen. „De ramen openriep hij op bevelenden toon en meteen draaide hij de schuif zoo dat er geen gevaar meer was van die zijde. Aan zijn bevel was terstond voldaan en het volgend oogenblik stroomde de frissche Meilucht naar binnen. De zonneschijn drong tot in de meest verborgen hoek jes en het gerucht van fluitende vinken en koekoek geroep bracht terstond een geheel andere en vroolij- ker stemming in de nog pas zoo sombere kamer. Even snel als dit alles was toegegaan hadden de oude Lehmann en de hospita Hagenloh weer recht in het bed gelegd, hem toegedekt en het kussen weer on der zijn hoofd geschoven. Doch zij wilden nog meer doen en met vereende krachten werd Hagenloh met matras en al opgetild en voor het raam neergelegd. Ook Lena was weer binnen gekomen. Groote angst er. radeloosheid stonden op haar gelaat te lezen en zij keek schuw rond of zij zich misschien ook nuttig kon den kinderwagen, terwijl de linker met een dames-pa rasol de stralen der tropische zon verre van het kind je houdt. De ex-zeeroover Gho Khan, bijgenaamd de schrik der Martaban-baai doet thans de wasch en rijgt bandjes. Menschen, die een paar dagen lang mil- lioenen lezers in opwinding hebben gebracht, verrich ten hier thans alsof ze nooit iets anders deden de doodgewoonste dingen. Zij worden gehuurd op een contract met de regeering. Het loon van een water drager bedraagt ongeveer twee dubbeltjes per dag. Koks en dergelijke krijgen iets meer. De banneling ontvangt hiervan zelf per maand een daalder zakgeld, de rest int de regeering, welke voor eten, drinken, slaapplaats en kleeding zorgt. Het loon is niet hoog, maar in heel Indië zijn de verdiensten gering, men krijgt voor 12 gulden per maand een uitstekende be diende, die van dat bedrag 6 a 9 gulden overhoudt, want zijn ontbijt, middagmaal en avondeten bestaat uit rijst, dat hij bijna gratis krijgt, zijn bed is de harde vloer voor de slaapkamerdeur van zijn meester. Het bestuur der gevangenis geeft op een banneling voor huiselijke bezigheden desverlangd nog een werkolifant op den huur toe, maar van dit speciale aanbod wordt weinig gebruik gemaakt omdat men de dieren nog niet zoover gedresseerd heeft, dat ze hun slurven als stofzuigers gebruiken wat overigens een nuttige, practische dressuur zou zijn. Natuurlijk worden alleen die bannelingen als dienstboden gebruikt, die zich*in hun straftijd be trouwbaar en ongevaarlijk hebben getoond. Ieder hun ner komt eerst zes maanden in een cel, heeft hij zon der gestraft te zijn die periode achter den rug, dan komt hij in het tweede stadium, dat iets langer, n.l. minstens tien jaar duurt. Hij wordt dan van de al- straf ontslagen en moet in de open lucht als wegwer- werken. Gedraagt hij zich in dien tijd goed dan wordt ker, havenarbeider, steenklopper of handwerksman hij vrij gelaten, mag als selfsupporter, als iemand, die zelf in zijn onderhoud voorziet, zich in het oer woud een plek rooien daarop een hut zetten en den grond bebouwen. Bij groepen worden deze menschen naar de binnenlanden gebracht waar ze als kolonisten optreden. De gloeiende hitte maakt het leven aldaar zeer ongezond, vandaar dat velen de voorkeur er aan geven kinderen op te passen of huiselijke bezigheden te verrichten. „Zeg me wat ge eet, en ik zeg u wat ge zijt." Men zou de onjuistheid van dit zinnetje onmiddel lijk kunnen aangeven door te zeggen „Goed en wel, maar paarden, die de haver verdienen krijgen haar niet, bij gebrek aan pasteitjes, die me toekomen, die passen bij mijn beschaving en ontwikkeling, stel ik me tevreden met de halve houtsnippen, die ik zelf vervaardig uit de waren van mijn broodbakker, kaas handelaar en boterboer. Men moet het zinnetje is het niet van Brillat-Savarin dan ook niet al te letterlijk opvatten. Het bedoelt slechts te zeggen, dat een mensch, die niet van tafelgenot houdt, geen be schaafd, ontwikkeld mensch is, dat de spijzen niet al leen dienen om den honger te stillen, maar ook om den smaak, het. gemoed zelfs, te streelen. In gastri- nomiach opzicht staat onze niet onvoorwaardelijk ge prezen tijd niet bijster hoog en moeten wij, twintigste eeuwers, het tegen onze smullende voorouders, tegen de menschen uit de grijze oudheid, leelijk afleggen, al gebruiken wij ook heel wat meer artikelen bij het eten dan zij. De helden van Homerus wisten niets van messen, vorken, lepels, borden en servetten. Toch aten ze en wat goed'! De eerlijkheid gebiedt ech- ter te zeggen, dat er in den Ilias hier en daar messen worden vermeld, welke echter zelden gebruikt werden. Vorken kwamen er in Europa eerst omstreeks 900 voor, een Bysantijnsche keizersdochter, gehuwd met den zoon van een Venetiaansch doge, bracht het ge bruik mee, zoodat, als voor zooveel meer, Venetië voor de vork de poort was, waardoor Europa werd veroverd. Langen tijd was het voldoende, dat de heer een mes, de dame een vork had. Borden verschenen nog veel later, vervingen de stukjes brood of de houten schij ven, welke tevoi'en denzelfden dienst deden. Toen ze waren uitgevonden, werden ze bij voorkeur vervaar digd uit zilver of goud, zoodat ze alleen in de huizen van den rijkdom" voorkwamen. In den tijd van Ho- merus zaten koning en onderdanen gezamenlijk aan tafel. Ten tijde van Pericles lag men op rustbedden te eten, de Romeinen deden het de Grieken na, de Germanen de Romeinen. De Franken keerden echter naar den bank en den stoel terug, waarbij het stands- verschil aangegeven werd door een kussen, dat op de zitplaats der voorname personen werd gelegd. 1 Het- ronddienen van de spijzen door bedienden kwam reeds zéér vroeg voor, maar schijnt later in on- bruik te zijn geraakt, daar het aan den hofmaaltijd van Bodewijk XIV nog regel was, dat iedere gast zijn rantsoen zelf uit den gemeenschappelijken schotel haalde, met dien verstande, dat een lepel, die naar den mond gebracht was, niet meer in den schotel mocht worden gedompeld. Anna van Oostenrijk, „de koningin met de schoone handen", mocht, zonder aan- stoot, te geven, de hand in den ragout steken en haar tafelbuur een hapje in den mond practiseeren deze weinig smakelijke handeling gold zelfs voor een on derscheiding. f Over hetgeen er vroeger werd gegeten zouden ko lommen te vullen zijn. Gebraad, brood, wijn, en vruchten was voor Agamemnon voldoende; „de zwar- te soep der Spartanen", bestaande uit pekel, azijn en stukken varke.nsvleesch, smaakte den uitvinders voor treffelijk, maar de Romeinen wilden iets anders. Lu- cullus liet eens twee schotels opdienen, waarvan de pen was samengesteld uit de hersens van 500 struis vogels en de andere uit 5000 tongetjes van zangvo gels. In dien zot-weelderigen tijd stonden de koks in hoog aanzien Antonius schonk zijn kok als beloo ning voor een nieuw gerecht een stad, welke bijna tweemaal zooveel inwoners telde als Alkmaar wat j de man met al die monden gedaan heeft, weten we niet. Gebraden dieren mochten slechts in hun geheel op tafel worden gebracht. Keizer Domitianus heeft eens een rijksraad bijeen geroepen over de vraag of een buitengewonen tarbot ook in stukken gesneden mocht worden. Het hooge college beantwoordde na ampel beraad de gewichtng'e vraag ontkennend en voor het reuzendier moest een afzonderlijke pan wor- j den vervaardigd. i De volksverhuizing maakte een dikke streep door de tafelweelde, maar reeds onder Karei den Groote vond' ze weer ingang en in. de middeleeuwen wed ijverden Hollanders, Franschen, Duitschers en Engel - schen in de kunst, zoo veel en zoo lekker mogelijk te eten. Iloe laat werd er gegeten? De ouden hadden hun hoofdmaaltijd 's avonds. In de middeleeuwen was het gewoonte 's morgens om 8 uur liet meeste voedsel te gebruiken. In 1700 was het jtafeluur der toonaangevende leringen 11 uur, in 1800 at men tusschen 2 en 3 uur. Thans is er een groot verschil in de etensuren, de Duitschers eten hun middagmaal 's middags, de Eranschen 's namiddags, de Engelschen 's avonds de iaatsten zijn dus weer bij het begin van den kringloop en in ons land maken. „Wat sta je daar en kijkt naar hem!" riep de waard toornig. „Wie heeft jou gisteravond opgedragen' om de kachel dicht te draaien? Wat? jou deugniet?!" Hij greep haar driftig bij den arm en trok haar naar naar de kachel toe. „Kijk hier, dat heb jij gedaan zóó moet die schuif draaien! Dat daar heb je geweten! Bij die woorden wees hij naar Hagenloh. „Maak dat je weg komt! of Rood van kwaadheid gaf hij haar een stoot, zoodat zij tegen de deur aanviel. Toen keerde hij zich om, zonder zich verder om haar te bekommeren en gaf korte aanwijzingen aan de arbeiders hoe zij doen moes ten om, als er nog een vonkje van leven in Hagenloh was, dit weer op te wekken. Bevelen, roepen klonk door elkaar en allen draafden heen en weer. Steenen werden in de keuken warm ge maakt en den schijnbaar levenlooze onder den rug ge schoven. Met harde borstels werden zijn voetzolen be werkt. Warme pappen werden door de vrouvfen klaar gemaakt en Hagenloh onder de armen, op de borst en op de schouders gelegd. Daarna begon men zijn ar men op en neer te bewegen om te trachten de ademha ling weer op te wekken. Gepraat werd er op den duur niet meer. Het werd een zwijgende strijd tusschen leven en dood. Het was de dood die zijn kille, hand uit stak naar den jongen man in den bloei van het leven, die zoo vol plannen en idealen was en den vorigen avond nog zoo hoopvol aan de toekomst had gedacht. En aan den anderen kant stonden de arbeiders, ruwe, goedhartige kerels, die van zoo menigen strooptocht wisten te vertellen en zelf aan zoovele hadden meegedaan. Zij streden met taaie volharding, wilden van geen rusten weten maar werkten voort, steeds voort. Geen van hen dacht er aan dat hier te doen hadden met. een jachtopziener, die hen wellicht later zou betrappen bij dieverijen en hun vijand was voor zoover het de strooperij in het boseh betrof. Zij wilden overwinnen, zij wilden dezen man in het leven behouden als het maar eenigszins kon. Zij dachten er niet aan dat Hagenloh door zijn ambt bestemd was hen op de vingers te zien en na te gaan - zij herinnerden zich alleen dat hij steeds vriéndelijk tegen hen was geweest en vriendelijk met hen had gesproken. Honderd maal legde de waard, met zijn baardig ge zicht, zijn oor op Hagenloh's bloote borst en luisterde of hij niet een zacht- kloppen van het hart kon verne men. Rimpels plooiden op zijn voorhoofd als hij niets hoorde, een lachje van vreugde kwam op zijn gelaat als hij meendë een bescheiden geklop te vernemen. Honderd maal ook hielden ze hem een stuk koud spie gelglas voor om te zien of dat niet een weinig' besloeg' onder zijn licht ademen. Honderdmaal riepen zij zijn naam in zijn oor. En de oude Lehmann begon meer dan eens half luid te bidden toen het bleek dat alle pogen tevergeefs was en toen de hoop langzaam maar zeker verflauwde. Daar buiten steeg de zon hooger en. hooger. Alles baadde zich in het versterkende zonnelicht. Blijde stemming lag' er op de heide en tusschen de boomen. Het jonge groen deed vroolijk in het bosch. Welk vreemd contrast vormde dit alles met de stemming in de herberg die allengs somberder werd. Toen, tegen tien uur, kwam er plotseling' meer le ven in het lichaam. Langzaam kwam het terug, maar aan alles was spoedig te zien dat de overwinning was behaald. Allen zagen het God zij dank! De borst begon geregelder en heftiger te bewegen. Het spie gelglas besloeg meer en meer In de boomen voor het raam begon een houtduif te koeren, vogelgejubel trachtte dat melancholiek geluid te overstemmen, maar het luidst, boven alles uit, liet zich de koekoek hooreri, die dezen morgen 'zoo zeer zijn bost deed, als was het de schoonste dag' van zijn leven. Meu beproefde het nu met zeer sterke koffie. Twee der mannen hieven Hagenloh een weinig op en een ander trachtte hem, zoo goed en kwaad als het ging wat koffie in te lepelen. Steeds andere middelen bedachten zij. Oude midde len, paardenmiddelen, dus wel in staat om iemands maag' in beroering te brengen. Zoo goten zij hem gaan we er mooi naar toe. Ook naar de struisvogels- herseiien en de nachtegaaltongetjes? Of naar de zwarte soep? Eigenaardig' dat er gee.n hoogeschool voor het ko ken is de edele kookkunst brengt- het nog niet hoo ger dan laag' en middelbaar. En toch heeft een Fransch filosoof den minister gelukkig' geprezen, die door aan een noodzakelijke instelling zijn naam voor eeuwig verbond en verklaard, dat zijn lof in aller mond zou zijn! De filosoof kon zich hierbij beroepen op oc ii klassiek voorganger, op Sardan Apalus, die als hoogste wijsheid op een zuil in Klein Azië deze woor den grifte: „Eet, drinkt en weest vroolijk al het andere is onzin." Dat klinkt anders dan de lijfspreuk van Molières Rek: Wij eten om te leven en leven niet om te eten. Intusschen Sardanapolus heeft zelf zijn schoone spreuk zeer slecht opgevolgd. Dit ter waarschuwing van den lezer, die deze hoogste levenswijsheid in de praktijk zou willen brengen en bedrogen uit zou komen. No. 266. G. E. BUNDICK. Eervol vermeld „Pittsburg Leader" 1910. 8 7 6 5 4 8 2 1 YM. W/ww tzxa// ■f™ Mat in 2 zette®. Oplossing van No. 263 (J. CAUVEREN.) 1 L d6 e7 enz. Nevenoplossingen 1 D f2 en 1 D f4+ waartegen een zwarte pion op g5 niet helpt en o. a. de auteurs oplossing onmogelijk maakt. Goede oplossingen ontvingen wij vanP. J. Boom, F. Böttger, O. Bramer, G. van Dort, G. Imhiilsen, G. Nobel, C. van Stam en C. Visser, allen te Alkmaar; Mr. Ch. Enschedé te Haarlem, P. Bakker, Jos. de Ko ning en II. Weellink te Amsterdam, J. Vijzelaar te 's-Gravenhage, J. Deuzeman te Frederiksoord, G. H. B. Hogewind te Utrecht, A. Tates te Heiloo, J. Ree- ser te Voorburg, S. te S., H. Strick van Linschoten te Rijswijk en O. Boomsma te Kampen. Zooals wij reeds tegelijk met do verschijning onder „Stadsnieuws" aangaven, moet in No. 265 (F. Gama- ge) het witte Paard van d8 naar e8 verplaatst wor den. Daar de redacteur dezer rubriek voor eenigen tijd afwezig' is, kunnen de namen der goede oplossers dan niet vermeld worden. Dit neemt niet weg, dat oplos singen toch gaarne ingewacht worden en deze bij zij ne terugkomst verantwoord zullen worden. CORRESPONDENTIE. H. te R. Wij gaan voor eenigen tijd naar W. en hopen u dan te zien. lauw water met gesmolten boter in den mond, een verschrikkelijk middel, dat naar hun meening echter zijn werking niet zou missen. In de keuken werkte Lena zoo hard als zij maar kon. Alles wilde zij wel doen. Een paar uur was zij al bezig geregeld steenen te warmen, doeken te halen, water te koken. En ieder die met een nieuw mid del aankwam, ging tot haar en werd door haar van de gewenschte benoodigdheden voorzien. Lena waagde het niet uit de keuken te komen, hoe brandend haar verlangen ook was om zelf eens te zien hoe het met den patiënt ging. Moest zij iets aange ven, dan kwam zij tot onder aan de trap en vluchtte dan dadelijk weer in de keuken terug. Doodsbleek was zij, maar haar bewegingen bleven rustig, bijna geen woord kwam er over haar lippen. Maar een paar maal toen ze geheel alleen iii de keu ken was en niemand haar kon gadeslaan, begon zij over het geheele lichaam te beven en kreeg ze een ge voel of ze in onmacht zou vallen. Zij ging dan een oogenblik zitten, kreunde zacht en bedekte haar ge zicht met beide handen. Het liefst was zij zoo door den grond weggezonken van angst en verdriet. Dat wat de waard haar straks had toegeroepen, toen hij haar wegduwde uit de kamer, die vreeselijke woorden, hoorden zij steeds weer: Het is jou schuld, deugniet En ja, het was waar, zij had de schuif gisteravond, toen de kachel goed brandde, dicht gedaan. Dat had zij ook den vorigen avond al gedaan, zonder er echter iets kwaads mee te bedoelen. Zij had flink wat kolen in de kachel geworpen en haar toen afgesloten, met •de bedoeling- dat het lekker warm in de kamer zou worden en dat meneer de opzichter, als hij thuis kwam van zijn vormoeienden tocht, het gezellig en genoe gd ijk in zijne kamer zon vinden. Wordt vervolgd.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1910 | | pagina 5