DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. DE VOLKSDRANK LDe beste voor deo prijs#! LIEFDESOFFER VAN HOOTEN'S No. 11. Honderd en veertiende Jsirgang, 1912. ZATERDAG 13 ANUARI. Rekeningen bij uitnemendheid. FEUILLETON. Aangifte van Leerlingen Metselen en Kleermaken H. VAN 1)ER HEIJ. Brieven uit Marokko Geschiedenis van het servies van Amstel-porselein. pi Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagenuitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk fl, Afzonderlijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f 0,10. Bij groote contracten rabat. Oroote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. 1 is bestemd om te worden: GOED en GOEDKOOP. VERTEERBAAR. 1 Kg. 1.50 - 0.80 Vq Kg", f 0.421- yio,.- 0.18 S WH -4' 'M-J - ,.v voor den cursus 1912—1913, v. d. V. ALKMAARSCHE COURANT. IA VI wegens in 1911 aan de gemeente ALKMAAR gedane leveringen, worden zoo spoedig mogelijk ingewacht, voor zooveel betreft de Gemeentewerken, de Gasfa briek, de Gemeentereiiniging en het Gemeente-slacht huis bij de Directeuren van deze takken van dienst; de Plantsoenen en de Begraafplaats bij den Opzichter; de Politie bij den Commissaris van Politie en wat de overige takken van dienst aangaat ter Secretarie der gemeente. De Secretaris der gemeente ALKMAAR, DONATH. VOEDEND en GEMAKKELIJK door RUDOLF STRATZ. 11) -o- Vera von Vogt naderde liet tweetal en schudde den graaf hartelijk de hand. Zij had een «enigszins vrije manier in haar omgang met hew en, die zij kende. Zij sprak en lachte ongedwongen met hen en zag hun daarbij recht in het gelaat. Dat was in de laatste ja ren zoo haar gewoonte geworden, waarschijnlijk om dat de dames daar buiten op het platteland haar steeds haar positie van gescheiden vrouw door moedwillige verlating als schuldig gescheidene-vrouw hadden laten voelen. Er lag in haar wijze van optre den iets^ zorgeloos en kameraadschappelijks bijna een beetje verachting, alsof alle mannen voorgoed bij haar hadden afgedaan. Dat beviel von Ulerici niet erg, maar bij zweeg. Hij en zijn zuster gingen, met Vera in hun midden, oen paar straten verder naar den lunch-room van Borchardt, waar zij een afspraak hadden gemaakt met Vera's vader, den ouden von Vogt ouf Neetzow, die sinds acht dagen voor zaken te Berlijn vertoefde. Hij zat daar, een magere zestiger, wiens verweerd, bruin gelaat met grijze bakkebaarden, ondanks zijn zorgvul dige, donkere kleediug, terstond den agrariër verried. Rechts en links van hem zaten zijn beide zoons, twee piepjonge, lang opgeschoten ulanen met roodwangige, nog geheel baardelooze gezichten. De één was naar Berlijn gecommandeerd, terwijl de ander door zijn va der met de Paaschvacantie uit Hannover, waar hij op de rijschool ging, was afgehaald.- Alle drie zaten stil letjes oesters te eten een weelde, die zich de oude, spaarzame landeigenaar anders nooit zou veroorloven. Haar nu, in het vooruitzicht van de schitterende partij' aijn»r doehter, keu ka» ar wal af; trad aanvangende APRIL e.k.,op eiken Donderdag, Vrijdag en Zaterdag der maand FJEBKITARI, 's voorin, van 918 en 's nam. van Il/24 uren. Behalve het practiscli en theoretisch onder wijs in de vakken Timmeren, Maebinebauk- werken en Smeden, Menbelmaken en Schil deren, wordt er ook onderwijs in het gegeven. (Onvermogende ouders van leerlingen in beide laatst genoemde vakken kunnen in aanmerking komen voor een wekelijksche vergoeding). VW De leeftijd van 18 jaren moet zijn bereikt. Onvermogenden kosteloosniet-onvermogenden betalen een schoolgeld van 1 Of 18.-, f 18.—, f 84.—, f 30.— ot t 36.in bet Jaar. ■ÊÊ&iïSS*' Leermiddelen en Gereedschappen worden aan allen kosteloos verstrekt. Nadere inlichtingen geeft de Directeur TIBOULA. Wij verlieten onzen Arbi op weg te paard naar de stammen Aïn Aïssa, waar zijn oom in den omtrek moest wonen. Hij had zich van eten voorzien voor dien dag', ter wijl hij in zijn hut eenige opgespaarde „Doro's" (vijf- francstukkeu) had geborgen. Ook zijn geweer, de eenige gedachtenis aan zijn vadeT, had hij medegeno men, en den patroonband1 van schapenleder, waaruit de koperen cilindertjes glinsterden. Toen de zon bo ven de bergen kwam, was hij reeds aan de andere zijde van het „loiijd en nam den weg naar het Oosten, naar den bergketen, aan welks voet het doel zijner reis was- Nauwelijks was de zou evenwel boven de kim, of onze reiziger steeg van zijn paard en de teu gels om zijn arm geslagen, het gelaat naar de opko mende zon gekeerd, zonk bij in aanbidding op zijn knieën en kuste de aarde, hoop en aanmoediging zoe kende, smeekende aan de koningin van den dag, die haar stralen zendt zoowel over „Kaidi" en Cherif als over de armsten van Marokko. Hoopvol steeg hij we der te paard en vervolgde zijn reis in galoj> naar zijn doel. Bij de eerste tent, die hij passeerde, vroeg hij naar de verblijfplaats van zijn oom, doch deze lieden kon den hem geen inlichtingen verstrekken. De bewo ners behoorden tot een anderen stam en hadden zich eerst sinds korten tijd hier gevestigd. Dus maar we der voorwaarts naar den bergketen, aan welks voet reeds de „marabout" (graf van een heilige) zichtbaar werd. Weder passeerde onze reiziger een gourbi, waar hij zijn vraag herhaalde en ten antwoord bekwam dat de stam tot welken zijp oom behoorde, zich op het oogenblik bevond op eedige mijlen afstand tusscheu loiijd Mirana, en de D^ebel Ain-Oiyn, ongeveer zes mijlen van daar verwijderd. Dus het doel zijner reis was niet ver meer. De omstreken schenen hier overal bebouwd te we zen: overal zag men havervelden, ja zelfs de mais groeide reeds voorspoedig,'terwijl bij hem thuis nog geen sprake was van zaaien. Het scheen hem geheel anders als in hun buurt. Daar ginds verhief zich een Knsbah, waarschijnlijk de woonplaats van den kaid van dezen stam en misschien ook de verblijfplaats van zijn oom. Daarheen nam hij nu zijn richting en na eenige uren bevond hij zich voor de poorten der Kas 1 bah. Maar wat schitterde daar zoo op den weg, een gan sche stoet van paarden met schitterende harnache- menten en hereden door de Fransche cavaleristen in hunne wijde roode broeken en licht-blauwe vesten? Onze reiziger kwam oogen te kort om alles nauwkeu rig waar te nemen. Zouden zo hem niet aanvallen? Bij hen in de goerbi hadden ze toch verteld, dat die Franschen slechts kwamen om het geheele Marokko uit te moorden. En waarlijk, hoe nader ze kwamen hoe duidelijker hij nu zag, dat ze heele lange pon jaards aan hun zadel hadden bevestigd en dan die ge werenMinstens iedere cavalerist droeg een geweer De schrik sloeg hem om het hart. Onwillekeurig uam hij zijn geweer en schoof een patroon in den loop; hij wilde in ieder geval zijn leven zoo duur mogelijk ver koopen. Zijn paard was reeds lang stil blijven staan en was even verwonderd als zijn berijder, doch angst scheen het dier niet te koesteren, integendeel het hin nikte verheugd bij het zien van zoovele zijner rasge nooten. Nog steeds kwamen ze nader. Zouden ze hem reeds bemerkt hebben? Beslist, want eensklaps gingen al len als op commando in draf over, dus snel nam Arbi een besluit, keerde zijn paard en zocht zich in galop te verbergen achter de „eheriga", doornenbosschen. Doch te laat, de officier, die den troep commandeerde, had den eenzamen ruiter reeds van verre gezien en zijn f angstige vluehtbeweging' gadegeslagen. Geen twijfel mogelijk, dat was een spion van een der vijandelijke Marokkaansche stammen, misschien zelfs wel van de Ain Teboula, die beruchte rooverbende, die het 'zelfs de Franschen lastig maakte. Hij gaf order aan zijn manschappen om zich in galop te verspreiden, met het doel een cirkel te vormen, ten einde den Marok kaan te vangen. Dat was juist iets naar den zin der chasseurs, jagers. In woesten galop rende de troep uiteen, eerst in een tegenovergestelde richting een schijnbeweging makende, om op eenige mijlen afstand een kring te vormen, waarvan onze arme Arbi het middelpunt was. Deze was eerst in de onzekerheid omtrent de plan nen der ruiters, doch toen hij eens road zich zag, be greep hij maar al te goed dat hij omsingeld was en dat van ontkomen geen sprake kon zijn. Hij wilde nog probeeren tusschen de ruiters door te rennen. Zij stel den zich in beweging, de blanke sabels hoog en ai nauwer en nauwer werd de kring van paarden. Reeds bracht hij het geweer in den aanslag om ten minste lachend op het tafeltje toe en zeide: „Weer zoo aan het smullen?.... Papa.... u verwent de kinderen veel te veel Zij had er pleizier in, de broers, die haar gebelgd aankeken, eens even te plagen. Haar omgang met haar familie was tegenwoordig altijd in dien geest. Zij was niet voor niets zooveel jaren thuis het zwarte schaap geweest. Nu genoot zij van haar triomf. Haar edelmoedigheid jegens haar omgeving grensde aan onschuldige wreedheid. Met genoegen hoorde zij, hoe haar vadeT en haar verloofde samen allerlei plannen maakten voor veranderingen en verbeteringen op Neetzow. Zij wist het wel: de gouden regen die zich over het lang veronach t-za m d e ouderlijk huis uit stortte, kwam door haar. Von Ulerici was goedig en gul, zoolang men hem niet te na kwam. Hij was juist bezig, zijn derde dozijn oesters te bestellen, maar schikte zich gehoorzaam, toen zij hem onderbrak: „Ohristoph, ik geloof, dat je nu wel genoeg hebt!" De beide luitenantjes onderdrukten een lachje. Na de lunch werden er nog prentbriefkaarten verzonden naar den derden broeder, die te Bonn studeerde, en naar Vera's jongere zuster, die de vrouw was van den 'andeigenaar von Greffern-Riest van Kwitsclikallen en Nautzitten in Oost-Pruisen, aan de Duitsch-Rusai- sche grenzen. Toen stonden zy op. Vera ging alleen met haar vader weg om hem naar zijn hotel te bren gen. Aan de Brandenburgerpeort ontmoetten zij een jong' artillerie-officier en zijn vrouw. Beiden groetten eenigszins verlegen en Vera zeide: „Dat waren mijnheer en mevrouw von Muthardt, papa, die laatst zoo handig waren, mij en.hem samen uit te noodigen!" 13e Altmarker fronste zijin voorhoofd. Iedere toe speling op zijn gewezen schoonzoon was hem onaange naam. En zijn dochter sprak er zoo onbevangen over als van een doorgestane ziekte. „....en hoe ging dat tusschen jullie?" vroeg Hij haastig. „God zooals tusschen andere menschen, natuur lijk 1" ..Werkelijk?" eerst eenige zijner aanvallers neer te schieten, doch met een kreet van pijn ontviel hem zijn wapen. D officier was hem van terzijde genaderd en had hem met zijn lange sabel ontwapend, door hem een geduch ten houw op den rechter arm te geven. Nu was alle kans verkeken, hij was weerloos; wel sloeg hij als een waanzinnige om zich heen, doch er werd hem een strik om het lijf geworpen, die werd aangehaald. Medege- sjord werd hij naar de Kasbah, voor welke poort een goedgewapende schildwacht heen en weer liep. Toen de troep op het plein binnen de muren halt „Ja, waarom dan anders?" Zij wierp onwillekeurig het hoofd in den nek. Zij keek in een groot spiegelruit van een winkel, dat het beeld van haar en haar vader weerkaatste. De oude heer, vervallen en ernstig, paste goed bij haar van jeugd stralende verschijning; hij zuchtte en zei: „Ik had nooit meer zoo iets durven hopen na die geschie denis. ik ben het er nooit mee eens geweest dat weet je.... Mevrouw Gisbert!.... Ja.... de lui hier in Berlijn kuinnen praten wat zij willen, ik houd van dat „von" en hecht er aanJe lijkt anders wel een kale musch!.... Mevrouw Gisberfc.Ik moet altijd met mijn pen een klein aanloopje nemen, als ik je adres moest schrijven!.... En dan infante rie.... Kind infanterie is niets.... geloof mij, oudo huzaar!.Wij hebben gezien, wat er van is ge worden. Ik had altijd zulke groote plannen met jou.... Met Anna niet!.... Ik was blij, toen ik die bij de Kozakken bezorgd wist. Maar jou!. „Nu maak ik het toch weer goed'!" zei Vera luch tig. Hoe vriendelijk was haar vader nu tegen haar, terwijl hij tot nu toe in geen weken met haar had ge sproken en haar met vijandige koelheid had behan deld. Zij waren nu aan zijn hotel gekomen. Otto Lebereoht von Vogt bleef staan en nam de hand! zij ner dochter in de zijne. „Eigenlijk is het jammer," zeide hij. „Dit alles hadt je toch al eenige jaren kun nen hebben 1" Zij schudde het hoofd. „Neen, papa!.... Als men een been heeft gebroken en men loopt te gauw, dan wordt het nog veel erger. Dat is hiermee net hetzelfde. Alles moet zijn tijd hebben. Maar nu ben ik er. Goddank!" Weer lachte zij. De oude heer hield haar rechter hand vast en zag haar met welgevallen aan, trotsch dat zij zijn dochter was. En zij verheugde zich, dat zij hem zoo goed beviel. Zij was blij, nu weer het zon neschijntje to kunnen zijn voor allen om haar heen, voor haar vader, voor haar verloofde, voor haar broe- der>, voor iedereen! En om haar zong alles van lente, de blauwe hemel boven de Potsdammer Platz, de bloe men geur uit cU Ueexaemkraamty»*. d« awoeU, be- hield, liep alles uit om den gevangene te zien, die voor niet minder dan de kaid van den rooversstam der Ti- boula Aind werd aangezien. Arbi was als wezenloos. Alles was zoo plotseling gegaan en dan dat snelle loopen achter die paarden, dat had hem zijn tegenwoordigheid van geest doen verliezen, ll^j zag evenwel, dat zijn paard, die goede oude „redoua door een der ruiters ook een plaatsje in den stal werd bezorgd, terwijl zijn geweer aan den officier werd ter hand gesteld, die zich daarmede ver wijderde naar een der kazernes. Na weinige oogenblikken werd Arbi voor den com mandant van den post, een ouden, grijzen kolonel, ge voerd, die, geholpen door een „gnoum" (inlandschen politiesohlaat) als tolk, aanving hem uit te hooren omtrent het doel van zijn spionnage. Onze vriend gaf evenwel vrijmoedig te kennen, dat hij niet het minste idee had gehad, vijandig tegen de Franschen op te treden, doch dat juist dezen hem tot zelfverdediging hadden genoodzaakt. „Waarom hij dan angst had voor hen?" vroeg do kolonel. Natuurlijk, na dat wat ze van de Franschen zooal verhaalden bij hem thuis, moest men wel angstig wor den, en dan bovendien, het was de eerste maal in zijn leven, dat hij kennis maakte met die zonderling ge- kleede menschen. Toen de kolonel hoorde, dat Arbi van 'een der naburige stammen was, die nog niet tot het Fransche gebied behoorden, gaf hij order, den ge vangene in de provoost te brengen en te bewaken. Hij wilde eerst eens spreken met den kaid der stammen, die onder Fransch gezag waren, misschien dat dis meer wisten te vertellen van den stam van Arbi. Toen ik, na een halve eeuw zorgvuldig bewaard te zijn geweest, in mijn zoete rust gestoord werd, be merkte ik dadelijk dat. ik niet thuis behoorde in de fa milie, waarin ik door het noodlot en een erfenis, was beland. Ik was een servies van echt Amstel-porse lein. Mijn achttiende eeuwsehe vormen, slank, rijzig, teeder van bogen, waren geïnspireerd door Mozart's menuet uit Don Juan, en toen mijn schepper, de pot tenbakker, een stil, oud man, die 's avonds gaarne op zijn pochette oudo wijsjes speelde, in zijn jeugd was hij dansmeester geweest, mij formeerde op zijn draai schijf, kwam een teeder lachen als een speeLsche scha duw om zijn mond, anders droef, vol berustende smart en hij dacht aan al de schoone, jonge markiezinnen, die hij met poederpruikjes en geblankette wangen en taches do beauté en wijd-uitstaande stijve robes, los hangend, met in den rug de pli watteau om de rijzige linie aan den nek wel te doen uitkomen, de gratie volle danspassen had geleerd. Toen was die gruwe lijke tijd gekomen, 1793, en de slanke halzen waren onder de valbijl gebracht. Maar daar wilde hij niet aan denken en ook zijn vrouw, die zelve een markiezin was geweest, verarmd en gevlucht naar het vrije en herbergzame en rijke Amstelredam, had den bloedigen tijd vergeten en zij droomde, als zij op mijn koppen en kannen en schotels landschappen schilderde en figuren, van de stille ge noegens der oude tijden van gratie en goede vormen, dwelmende voorjaarslucht. Zij knikte den grijzen jon ker hartelijk toe en met een: „Dus tot vanavond, va dertje!" nam zij afscheid en richtte zich naar den Tiergarten. Daar lag reeds het eerste groene waasje over de anders nog dorre, kale takken. Het lentezonnetje had velen naar buiten gelokt, zoodat het vol was langs de paden. De aanblik van al dit nieuw ontwaakte le ven stemde Vera bepaald overmoedig. Het was zoo in overeenstemming met haar eigen nieuwbegonnen le ven. Zij keek met vreugde naar de perken van hya cinten en crocussen, bewonderde nieuwsgierig de eerste voorjaarstoiletten en maakte zich bij het stand beeld van Otto den Trage vroolijk om de gelaatsuit drukking van den gekroonden slaapmuts daar boven op zijn voetstuk. Zij genoot van alles en keerde slechts langzaam terug naar haar pension in 't westen. Toen zij de met zand bestrooide kinderspeelplaats overstak, kwam een klein meisje naast haar loopen en zeide niets. Zij dacht, dat het kleine ding den tijd wildo weten en wilde haar horloge uithalen. Maar daar voelde zij hoe het kind haar hand vastgreep en hoorde zij tegelijkertijd duidelijk: „Mama.... Ma ma. „Karlariep zij verschrikt en bleef staan. Zij kon haar oogen niet gelooven. „Ja, mama!" zei het kleintje gelukkig. Het stond daar voor haar, het bleeke gezichtje overschaduwd door een grooten strooien hoed, den schop, waarmee zij zand gegraven had, nog in de hand. „Hoe kom jij hier? Waarom ben je niet bij groot mama „Ik ben al acht dagen hier, mama!" „Waarom dan?" „Ik moet toch iederen dag naar den professor, ma ma! Wij zijn er straks ook nog geweest!" „Wie zijn dat wij?" „Nu ik en tante Otti 1" zeide Karla, verbaasd dat mama dit niet wist, en nu eerst zag Vera, dat dicht bij haar, naast, een bank, mevrouw Gisbert stond. Deze had haar beide eigen kinderen in een wagen, die door oen kindermeisje werd vast gehouden. Blijk baar had het heele stoetje haastig de vlucht willen ne men, toen Karla van haar zandberg af zoo plotseling naar haar moeder toevloog, maair het was reeds te laat. (Wordt vervolgd.)

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 5