DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. LIEFDESOFFER Honderd en veertiende Jaargang. ZATERDAG 20 JANUARI. Brieven uit Marokko. FEUILLETON. No 17 Deze Courant wordt eiken avondbehalve op Zon- en Feestdagenuitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk flf— Afzondei lijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f 0,10. Bij groote contracten rabat. Oroote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. v. d. V. ALRMAARSCHE COURANT TIBOULA. De Fransche kommandant liet den gevangen Ma rokkaan den volgenden dag weer voor zich verschij nen. Arbi stond1 op van zijn gebed en zonder acht te slaan op zijn omgeving, volgde hij met opgeheven hoofd den „gnoum" (inlandsche politie), die hem we der voerde naar dezelfde kamer, waar hij gisteren was geweest. De kolonel was heden in gezelschap van twee aan Arbi onbekende „kaids", die hem hij zijn binnenkomst scherp opnamen. Ze noodigden hem uit nader te komen, en volgens gebruik kuste hij hun mantel ten teeken van ondergeschiktheid. Daarna vroegen zij hem nogmaals te verhalen, hetgeen ons reeds bekend is. Toen Arbi geëindigd had, wendde de kolonel zich tot de kaids en vroeg wat zij er van dachten. Kon zijn verhaal werkelijk waar zijn? Of zei hij slechts een lesje op om vrij te komen en zijn stamgenooten eens op de hoogte te brengen van den toestand bij de Franschen? „Hoor eens hier, jonge man", vervolgde de kolonel, „ik wil je op de proef stellen, je zegt, dat je gaarne je zoudt willen wreken op die roovers van Ain Tibou- lo, de moordenaars van uw vader. Welnu, luister goed dit ging tegen den tolk wat ik to zeggen heb. „Ik wil dezen man gaarne helpen, ook wij hebben hier last van die schurken, die ons bijkans iederen dag lastig vallen door ons vee te stelen, telefoonpalen te vernielen ja zelfs onze convooien aan te vallen. Wanneer hij ons den besten weg wil wijzen naar het rooversnest, dan wil ik hem niet alleen goed beloon en, doch hem tevens tot „gnoum" verheffen. Ziezoo, zeg hem dat eerst." De tolk bracht het over in de Arabische taal. Aan dachtig luisterde Arbi toe. Zou die „roumi" (Euro peaan) dat werkelijk meenen, zou het waar kunneu zijn, wat hij daar vertelde? Dan behoefde hij niet meer te werken zooals vroeger, kreeg een mooie blau we boernoes met gele biezen, een paard met zadel en toebehooren, karabijn en patroongordel! In 't kort, meer dan hij ooit had kunnen droomen. De „gnoum" zag, dat zijn woorden indruk maakten bij Arbi, die met belangstelling vroeg naar den dienst, dien hij moest verrichten als gnoum en of hij ook zijn familie mede mocht nemen? „Natuurlijk", meende de kolonel, „doch eerst met uwe plannen voor den dag, eerst moe- ten wij de Fransche vlag hebben geplant op de vesting Ain-Tiboula." Daarna begon men een plan te maken, geholpen en ingelicht door onzen vriend, die de omstreken uiter mate goed kende. Den volgenden dag zou alles in gereedheid worden gebracht, terwijl er zelfs nog troepen, waaronder artil lerie, van den naasten post zouden te hulp komen. Van gevangenschap-was natuurlijk geen sprake meer, hij kon loopen waar hij wilde, doch werd immer in 't oog' gehouden door de soldaten. Men vertrouwde hem niet. De kolonel had hem eenige kleedingstukken gegeven, beneven» een ander geweer met patronen; met bewondering bezag hij dat mooie werktuig en liet het mechanisme werken, waardoor de acht patronen een voor een het magazijn verlieten en zich in den loop plaatsten: gaarne had hij zijn nieuw wapen eens beproefd, doch daar ontbrak hem de gelegenheid voor. „Morgen", dacht hij, „wanneer we morgenavond maar eenmaal daar zijn". Wat zou zijn Arba vreemd opzien, wanneer hij daar tusschen al die „gnoums" aan het hoofd reed met het doel, hun vijanden daar door r RUDOLF 8TRATZ. 17) 9— Hij had nog flauwe hoop, dat Ott.i misschien met den Parijs-Keulschen middagsneltrein thuis zou ko men en stond, toen deze aankwam, ook op het perron te wachten, totdat de geheele stroom van menschen hem was voorbijgegaan. Toen zag hij in, dat het ..ei genlijk een dwa-as idee van hem was geweest on ging hij met den stadstrein naar huis. Gelukkig had hij 's middags geen dienst. Uit eigen beweging had zijn chef hem gezegd: „Nu, Gi.sbert, blijf vandaag maar verder weg! Het vaderland kan zich voor dezen keer wel zonder je behelpen!" Als hij nu maar had kunnen helpen! Thuis gekomen, deelde de kleine, bleeke diakones hem mede, dat in zijn afwezigheid een dame tweemaal telefonisch naar den toestand van het kind had ge vraagd een mevrouw Von Vogt en zij had den tweeden keer naar waarheid geantwoord, dat het niet vooruitging. Hij beet zich op de lippen en trad op het bedje toe. Daar zette hij zich neder en wachtte. Hij had het idee, zóó Karla te kunnen beschermen te gen één of anderen vijand.of tegen zijn gewezen vrouw die gedachten hielden hem bezig, terwijl hij in de stille, half-duistere kamer zat hij werd suf en duizelig in zijn hoofd en was blij, toen hij een uurtje later iu de gang de stom hoorde van zijn schoonzuster Klothilde* de vrouw van zijn broer Ri chard, wie hij telegrafisch verzocht had uit Spandau over te komen. Op zichzelf beschouwd, was hem dit lange, blonde wezen lang niet sympathiek. Zij w-as, ondanks haar vijf-en-vijftig jaren, bijzonder ontwikkeld* zoowel gees telijk als lichamelijk. Zij behoorde tot dat slag van boven eens een lesje te geven. Doch dan dacht hij weer aan den haat, dien zijn stamgenooten koesterden tegen de Franschen. Zouden ze hem niet aanzien voor den verrader van hun stam, als iemand die met qpzet zijn stam had verlaten, om de Franschen te ha len, hen op de hoogte te brengen met den toestand? Maar spoedig stelde hij zich weer gerust met de ver zekering, „als mijn stamgenooten maar eenmaal wis ten, dat deze lieden niet zoo kwaad zijn. Ze hebben mij niets dan goed gedaan", dacht hij, „en ik twijfel niet, of, wanneer onze „kaïd" eenmaal kennis heeft gemaakt met deze lieden, dan zal hij mij nog dank baar zijn. Ziet slechts hoe goed do stam rond dezen post omgaat met de Franschen, overal wordt gehol pen en worden verbeteringen aangebracht." Neen, hij betwijfelde het niet, of ze zouden met open armen ontvangen worden bij zijn stam. Des morgens om 3 uur heerschte er reeds groote drukte op het plein voor de „kasbah". De expeditie werd gevormd om den rooverstam Ain-Tiboula eens zoodanig onder handen te nepien, dat men ze niet meer behoefde te vreezen. Voorop reden de inland sche politiedienaren, de „gnoums", in hun midden de kolonel mot Arbi, die als gids zou dienst doen, daar achter kwamen eenige spahis, bereden Arabische sol daten, die in hun vuurroode mantels over hef terrein renden, de bergen bezetten cn zoo den omtrek ver kenden. Dan kwam een afdeeling legionairs, in hun lichtblauwe kapotjassen en vuurroode kepi's, na hen de cavalerie, die de flanken beveiligde door nu en dan eenige patrouilles zijwaarts het terrein in te zen den. Vervolgens was het de berg-artillerie met haar muilezels, waarop de lichte kanonnen uiteengenomen werden medegevoerd en tot slot waren het weer de „gnoums", die de achterhoede vormden. Zorgvuldig vermeed Arbi den weg dien hij gekomen was. Immers die liep naar zijn „tribus" en waar schijnlijk zouden ze daar zoo onverwachts niet te best onthaald worden, en tot geen prijs wilde hij een ge vecht aangaan tegen zijn eigen stam. Dus nam hij een weg meer noordelijk, die wel is waar niet direct doch ook naar het doel ging. Iedere vijf mijlen werd er halt gehouden, opdat de voetgangers eenige minu ten hun ransel konden neerlaten en wat uitrusten, want het werd een warme dag op deze vlakte. De kolonel onderhield zich gedurende den marsch voortdurend met Arbi, vroeg hem hoe sterk hij die roovers schatte, naar de omstreken rond de vesting, enz. Om elf uur werd halt gehouden, nu voor een uur. Jiier op deze plaats zou een ontbijt worden klaar gemaakt voor de troepen en de muildieren der artille rie werden omgezadeld. De koloned liep met onzen vriend door de verschillende troepen. Opmerkzaam gemaakt op de macht, over welke ze beschikten, zag hij ook met verwondering de eenvoudige doch dege lijke werktuigen, welke werden medegevoerd en de kookgoreedschappen welke hem onbekend waren. Vooral was het de artillerie, die zijn bewondering op wekte dit moesten beslist die „geweren op wielen" zijn, waarvan hij zoo menigmaal thuis had hooren ver halen, doch toen de kolonel een der ammunitiekisten liet openen, sprong hij verschrikt terug. Aan zulke groote patronen had hij nooit gedacht, verschrikkelijk moest haar uitwerking zijn, meende hij. De kolonel glimlachte en sprak: „ik hoop in de gelegenheid te komen je de uitwerking te toonen." Het ontbijt was genuttigd, de dieren weder bepakt en voort ging het weer naar het doel. Vóór het avond werd, waren de Fransche troepen zoo ver genaderd, dat onze Arbi den kolonel wees naar de vesting daar boven tegen den berg gebouwd, even als een nest van vrouwen, die op een bepaalden trap van ontwikkeling gekomen, blijven staan. Hij wist dit al lang, maar nu eerst viel het bem op, hoe onbeholpen en onzelfstandig zij was. Zij wilde beslist niet in de ziekenkamer komen, uit angst, dat zij de influenza mee naar huis zou brengen. Zij liep in de voorkamer heen en weer en was de zus ter meer tot last dan tot steun; toen deze tegen vijf uur van het patiëntje afkwam, zeide zij bezorgd: „Het zou goed zijn, als de dokter niet te lang meer op zich liet wachten.Mevrouw von Vogt heeft weer gete lefoneerd." Daar liet Klofhilde zich op een stoel val len, boog het lange bovenlijf als een treurwilg voor over en begon te snikken. Haar zwager begreep op eensi, hoe het kwam dat kapitein Richard Gisbert overal bekend stond als een vroolijke knaap, die zijn avonden liever in het Casino of aan de stamtafel doorbracht dan bij de zijnen thuis. Toen er maar geen eiud kwam aan dat gehuil, verloor hij zijn ge duld, zette Klothilde in een rijtuig en stuurde haar naar huis. En van Otti nog geen enkel bericht! Die liep vroolijk in Keulen rond en wist van niets. En hij zelf werd meer en meer doordrongen van het besef, dat aan het ziekbedje daarbinnen de zorg eener 'vrouw hoog noodig was. Haar moeder! Daareven had het kindermeisje hem fluisterend verteld, dat de vreemde dame, die zij herkende, doordat zij haar had ontmoet, als zij met Karla naar den professor ging, dat diezelf de dame steeds voor het huis op en neer had geloopen en naar boven gekeken, een zakdoek voor haar oogen had gedrukt en toen was weggegaan. Neen, dat was te veel! Hij kreeg zelf met haar te doen;^men kon haar toch zoo onmenschelijk niet behandelen. Langza merhand werd hij overtuigd van het noodzakelijke van haar komst on hij knikte ook slechts toen de dokter een half uur later ernstig tegen hem zeide: „Kapi tein,.... ik geloof, dat we mevrouw von Vogt be richt moesten zenden.... ik kan nergens meer voor instaan, als er iets verzuimd! zou worden!. Als u het goedvindt, telefoneer ik zelf even...." Georg Gisbert stond midden in de kamer en hoorde een arend. Met behulp van Arbi werden ten spoedig ste door de cavalerie de wegen en uitgangen afgezet om te verhoeden, dat iemand kon ontkomen. De gnoums zouden ter beschikking blijven van den kolo nel voor ordonnancediensten. Er werd stelling ge zocht voor de artillerie, de geschiktste plaats was daar boven aan de overzijde van het ravijn. En stil, alle geraas vermijdende, namen ze stelling, de stukjes wer den ineen gevoegd, de ammunitiekisten geopend, ge reed om te vuren. De infanterie zou intusschen naar boven sluipen om te zien of de vesting niet beslopen zou kunnen worden; mocht de vijand onraad merken en aanvan gen te vuren, dan zou de artillerie hen een handje helpen. Langzaam ging het voorwaarts; eensklaps wendde Arbi zich naar den kolonel en maakte hem opmerkzaam, dat zich voor de muren der vesting nog eenige tenten, „gourbi's", bevonden, waarvan de be woners als voorposten beslist de nadering zouden be merken en de rest waarschuwen. Eerst dus getracht deze te omsingelen, de bewoners onschadelijk te ma ken, om daarna verder te kunnen gaan. Alles zou ge lukt zijn, zoo niet de vele honden het naderend onheil hadden geroken en reeds aanvingen te huilen, toen de troepen nog op eenige honderden meters voor het doel tusschen de struiken lagen. „Die vervloekte honden", bromde de kolonel, „ga ik nu met geweld daar op af, dan is de hoofdtroep ge waarschuwd en we staan hier open en bloot voor het vuur uit die schietgaten der muren. Kon ik die hon den maar tot zwijgen brengen. Zeg man tot Arbi je weet meer als ik, weet je geen raad die dieren hun muil te laten houden?" Arbi schudde het hoofd, hij wist heel goed, dat die dieren waakzamer waren dan hun meesters en dat men de tent niet zou betre den dan over do lijken dezer dieren. „Daar is dus niets aan te doen?" vroeg de kolonel, „dan maar met geweld, doch niet dezen nacht. Het wordt 'te donker, laten wij langzaam ons terugtrekken tot aan den voet en den morgen afwachten. De cavalerie houdt de we- -gen bezet en wij zorgen voor onze veiligheid door liet uitzetten van posten, evenwel geen vuur aanleggen en slape wie wil. Afaar niets mag afgelegd worden, de paarden blijven gezadeld en de artillerie in stel ling! „Allons demi tour" (komaan rechtsomkeert). Weldra was de omgeving des vesting verlaten door de Franschen, doch daar beneden, tusschen de vijge- boomen, loopt met afgemeten passen de schildwacht, turende in de duisternis achter hen. Eveneens onder de hoornen liggen de kameraden, het geweer in den arm, te droomen van eer en welslagen hunner onder neming. Gaan wij verder, dan staat daar ginds bij dat voet pad een cavalerist naast zijn paard, de karabijn aan den voet en daar boven de artillerist, die de wacht houdt om bp het minste onraad zijn makkers te wek ken. De muilezels staan bijeengebonden, hun kop bijna op den grond, te droomen van leege ammunitie kisten en veel haver. Het is vijf uur des morgens, er komt beweging in het kamp, nog immer is er geen signaal gegeven om op te staan, doch ieder gevoelt iets als spanning in zich, liefst zouden ze zoo maar direct naar boven klauteren en schoon schip maken daar binnen. Vooral die legionairs hebben al zoo veel mede gemaakt, dat ze zoo iets aanzien als een uitspanning na een ver moeiden marsch; fluisterend1 liggen de groepjes bijeen. Doch eensklaps klinkt de forsche stem van een schildwacht door de stille omgeving „halte y la", ge volgd door het werven van den grendel van zijn ge weer. En weer „halte y la", daarna een doffe knal, werktuigelijk, hoe de dokter beneden in de gang met luide stem sprak en besloot met de woorden: „Dus zult u mevrouw onmiddellijk op de hoogte stellen, be grepen?" en toen, naar hem terugkeerend': „De ziekte is op het oogenblik van dien aard, kapitein, dat ik de komst van een specialiteit zeer gewenscht acht. Vindt u goed* dat ik prof. Schwertfeger haal?" „Ja, natuurlijk!" Gisbert schrok uit zijn gedachten op. Ilij keerde weer terug tot de werkelijkheid en vroeg, zich met moeite beheerschend„Afijn hemel is het dan zóó erg?" De dokter haalde de schouders op. „Die hooge koorts die hooge koorts.... Wij hebben middelen genoeg daartegen, maar zij werken allemaal op het hart. En dat kan het kind niet ve len!.... Nu.... ik ga.... tot ziens Kapitein Gisbert wierp nog een blik op zijn doch tertje en ging toen de gang in. Vreemd, hoe onver schillig hij nu was geworden voor Vera's komst. Zijn angst en zorg voor het daar binnen wegkwijnende le ven nam hem geheel in beslag. Als zij, de moeder, op de teenen zou binnenkomen en met bleek gelaat een tijdlang bij het bedje zou nederzitten, dan zou zij niets als een getuige meer zijn van den strijd om hot levep, meer niets. Hij wilde haar liever niet dadelijk bij haar komst ontmoeten. Naar zijn berekening kon zij, als zij zich dadelijk had gereed gemaakt en een rijtuig nam, over eenige minuten er zijn. Hij riep het kindermeisje en zeide op gedempten toon: „Friede- rike, je bent een verstandig meisje!. Luister goed: ik ga even een luchtje scheppen. Onderwijl zal me vrouw von Vogt hier komen. Je brengt haar maar bij het kind en zegt het ook aan de zuster. Zij moet doen, wat mevrouw haar zegt. Je laat niemand van ons lang in de ziekenkamer blijven, ook mevrouw von Vogt maar een half uur ongeveer. Dat zal wel hot beste zijn, dan kan zij later nog eens terugkomen Hij luisterde aan de trap, of hij niet al Arera's vlug gen, veerkrachtigen tred, dien hij nog zoo goed van vroeger kende, hoorde aankomen. Maar alles was stil en vlug ging hij naar beneden, de straat op.Het was al bijna gahaal donkar. Hij liap langs dan Kurfiir een geschreeuw en het geroep „aux armes". Ieder grijpt zijn geweer en loopt naar de aangewezen rich ting. Daar langs het „loiyd" staat de schildwacht bij hot lijk, dat een vrouw blijkt te zijn. Waarschijnlijk was ze naar beneden gekomen om water te halen, want de aarden kruik ligt aan stukken naast haar. De schildwacht heeft maar al te wel getroffen, de ko gel heeft haar hoofd doorboord. De kolonel haalt de schouders op, „niets aau te doen", bromt hij, doch ook daar boven is -het schot ge- hoort, er komt beweging in de gourbi's. Honden blaf fen weder en eenige mannen turen met de hand boven de oogen in de morgen-schemering naar beneden; ze schijnen een voorgevoel te hebben van het dreigend gevaar. Men ziet, hoe ze snel alles wat waarde voor hen heeft bijeenpakken en verdwijnen binnen de mu ren der kasbah (vesting). Weldra komen eenige groe pen weder te voorschijn en men ziet, hoe zij aandach tig de omgeving bezichtigen, e schijnen niet zeker te zijn, dan komen er lieden te paard- uit de poort, den kelijk met het doel de omgeving te doorzoeken naar de oorzaak van het gevallen schot. De kolonel wijst Arbi op de naderende ruiters en zegt „dat zullen de eerste zijn." De légionairs worden hun tegemoet gezonden, de bajonet op 't geweer, het magazijn geladen, wachtende op hun prooi; de ruiters verdoelen zich in twee groe pen. Zes komen er naar beneden langs denzolfden weg, dien de vrouw heeft genomen, de andere acht ne men den zijweg, waar de cavalerie hen zal ontvangen. De légionairs liggen verscholen tusschen de struiken en Laten ze nog steeds nader komen. Duidelijk ziet men reeds, dat do ruiters hun geweren voor over het zadel hebben hangen, nog geen onraad vermoedende. Dan een salvo, een woest geschreeuw en gekerm, vijf des zes tuimelen van hunne paarden, do zesde ziet. verdwaasd rond, keert zijn paard en herneemt in ga lop den terugweg. Doch nog geen honderd meter vorder slaat hij de nrmen in de lucht en valt op zijde, hangend in de stijgbeugels. Het paard gaat in woes- ten galop vorder, terug naar de kasbah, medesleuren de het vormelooze lichaam van zijn berijder. TOOK DANES. Kijkje» in <le Modewereld. Op het gebied van schoenen wordt tegenwoordig veel nieuws gebracht, zoowel in de gewone wandel- of visite-schoenen als in de bal- of soirée-schoentjes. Tal van nieuwe modellen en versieringen zijn er uitge dacht; wel het meest natuurlijk bij de avondschoen tjes. De modernste zijn wel die, welke in kleur overeen komen met het toilet, waarbij ze gedragen worden en die met borduursel, kraaltjes, paarltjes of steenen ver sierd zijn. Deze versieringen worden over 't meeren- dcel aangebracht op de plaats, waar anders de gesp zit, tevens worden op de punten der schoentjes stee nen of paarltjes aangebracht. Zeer nieuw en tevens practiscli zijn de zoogenaamde zilveren of gouden schoentjes, die vervaardigd worden van zilver- of goudbrocaat, zij zijn opengewerkt aau de teenen of er zijn rondom vlinders in geborduurd. Goed-koopere soorten in dit genre zijn die van goud satijn, welke met tal van paarltjes benaaid zijn en een schitterend effect maken. Ook worden voor avondschoentjes weer lage schoen tjes gebruikt, meestal zijden, die van voren dichtgere- gen zijn, de punten zijn opengewerkt, de vetergaten versierd, terwijl de veters, bestaande uit zijden linten, stendam in de richting naar Halensee tot daar, waar nog geen huizen stonden en langs schuttingen, bouw en sportterreinen de groote vlakto zich uitstrekte. Toen hij een minuut of tien geloopen had, dacht hij er aan, dat Vera nu wel al in zijn huis zou zijn. In zijn oor klonk haar stern nog na, zooals zij over de da ken van Berlijn dien morgen tot hem was gekomen. Bij al zijn zorgen voor het kind, moest hij toch aan het oogenblik denken, waarop hij voor het laatst met Vera gesproken had'. zes jaar geleden. op een avond als dezen, na een tuinfeest in het Casino. Hij beefde nog bij de gedachte aan dien twist, die tranen. Het was het laatste, vreeselijke tooneel tusschen hen geweest. Den volgenden ochtend was zij weg, naar haar moeder in Neetzow. Op tafel lag haar afscheids brief. En in een kamer er naast huilde de kleine, toen nauwelijks tweejarige Karla.... Terwijl hij in de duisternis voortliep, dacht hijals Karla sterft, is liet. haar schuld. Dan straft God haar, dot zij toen het kind heeft verlaten! En ik moet mee lijden.... Hij stond! op een zijweg, dien hij van den grooten weg af was ingeslagen. In de verte glinsterden de duizenden lichten der groote stad en vonkten bloedrood' de talrijke fabrieksschoorstee- nen. Om hem heen op den landweg was alles duister. Een zwak maanlicht bescheen de slootjes en steenen, omgehouwen boomen en hoopjes scherven..., scher ven overal Droefheid overmeesterde hem en hij dacht: zoo lig gen ook de scherven van mijn leven om mij heen! Daar is weer iets nieuws van opgetrokken, evenals hier op dezen verwoesten bodem weer iets nieuws zal ontstaan, maar het wordt het banaal alledaagsche: kazerne-huizen.... een huwelijk uit berekening.... Vroeger ging er zoo'n bekoring van alles uit die is nu bedorven door haar, die nu in de stad aan het bed Tan mijn kind zit. (Wordt vervolgd).

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 5