DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Cacao DE VOLKSDRANK J)e teste voor den prijs TÏËFDËSOfFÊR VAN HOUTEN S Honderd en veertiende Jaargang. 1912. DONDERDAG 25 JANUARI. bij uitnemendheid. Vraaggesprek met Else ötten. FEUILLETON. B I N N K N t. A N No. 21. Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagenuitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk f 1, Afzondeilijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f0,10. Bij groote contracten rabat. Oroote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. is bestemd om te worden: GOED en GOEDKOOP. 1 Kg. 1.50 P/4 Kg*. 0.421-1 - 0-80 |yio - 0.18 ALKMAARSCHE COURANT VOEDEND on GEMAKKELIJK VERTEERBAAR. Ruim vijftien jaren geleden leerde ik ten huize van een Nederlandsch ingenieur te Berlijn een jonge dame kennen, mej. Else Otten, die mij er van sprak, dat zij de Nederlandsche literatuur, zooals die zich na 1880 ontwikkeld had, gaarne im Duitsehland bekend zou maken. Zij was een goede musicienne, zong verdiens telijk, maakte zelve ook gedichten en bezat een alge- meene ontwikkeling, die afweek van de gewone „Scha- blone" der in Duitsehland! opgevoede meisjes. Wamt mej. Else Otten was in Duitsehland opgeleid. Haar vader was Nederlander, als geneesheer te Berlijn ge vestigd; haar moeder was een Duitsche, doch sprak het Nederlandsch volkomen zuiver. Wij wezen mej. door RUDOLF STRATZ. - 21) —o Hij knoopte zijn jas dicht, schraapte zijn keel, trad de rookkamer binnen en zeide zonder eenige inleiding tot den bezoeker: „Ik heb er genoeg van!.... doe mij één genoegen en laat mij met rust!.Het helpt niets en het geeft niets! Ik ga trouwen!.... Ik ga trouwen!" herhaalde hij met verheffing van sterft, alsof de andere dit nog in twijfel kon trekken en keek hem daarbij dreigend1 aan. Freiherr von Sybold-Ellernheimb was even groot, maar slanker dan Von Uleriei. Zijn snor was reeds gTijs, zijn knap gelaat droeg de sporen van een bande loos leven; zijn kleeren waren eenigszins afgedragen, maar des te meer glansden hooge hoed en monocle. Hij had voortdurend een zelfvoldaan lachje, dat nu juist niet heelemaal paste bij zijn uiterlijk. „Waarom windt je je toch zoo op, Christoph, je weet niet eens, wat ik eigenlijk wil „Geldschreeuwde de oude kurassier verwoed. „Daartoe behoef je geen gedachtenlezer te zijn, bij jullie!" „Ja ik zit er niet zoo warmpjes in als jij 1" De gewezen kamerheer streek zenuwachtig over zijn lan gen snor. „En als mq;n daarbij voor vrouw en zes kinderen Von Uleriei tikte hem met zijn dikken wijsvinger tegen de borst. „Waarom heb je haar ook getrouwd?" vrceg hij zacht en vertrouwelijk. „Bovendien had deze Ameri- kaansche „miss" geen halve cent! Je bent wel altijd een slimme vogel geweest, mijn waarde, tnaar zij was je te slim af 1" De aangesprokene liet verdrietig het hoofd zakken. Otten toen op de groote bezwaren, die zij zou onder vinden. Aan de eene zijde een achterlijk Duitsehland met weinig idealistische uitgevers, met lieden, die in stede van publiek's smaak te leiden, publiek's smaak volgden; aan de andere zijde de literatuur van een klein land, literatuur van groote oorspronkelijkheid en vrijheid in 't gebruik van de taal, die al te moeie- lijk in het onbuigzame Duitsch zou zijn te vertalen. Maar zij, met een jeugdigen overmoed en frissche energie, telde die -bezwaren licht. Waar een wil is, is een weg, meende zij en de wil, de onbuigzame wil, was er. Sedert is mej. Otten een beroemde vertaalster in Duitsehland geworden. Vernemende, dat zij op een doorreis naar Engeland, waar zij met de bekende zan geres mevrouw Frise eenige concerten zal geven, want mej. Otten hee'ft in de laatste jaren hare muzikale studiën weder voortgezet en bezit een frisch, klankvol geluid, een paar dagen te Den Haag zou vertoeven om met Nederlandsch© schrijvers onderhandelingen te voeren, verzochten wij haar om een onderhoud, dat ons welwillend werd toegestaan. In de hall van het mondaine Hotel des Indes, waar zij logeerde, ontmoetten wij haar, een slanke vrouw, met fijne maar energieke trekkeu, levendige bruine oogen en nerveuse bewegingen. „Nu, na ruim vijftien jaren, aldus vingen wij aan, „mag ik u wel eens vragen, of mijn bezwaren inder tijd te licht, geteld waren." „Dan mag ik u, na ruim vijftien jaren, wel eens zeggen, dat uw bezwaren overwonnen werden," ant woordde zij en alleen het schalksehe oog verzachtte het wat bitse van 't antwoord. Dadelijk daarop liet zij met groote goedigheid volgen: „Ik heb dikwijls aan uw bezwaren moeten' denken. Want liet is een harde struggle geweest, een strijd in alle opzichten, naar alle kanten. En liet is alleen mijn krachtige wil en mijn Duitsche vlijt geweest, die mij heeft doen slagen. Mijn eerste uit het Nederlandsch vertaalde novelle werd door veertig bladen en tijdschriften geweigerd en toen eindelijk geplaatst door de „Berliner Lokal Anzeiger," het groot© Berlijnsche blad, dat toen nog in zijn opkomst was. Die plaatsing gaf mij moed. ik dacht, als er één werk gaat, gaan er meer. Het eerste groote werk dat ik nadat ik verscheidene kleinere pro- 7a-werken vertaald had en geplaatst had gekregen in Duitsche couranten en tijdschriften, was het tooneel- stuk „Het Goudvisehje" van van Nouhuys. Onder den titel „Gekaufte Liebe" werd het in bet „Neues Thea ter" te Berlijn en het Residenz-Theater" te Wiesbaden met succes opgevoerd. Het zal u vreemd voorkomen, maar nadat ik eens, de Goden weten ten koste van hoeveel arbeid en moqjte, den weg voor de Nederland se he literatuur in Duitsehland had vrijgemaakt-, kwa men de groote bezwaren van een kant, waarvam ik ze liet minst verwacht had. De moderne Nederlandsche literatuur leverde wel veel knappe beschrijving, maar weinig werk, dat in Duitsehland geschat kon worden. De Duitse her noemt uw nauwgezet beschrijven van de dingen om u heen, een gevolg van de schoone sfeer waarin dat alles in Nederland leeft, eenigszins ge ringschattend „Kleinmalerei," „fijn-schilderkunst." De Duitscher houdt van de actie, de beweging, de ge beurtenis, het lotgeval. Ook was het noodig, dat aller aandacht gevestigd werd op magistrale werken, opdat zij die in Duitsehland de letterkundige beweging lei den, zouden vernemen, wat belangrijke kunst-ontwik keling in Nederland plaats vond. Ik vertaalde Heijer- mans, Sehiirmann, van Loghem, Couperus, zonder eigenlijk een werkelijk groot succes te verkrijgen. Wel werd daardoor gaandeweg het pad geëffend. Schetsen van Justus van Maurik werden in mijn vertaling door Natuurlijk dit huwelijk, waardoor hij destijds alles in orde dacht te brengen, was de groote misstap in zijn leven! Maar hij hield van zijn vrouw! Zij waren gelukkig met elkaar, ondanks hun eeuwigdurenden geldnood. „Laat die oude geschiedenis nu maar rusten 1" zei- de hij. „Het water komt mij toch al aan de lippen 1 Ik heb waarachtig altijd gewerkt, om mij er bovenop te houden Von Uleriei onderbrak hem met een heftige hand beweging: „Neen! Neen!.... Er bovenop was je al tijd maar gewerkt heb je nooit 1.... Wij kennen elkaar toch niet van vandaag of gisteren? Ik had wèl mijn dagen kunnen verluieren.... en ik heb dertig jaar lang een paard onder me gehad en stof gegeten en gezweet in een harnas en beleedingen naar mijn hoofd gekregen, in dienst van Zijne Majesteit! Maar jij!.... Kamerheer in Arolstern voor kwa jongen spelen met je borst vol' prul-ordetjes nee, daarmee kun je mij niet imponeeren!" Freiherr Von Sybold was nog bleeker geworden dan hij reeds was. Hij speelde met zijn horlogeketting en zeide plotseling beslist: „Daarom kom ik ook niet!" „Nu'waarom dan?" „Ik wilde je waarschuwen 1" De neef had bij het begin van het bezoek gehoopt, dat hem een sigaar zou worden aangeboden, maar daar gebeurde niets van, hoewel het kistje havanna's open op tafel stond. Nu nam liij met veel omhaal een sigaret uit zijn eigen koker. „Gepermitteerd „Spreek liever, in plaats van te rooken!" „Dank je! ik kan beide tegelijk!.. Zie Christoph. als men op jouw leeftijd nog gaat trouwen, dan mag men zich nog weieens goed bedenken!.... Zulk een stap wordt natuurlijk druk besproken." „Nu voor den dag er mee!" antwoordde v. Uleriei ongeduldig. Zijn gelaat was rood geworden. Om den stoel van zijn bezoeker kronkelden de sigaretten- wolkjes; op onverschilligen, gedempten toon klonk het: „Christoph.... wij zijn toch oude vrienden en neven. Ik mag je graag. En daarom. Reclnm's Universal Bibliotheek opgenomen. Dit was een werkelijk succes want tot dien tijd had deze zooveel verspreide serie al heel weinig aandacht aan Nederland gewijd. Met „Hilda vam Suylenburch" van mevr. Goedkoop-de Jong van Beek en Donk en dat ik onder den titel „Frauen, die den Ruf vernommen," vertaalde, had ik het eerste groote boek-succes." „De titel was dan ook wel gekozen. Hij lijkt op een alarmroep." ,.IIet is eigenlijk tegen mijn principe, sprekende ti tels to kiezen. Maar in die dagen was het nog noo dig om tusseben de vele andere boeken die jaarlijks in Duitsehland verschijnen 't vorige jaar niet minder dan 80000 de aandacht voor Nederlandsch werk te vragen. Thans is het gelukkig zoover, dat men, wanneer door mijn naam als vertaalster de aandacht op een boek gevestigd is, dat boek zijn eersten weg wel maakt. Het verdere verloop van 't sncces hangt dan echter natuurlijk van den inhoud af. „Hilda van Suylenburch" beleeft, nu zijn negenden druk. Augusta de Wit's „Orpheus in de Dessa", dat. aanvankelijk niet gewaardeerd werd, begint thans beter bekend te wor den. Het heeft den derden druk beleefd. Door mijn gestndigen arbeid, ik werk dagelijks acht uur en voel mij ontevreden, wanneer ik minder verricht heb, ge lukte het mij een positie in de Duitsche literatuur te verwerven. Soms, wanneer ik overdenk, hoeveel het gekost heeft eer ik, na de eerste tien jaren kon zeg gen, ziezoo, nu kan ik ook hoogere idealen nastreven, begrijp ik zelve niet, dat ik 't heb kunnen doorzetten. Want ik had ook als vrouw een strijd voor mijn ge slacht te strijden. Vaak kreeg ik vroeger werk terug, wanneer ik Else Otten teekende. Datzelfde werk werd aangenomen, als ik E Otten er onder zette. Men meende dan met een man te doen te hebben. Want juist in mijn dagen van strijd viel in Duitsehland ook die groote strijd, nu nog lang niet uitgestreden, van do vrouw, die onafhankelijk weuscht te zijn, die too- nen wil, dat zij een andere plaats in onze Westersche inaatschiapplTkan innemen dan, onder den indruk van Oostersche begrippen, haar was toegewezen. Onder de redacteuren der Duitsche tijdschriften en romans en ook onder de uitgevers waren er nu velen, die de vrouw niet maar zoo dadelijk als gelijke naast zich wilden dulden. Dat ik ook ten deze iets heb kunnen bereiken, maakt mij gelukkig. Ik heb daar niet be paald op aangestuurd. Doch arbeidend kwam dat zoo vanzelf en het is mijn innige overtuiging, dat de vrouw, wil zij geheel overwinnen, wil zij in stede van beneden den man naast den man komen te staan, slechts te werken heeft. Arbeid is een alles over winnende kracht. Ik zal u nu niet met deriange reeks van werken ophouden, die ik in die ruim 15 jaren ver taalde. Want ik zou u dan ook de titels moeten noe men van Fransehe, Engelsche en Spaansche literatuur, van werken van de Maupassant, Wilde, Huysmans en Luis Coloma. Liever wil ik u spreken over een werk waarop ik nogal trotseh ben over het bekend ma ken van Frederik van Eeden buiten de grens van zijn vaderland. Frederik van Eeden was, toen ik besloot hem in Duitsehland te loeren kennen, buiten Neder land even onbekend als Kloos, Yerwey, van Deyssel. Wel was de „Kleine Johannes" in een goedkoope edi tie in 't Duitsch vertaald, maar diat was een viooltje, in 't verborgen bloeiend. Toen, door het verhaal ge troffen, besloot ik van Eeden in Duitsehland bekend te maken. Ik vertaalde „De kleine Johannes" op nieuw, mij inspannend om in de Duitsche taal, wat ik zou willen noemen, ook het „aroma" van het. Neder landsch te behouden, die rhythmische onderstrooming, welke ook in het proza van Van Eeden, den dichter doet voelen. Het boek werd nu door een groote firma „Asjeblieft niet sentimenteel worden 1.... Wat is er dan voor gevaar? Ik zie alleen dit ééne, dat je mij weer eens komt afzetten!...." De ander was opgestaan. „Het gevaar is eenvoudig dit, dat een geval als het jouwe zich zelden voordoet neem mij niet kwalijk, maar het grenst gauw aan het belachelijke 1" „Ik en belachelijk?...." Hoe goedig v. Uleriei ook wezen mocht zooals hij zich daar nu langzaam op richtte en zijn breedte schoutiers uitzette, maakte hij toch lang geen sulligen indruk. „Nu ja.... is het niet vreemd, dat je aanstaande vrouw hier in Berlijn heel gewoon met haar eersten man omgaat? Zij komt zelfs bij hem aan huis...." „Omdat haar kind ziek is! Dat heeft zij mij zelf den volgenden dag verteld!" „Goed!.... Maar zij kwam 's avonds om negen uur en ging den volgenden ochtend om acht uur weg. Zijn tweede vrouw was niet thuis. Niemand. Me vrouw von Vogt had ook niemand, geen vriendin of bloedverwante, bij zich, om den schijn te bewaren „Zij had wel iets anders aan haar hoofd1!" „En de volgende dagen ging zij er weer heen. totdat het kind beter zal zijn en. haar weer kan bezoeken! Zij zou gisteren voor het eerst met haar gaan wandelen in den Tiergartenl'' „En is het dan niet toevallig, dat zij daar bij hel Lessingstandbeeld haar eersten man weer tegenkwam en staan bleef en met hem sprak!" „Hoe weet je dat allemaal?" „Ik heb het gehoord! De heele wereld spreekt er van „De heele wereld heeft wel iets beters te doen, dan naar jouw kletspraatjes te luisteren!.... Ik geloof, dat je zoo'n beetje aan het spionneeren bent, mijn waarde! altijd het oor voor het sleutelgat. Oude gewoonte hè?" Von Uleriei was plotseling op een gedachte geko men. „Mijn verloofde heeft mij al een paar maal verteld, dat er dikwijls eeoi zonderlinge man om haar heen dwaalt, als zij uitgaatHeb jij daar misschien de royaal uitgegeven en het werd dadelijk algemeen ge waardeerd. Eindelijk leerde men in Duitsehland dat Nederland ook andere krachten bezat, dan meinsehen, die secuur en uitvoerig beschreven wat ze zagen. Dat Nederland niet alléén het land van Gerard Dou is, maar ook van den fanbastischen Rembrandt, den voor namen Ter Boéh, den droomerigen Thijs Maris. Duitsehland, het land van het „Miirehen," begreep en waardeerde „De Kleine Johannes," die heden reeds een derden druk heeft beleefd. En na dit schoone be gin kon ik voortgaan, vertaalde de beide andere deelen van de Johannes-serie en had de voldoening in Duitsehland een „van Eeden-öeraeinde" te zien ont staan, een grooten kring van bewonderaars en bewon deraarsters, die, onbekend met al het geharrewar dat in 't kleine vaderland om van Eeden's werk bestond, hem geheel met volkomen overgave waardeerden. Ook van de vertaling van van Eeden's tooneelspel „IJs brand" heb ik veel pleizier beleefd. Het is te Berlijn 28 maal door de „Neue Freie Volksbühne" vertoond, te Dresden in liet Hoftheater, voorts to Weimar, Er furt, Ziirich, Augsburg, Königsberg, Weenen, Stutt gart. Van van Eeden's „Van de koele meren des Doods," dat ik onder den titel „Wie Stiirme segnen" vertaalde, is reeds een twoede druk verschenen. „Dat is werkelijk een succes voor den schrijver en voor de beweging van '80 in 't algemeen." „Indien men dat maar in Nederland wilde begrij pen. Dikwijls lijkt het mij, of de schrijvers in Neder land zelve niet hun belang begrijpen. Ik heb daar wel eens mee te worstelen. Indien zij zeiven van nabij eens konden zien, wat voor reuzentaak het is, in 't met boeken en tooneehverken van alle natiën over stroomde Duitsehland, een plaats voor Nederland te verwerven, zouden zij waarschijnlijk meer waardeering toonen." „Slaat dat op Frederik van Eeden?" Zij glimlacht even veelbeteekenond. „Neen, neen, u moogt mij over de literntuur inter viewen, maar achter de schermen laat ik u niet zien. Op 't oogenblik werk ik aan de tooneelstukken van mevr. Simons-Moes, die ik in Duitsehland hoop opge voerd te krijgen en ook J. Schuil'» tooneelstuk „Fat soen," dat onder den titel „Die lieben Naclibarren" door mij is vertaald, komt dit voorjaar aan de beurt; te Berlijn en te Eisenach zal het vertoond worden. Voorts komt binnenkort mijn vertaling van van Eeden's „Lioba" uit. In bewerking heb ik Couperus' „Berg van Licht," Ellens „Vriendschap" eu Verba- gen's mythische comedie „Marsyas," die 't vorige jaar met muziek van Diepenbrock bij Royaards werd opge voerd. „En wat zijn uw nieuwste plannen?" „Ik hoop thans ook wat voor Vlaanderen te gaan doen en zal binnenkort een reis door België gaan ma- keu om met de groote hedendaagsche Vlaamsche schrijvers mij in verbinding te stellen. Want zij zijn in Duitsehland nog zoo goed als onbekend en dat is, bun talent in aanmerking genomen, onverdiend." Hiermede eindigde ons onderhoud met deze jonge energieke vrouw, aan wie de moderne Nederlandsche letterkunde zooveel dankt en die aanspraak heeft op de sympathie van allen, die het werkelijk Groot-Ne derland liefhebben. BERNARD CANTER. JHR. MR. A. F. DE SAVORNIN LOIIMAN. Jhr. mr. A. F. de Savornin Lokman, heeft verklaard, dat hij, wegens zijn leeftijd, zich in 1913 niet weer voor een Kamerzetel beschikbaar zal stellen. Gemengd nienws. DE FOSITfE VAN JONGE LANDBOUWERS. Het bestuur van den Bond van vereenigingen van oud-leerlingen van landbouwcursussen wendde zich hand in hè?" Plotseling barstte hij uit: „Heb jij je misschien bij een detective-bureau geabonneerd?.. Het zou je best toevertrouwd zijn!" Aan den verschrikten blik achter den monocle van zijn neef zag Jiij, dat hij onbewust juist geraden had en tegelijkertijd maakte een razende woede zich van hem meester. Ilij zocht om zich heen naar een of ander wapen. Naast de kachel stond een tang. Het was wel geen waardig werktuig voor een oud-kurassier, maar beter dan niets. Hij greep haar vast en zwaaide haar drei gend boven zijn hoofd. Zijn hoofd was vuurrood van woede. „O, jou vervloekte erfenisjager 1" schreeuwde hij en liep met een voor hem ongekende; vlugheid op zijn be zoeker toe. „Ik zal je leeren.... ik zal je afranse len onbeschaamde.... ai donnerwetter Hij struikelde over een stoel en greep naar zijn been. Van deze gelegenheid maakte von Sybold ge bruik, om schielijk naar de deur te vluchten. Achter hem donderde het nog tegen den kamerdienaar: „Frans. smijt dien heer er uit!" maar deze had den verbluften lakei al zijn hoed en. jas uit de handen gerukt en was verdwenen. Zijn neef stond buiten adem in de kamer, zette ein delijk de tang weer op zijn plaat» en trok zijn boord en das weer recht. Langzamerhand kwam zijn oud flegma weer boven. Hij werd verdrietig. Een fraaie geschiedenis! Die vent stond voor niets! Hij was in staat, hem een secondant op zijn dak te sturen. Chris toph von Uleriei was nooit, ook niet in zijn luitenants- tijd, een heethoofd geweest. Een stout ruiter, maar altijd een tamelijk gemakzuchtig man. En om nu, weinige weken voor zijn_ huwelijk, in het Grunewald met dezen ouden boemelaar een paar kogels te moeten wisselen die gedachte was tè dwaas! Wordi vsrrolgd.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 1