DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN No. 53 veertiende Jaargang. 1912 2 MAART. Alkmaars Eereburgeres. BINNENLAND. Honderd en ZATERDAG Dit nummer bestaat uit 3 bladen. Op een zacliten herfstmorgen in het jaar 1887 werd op het kerkhof aan het Kanaal te 's-Gravenhage een gedenkteeken onthuld! voor mevr. BosboomTous- saint. liet was een hulde van Nederlandsehe vrou wen, de treurende muze bij het graf deT begaafde en nobele kunstenares. „Schoon" schreef Vosmaer „is die hulde van de vrouwen aan eene der edelste on der haar. Doch ook de mannen wenschen daarin deel te nemen, wetende, dat de schrijfster krachtiger was dan menig man en dat zij niet enkel voor vrouwen heeft willen schrijven." Verscheiden mannen van naam hadden zich dan ook opgemaakt, om bij de plechtigheid tegenwoordig te zijin, en twee van hen wijdden gevoelvolle woorden aan de nagedachtenis van de edele vrouwe, die hier rustte. Sedert zijn 25 jaren voorbijgegaan, maar nog is de geestdrift niet uitgedoofd. En thans zijn het de man nen, de Alkmaarsehe mannen, die hulde willen bren gen aanj de burgeres, op wie Alkmaar roem mag dra gen. Want zij was een der uitnemenden naar geest en naar hdrt, een diep-neligieuse natiuur zonder be krompenheid, een vrouw, die „de reinheid der gedach te liefhad" etn van wie haar vrienden Beijnen en Beets op haar 70ste jaarfeest konden getuigen, dat zij geen eukelen regel had geschreven, waarover zij berouw be hoefde te gevoelen. De eerbiedwaardige reeks harer werken, een 2 deelen, de tallooze herdrukken, de overzettingen in verschillende talen, dit alles getuigt van haar rusteloo ze werkzaamheid' ein van de waardeering, die haar let terkundige arbeid in breeden kring genoot. Van die waardeering spreken ook de zeldzame onderscheidin gen, welke haar, als bijna geen ander, werden ver leend. Aan Alkmaars vroedschap de eer, daarin t 'zijn voorgegaan. In 1845 besloot deze, aan de schrijf ster van „het Huis Lauernesse" haar eersten ro man, die op Nederlandschen bodem speelt, en waar mee haar naam voor goed! was gevestigd het eere burgerschap aan te bieden. Dat zij genoot van deze eer bewijst de van dankbaarheid overvloeiende brief, nog in Alkmaars archief aanwezig, dien zij nLs ant woord zond, bewijst niet minder de latere opdracht van „De vrouwen van het Leycestersche Tijdvak" en „Gideon Elorensz" aan den Raad harer geboortestad. In ditzelfde, voor haar zoo glorierijke jaar schonk koning Oscar van Zweden haar de gouden medaille voor letterkundige verdiensten. De Maatschappij van Nederlandsehe Letterkunde volgde (eerst in 1870) met de zeker ongemeene aanbieding van het eerelid- maiatschap, de Hollandsche Maatschappij van fraaie Kunsten en Wetenschappen in 1873 met de toeken ning der groote gouden medaille van verdiensten naar aanleiding van haar roman „De Delftsche Won derdokter." Bij menigeen zal al dit eerbetoon verwonde ring wekken; menigeen zal misschien met eenige geringschatting neerzien op die boeken, d'ie „men" niet meer leest. Maar, al schijnt ons de vorm in som mige opzichten verouderd, zeer zeker behouden haar werken hun waarde, niet alleen door hun nobelen geest, maar zelfs door hun speciaal letterkundige ver diensten. Of heeft niet Zimmerman haar een uit muntend psycholoog genoemd, heeft niet de gevierde letterkundige Ampère „de fijn® zielkundige ontleding van haar karakters, de groote kunst harer portretschil dering geprezen, een kunst, die haar wijding ontving in de -school van Rembrandt, van der Helst en Govert Flinck?" Heeft niet Buskein Huet zijn huldiging van haar „groote verbeeldingskracht, groote redenaarsga ven, groote visioenen en groote gevoelens" „als een lauwerkrans aan haar voeten gelegd?" En wat kan inen moderner verlangen dan de opvatting van haar kunst, zooals zij die uitspreekt in de voorrede van haar eersten roman, „De Graaf van Devonshire," die door den lang niet gemakkelijken Potgieter een op merkelijke eersteling werd genoemd? „Men moet ge troffen zijn,' schrijft zij daar, „door den persoon, dien men tot held kiest, men moet hem groot voelen, om hem groot te kunnen voorstellen. Het onderwerp moet. ons bezield hebben vóór men het koos, en vóór men aan schrijven dacht." De nobele geest dat is wel de hoofdtrek In haar werk. „Mannen en vrouwen", zegt Busken Huet, „hebben hij haar nog iets anders te doen, dan elk voor zich de worsteling om het bestaan te aanvaarden en, ii- dien strijd, elkander hetzij te helpen of te verdrin gen. Elk hunner heeft eene waardigheid' te handha ven, een karakter te redden, een ideaal te verwezen- ijken, en dat ideaal is noch de liefde, noch de weten schap, noch de kunst, maar een vlekkelooze omgang he1 unzienilijke, gelijk elk geslacht, elke stand, elke tnjzondere roeping, bijna zeiden wij elke wijs begeerte en elke kerkleer, langs den weg van vallen en opstaan daarnaar streven kan, van den koning tot den daglooner, van de huismoeder tot de klooster-re gentos, van liet genie tot den werkman." houdc my dit lange citaat t<yi goede. Haar geheelc streven i» hierin neergelegd. En buiten dit alles hebben mannen van wetenschap de groote historische kennis, het diepe historische in zicht vooral geroemd, waarvan haar geschriften ge tuigen. Niemand! minder dan Eruin maakte er Motley een verwijt van, dat hij voor zijn behandeling van het Leicestersche tijdvak de romans van mevr. Bosboom niet ecins scheen gelezen te hebben. Heeft zij dus recht op onze bewondering om haar intellectueele en artistieke gaven, die zij altijd in dienst stelde van een verheven ideaal, ook als menseh verdient zij onze warme waardeering. Zij was een vrouw van karakter. Dat bewees zij door haar loyale houding tegenover Busken Huet, toen deae, na de verschijning van „Een Avond aan her Hof" in „De Gids," het mikpunt werd voor „de laffe en lage aanvallen de,r in hun eigenliefde gekwetste dichtertjes, die den geesel hadden gevoeld van zijn critieken. Haar toestemming, om haar naam te ver binden aan zijn openbaren brief was een edelmoedig protest tegen deze onwaardige handelwijze. Zij was een vrouw vol wilskracht en energie. Dat toonde zij niet alleen door haar onvermoeide werk zaamheid ondanks de kwellingen van een zwak ge itel, dat toonde zij ook door den moed, waarmee zij in dagen van beproeving het hoofd boven water hield. Want, heeft ook Bosboom, „haar trouwe Johannes," waar hij kon, door zijn liefdevolle zorgen ieder steen tje uit den .weg geruimd, waaraan zij haan: voet kon ptooten, in de moeilijke tijden van zijn diepe melan cholie, toen hij herhaaldelijk zijn eigen werk vernie tigde, was deze tengere vrouw met haar veerkracht! gen geest en blijmoedige berusting de steun, waaraan hij zich oprichtte. En zij ook was het, die juist in dien tijd1 door verdubbelden arbeid trachtte, de finan ciëele zorgen buiten de deur te houden. Bij al haar ingespannen geesteswerk behield zij ge noe.g vrouwelijke toewijding, om voor de kinderen van Bosboom's overleden broeder haar huis tot een twee de thuis te maken. De schrijfster die „krachtiger was dan menig man", wist haar vrouwelijkheid te bewa ren. „Sedert veertig jaren" getuigt Busken Huet in zijn critiek op „Majoor Frans?" „levert mevrouw Bosboom het bewijs, dat eene talentvolle Hollandsche vrouw, die leven wil van hare pen, dit doel bereiken kan zonder afstand! te doen van hare waardigheid, hare bescheidenheid, hare zachtzinnigheid, of van welke andere vrouwelijke eigenschap het wezen moge." En welk een frisiehiheid van geest moet zij hebben behouden, om nog op ruim 60-jarigen leeftijd een boek te schrijven als „Majoor Frans"! Een boek, waarover de Amerikaan Samuel C. Eastman, die het in Fran- sche vertaling las, zoo in geestdrift ontgloeide, dat hij •nog Ilollandsch leerde, om ook haar andere werken te kunnen genieten. Het was dan ook een gelukkig denkbeeld van hen, die daartoe het initiatief namen, om naar aanleiding' vah den lOOsten gedenkdag van haar geboortefeest een waardig herinneringsteeken te willen wijden aan déze vrouw. Zij drukken daarmee het voetspoor van de tijdgenooten der beroemde Alkmaarsehe, die haar rc-eds bij haar leven op zulk een ongemeene wijze hul de brachten. In een bloemrijke rede wees de toenma lige burgemeester Druyvestein in de raadszitting van 9 Oct. 1845 op de verplichting, om „de zeldzame ver schijning van groote vernuften niet onopgemerkt te laten voorbijgaan", en de namen van hen, die door hunne verdiensten den roem van Alkmaar hielpen vestigen en verbreiden, voor het nageslacht te bewa ren. Hij had de voldoening, dat zijn voorstel tot hul diging der talentvolle stadgenoote algeheele instem ming vond en de Raad aan B. en W. onbeperkte vrij heid liet omtrent de wijze, waarop H. E. A. meenden, die huldebetuiging te moeten inkleeden. De welbe kende cassette met keurig inlegwerk en zilveren se h rij('garnituur, die in het Alkmaarsch museum wordt bewaard, getuigt nog van deze hulde. Zij be vatte een oorkonde, waarin werd gewezen op „de ge leerdheid en zeldzame talenten" der schrijfster, den naam, welke deze zich ook buiten Nederland reeds had verworven, den „zachten en weldadigen invloed van hare geschriften op de verstandelijke en zedelijke ont wikkeling harer tijdgenooten" en den roem, dien Alk maar droeg op haar bezit. In de raadsvergadering van 24 Nov. verwierven de bemoeiingen van B. en W. volkomen goedkeuring. De oorkonde werd door de raadsleden onderteekend en een afschrift in de notu len opgenomen. Het groot zegel der stad, aan het do cument gehecht, was besloten in een doosje van gedre ven zilver en op den bovenkant der cassette een zilve ren plaatje aangebracht met het wapen van Alkmaar. Met een begeleidende missive werd het huldeblijk door de stadsboden aan mej. Toussaint overgebracht. Ook bij haar huwlij'k bleven de Alkmaarders niet achter. Het gemeentebestuur vereerde haar een ge schenk, het muziekgezelschap „Harmonie" bracht haar een serenade, deputation vau rederijkerskamer, Uekengeuootsehap en liedertafel boden gelukwen- schen aan. En op den avond vóór haar huwlijksdag hadden de heeren Avis van; Weetzaan de stoomboot Zaanstroom, die voor de woning der bruid haar lig plaats had, geïllumineerd en werd aan boord vuur werk afgestoken. Haar nagedachtenis werdl geëerd door een eenvou- digen gedenksteen in den gevel van haar geboortehuis op do Mient. as Alkmaar trotsch op deze begaafde dochter, zij van haar kant droeg haar mooie geboorteplaats een .warm hart toe. Ondanks het gevoel van isolement, dat? haar in het aan studiebronnen awne stedeke wel eens overviel, was zij gehecht aan de plaats, waar zij veel had! doorleefd en gevoeld en liefgehad. Eer, .waardeerende bladzijde werd1 door haar in „Gideon Elorensz. aan dat Alkmaar gewijd. „Ik voel mij, met Hofdijk,^ een Kennemersche in 't hart," schreef zij el ders. Nog vóór haar vertrek naar den Haag gaf zij een tastbaar bewijs van die gehechtheid aan haar stad door het schrijven van een werkje „Moedervreugde en Moederlijden ten voordeele eener arm e nb e w a a rscho o 1 Een tweede druk bracht nog een belangrijke som voor deze instelling op. Maar haar liefde beperkte zich niet tot haar ge boortestad en de vrienden barer jeugd, zij ging uit naar liet geheele Nederlandsehe volk. Voor het zede lijk heil van dat volk arbeidde zij met geheel haar kracht, aan dat Nederlandsehe volk droeg zij den der den druk op van een harer mooiste werken: „De Delftsche Wonderdokter". Zoo moge dan ook het Ne derland buiten Alkmaar, het volk, „dat zij innig lief had bijdragen tot de hulde, aan hare nagedachtenis gewijd. „Nederland," sprak Mr. J. N. van Hall bij naar geopend graf, „is te klein om ook de verdienste lijkste voortbrengselen naar waarde te schatten, maar wat het heeft, geeft hét en het draagt zijn verdienste lijken kinderen een liefdevol hart tee." Dat toone het kleine Nederland! Alkmaar. CATH. BRUINING. De nuchtere /.ijde der poëzie. B. C. De Amsterdanische Raadhuis-Paleis-kwestio bevat een goede les. Eigenlijk bevat zij veel goede lessen, maar wij willen ten deze de paedagogische put niet leegpompen, al kunnen wij dan ook niet verhee- len, dat de heeren te Amsterdam de Woningwet wat al te veel draagkracht hebben willen toeschrijven, looi zoo maar even op het Paleis op «den Dam een bordje met „onbewoonbaar verklaarde woning" te willen spijkeren. Wat is de eigenlijke reden van dit zoo plotseling voelen van het achtste wereldwonder als „lijk met doode vensteroogen Zeker niet, ten minste bij het meerendeel der raadslieden, het verlan gen naar de republiek. De zaak is, dat de Dam te Amsterdam, langen tijd het hart van de stad, aan het verloopen is. Men heeft er eerst een rangeerterrein voor d» trams van gemaakt, daarna Zocher» monu mentale en lijn-gevende beurs afgebroken om er Ber- lage's somber monster op een slecht gekozen terrein voor in de plaats te stellen. Nu is men weer aan het af- en doorbreken gegaan. De Nes en de Warmoes straat, vroeger plezierbuurten, zijn deftig geworden en 's avonds in stede van drukker, nu stiller. Daaren tegen is het eigenlijke hart van Amsterdam het Rem brandtplein geworden. Want daar was het stand beeld van Rembrandt geplaatst en om dat standbeeld een aardig plantsoen aangelegd, dat men met een hek omringd heeft en door het vermijden van een derden1 uitgang, het karakter van een plantsoen heeft weten te doen bewaren. En rondom deze poëtische oase in de huizenwoestijn, zijn toen de cafés met het aange name uitzicht en het frissche zitje in 't milde jaarge tijde, gekomen. Het aangrenzende Thorbeckeplein, waar géén plantsoentje is, blijft dor en verlaten „de beste burger van de burgers" blijft even eenzaam near zijn eigen pandje op de Heerengracht staren als de Nederlandsehe Maagd op het monument ter eere van den volksgeest van 1830'31, naar het onbewoond Paleis. Dit is een les voor stedenbouwers ein steden-uitbrei- ders. Dit is een levensles voor allen. Wie meent dat nuchter zijn beteekent geen rekenschap met de poëzie des levens houden, vergist zich en ziet eenzijdigheid voor nuchterheid, voor klaar, gezond' doordenken en objectief beschouwen aan. Een paar groene zoden en wat heesters hebben van de oude Botermarkt ten laat ste het hart van de hoofdstad! des rijks gemaakt. Dat is wellicht sneu voor de eigenaren der perceelen rond om den Dam, maar het doet allen pleizier, die in zichzelf ook dat vonkje voelen, waaraan de nuchtere mensehheid altoos weer haar fakkel aansteekt. Bouwt in uw steden vroolijke, groene plantsoenen. Zorg voor publieke tuinen en parken, waarin de jeugd kan spelen en stoeien en waar de ouderdom rustig on der 't lommer kan zitten. Daaromheen komen dan van zelf de groote café's met het blijde licht en de genoegelijke terrassen, waar de poëtische gemoederen hun grocjes en biertjes ko men drinken. Poëtische gemoederen zijn er véél m de wereld. maar men geeft hun te weinig autoriteit. En toch, zij alléén begrijpen den geest vau een land, den geest van een stad, zijn de Pincoffs, wier „fantasie" ten slotte niets minder dan breedgeziene en breed opge vatte, nuchtere praktijk bleek. Stuur „Naatje" naar de „Place des Martyrs" te Brussel, waar zij den comte de Mérode mag gezelschap houden. Laat haar plaats worden ingenomen door een monumentaal standbeeld voor Willem III. Maak rondom een fraai plantsoen. Uw Dam zal herleven, Amsterdammers, en uw Paleis méér bewoond worden. Want onze Koningin heeft haar volk lief en haar liefde is niet aan een plaats gebonden. Doch alles kan niet van één kant konijnhaar volk moet ook bewijzen, dat het die liefde begrijpt en waardeert. TWEEDE KAMER. In de vergadering van gisteren voerde de heer Ke telaar (V. D.) het woord1 over het Bouwwetje, dat hij laakte als een poging om subsidie voor de bijzonde re school te krijgen, zonder behoorlijke waarborgen voor het onderwijs. Hij wees op minister Heemskerk's uitgesproken afkeer tegen het openbaar onderwijs en op de waarschuwingen van christelijke zijde betreffen de lichtvaardige oprichting van nieuwe bijzondere scholen en het hengelen naar subsidies. Waar blijft de offervaardigheid Spr. voelde meer voor bijdragen overeenkomstig de taxatiewaarde of vo<or steun tot een zeker maximum, waar men onder kan blijven als er bijdragen van elders inkomen voor de school. Het rijk geeft nu al meer per leerling aan het bijzonder onderwijs dan aan het openbaar onderwijs. Klachten over achteruitzetting van het eerste gaan dus niet op. Spr. verweet den minister niets voor de verbetering van het lager ouderwijs te doen. Alleen de rechtsche kiezers zullen dankbaar z n voor de uitbreiding van het getal christelijke scholen. De heer Van der Molen (A. R.) meende, dat liet ter linkerzijde ondanks vroegere verklaringen gaat tegen de subsidieering van het bijzonder ouder wijs. Men vindt daar dat het nu uit moest zijn. Ook na het Bouwwetje zal het echter nog niet uit zijn: er moet een betere grondslag voor de subsidieregeling gevonden worden. Spr. zei, dat de offervaardigheid rechts toeneemt, doch zij kan niet alles betalen voor de bijzondere school, welke door 4/n van de kinderen in Nederland wordt bezocht. Spr. wees er nog op, dat het bijzonder onderwijs van 18601909 een besparing van 178 millioen gaf voor het openbaar onderwijs. Als men voor de vrije school ijvert, mag dat bij de be staande getalsverhoudingen der leerlingen geen ver brokkeling van het onderwijs heeten. Spr. wilde ook geen verbrokkeling van het onderwijs in kleine bijz. scholen, maar hij wilde ook niet, dat an deren zullen bepalen, waar behoefte bestaat aan bij zonder onderwijs. Spr. wraakte het gezag van een ioor de tegenpartij geciteerd christelijk schoolhoofd en de berekening van de kosten van 't bijzonder on derwijs per leerling. De christelijke school wordt niet bevoordeeld Spr. stelde er een eer in „beroeps- subsidiejager" te zijn, omdat hij gesproten is uit een geslacht, dot den 80-jarigen oorlog meemaakte. De heer Bos (V. D.) richtte zijn bezwaren tegen het feit, dat dit ontwerp ons volksonderwijs niet wr ier brengt. Als de minister het onderwijs in zijn ge heel vooruitbracht, zou spr. zich niet tegen een voor deeltje voor het bijzondere onderwijs verzetteai, nu wel. Spr. vreesde, dat dit voordeel ten koste van het openbaar onderwijs zal blijven werken. De heer Van Wijnbergen (R. K.) verdedig de hot ontwerp als een middel om vrijheid1 aan liet ouderwijs te brengen. Spr. bestreed het amendement, dat kwansuis ge lijkstelling van het openbaar onderwijs wil, (amende ment-Ter Laan-Ketelaar-Smeenge) door de klachten o. a. over verbrokkeling van het onderwijs, de onvol doende waarborgen der bijzondere scholen en de sala- rieering van de kloosterlingen ongegrond te noemen. De heer Oosterbaan (A. R.) verdedigde het out werp, dat ook zeer gewenscht wordt door den chris- telijken arbeider en door dem christelijken onderwijzer. De heer T y d e m a n (V. L.) betoogde, dat de kwestie, hoeveel het bijzonder onderwijs zal krijgen, is geworden een kwestie van macht. Spr. meende dat- het bijzonder onderwijs reeds royaal genoeg is behandeld. De heer De. Savornin Lohman (C. H.), hoewel niet zeer verblijd! door dit ontwerp, verdedigde het als noodzakelijk tengevolge van de averechtscho onderwijspolitiek, welke ons sedert 1848 twee volks scholen naast elkander heeft bezorgd. De minister vau binnen landsche zaken, de heer Heemskerk, constateerde dat van links er kend is, dat het ontwerp een element in zich houdt tot verheffing van het onderwijs. Wil de heer Bos een regeling van het voorbereidend onderwijs, ook spr. wenschte dat. Tot zekere hoogte erkende spr. verder dat men niet naar al te snelle ontwikkeling van het bijzonder on derwijs moet streven, in verband met de beschikking over leerkrachten enz. Maar in een of ander opzicht kan de nood toch dringen en van „subsidiehonger" was geen sprake. Billijk is het dat de rijkssubsidie ons op gelijke wijze toekomt; het openbaar onderwijs heeft, steeds volop gehad'. Moet men onder vigeur van de tegenwoordige Grondwet niet trachten naar een stelsel dat den naam van rechtsgelijkheid zou kunnen dragen, toch kan men tegemoet komen aan den gezonden drang naar bijzon der onderwijs. Daartegen' verzet zich de Grondwet niet. De vereeuigde vrijzinnigen verzetten er zich tegen uit oud et.yrannieke sleur; maar vraagt spr., is dat nu liberaal? Dan gaat spr. na wat men tegen dit ontwerp heeft. Tot verbrokkeling van het onderwijs zal dit ont werp niet leiden; het strekt trouwens niet om de op richting vnn kleine scholen gemakkelijker te maken; het dient juist ter bevordering van grootere scholen in de groote steden. Ook is het. noodig voor vernieu wing van bestaande scholen in de toekomst. Van weggeworpen geld is dus. geen sprake. De vergadering werd hierna verdaagd tot Dinsdag aanstaande. Gemengd nlenw». DIEFSTAL IN EEN CANTINE. Gisternacht poogde een korporaal der huzaren te Zutphen1 diefstal in de cantine te plegen. Door in- kliinming van een raam had! hij zich toegang ver schaft. Hij werd echter door een sergeant en een korporaal, die zich verdekt hadden opgesteld, gesnapt en vluchtte. Gistermorgen is hij gearresteerd te 's Ileerenberg en gevankelijk naar Zuthpen gebracht. DE MAALTIJD. Een vrouw kwam in een herberg en liep kalm naar haar man, die met drie vrienden zat te drinken. Zij zette een overdekte schaal op tafel en zei: „Je zult het wel te druk hebben om thuis te komen eten, Jan, daarom breng ik het je maar hier." Toen ging zij weer weg. Do man was er werkelijk verlegen, mee. Hij lichte het deksel op, en vond! een leego schaal? O, neen, er lag een papiertje in. Daarop stond: Ik hoop, dat je eten je goed' zal smaken, Jan, je vrouw en kinderen eten thuis hetzelfde. (De Geheelonthouder). LOUIS BOUWMEESTER. De heer Louis Bouwmeester is in zooverre hersteld dat hij gisteravond wederom in Haarlem optrad. EEN EIGENAARDIG GEVAL. Volgens een familie te Watergraafsmeer maakte de dienstbode zich herhaalde laaien aan kleine diefstal len schuldig. Om haar vrees aan te jagen liet de heer des huizes de dienstbode een verklaring teekenen, waarin zij erkent, meermalen diefstal te hebben ge pleegd. Tevens beloofde zij in die schuldbekentenis zich te zullen beteren. Wijl zij verdacht werd1 kort voor haar vertrek nog het een en ander ontvreemd te hebben, dieinde haar meester bij de politie een aan klacht tegen haar in. De beschuldigde werd in ver hoor genomen. Pertinent ontkent zij alle schuld en bovendien beweert zij, dat de verklaring valschelijk is opgemaakt. Nimmer heeft zij zoo'n stuk ondertee kend. Teneinde klaarheid in deze zaak te brengen, is de justitie met een en ander in kennis gesteld. AANRANDING. In het laatst van November van het vorige jaav werden vier jonge meisje® uit Ermelo (Gelderland) in de nabijheid van „Veldwijk" door drie kerels op on eerbare wijze aangerand. Daar de daders zich ver momd hadden, was opsporen voor de politie een moeilijke taak. Voor eenige dagen mocht het haar gelukken ze te arresteeren. Het bleken te zijn perso nen uit de buurtschappen Horst en Telgt. GEEN OPENBARE LEESZAAL. Tegen veler verwachting in is het voorstel van de heeren M. Noordtzij en W. Meijer te Kampen, om eventueel een subsidie aan een op te richten openbare heszaal en bibliotheek te geven tot een maximum van 1000, door den Raad aldaar afgestemd. Daarmede is aan de zeer optimistische verwachtingen van het comité voorloopig de bodem ingeslagen. INBRAAK. Gisternacht is te Bolnes ingebroken bij dr. Van de Ree. De dief of dievein zijn waarschijnlijk aan de voorzijde het huis binnengekomen en hebben het aan de rivierzijde verlaten. Een hoeveelheid goud, zilve»- en geld is ontvreemd; men denkt voor ongeveer 1000 aan waarde. De politie stelt een onderzoek in. EEN WAARSCHUWING. Men schrijft ons uit Schagen: Wanneer de jonge passagiers van den zoogenaam- den „sehooltrein," die te 5.14 alhier aankomt, hun kans schoon zien, trachten ze reeds voor het stilstaan van den trein de portieren te openen of los te maken. Deze zeer laakbare onvoorzichtigheid had den lsten alhier tot noodlottig gevolg, dat de leerlinge G. v. G., komende mei den trein van de H. B. S. te Alkmaar, nabij het station alhier door het (^oor een andere leer linge reeds losgemaakte portier uit den trein viel en zich daarbij ernstig bezeerde. Per rijtuig werd de gevallene naar hare woning vervoerd. Voor zpover tot heden kon worden nagegaan, is haar toestand ge lukkig niet zorgwekkend.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 1