DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Om het koude goud. No. 109 Honderd en veertiende Jaargang. 1912 WOENSDAG 8 M EI. FEUILLETON. BINNENLAND. Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk fl,— Afzondeilijke nummers 3 Cents. Telefoonnummw 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f0,10. Bij groote contracten rabat. Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. Vraaggesprek met Mevr. A. Noorder wier— Reddingius. COURANT De vriendelijke bemiddeling- van haar broeden-, den diehter Joannes Reddingius, maakte bet mogelijk, dat wij een vraaggesprek konden voeren met mevr. A. Xoordewier-Reddingius, de bekende so-praan-zangieros. Wij wisten, dat het moeielijk zou zijn mevrouw Noor- deivier tot zulk een onderhoud) te bewegen. liet was niet alleen de schroom van de fijngevoelige, om zich te uiten tegenover het groote publiek, over iets, dat haar heilig boven allies is: het wezen van haar kunst. Noch alleen de onbescheidenheid) van een voorganger, die publieks nieuwsgierigheid instede van weetgierig heid had trachten te bevredigen. De eigenlijke oor zaak was de afkeer van couranten-reclame, die surro gaat van de werkelijke beroemdheid, die bestaat in een stilLe, alleen nu en dan door een daad (niet door woorden) uitgesproken waardeering-. Wie is zij, deze wondere vro-uw, wier zangkunst de groote St. Bavokerk te Haarlem tot tweemaal toe tot hooge prijzen uitverkocht doet' zijn, omdat zij zal zingen, zoodat de danriaatjes die avonden verbaasd zwijgen over zooveel kruisvaartvrooinheid in de eeuw van 't materialisme? Iloe was haar levensgang, wat waren haar idealen? Historieschrijver van den dag-, hebben wij, reporters, dan toch wel' den. plicht de histo rische figuren van onzen t'ijd anders voor 't nage slacht te teekenen dan de photografie (lat vermag; iets meer van het wezen van de zangkunst dezer vrouw weer te geven, dan op de eboniet-plaat bewaard kan worden. Wij zaten in de liehtrijke kamer van -haar landhuis aan de Beethovenlaan te Hilversum. Zij tegenover ons, nog- kort terug van bet- triomfantelijke muziek feest te Frankfort en wij beiden eenigszins verlegen voor 't pijnlijk aanvoelend begin van 't spel van vraag en antwoord. „Voelde n al heel vroeg uw roeping? Bent u een wonderkind op muzikaal gebied geweest?" „Neen, geen wonderkind." „Waart u van muzikale familie?" „Mijn moeder was muzikaal, mijn vader stierf toen ik 6 jaar was. Wij woonden te Helmond en toen ik zeven jaar was, begon ik piano te leeren. Ik had het geluk dadelijk een goeden leermeester te krijgen, een uiterst muzikaal Duitseher, Herr Kühne. Herr Kiihne was een streng man en hij prees mij nooit in 't ge zicht. Maar hij wist wel, dat ik aanleg had', want hij roemde my bij anderen. Als ik mijn pink krom hield, kreeg ik een tikje met een stoffer op mijn vinger. Mijn broer Joannes, wien die groote strengheid ver droot, beeft eens Herr Kühne, terwijl hij mij les gaf, stilletjes met een kluwen touw zoo omwonden, dat toen de goede man, wat wel gebeurde, bij een fout wilde opspringen, opeens bemerkte dat hij vastgebon den was. Joannes hadl zijn lieve kwajongensstreek kunnen volvoeren, zonder dat Herr Kühne het be merkte, zoo geheel ging hij op in het- onderwijs dat hij gaf. Toen wij naar Arnhem verhuisden, kwant ik on der leiding van den cellist F. W. Meyroos, die ook pi anoles gaf en een wijs en vriendelijk leermeester voor mij is geweest. Ik bezocht dear de Hoogere Burger school, maar bleef mij ijverig in 't pianospel oefenen." „Hoe werd het eerst uw stem ontdekt?" „Langen tijd! was ik er onbewust van, dat ik een goedo stem had) en neuriede alleen maar zoo liedjes voor mijzelve. Ma-ar toen ik eens te Groningen lo geerde ik was met een nichtje medegegaan om haar te accompagneereu bij een proef zang- voor juf frouw Oppenheim, die later huwde met Wilhelm Ber- Roman uit het Duitseh van GEORG HARTWIG. 81) -o- Er kwam rein droevig vermoeden in haar op. Even kwam er een sluier voor haar oogen. „Ik had niet gedacht," zei ze toen met onzekere stem, „dat iemand', die mij al tamelijk goed kende, zoo vluchtig en naar den schijn zou oordeelen. Ik be. grijp niet goed dat men niet weet, als men mij kent, dat het waarlijk geen ijdelheid is, die mij naar zulke feesten doet gaan. Doch ik begrijp u nu beter. Maar wie hebt u het meest onrecht aangedaan met dat wan trouwen? Mij of uzelf?" Bij die vraag liep er een rilling door zijn leden; het was hem of al de bittere gevoelens, die hij tot nu toe had gehad, zich tegen hem zelf keerden. Het was of er een golf van nieuw leedi en berouw over hem kwam. „Als ik", ging zij op gedempten toon voort, „een dubbel wezen in mij gevoelde, zooals gij, dan was het gemakkelijk. Het betere Ik zou dan ten slotte zege vieren, want het goede moet zegevieren in de natuur. Maar ik voel mij slechts één wezen. Wat ik doe en denk en wil, is m ij n daad en wil. En daarom drukt het mij dubbel als ik voel niet goed' gedaan te hebben. Ik kan u echter toch begrijpen. Er is veel dat op re kening komt van de omstandigheden...." „Dat is het juist", viel hij in, „verhoudingen en om standigheden, waarin wij van jongsaf geplaatst zijn, daar kunnen wij niet zoo gemakkelijk aan ontkomen. Overal drukken die omstandigheden...." Zij liet hem niet uitspreken. Er kwam een warme glans in haar oogen. „Wie zich bewust is van zijn eigen kunst, wie vast gelooft aan eigen kracht en eindelijk slagen in de toe komst die heeft 'n inwendigen schat, waartegen ger, den bekenden dirigent verzocht mij juffrouw Oppenheim, nadat mijn nichtje gezongen had, ook eens te willen voorzingen, omdat mijn oom mijn stem aangenaam vond. Ik zong haar voor, zoo goed en zoo kwaad als ik het toen kende; mej. Oppenheim meende, dat ik veel aanleg voor den zang had en ra«adde mij aan, mij als zangeres te ontwikkelen. Mijn moeder besloot, nadat ik de II. B. S. met goed gevolg afgeloopen bad, aan Messchaert te schrijven, wiens naam zij in een advertentie van het Amster- danisch Conservatorium gelezen had. Messchaert hoorde mij zingen en heeft mij later gezegd, dat hij vooral toen dadelijk getroffen was door de zuiverheid van mijn zingen. De stem zelve vond) hij toen klein. Hij zeide mij, nadat ik voorgezongen, had': „Leert u vooral niets van den zang, voor u bij mij komt. Stu deer verder piano, leer harmonie en solfège." Want toen ik examen deed, kende ik de temen niet. Daarna kwam ik dan onder Messchaerts leiding en1 ik heb van hem Veel geleerd." „Welke methode volgde Messchaert?" „Hijzelf was gevormd door Stockhauseai." „Had hij diens methode verbeterd of veranderd? Wij vragen u met belangstelling- naar de methode, volgens welke Messchaert u ontwikkelde, omdat tegen woordig er een aantal verschillende methoden) bestaan, zoodat de beginnende zangeres of zanger vaak niet weet te kiezen. Ook ken ik voorbeelden van stemmen, die door slechte methoden of niet goed toegepaste, be dorven zijn? Moest u spreekoefeningen maken-Volg de Messchaert de Italiaansehe „belcaaito"-methode?" „Ja-, liet was.het bel-eanto, naar zijn ondervinding gewijzigd. Ik zelve heb geen spreeklessen genomen, maar ik vind ze hoogst nuttig. De scherpe Holland- sche g, sprak ik, daar ik uit Brabant kwam, reeds naar zuidelijk gebiuik, weeker uit. Het meest leerde ik van Messchaert omdat hij alles zelf zoo uitstekend, zoo volkomen kon zingen en voorzingen. Er ging van hem, van zijn groote persoonlijkheid, zooveel uit. Ik denk nu nog altoos dankbaar aan 't vele, dat ik van hém geleerd heb en dat allemaal nuttig, goed en juist is geweest. Jk was toen achttien jaar en begon lang zamerhand meer te werken dan mijn opgaven, omdat ik liefde kreeg voor den zang." „Welke methode zoudt u thans aan een jonge zan geres, die gevormd wenscht te worden, aanraden?" „Dat zou ik moeilijk kunnen' zeggen, omdat liet voornamelijk op groote intelligentie en goed gehoor bij de leerlingen aankomt. Van prachtige stemmen, van goed materiaal komt vaak weinig terecht, omdat het de bezitster van) 't schoone geluid aan intelligentie ontbreekt. Met intelligentie en gehoor en gevoell, met innige muzikaliteit kan echter ook van een minder glanzend stem-materiaal wel iets goeds gevormd wor den. Toch, om een werkelijk goede zangeres te wor den, moeten een aantal omstandigheden op gelukkige wijze samenkomen." „Hecht u veel aan techniek? Of meent u. dat de natuur ook dat overbodig kan maken." „Neen, zingen, bet innige zingen is een wegschen ken van den schat des harten. Maar het is niet mo gelijk het gevoel zoo te uiten als het moet. zonder dat, door veel techniek, het materiaal, het stern-instrument in staat is geworden, ook alles ten uitvoer te brengen, wat het gemoed- verlangt te uiten." „Vreest u niet, dat door altoos geheel zijn gevoel in de stem te leggen, het stemorgaan1 vroeg zal verbruikt zijn? Wordt het niet te sterk door de emoties aange grepen. Men zegt, dat Adeline Patri haar stem tot op zoo hoogen leeftijd frisch en ongeschonden heeft kun nen bewaren, onulat zij nooit mede-voelde met 't geen zij zong." geld alleen niet opweegt, Wat bent. u dan rijk bij mij vergeleken! Ik heb niets waarmee ik ledige uren kan vulleu, niets groots inwendig. Ik kan niet in een werk plaats gaan of atelier, zooals gij, om daar mijn ge dachten uit te drukken in de stof, ik hel» niet dat rij ke gevoel van iets te zijn en iets groots te kunnen voortbrengen nu of anders later. Ik leef hongerig, terwijl ik aan goed gevulde tafels zit is het niet vreeselijk Hij stond als verpletterd hij de ontdekking, dat hij zich vergist had den vorigen avond. Nu hij in haar nabijheid was gevoelde hij, dat zijn wantrouwen geheel ongegrond was geweest. Het seheen hem een mis daad van groot gewicht, dat hij haar zoo had durven verdenken. Hij had zijn knie wel willen buigen om, voor haar neergeknield, vergeving voor zijn ernstig misdrijf te vragen. „Vergeef mij, dat ik..,." Hij kon geen andere woorden vinden. „Vergeef het mij!" Haar borst ging snel op en neer van de gejaagde ademhaling, terwijl zij hem de hand toestak. „Ik kan u gemakkelijk vergeven. Maar u-zelf moe-t u niets vergeven." Hij greep met groote ontroering haar hand. „Wanneer ik laf heb gehandeld en twijfelde" hij hakkelde de woorden uit, zonder het zelf te weten „als ik een oogenblik de ideale voorstelling van u door mijn kortzichtigheid bedierf dan is dat inder daad onvergeeflijk. Ik ben een dwaas inderdaad als ik nu aan het eind van mijn leven stond zou het beter zijn. Ik zou alles willen doen wat u wenscht." Hij had zich over haar hand gebogen. Ute stond bewegingloos. De vurige kus, dien hij haar op de hand' had gedrukt, werkte als een electri- schen schok op haar. Het werkte betooverend op haar en zij kon zich daaraan niet onttrekken. Hand in hand, oog in oog stonden zij zwijgend te genover elkander. De gedachte dat hij op dit oogenblik Ute voor zich kon winnen, deed) hem duizelen. Dat geluk scheen hem te groot voor hem. Maar hij hield haar hand nog altijd in de zijne en dus was het toch geen droom. „Neen, ik ben overtuigd, dat óók de stem bewaard kan blijven, als men. zingend, zijn innerlijk uit. Kunst is geen uiterlijke vaardigheid, maar kunst is uiting van gevoel en de kunst-uiting van iemand hangt ten nauwste samen met zijn karakter, zijn wezen. Ik houd meer van Jenny Lind, van wie men zegt, dat zij ook j tot op hoogen leeftijd haar vermogen om te zingen behield, maar die altoos meegeleefd heeft, met 't geen zij zong en zelve een hoogstaande vrouw is geweest.." „Was de strijd om er te komen, toen u eens uw voorbereidende studie voltooid had, moeielijk?" „Neen niet zoozeer. Ik bleef van mijn 18e tot mijn 22ste jaar onder Messchaerts leiding en zong op mijn 20ste jaar mijn eerste concert te Hoorn, in Mes- schaert's geboorteplaats, 'k Stond op 't programma als mej. A. R., leerlinge van 't conservatorium." „Waart u niet zeer zenuwachtig „Neen, toen nog niet. Wel was ik verbaasd, dat ik nu werkelijk als concertzangeres zou optreden, want lot dien tiydl had ik nog altijd geweifeld tusschen zan geres worden of zang-onderricht geven. Ik zong o.m. een aria uit „Die Sehöpfung" van Haydn en liederen van CHth. van Rennes. Want Messchaert liet mij ook Xederhindsch zingen." „Meent u, dat liet Neder la ndsch als zingtanl ge schikt is?" „Maar zeker. Ik zinfj 't liefst Nederlandscli en Duitseh. Die beide talen met dezelfde liefde." „Had u op uw eerste concert te- Hoorn succes?" „Er was iemand onder de aanwezigen uit Deventer, eu deze beer vroeg mij dadelijk om ook te Deventer te komen zingen. Messchaert zei mij: „Dat is een be wijs, dat je succes hebt." Later, na het tweede con cert, toon ik weder uitgenoodigd werd, heeft hij mij nog eens die aanmoedigende woorden toegevoegd. Mijn tweede concert was dat te Deventer. Ik zong er in een klein oratorium „Die Kreuzfahrer" van Niels Gade en een paar liederen. En na mijn concert kreeg ik een aanvrage om weder elders te zingen." „Had toen uw stem reeds hetzelfde timbre als tbans." „Ja, het timbre is altoos hetzelfde gebleven en Messchaert heeft mij later wel gezegd, dat mijn hooge e hem reeds bij 't examen had getroffen als iets vol belofte. Maar de omvang van mijn stem is toegeno men. (Slot morgen). BERNARD CANTER. TWEEDE KAMER. In de vergadering van gisteren was liet. woord) over het pantserschip en de motie-Lobman (voorafgaund onderzoek door Staatscommissie) aan' den minister van binnenlandse he zaken (de heer Heemskerk), die zeide dat de Reg-, ernstige bedenking heeft tegen de motie. De Reg. kan geen steun in de motie vinden. Voorts is de motie onduidelijk; liet werk der door haar in te stellen commissie tijdroo- vend. De min. vreest ook een onzuivere stemming over de motie. Verder verdedigde de. min. het voorgestelde schip; het is geeu politiek voorstel. De oppositie, tegen het schip had soms veel van terrorisme. De Reg. acht af stemming onraadzaam, daar deze betreurenswaardige gevolgen en zakelijke ongelegenheid zou brengen. De heeir de Savor n' in Lobman (C.-II.) achtte een goede vloot, voor Indië urgent. Daarvoor heeft men aan het pantserschip niets; ook voor Neder land is het van twijfelachtige waarde. Spr. wilde niet met kleine proefschepen beginnen, doch als de behoef- „Mag ik het dan zeggen", zei hij, haar naar zich toe trekkend, „ma'g ik zeggen wat ik gedacht had nooit te zullen kunnen uitspreken?" Een gelukkig lachje gleed over haar gezicht. „En toch wisten wij. „O Ute Ute!" Zij schrok op. „Ik hoor schreden achter ons, laat ons voorzichtig zijn „Wij weten nu ook genoeg", zei hij, ook haar nndcro hand nemend en die krachtig drukkend en tegen zijn borst houdend. „Mag ik nog- een klein stukje mee terug gaan?" Zij knikte. De zon, die alles vroolijk belichtte, speelde ook om deze twee nienschen, terwijl zij teruggingen naar de stad. „Zoo arm aan gedachten en moed", zei Karl.sson met trillende stem, „als ik straks naar buiten ging, zuo rijk eu gelukkig keer ik terug! Op dit o> genblik kan ik vast beloven dat de moed om voort te werken en verdeer te strijden mij niet weer ontzinken zal. Ik zal mij tot het uiterste inspannen om je geloof in mij, je vertrouwen in mijn kunst te rechtvaardigen." Zij keek hem vast aan. „Ik heb uw belofte." „pie hebt gij", zei hij opgewekt. „En wat ik verder zal maken geloof mij, jij bent bet, die mij in staat stelt het/voort te brengen. Als ik nu arbeid, zal ik jou voor mij zien en bij mij gevoelen 1 Ute jij zult mijn beschermengel zijn nu en altijd! Door jouw liefde gevoel ik mij als herboren een nieuw mensch, moediger, met goddelijke macht!" Hij sprak zoo gloedvol, dat ook zij warm gestemd werd. „Elkaar waard zjjn en waard blijven", zei ze. „Uw hand nog even", zei hij gejaagd. Zij voldeed aan zijn wensch en hij voelde dat zij beefde; hij kuste haar. „Wij zullen elkaar spoedig weer zien", zei ze, haat- hand terugtrekkend. „Nu moeten wij scheiden...." De schreden, dia Ute en Karlsson al eerder gehoord et daartoe drijft, flink den vioolbouw aanvangen. Dit is geen grootdoenerij. Spr. meende, dat Indlië moet mede betalen. Spr. guf de bedoeling van de door hein gewenschte eommissie weer. Hij wilde geen paperas- serij, maar onderzoek naar het dadelijk noodzakelijke. Spr. had met zijn motie steun voor het Kabinet be doeld. Nu liet schip voor Indië noch Nederland deugt, vroeg^spr., of men om politieke redenen er 7Ve millioen voor mag uitgeven. Het door spr. aanbevo len uitstel moest der rogeering dienstig zijn, nu men het niet als zoodanig beschouwt, trok spr. zijn motie in. De heer Ma. reliant (V. D.) was verheugd, dat de regeering de kabinetskwestie niet gesteld heeft bij bet voorgestelde schip. Spr. wees op de oppositie te gen bet schip, waarb ijgeen terrorisme plaats had, al leen open critiek. Spr. was togen het standpunt om met dat schip liever „een half ei dan de leege dop" te aanvaarden. De heer II u g e n h o 1 t z (S. D. A. P.) wees op het ontbreken van verdedigers van het schip. Hij handhaafde zijn standpunt tegen het schip, ook tegen schepen van 15.000 ton. Naar aanleiding van de denk beelden om Indië meer of minder te laten meebetalen trok spr. de welvaart, van Indië in twijfel. Ondanks de intrekking- ging spr. vervolgens de motie-Lohman behandelen. Hierop werd overgegaan tot de regeling van werk zaamheden, waarbij de voorzitter voorstelde om 21 dezer met de Ziektewet- te beginnen. De heer van Veen (C.-II.) wilde eerst het ont werp betreffende de militaire rechtspleging- behande len, desnoods des avonds. De heer P a t ij n) (LL-L.) wilde de Ziektewet eeni- ge dagen later behandelen en bij de algemeene be schouwingen ook de pensioen-motie-Troelstra. De heer Troelstra (S. D. A. P.) zou tusschen de alg. beschouwingen over de Ziektewet en de artike len vacantie wenschen. Hiermede beoogt spr. geen obstructie. Over zijn peusioenmotie zei spr. dat zij niet bij de invaliditeitswet behandeld moet worden. Spr. hoopte, dat er door spoedige behandeling van zijn motie de beschuldigingen van den Standnard onge daan zullen worden gemaHkt. Hij noemde die aantij gingen gemeen. Spr. stelde voor zijn motie tegelijk met de algemeene beschouwingen over de Ziektewet te behandelen. De heer Treub (V. D.) stelde voor na de Bak kerswet te behandelen zijn interpellatie betreffende het rapport der staatscommissie voor de spoorwegen. Dc voorzi 11 e r handhaafde zijn voorstel. De^ heer P a t ij n stelde daarna voor 28 Mei met de Ziektewet te beginnen. De heer Schaper (S. D. A. P.) ondersteunde dit voorstel en protesteerde bij voorbaat tegen het niet behandelen der motie-Troelstra. De heer Nolens (R. K.) verdedigde het voorstel van den voorzitter, al bestaat tegen 28 Mei geen be zwaar. De heer Goeman Borgesius (U. L.) ver zoekt den voorzitter den termijn van 28 Mei over te nemen. Met 49 tegen 41 stemmen werd besloten op 21 Mei te beginnen met de behandeling van de Ziektewet. Met 68 tegen 26 stemmen werd daarna besloten na de Bakkerswet te behandelen de interpellatie Treub. Daarna werden de beraadslagingen over het pantser schip hervat. Do heer Van Nispen (R.-K. Rhedon) bracht met het oog op het verlangen der Kamer naar het einde do-s discussiën en op den overvloed' vaai arbeid, dio wacht, de rede, die hij had' willen houden, ten of fer. haddon, klonken nu dichter achter hen. Nog even, toen kwam er iemanol om een hoek van achter het gov boomte te voorschijn. Ilet was Lite's vader. Hij had na een slechten nacht een wandeling in de frissche lucht aangenaam gewon den en had daarbij dezelfde route genomen als zijn dochter vóór hem. Eerst dacht hij dat de jonge dame, die voor hem uit liep, slechts zeer veel gelijkenis met zijn dochter had, toen echter geen vergissing meer mogelijk was, kwam er een stille woede in hem op. Hij trok zijn bunden uit de jaszakken en zich nog stijver oprichtend dan zijn gewoonte al was, kwam hij op het tweetal toe, dat nog- met elkander in gesprek was. Toen zij iema.nd op zich af zagen komen schrikten beiden. Ute had een gevoel of een ijskoude hand haar vastgreep, maar zij veranderde haar houding niet. „Mijn vader", zei zij kalm, hoewel' een ongewone ontroering in haar stem trilde. „De heer Erieh Karls ♦«on, die nog geen gelegenheid heeft gehad; zich aan u voor te stellen." Karlsson had beleefd zijn hoed afgenomen, terwijl Bickenbaeh nauwelijks even aan den zijnen tikte. Dio geringschatting verscherpte het verbitterde gevoel dat de jonge kunstenaar tegenover Ute's vader kreeg. Bickenbaeh, voorloopig doende of hij zijn dochter niet zag. keek haar begeleider scherp aan. Hij mon sterde hein van liet hoofd tot de voeten en weer wan trouwend en min of meer dreigend van de voeten tot het hoofd. „Het doet mij genoegen", zei hij met toornig ge zicht, „dat ik meneer tenminste langs dezen weg leer kennen." De toon waarop hij deze woorden uitte dreef Karls son het bloed naar de wangen. „Nu heb ik gelegen heid u te vragen hoe u er toe komt met mijn dochter wandelingen te gaan doen. Dat zou ik wel eens wil len weten. Eeuige uitleg is zeer gewenscht. Hoort u niot wat ik zeg? Ik wil eerst eenigen uitleg van u hebban dan eerst." ader zei I to, die voelde wat dezo toon voor Karlssor- beteekende, ,.u vergist u zeer als u meent. ^Werdt vervolgd.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 1