DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Om het koude goud. 1912 ZATERDAG Haar eerste Bal. FEUILLETON. No. 146 Honderd en veertiende Jaargang. 22 N I. Deze Courant wordt eiken avondbehalve op Zon- en Feestdagenuitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk f 1, Afzonderlijke nummers 3 Cents. Telefoonnummer 3. Prijs der gewone advertentiën Per regel f 0,10. Bij groote contracten rabat. Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. Dit nummer bestaat uit 3 bladen. hadden. COURANT. Door C. WILD. Ella's eerste bal! Hoe verheugde zij zich in 't voor uitzicht daarvan, en nu? Angstig drukt ze zich tegen haar moeder, zonder 't te nierken, dat ze daardoor haar baljaponnetje erg k reukelt. Groote tranen komen in haar kinderoogen, een ze nuwachtige trek zweeft om haar mondje, nog een o ogen blik en ze zal in luid geween uitbarsten. hoe kinderachtig en toch het is haar schuld niet. Gelukkig zit mama in druk gesprek met haar buur vrouw, die vertelt dat haar zoon, de slanke, blonde, jonge man, die daarginds staat, te Berlijn tot profes sor benoemd is, en merkt dus niets van de tranen ba rer dochter. Nog acht dagen, zegt de dame zuchtend, en dan gaat hij heen, ach, wat zal ik 't dan vreeselijk een zaam hebben! En gaat u niet bij hem inwonen? vraagt Ella's moeder. Ach neen, mevrouw, hij is zoo goed als verloofd en zal waarschijnlijk wel spoedig gaan trouwen. Ella was nog steeds deelgenoot van 't gesprek en deed moeite haar tranen te bedwingen, wat moest zij anders doen dan luisteren, niemand! bekommerde zich immers om haar. Haar vriendinnen werden allen ge vraagd, maar zij was een muurbloempje. Het is waar, Ella is geen aantrekkelijke verschij ning. Zij is klein, ofschoon ze een aardig figuur heeft; haar gezichtje is wel innemend, maar niet mooi. Zij heeft echter mooie, groote, blauwe oogen en een fijn besneden mondje, doch deze voordeden komen minder uit; want spreken de heeren haar aan, dan kijkt ze schuchter naar den grond1 en antwoordt bijna niet. Ella was zeventien jaar en nog zeer naief en kin derlijk. Zij verstond de kunst niet, zoeals vele meis jes van haar leeftijd', om de heeren te boeien, zij wist niet eens hoe zij een gesprek moest voortzetten; van daar dat zij bleef zitten en niemand acht op haar sloeg. Eén dans heeft ze evenwel gehad en wel den eersten van het bal. Haar cavalier was een mager jongmenseh met een monocle voor zijn oog. Nauwelijks was zij eens de zaal rond' geweest of zij had 't ongeluk op haar japon te trappen, zoodat de kant er bij hing. Zij ging de kleedkamer in en liet het zoo goed als 't ging herstellen. Toen zij de zaal weer binnenkwam, stond1 haar dan ser, met den rug naar haar toe, in gesprek met een anderen heer. Wel, hoe bevalt je die kleine Peters met wien je zooeven gedanst hebt? Het jongmenseh, met wien Ella gedanst had, trok onverschillig de schouders op en zei; Dat is eens, maar nooit weer! Ella had dit gesprek gehoord, en ging stil naast haar mama zitten. Zij had) niet 't minste genoegen meer. Liefst was ze dadelijk naar huis gegaan, maar ze durfde het haar mama niet vragen en, wie weet, mis schien kwam men haar nog wel eens vragen. Haar stille hoop werd) echter niet verwezenlijkt de dansers kwamen niet opdagen. Ella's mama werd nu ook eenigszins onrustig gestemd'. Weer begon de muziek. Als ze nu weer moest blij- Roman uit het Duitsch van GEORG HARTWIG. 68) -o- Niet waanzinnig, maar onuitsprekelijk droevig en met koortsachtig glazende oogen keek Bickenbach in Sodens welwillend gezicht. „Het zal spoedig gedaan/ zijn met mij, laat mij hier blijven. Laten zij mij hier niet van daan halen". ,,Zoo waar als ik hier sta," zei Soden, de gloeiende hand van den eens- zoo gespierden geleerde grijpend, „je blijft bij ons, bij mij. Al zou ik de bescherming van de politie ook inroepen je blijft hier! Je moe» eerst rust hebben. Ik ga Marie wekken. Wij zullen je op bed brengen." „Blijf nog een oogenblik hier! Eerst een woord met jou alleen hoe het gekomen is." Hij hield Sodens hand angstiger vast in de zijne geklemd. Dokter Soden bleef staan en keek diep ontroerd1 in liet gelaat van den vroeg oud geworden zieke. Heinrich Bickenbachs borst ging zeer onregelmatig op en neer en wat hij zei ging vaak in een bijna on verstaanbaar fluisteren over. „Er was een nieuwe verpleger gekomen mijn vroe gere bediende in gelukkige jaren. O, hoe hij mij aan sprak, neen aanriep toen hij mij zag en herkende! Wat een schrik, wat een leed)! Zie, die stem ging mij door het hart, door het hoofd! als een steek. Er veran derde iets in mij, er sprong iets open, ik liep op hem toe, ik omarmde hem. Wilhelm, ja, Wilhelm Rotter! Ik heb zijn naam geroepen steeds weer moest ik dat doen. De tranen liepen hem over de wangen. Ik was weer mijzelf! Ik was weer vrij ik kon weer denken 1" „En toen kreeg je de gedachte „Ter stond kreeg ik de gedachte om te ontvluchten," ven zitten, dat zou toch verschrikkelijk zijn! Met alle kracht bedwong zij haar tranen. Plotseling staat er een jongmenseh voor haar, het was de zoon van de dame, met wie haar moeder ge sproken had. Ellia krijgt een hoogroode kleur, nu hij haar vraagt om met hem te walsen. Bevend legt ze haar kleine hand op zijn arm, een traan valt oip de mouw van zijn rok. Ella ziet het en schrikt. wat zal hij me uit lachen, denkt ze. Professor Herbert lacht echter niet, hij ziet Ella vriendelijk aan en geeft haar tijd zich eenigszins te herstellen. Herbert heeft echter niet uit eigen beweging haar gekozen, doch zijn moeder, die medelijden met 't ver laten meisje gevoelde, had! hem op haar afgezonden; en hoewel hij geen liefhebber van dansen is, wil hij toch graag zijn moeder een genoegen doen. Ella praat met hem over allerlei dingen. Herbert spreekt zoo geheel anders dan' de overige heeren. Zij is nu niet meer verlegen en vertelt hem van haar bloemen en) vogels en allerlei andere dingen, en tot haar niet geringe vreugde bemerkt zij, dat Herbert zich niet in haar gezelschap schijnt te vervelen. De dans is uit, met van vreugde stralende oogen keert ze naar haar moeder terug. De professor heeft haar geluk aangebracht, zij wordt steeds gevraagd en fladdert nu als een vogeltje door de zaal. Professor Herbert was inmiddels uaar een bijzonder mooi meisje gegaan, die zijn groet met een spotachtig lachje beantwoordde, terwijl ze vervolgde: Gij schijnt u bijzonder geamuseerd te hebben met die kleine danseres. Ik wist niet, dat u ini uw eisehen zoo bescheiden waart. Ik begrijp u niet goed, juffrouw Martha, ant woordde hij op ernstigen toon. Als u juffrouw Peters bedoelt.ja, ik beb heel gezellig met haar gepraat. Martha haalde de schouders op. Het is nog zoo'n kinderachtig schepsel, zei Mar tha verachtelijk. Mertens heeft me zooeven nog ver teld, dat het een erg dom en schuchter kind' is. Schuchter is zij, maar volstrekt niet dom, ant woordde de professor met nadruk. Ik begrijp niet, hoe u naar dat nietszeggende gewauwel van dien. me neer Mertens kunt luisteren. Martha werd vuurrood, en met moeite haar toorn bedwingende, zei ze: Mertens is een man van de wereld en geen boe kenworm, ik praat heel graag met hem. Het spijt me voor u, zei Herbert, maakte een buiging en liet het meisje alleen. Martha zag wel dat ze hem gekrenkt had, doch dat was juist haar doel geweest. Hij zal wel terugkomen, dacht ze, terwijl ze zich met haar sierlijken waaier wat koelte toewuifde. Herbert kwam eohter niet terug. In gedachten zat hij in een afgezonderd! hoekje van de balzaal en zag peinzend naar 't bonte gewemel. Reeds als jong student hud Herbert de mooie doch ter van Wall liefgehad. Zijn moeder was de vriendin van die van Martha, en zoo kwam 't dat Herbert meermalen Martha ontmoet had. Reeds toeni speelde Martha de baas over den stillen, beschroomdeu knaap. Later, toen' hij meer man geworden1 was, ging dit niet zoo gemakkelijk, maar een lach van Martha was voor hem voldoende om haar in alles heur zin te ge ven. Martha had! er echter nooit ernstig over gedacht, of zei Bickenbach met trillende lippen. „Weg! En al leen. Niemand om mij te helpen. Het was mij alles duidelijk hoe het gaan moest. Het lie.p goed. Ik kwam buiten. Nevels hingen op straat eni ik liep verder, voort. Vaak was het mij of ik schreden en stemmen achter mij hoorde ik begon sneller te loopen. Op het station wist ik nog juist den trein te krijgen." „Toen liep je gevaar bij je aankomst hier aangehou den te worden," viel Soden in. „Dat je hierheen zoudt vluchten, heeft men in het gesticht natuurlijk dadelijk vermoed." Bickenbach schudde het hoofd. „Op het voorlaatste station ben ik uitgestapt. Daar woont de weduwe van een man, dien ik eens gehol pen heb. Ik dacht daar toevallig aan. Zij nam mij in haar woning op. Vandaar ben ik per rijtuig hier heen gekomen. Soden, ik dacht aan jou bescherm mij. Laat niemand1 bij mij toe, Bergitzky niet en nie mand. Alleen mijn Ella, mijn arme Ella De laatste woorden stootte hij met moeite uit, toen zonk hij achterover, zijn oogen vielen dicht. Een flauwte beving hem. Soden's blikken rustten met diep medelijden op het gezicht van Bickenbach. Toen schoof hij hem wat te recht, om te voorkomen, dat hij van zijn stoel zou val len en ging naar de slaapkamer terug om zijn vrouw te wekken. Hij stond even voor het bed. Wat een verschil, Ma rie's gezicht in den slaap en Bickenbach's vervallen en aangrijpend voorkomen. Haar lange blonde vlechten hingen over den bedrand, haar handen lagen over el kaar op het dek. Soden boog zich voorover en kuste haar op het voor hoofd, wel wetend, dat hij haar eerst zeker zou doen schrikken met de tijding van Bickenbach's komst. Marie werd wakker toen haar man haar voorhoofd had aangeraakt en sloeg, nog wat verward, haar oogen op. Zij meende dat hij, als zoo vaak, bij een patiënt geroepen was. „Moet je al weer weg?" vroeg zij. „Neen", zei Soden, haar hand drukkend. „Maar je moet opstaan. Bickenbach is beneden. Hij is tot ons om hulp gekomen." zij Herbert wel liefhad. Zijn innige toegenegenheid streelde haar ijdelheid; ze vond t een heerlijk gevoel, verder dacht ze echter niet. Eerst toen1 Herbert te Berlijn professor geworden was, begon zij ernstig na te denkeu. Hij was toch wel beschouwd zoo'u slechte partij niet. Als vrouw van n professor zou zij ia Berlijn haar huishouden op groote schaal kunnen inrichten. Deed hij aanzoek om haar hand, ze zou niet onge neigd zijn „ja" te zeggen, eni dat dit nog vóór zijn vertrek zou geschieden, was, volgens haar meening, zoo goed! als zeker. Op sommige punten wilde Martha haar vrijheid be houden; bovenal wilde zij zich door eeni ieder 't hof laten maken en schitteren met haar schoonheid. Mertens was in de oogen van den professor een ver waande gek, terwijl Martha altijd den mond' vol had van zijn beschaafde manieren. Nog nooit was dit verschil van meeniug zóó sterk uitgekomen als hedenavond. Met ingehouden toorn zag hij hoe zij aan den ann van den fat ging. Was dat nu 't meisje, dat hem door haar schoonheid zoo betoove.rd had Plotseling schrikte hij uit zijn droomerij op. Mar tha had beloofd met hem deu cotillon te dansen, liij had nog wel tijd genoeg er voor, maar hij was blij een voorwendsel te hebben om weer in haar nabijheid te komen. Hij wilde van dat oogenblik gebruik maken, om haar te smeeken hem niet meer zoo te krenken. Hij trad op haar toe en herinnerde haar aan de belofte. Martha zag hem verwonderd aan en zei: Den cotillon? Gij vergist u, meneer, ik heb dien dans aan meneer Mertens beloofd. Het was een kleine wraak van haar, ze belcedigde hem iu 't bijzijn van een man, die ver benedeu Herbert, stond. Zijn doodsbleek geworden gelaat getuigde hoe diep zij hem beleedigdl had. Grievende smart sprak uit zijn gelaat, doch slechts één oogenblik.... met trot- sche houding zag hij 't meisje ernstig aan. Haar lip pen beefden, zij wilde een) vergoelijkend woord uiten, maar 't was te laat. Herbert boog en verliet baar. Ella Peters danste den cotillonl met den professor; ditmaal had ze eeh zeer verstrooiden danser, maar niettegenstaande dat, voelde zij zich toch overgeluk- kig. Toen hij Ella naar haar plaats terugbracht, keek zij hem deelnemend aan, hij zug er zoo bleek en moe uit. Die vriendelijke blik uit de groote, blauwe oogen deed hem goed, 't was een druppel balsem in zijn ge wonde ziel. Met een handdruk nam hij afscheid. Zij zelf spoor de nu haar moeder aan tot vertrekken, zij wilde niet langer blijven. Terwijl Herbert in zijn studeerkamer onrustig heen en weer liep en met geweld zijn teleurgestelde liefde bestreed, drukte Ella haar blonde kopje diep in de kussens van1 haar bed. Het beeld van den bleeken, ernstigen man stond haar nog voor den geest, 't was alsof zij nog dien. in- nigen handdruk voelde, en zacht fluisterend klonk 't van haar lippen: „Hoe heerlijk was toch mijn eerste bal." Sedert dezen voor Ella zoo gelukkigen avond waren vele jaren verloopen. Ella's eerste bal was ook haar laatste gebleven, zij had geen pleizier meer in dansen, zei ze. Stilzwijgend hoorde zij toe, als haar vriendinnen vertelden, hoeveel bals zij dezen winter al meegemaakt „Heinrich Bickenbach?" riep zij ongeloovig. „Ja hij is gevlucht, zooals je weet en ik vrees dat het niet erg goed met hem is. Sta op Marie en laat de tuinkamer in orde brengen. Hij moet zoo spoedig mogelijk naar bed." Marie kleedde zich haastig aan. „Maar wat moet daarvan worden? Wat voor on aangenaamheden laadt je misschien daarmee weer op je, lieve Otto!" riep zij, haar vlechten opstekend. „Daarover later. Je kunt gerust zijn. Ik zal de moeilijkheden wel overwinnen. Voorloopig gaat het niet om mij, maar om een hulpelooze." „Is hij weer bij zijni verstand?" vroeg zij, een mor genjapon aantrekkend. „Zoo goed als jij en ik." Met die woorden ging hij terug naar Bickenbach, die zich weer eenigszins hersteld had en de oogen we der had opgeslagen. „Kom", zei Soden, hem bij het opstaan helpende. „Je bent nioe en koud. Marie zal je wat versterkends brengen vóór je gaat slapen. En nu geen angstige gedachten meer hoor je. Rust, kalmte is geboden. En je kunt gerust zijn, niemand zal je hier storen. Je bent veilig bij mij.?? Marie sidderde nog over al haar leden van opgewon denheid, toen Soden een half uur later weer bij haar in de kamer kwam. „Hij slaapt!" „Den hemel zij dank", zei ze, haar armen om zijn hals slaande. „Maar wat een moeilijkheden zullen er nu voor je komen!" Zij zag nog het schitterende feest ter eere van Ute en Ronnigcs voor zich wat een vreemd naspel was dit van al die vroolijkheid en beweging! „Ik zal mijn man wel staan, heb maar geen zorg", zei hij, haar wangen streelend. „Maar Bergitzky en Fidelia! Otto Otto!" „Ik werp mijn annzien als dokter in de weegschaal. En bovendien zijn er collega's genoeg, wier autoriteit zelfs een Bergitzky niet zal durven betwijfelen." „Als Fidelia bleef weigeren om „De zieke mag voorloopig niet getransporteerd wor den, d*t zog ik, da dokter die hem onder zijn behan- De herinnering aan hafcr eerste bal was haar vol doende. Zij was niet meer dat verlegen, onbeholpen meisje, dat „kinderachtige schepsel", zoeals men haar genoemd had. Ze was ernstiger geworden. Het beeld van den man, die zieli over 't eenvoudig meisje had ontfermd, stond! haar steeds voor oogen. Sedert dien avond had! ze hem nooit meer gezien en slechts zelden iets van hem vernomen, maar de ge dachte aan hem bleef haar immer bij. Herbert was door zijn moeder naar Berlijn gevolgd; de mooie Martha Wall was met Mertens gehuwd en woonde eveneens te Berlijn. Martha had haar huis houden op kostbaren voet ingericht, maar haar geluk zocht ze op bals en concerten. Dikwijls hoorde zij over den professor praten, want hij was een algemeen ge acht man, en eens1 trof ze hem toevallig aan op een partij waar ook zij genoodigd was. Eerst ontroerde ze, maar herstelde zich dadelijk en stak hem vriendelijk lachend) de hand toe; ze praatte druk over allerlei dingen, terwijl ze haar prachtiger» waaier koket heen en weer bewoog. Zij sprak van de herinneringen uit haar jeugd! en eindelijk over 't bal, waarop zij beiden gedanst hadden. Kalm en bedaard hoorde Herbert deze trotsche en kokette vrouw aan. Die vrouw, voor wie hij zooveel had gevoeld, maakte nu niet den minsten indruk meer op hem. Men kon het Martha aanzien, dat zij zich inwendig ergerde, nu haar gesprek zoo weinig invloed had op den man die vroeger voor haar boog, en om zich te wreken, zei ze: Herinnert ge u dat onnoozele kind nog, dat er zoo overgelukkig uitzag, toen ze met u mocht, dansen? Hoe heet ze nu ook weer, zoo'n algemeene naam, was 't niet Ella Herbert's gelaat, dat tot nu toe somber was, klaar de plotseling op, toen hij dien naam hoorde noemen. In zijn gedachten zag hij de mooie, blauwe oogen van dat meisje. Hoe was het mogelijk geweest, dat hij die had kunnen vergeten! In de laatste jaren hadl hij 't zoo druk gehad met studeeren, dat hij alles wat om hem was vergat. Zijn moeder had' zijn: kamer zoo gezellig enj gemakkelijk weten in te richten, dat hij letterlijk niets miste. en toch dacht hij nu: hoe gelukkig moet het toch zijn een lieve, goede vrouw te bezitten, een vrouwtje dat met hart en ziel haar man lieifheeft. Met een strak gelaat zag hij de voor hem slaande vrouw aan. Zulk een vrouw, zooals hij zich nu voor stelde, zou hij in Martha niet gevonden hebben. Met een trotsche beweging wierp zij 't hoofd in den nek en begon' te lachen oveT zijn „geleerde verstrooid heid." Welnu, professor, geeft ge me geen. antwoord op die vraag van zooeven? vroeg Martha. Zijn ernstige, doordringende blik joeg haar schrik aan. Er zijn zaken, waarover men liever niet spreekt, zei hij bedaard. Die bewuste bal-avond is voor mij een heilzame les geweest en misschien brengt hij me toch nog geluk aan. Ze begreep die woorden niet en zag hem verwonderd aan. Wat zou hij daarmee willen zeggen? vroeg zij ziehzolve af. De professor scheen haar echter geen nadere ophel dering te willen ge.ven. De toon zijner stem klonk zoo bedaard en vast, hij zag haar zoo koel in de oogen, dat de kokette vtouw wel begreep, dat zij hem geheel onverschillig was. deling heeft. En nu het wordt al dag. Wij moeten het ditmaal zonder meer slaap doen. Wacht nog een oogenblik." Hij ging zitten en schreef eenige regels op een blad papier. „Zoo! Dit telegram aan da inrichting, waar Bic kenbach verpleegd' werd, moet onmiddellijk aan het telegraafbureau bezorgd! worden. Wil je er voor zor gen, dat. het gebeurt?" Hergitzky wilde juist zijn overjas aandoen om op weg te gaan naar het station, toen een telegram bin nen werd gebracht van dokter Lenzfeld, meldende, dat professor Bickenbach, blijkens een pas ontvangen telegram, zich bevond ten huize van dokter Soden. Men vroeg den heer Bergitzky en zijn dochter zelf de verdere maatregelen te willen nemen. In den eersten schrik en plotselinge verrassing ver scheurde Bergitzky het telegram en wierp het met zijn hoed er bij o.p den grond. Een namelooze woede overmeesterde hem. „De eene schurk bij den anderen", stiet hij uit. „Een mooi tweetal! Maar wacht maar, ik zal ze wel krijgen. Ik zal dien hond Soden het doorsnuffelen in mijn familie wel afleeren!" Hij snelde naar Fidelia, die nog aan het ontbijt zat met een roman in de hand. „Wat nu?" vroeg zij. Bergitzky's stem klonk ongewoon scherp, toen hij haar hand greep en die ongenadig drukkend, riep: „Wat nu? Je man is bij Soden. Nu eisch je dat hij hier wordt gebracht jij zelf moet hem verplegen. Je bent van rechtswege daartoe bevoegd, voor het al taar heb je het. beloofd je moet hem bijstaan. Ver sta je? Geen mensch kan verhinderen, dat je deze plichten vervult. Jij bent zijn vrouw, jij wilt hem hier hebben, moet je zeggen. Je moet met het gerecht dreigen, daartoe ben je bevoegd. Je moet je rechten met vasten wil tegenover Soden's praatjes stellen. Hij zal het geld' niet hebben." (Wordt vervo

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 9