DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Om het koude goud. No. 161. Honderd en veertiende Janrgang. 1912. WOENSDAG 10 JULI. ENGE LS cTTe"bR IËV EN? FEUILLETON, Stedelijk Museum. ALKMAARSCHE COURANT. BEZICHTIGING op ZOJfDAG 14 JUM a.s des namiddags van 1—S uur, tegen betaling van f O.IO per persoon. Het is verboden in de lokalen te rooken. Ingang BREED8TB1AT. Kinderen beneden 12 jaar worden niet toegelaten, van 12 tot 16 jaar slechts onder geleide. Gelijktijdig mogen niet meer dan 50 personen in de lokalen zijn. LONDEN, 6 Juli 1912. KONING EN KONINGIN TE IIENLEY. Het landschap, waar de Theems langs Henley stroomt, is niet zoo mooi als op tal van andere plaat sen, doch het is desniettemin zeer liefelijk. Aan weerskanten liggen groote buitens of ruime weiden, en hooge heuvelen in de provincies Oxford en Buc kingham, met dichte bosschen begroeid, waartusscheii hier en daar een mooi kasteel of groote villa glunder en coquet komt uitgluren. Het gezicht op die heuvels en weiden is intusschen, al is het mooi en liefelijk, niet grootseh genoeg om te doen vergeten dat het wat eentonig is. De families, die zich de weelde van een woonboot, een „house boat", kunnen permittee ren, liggen met die booten dan ook meestal niet bij Henley, doch laten hun drijvende woningen voor de week der beroemde roeiwedstrijden daarheen sleepen en verdwijnen na afloop weer naar de plek waar ze den zomer doorbren gen. Men heeft evenwel het stuit Theems bij Henley voor de „regatta" gekozen, omdat het zoowat het eenige riviervak is, waar niet te veel stroom gaat en 't bo vendien drie a vier kilometer lang is zonder een enke le bocht; een geweldige uitzondering bij deze sterk kronkelende rivier. Dit vak wordt aan de eene zijde schilderachtig' afgesloten door de oude, fraai gebogen steen en brug bij Henley, wa.arboven de kerktoren met zijn kanteelen geestig' oprijst tegen de lucht, terwijl aan het andere einde een eilandje midden in de rivier ligt, dicht begroeid! met. hoog hout, dat een villa, in den vorm van een Griekschen tempel, aardig laat uit gluren. Aan dén rechteroever, in Berkshire, is wei land; aan den linkeroever heeft men de mooie'buitens, met ruime gazons en kleurige bloembedden. Aan beide oevers zijn restauraties, boothuizen, hier en daar een tent voor de muziek. Al de woonbooten liggen aan den linkeroever. Het. zijn vrij groot gevaarten van twee verdiepingen. Beneden heeft men zit-, slaap- en badkamers, keuken enz. Daarboven is een tentdak ge spannen, met leikleurige lampions, overvloed van dek- stoelen, tuinstoelen eu dergelijken, zoodat men in de open lucht zit, op het water is en toch beschut voor regen of te feilen zonneschijn. AL die woonbooten zijn in lichte kleuren, meestal wit- met groene of blauwe biezen geschilderd', ze han gen vol kleine vlagjes en vaantjes en overal langis staan of hangen bloempotten, meestal met roode gera niums en anjelieren, margerieten en a.ndere witte bloemen. Gedurende de geheele regatta-week ziet men overal op do rivier van Henley tot het tempel-eilandje een dichte drom schuitjes en bootjes heen en weer varen: punten, wherries, giekjes, kano's, motorbootjes, boei- ertjes, alles klein goed, licht en gemakkelijk te bewe gen en te sturen. Eén derde der rivier is afgezet met witte palen, waarlangs boomen liggen, dat derde, de middenmoot, wordt gebruikt voor de „races" en zoodra er een geroeid zal worden, schikt zich de geheele va rende gemeente achter die palen, in de twee derden langs rechter- en linkeroever; alleen de motorbooten der politie en der „Thames Conservanecy" den rivier waterstaat, varen nog op en neer. In die oogenblikken vóór een race krijgt men het beste begrip van de Henley regatta. Overal langs de oevers een dichte menigte, ieder gekleed in lichte kleuren, de dames meestal in 't wit, met helder roode of andere strikken, of wel haar wit toilet scherp afgezet met zwart. De hoeden, groot of Roman- uit het. Duitsch van GF.ORG HARTWIG. S3) -o-~ „De tijd voor het rouwen.zei ze zacht, om hem niet nog meer op te winden. „Nu ja dat is het eenige waar je over praat. Neem een voorbeeld! aan mevrouw v. Blomberg. Die- valt haar man met haar rouw niet zoo voortdurend lastig als jij. Zij heeft altijd nog de kracht om te schertsen en een geestig woord' te zeggen. Leer va haar, hoe men met een, man moet omgaan om het hem naar den zin te maken. Dat treuren en huilen moet eenmaal weer een -eind nemen. Ontvang mij op gewekt als ik thuis kom en niet altijd zoo somber en verdrietig! Doe daar toch je best eens voor. Maar jawel! jij bent niet eerder tevreden dan vóór mij de gal overloopt." Hij verliet driftig de kamer. Krochel wierp de deur achter zich dicht, schoot zijn jas aan en ging- voor het verdere van den avond naar liet Casino. Ella bleef als verdoofd achter. Een oogenblik dacht zij er aan zich te; dwingen om naar mevrouw Blomberg te gaan, over wie haar man gesproken had, „als ge schikt om er een goed voorbeeld aan te nemen hoe men met een man moet omgaan", maar de moed daar toe ontzonk haar. Zij zou toch niets hebben kunnen zeggen wat mevrouw Blomberg zou hebben geinteres seerd. Misschien dreef men den spot reeds met haar en sprak men medelijdend over Krochel, die zoo'n wei nig' voor hem passende vrouw had getrouwd. Die ge dachte had haar al vaker geplaagd. Goed beschouwd had zij ook nooit, een huwelijk met K-rochel begeerd vrijwillig was zij zijn vrouw niet geworden. Zij leed omdat Willi Baehmaivn, zooals- zij nog- altijd meende klein, met veeren, bloemen of strikken, die als kleur- flitsen het oog trekken; zigeuners1 in haar kakelbonte kostuums breken, hier het wit der anderen; elders heb ben zich varende minnezangers in rose domino's ge stoken en dragen zwarte maskers voor 't gezicht; ginds ziet ge een-schuit, waar lieve jufferen in blauw katoen met witte opslagen en boezelaars, wit en blau we floddermutsen, bevalliger dan hun naam, thee of anderen verfrisschenden drank bieden; fruitschuiten varen aan -en varende venters bieden vlaggen of rozet ten te koop, terwijl anderen speelgoed voor groote me n.se henmirlitons, ronzebonzen, fluitjes of horen tjes, trachten van de hand! te zetten. Ileeren in wit flanel, of bonte buisjes, „blazers" genaamd, bijna allen blootshoofds, verstoren ditmaal liet kleurrijk tafereel niet door zwarte jassen en hoedten. 't Is een onvergetelijk gezicht, een tooneel vol gra- tie, eon schilderij vol kleur en levem Zacht klinkt de muziek over het water, de lucht is bedekt, zonder dat het drukkend is; eenige oogenblikken, juist is de lunch-pauze, valt er wat regen en ratelt een enkele donderslag in de verte; doch den geheel-en- d-ag blijft het weer ideaal mooi en friseh. Tegen twaalf uur beginnen de klokken te beieren, langs den weg stelt Henley's schooljeugd! zich op; Ko ning George en Koningin Mary zullen immers komen om de wedstrijden te zien. Vlak bij 't station ligt de koninklijke statie-bark, in scharlaken en goud ge verfd; de acht roeiers ook in scharlaken uniform met goud passement opgewerkt, staan klaar. Daar davert het „hoera!" en de heldere kinderstemmen juichen het. „God save the King!" uit. Knikkend en lachend gaat het vorstenpaar met 't. prinsesje, Mary, van 't station naar de boot, begeleid door Henley's burgemeester in vol ambtsornaat; de acht reuzen-riemen schuiven in 't water, met prachtig gelijkeslag doen ze hun werk en stuwen het elegante vaartuig door de rivier. Alles juicht en wuift met doek-en en vlaggen of klapt in de handen; Koning- e.n Koningin groeten naar alle kan ten en steeds neemt de opgewondenheid toe. 't is tweehonderd jaar geleden sedert een Engelsch Koning' naar Henley kwam. Koningin Victoria kwam nergens, Koning EdWardl kwam alleen waar zijn per soonlijk genoegen hem riep, dit koningspaar komt overal: naar mijnen en fabrieken en ziekenhuizen gaat liet even goed aLs naar bazaars en tentoonstellingen en wedstrijden; en altijd toonen ze- er met. hart en ziel bij te wezen, belnng'te stellen. Ze nemen nu plaats in de voor heil opgerichte tri bune, vlak bij den eindpaal, om later 't luncheon te gebruiken bij den heer Smith, zoon van een oud-mi nister van Marine en tevens chef der beroemde firma, die aan alle of bijna alle stations baar boekenstalletjes heeft: W. H. Smith and Son. Doch na 't luncheon, eenigeu tijd! nadat ze weer op hun tribune zijn teruggekeerd, hoort men een schal lend gejuich opgaan. Koning en Koningin zijn in dó stoomboot van den scheidsrechter gestapt en varen nu mee naar het beginpunt om een „race" te volgen t.us- sohen do Engelscben en de Australiërs, 't Is mis schien ^een kleinigheid; dioeh de menigte is dol van vreugde: 't is zoo echt. Alle stoomfluiten 'en horens laten 't „hiep, hiep, hoera!" over de rivier schallen, alsof de menschen 't al niet hard genoeg deden en alsof de opgewondenheid al niet luidruchtig genoeg was. Doch nu zijn de twee ploegen afgegaan en als ze de rivier oproeien, denkt geen mensch meer aan iets an ders als aan de roeiers; op de boot van de „Empire," overal zijn Koning en Koningin vergeten. E.n zie maar hoe ook die twee allgen oogen hebben voor den kamp: ze kijken allebei vol inspanning', met strakke oogen en saamgeperste lippen naar de roeiers; en op 't gezicht van Koningin Mary ligt bovendien een ze kere moederlijke zorg: „jongens, overspan je asjeblief niet!" Als de „races" afgeloopen zijn, gaat elk zijn „five o'clock tea" gebruiken. Wij waren op een d-er groote woonbooten geïnviteerd en kregen daardoor een extra- verrassing, want de boot naast, die van onze gastvrouw zonk plotseling' en verdween met al het hebben en houden der bewoners in de rivier. Die bewoners wa ren gauw genoeg aan land, want de booten liggen vlak aan den wal; doch de voorzijde zakte tot aan de bak ken met geraniums onder het tentdak weg en bagage en meubelen zakten mee. Maar er was niets aan te doen; alles was weg en er was op onze boot thee en brood en gebak genoeg; daarom koos ook de verschip- breukte familie de wijste partij en liet zich alles goed smaken. Alle winkels in Henley waren natuurlijk gesloten en zoo zat- er niets anders op dan een lakei en een ka menier met den auto der familie naar Londen te zen den en het noodige nachtgoed1, toi 1 etbenoodigdheden en „verschooningen" te- halen. Dadelijk na de thee moesten we weer d'e rivier op, om de Koningin de prijzen- te zien uitreiken. De Au straliërs en de Fransehen, die elk een prijs hadden ge wonnen, werden geweldig toegejuicht, terwijl men groot pleizier had in een incidentje. Een ploeg kost schooljongens van Eton had een prijs, een medaille, gewonnen, dien do jeugdige bootsman in ontvangst zou nemen. De Koningin had haar hand nauwelijks uitgestoken, om hem de medaille te geven, of de jon gen nam die hand en schudde: ze hartelijk. Natuurlijk was hij doodverlegen toen hij zijn flater bemerkte, doch Koning George hielp hem er overheen, door hem ook een hand te geven eu de zijne flink te schudden. Om half zes vertrok de koninklijke familie en men begon zich algemeen voor te bereiden voor het diner. De jonge en oude lui, die den heelen dag in de lucht en op 't water waren geweest en zich flink moe en warm hadden gemaakt, kropen in 't. bad en trokken andere kleeren aan, als ze er gelegenheid voor hadden in woonboot of hotel of thuis elk huis in Ilenley is die week door de bewoners ontruimd' en verhuurd aan regatta-bezoekers of wel verfrischten zich op an dere manier. Om negen uur waren overal op booten of bootjes in tuinen en huizen kleui'ige lampions of electrische gloeiliehtjes op, wat weer een and-er toover- acht.ig mooi gezicht opleverde; en eindelijk werd het vuurwerk afgestoken, dat, als alle vuurwerken, schit terend was. Toen gingen wij „dagjesmenschen" naar Londen te rug in tallooze en eindeloos lange treinen. Op en bij de nu stille rivier bleef niets meer te doen, dan de harmonische ontwikkeling te bevorderen van de mo tieven dooi' de minnezangers in den avondschemer aangegeven. EERSTE KAMER. In de gistermiddag gehouden zitting werd de heer J. T. C rem er, tot wiens toelating in de vorige ver gadering besloten was, door den griffier binnengeleid, waarna hij in handen van den voorzitter de vereischte beloften aflegde. Nadat de voorzitter het nieuwbenoemde lid had geluk gewenscht en de griffier vöoïlezing had ge daan van ingekomen stukken en boekwerken, ging de Kamer in de afdeelingen tot onderzoek van de van de Tweede Kamer ontvangen wetsontwerpen, welk onder zoek ook heden werd voortgezet. Morgen komt de Kanier weer bijeen in openbare vergadering. TWEEDE KAMER. In de gistermiddag gehouden zitting vroeg de lieer D u y m a, e r van Twi-st (a. r. Steenwijk) het woord! voor een persoonlijk feit. Spr, beklaagde zich over een verandering door dón heer Duys, die afwezig- was, im het stenogram van het incident van Vrijdag, in zake het verwijt van publiekelijk vloeken in de ver gadering' door dezen afgevaardigde. Na eenige discussie verklaarde de voorzitter na er op gewezen te hebb-en, dat de zaak voor den pre sident van de Commissie voor de Stenogra.phie ge bracht had! moeten worden, het incident voor gesloten. De behandeling van de wetsontwerpen tot wijziging en aanvulling van d!e pensioenwetten van 1902 voor de landl- en zeemacht, d'e bevorderingswet voor de landmacht van 1902, en de wijziging en aan vulling der wet voor het ras-ervepersoneel der land macht van 1905 wei'dl voortgezet. De eerste motie-ter Laan (s. d'.Na. p. den Haag) (premiebetaling voor officieren) werd! verworpen met 63 tegen 4 stemmen; de tweede motie-ter Laan (gelijk- haar ontrouw geworden was. Zij drukte de handen voor haar oogen om zijn beeld, dat helder voor haar opkwam, niet weder te zien. Zooals te verwachten was, had het testament van den overleden professor Bickenbach, het! praatlustige deel der gansche stad in zekere opwinding gebracht. Meer in het bijzonder was dit het geval in de familie van den overledene. Ook Ronniges, van zijn verlof terugkeerende, ver nam al spoedig met verbazing, wat gedurende zijn af wezigheid was afgespeeld. Mevrouw Bickenbach vroeg hem of hij het niet pas sender zou vinden als Bergitzky van een publieke op roeping in de couranten, om er achter te komen waar net geld gebleven was, afzag-, terwijl Bickenbach ver klaarde, dat hij er weinig zin in had zijn familienaam in opspraak te zien brengen door de couranten. „Het middel is zeer onaangenaam", zei Ronniges, „maar als de heer Bergitzky er meer van wil weten, zal hem ten slotte wel niets anders overblijven. Als de weduwe van oordeel is, dat zij de schenking- voor onwettig kan doen verklaren; zal wel een oproeping in de binden moeten verschijnen. Het. komt er op aan te weten te komen, wanneer de schenking geschied is - in een tijd toen professor Bickenbach reeds alge meen als ziek werd beschouwd, misschien nog' daar- •vóór toen hij doceerde, of veel later toen de ziekte al ivoor krankzinnigheid doorging. Alleen in het laatste geval is er eenige kans, dat het geld nog kan worden teruggevorderd." „Mijn zwager Soden", zei mevrouw Bickenbach lc- vendig, „zegt, dat de professör van het eerste moment na zijn vlucht af tot zoolang hij hem heeft gadegesla gen, steeds helder van geest is geweest. Zoo goed bij zijn verstand' als hij zelf, beweerde bij, Het is toch wel wat vreemd van Fidelia en Bergitzky om bun man en schoonzoon met geweldal-s krankzinnige te willen bestempelen -zelfs nu nog, nu hij toeh al onder den grond ligt." „Ik geloof," viel Bickenbach in met een afwerend gebaar, „dal h#t aangenamer is om vau wat opgewek ter dingen te spreken dian deze -bijvoorbeeld over onze lieve Ute." Het gelaat van dón president klaarde op, toen hij dien naam hoorde. „Wij zullen haar nu spoedig weer hier zien. Lili zou haar overigens het liefst g'eheel voor zich alleen willen hebben. Zij is slechts gelukkig als Ute haar hand' in de hare houdt en haar stem hoort, zooals tot nu toe. Ik ben geheel- ter zijde geschoven." „Nu ja," zei mevrouw Bickenbach, die liet. stiefkind van haar dochter nooit vriendelijk gezind- was ge weest, „maar men moet kinderen toch niet te erg ver wennen. De kleine was al wat erg verwendi" „Slechts één woord! van Ute", viel de president met warmte in, „één ernstige blik, en iedere stijfkoppig- heid is op de vlucht gedreven. Ik heb dat vaak gade geslagen -en kreeg daarbij het gevoel, dat Ute's tegen woordigheid alles van Lilli wegneemt wat niet goed is. Als ik haar een tooveres noem; gelooft zij het niet", bes-loot hij lachend. „En toch is zij voor mij en Lilli niet anders dan dat. Het zou moeilijk zijn uit te maken wie van ons beiden het meest van haar houdt." Mevrouw Bickenbach keek gevleid naar haar man. „Artur", zei zo, „je. hebt zoo vaak iets aan te mer ken gehad op mijn wijze van opvoeding, van Ute. Maar wat zeg je nu? Zoo'n resultaat is toch niet iets on gewoons?" „Ik zeg", antwoordde Bickenbach^ met waardigen scherts, „dat, nis ik niet zoo vaak mijn op- en aanmer kingen had gemaakt, onze geachte schoonzoon zich niet zoo zou hebben kunnen uitspreken als hij zoo pas heeft gedaan, mijn lieve Natalie." „Wij kunnen er dus nu aan beginnen to denken, de meubels te laten plaatsen?" vroeg mevrouw Bicken bach tevreden. „Ja, ik denk dat deze nakuur voor Lili binnen onge veer veertien dagen afloopt", antwoordde Ronniges. „En je denkt er aan weer een verpleegster te ne men „Neen. Ute zou aiab haar taak toeh niet uit, har: den laten namen," tijdige pensioenverhooging voor onderofficieren en minderen) eveneens' verworpen met 63 tegen 2 stem men. De motie-D u y m a e r van Twist (wenschelijk- heid om de regeling der stampensioenen van de onder officieren bij zee- en landmacht, te wijzigen) werd aangenomen zonder hoofdelijke stemming. Bij art. 1 van de bevorderingswet protesteerde de heer Ter L aan tegen de wijze van regeling van den minister om de „döorstrooming" in het leger te bevorderen door den dienst hij de landweer aantrekke lijk te. maken; na 25 jaar dienst krijgt men pensioen en dan nog 2000 hij de landNveer. Waarom niet de onderofficieren aangewend om in de land'weer het in compleet aan officieren aan te vullen? Minister Co 1 ij n ontkende dat de pensioen- verbetering voor officieren uitsluitend ondernomen is met het doel, de indienstneming bij de land'weer te beVordéren, en dat een nieuwe tusschentijdsche pen- sioneering in het leven is geroepen. Spr. betwistte voorts, dat de minderwaardigheid van het officierska der bij de landweer in de hand wordt gewerkt Het stelsel van do regeling zal nog beproefd' moeten wor den. De heer Ter L a a n repliceerde en de mini s- ter dupliceerde, waarna de artt. 1 en 2 werden aan genomen. Op art. 3 lichtte de heer Thomson (U.-L. Leeuwarden) een amendement toe, om het wetsont werp geen terugwerkende kracht te geven tot 1 April 1911, maar tot 27 November 1911. De minister bestreed' het amen dement; desge lijks de heeren Duymaer van Twist en Van V 14j m e n (R.-K. Veghel), De heer Ter Laan zeide vóór het amendement, doch tegen het artikel te zullen stemmen. De h-eer Thomso n verdedigde nader zijn amen dement. Na dupliek van den m i n i st er werd) het amen dement verworpen met 32.tegen 31 stemmen en het artikel aangenomen met 39 tegen 24 stemmen. Het wetsontwerp tot wijziging en aanvulling der pensioenen voor de landmacht werd aangenomen. Bij het wetsontwerp inzake de pensioenen voor de zeemacht betoogde de heer Ter L a a n, dat hier geen aanleiding bestaat voor de terugwerkende kracht. De minister antwoordde, dat 9inds 1837 de pensioenen voor de land- en zeemacht steedis gelijk zijn geregeld. De heer Thomson zeide voor het art. 3 te zul len stemmen, desgelijks de heer Van Nispen (R.-K. Rheden). Het artikel werd aangenomen met 59 tegen 3 stem men; het wetsontwerp werd daarop eveneens aangeno men z. h. s„ nadat de heer Ter Laan had ver klaard, over volgende wetsontwerpen geen stemming meer te zullen vragen, na de gevallen beslissing. Verder werd nog aangenomen de circulaire van het verslag der commissie omtrent de,n brief van den mi nister van Oorlog- naar aanleiding van d'e aangenomen conclusie van het- verslag der comm. op 't adres van Dickduijne te BLitterswijk, houdtende verzoek om toe kenning van een toegezegde halfjaarlijksche gratifi catie en eindelijk het wetsontwerp betreffende de kos ten van. de ontvangst van president Eallières. Afscheijd van den president. De P resident (graaf v. Bylandit c. h. Apel doorn) nam het woord' en verklaarde zichtbaar aange daan dat dit hoogstwaarschijnlijk de laatste vergade ring zou zijn geweest die door hem geleid werd en zulks op advies van zijn geneesheer. Het is geen de sertie van het vaandel als het kon en spr. zijn hart lrad kunnen volgen, dan zou hij gaarne, gebleven zijn hem re.stte thans een woord' van dank te richten tot de Kamer voor den steun en de welwillendheid- hier steeds ondervonden. Spr. was overtuigd! dat hij in zijn taak vaak is te kort geschoten. De Kamer heeft echter geduld' met hem gehad- gelijk hij geduld had toet dé Kamer. Hierop dankte spr. inzanderheid nog' den griffier, den heer Arntzenius, aan wiens werk zaamheid bij waardeerende hulde bracht. Voorts do commiezen-griffiers, de ambtenaren der griffie, steno grafie en bibliotheek, waarbij hij er op wees dat de twee laatste takken van dienst, weldra, twee ambtena- Mevrouw Bickenbach en haar man wisselden een snellen blik. „Zoo, zoo! Maar men kan het goede ook overdrij ven", schertste Bickenbach hoofdschuddend'. „Maar kom, Natalie je schijnt geheel te vergeten, dat het buiten vierentwintig graden in de schaduw is. Een verfrisschende drank zou ons zeker zeer welkom zijn." Brandend heet was het over dag en warm ook gedu rende den korten, helderen Julinacht, met zijn schit terenden sterrepracht en drukkende zoele atmosfeer, die geen oogenblik door een zacht windje werd ver stoord. Door den stillen nacht g'ing Ronniges naar zijn wo ning terug. Zijn gedachten toefden bij Ute en drongen steeds dieper in datgene wat zij in de vluchtig vervlogen da gen voor hem geweest en niet. geweest was. Haar beeld stond helder voor hem. En de zekerheid dat hij haar bezit nooit, weer zou verliezen-, dat iederen mor gen hem weer tegenover en naast haar zou plaatsen, gaf hem de kracht zijn-woord te honden en nooit over datgene te spreken wat er voor haar in z'n hart leefde. Vaak, als zij naast hem door de schaduwen van het woud was gegaan en hij de zonnestralen door het loof op haar gelaat had zien spelen, vaak, als haar geliefde stem. die zoo rustig en vredig door het zwijgen van het bosch in zijn oor klonk, hem had getroffen, vaak als hij gevoeld had, dat zij meer en meer belangstelling ging toonen voor alles wat hem bezig hield, vaak had hij dan, als hij bemerkte hoe na zij hem stond in op vattingen en inzichten, haar geliefde hand willen grijpen en, zijn belofte brekend, haar nan zijn borst willen drukken. Maar de eerbied, die hij naast zijn liefde voor haar gevoelde, de hoogachting die hij haar toedroeg, zooals hij haar indertijd ook zelf had verze kerd, deden hem zijn zelfbeheersching behouden. Eerst dan wanneer hij zeker was dat het ook voor Ute een blijde mare was, wilde hij zijn diepere gevoelens voor haar openbaren. (Wordt vervolgd).

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 1