DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Het derde schot. GMm KINDERTIJDSCHRIFT I' BTNTNlFmrATra Honderd en veertiende^Jaargang. No/286. 1912 DIN SDA6 3 DECEMBER. FEUILLETON. Verschijnt iedere 14 dagen en is overal gratis verkrijgbaar voor iederen kooper van SOLO Margarine a 45 ct. per pond. !oó° HINDERWET. BURGEMEESTER en WETHOUDERS van ALK MAAR, brengen ter algemeene kennis, dat zij bij be sluit van heden vergunning heibben verleend aan de firma C. BAAK en ZOON, aldaar, tot het uitbreiden van de stoomhoutzagerij en schaverij „de Si m- s o n," door het oprichten van een stoomketel met een verwarmend oppervlak van 70 M2. ter vervanging van den bestaanden in het perceel Friescheweg, wijk E Ho. 3. Burgemeester en Wethouders voornoemd, G. RIPPING, Voorzitter. DONATH, Secretaris. Alkmaar, 30 November 1912. ALKMAAR, 3 December. De Nederlandsche minister vani buitenlandse he za ken, de heer de Ma rees van Swinderen, heeft gister avond een woordi van geruststelling gesproken. „Ik wil niet verder gaan dan ik kan en mag. Maar ik meen te mogen zeggen, dat de berichten die ik gedurende de laatste 24 uren heb ontvangen, en die ik wel mag meedeelen, alle symptomen in zich dragen om te kunnen verwachten, dat langs1 den weg van conferenties en kanselarij-arbeid eert einde zal wor den gemaakt aan den toestand van oorlog en onrust, die op het oogenblik in Europa bestaat, zoodat op de ze wijze de rust zal worden hersteld waar ze door oor log werd gestoord en de rust zal worden gehandhaafd, in die gedeelten van Europa waar ze thans nog be staat. Ik wil' hier nog iets aan toevoegen," vervolgde de Minister. ,,Ik heb reeds gezegd, dat Nederland zich als vanzelf niet heeft bewogen in de sfeer der belanghebbende mogendheden. Maar dit neemt niet weg, dat wij ons op de slagvelden) hebben geweerd op een wijze, zooals schier geen andtere kleine natie dat heeft gedaan door middel van het Roode Kruis. Ik betuig van) deze plaats mijn diepe, warme en welge meende erkentelijkheid! voor de opoffering van het Nederlandsche volk, voor de zelfopoffering, de trouw en de liefde, waarmee door onze landgenooten op het oorlogsterrein wordt gewerkt. Ik durf te verzekeren, dat zij de eer en don naam van de Nederlandsche na tie op waardige wijze hoog houden." (Luide bravo'» en luid applaus, ook van de tribunes). Ook de Rijkskanselier van Duitschland heeft giste ren getracht de gemoederen! te kalmeeren, maar veel was het niet, wat hij te zeggen had. Zonder meer sprak hij de hoop uit, dat de oorlog zou worden gelo- caliseerd. Maar hij deelde ook mede, dat de groote mogendheden reeds in het begin van den zomer wis ten, dat de Balkan-bond gesloten was zoodat de mogendheden, zonder dat ze overrompeld werden, on danks al hun pogingen toch den oorlog niet hebben kunnen voorkomen. Dit reeds bewijst den geringen invloed, dien de mogendheden konden uitoefenen op den loop der Balkanznken. Wij stippen verder do zeer beslist uitgesproken ver klaring aan, dat Duitschland met Oostenrijk zal vechten, zoodra Rusland' 'ingrijpt, doch onzijdig zal blijven in een gewapend! conflict tussohen Oostenrijk en Servië, voorts dat Engeland1 en Frankrijk geen Turk-sell gebied (Egeeïscke eilanden, Syrië) wenschen en dat het nog niet zeker is of er een conferentie zal plaats hebben van gezanten dan wel een algemeene Europe esche conferentie. Do indruk van de rede desi beerem Bethmann is, dat zij noch onrustwekkend, noch ook geruststellend is. Zij kenschetst den toestand' van onzekerheid, die voor alsnog voortduurt. Wat willen nu eigenlijk de Balkanstaten? Men weet het niet. De wijze Tsaar Ferdinand van Bulga rije is vóór wapenstilstand! ent vrede, maar de sinds weken voor Skoet.ari liggende Montenegrijnen, de Grieken en de Serviërs schijnen niet bereid toe te slaan. En de Bulgaren en Grieken schijnen heele- maal met elkaar overhoop te leggen tengevolge van de Salonikakwestie. Zoo gaat de blik van den oorlog die, naar te hopen valt, geëindigd) is, naar den oorlog, die naar evenzeer te hopen valt,, niet komen zal, en steeds nog" bezorgd vergezelt hij den vredesengel, die boven de verwoeste velden zweeft, zegt de heer Wolff in het Tngeblatt CRIMINEELE ROMAN VAN HANS VON WIESA. (Vertaald met toestemming van den Duitschea uitgever.) 22) _0_ Maar het duurde niet lang of de jeugdige gids be gon langzamer te loopen; hij richtte zijn) scherpe oogen op den rand van den weg. Hij moest haast bij den steen zijn dien zij zochten. „Halt! hier moet hij staan!" Beide mannen liepen nu over het gras langs den weg. Daar voelde de houtvestersleerling de hand van zijn metgezel op zijn arm. „Blijf hier even staan. Weet je zeker dat de steen hier ongeveer staan moet?" „Ja, daar!" De commissaris sloeg' zijn mantel op en drukte op eeni knopje vau zijn lantaarntje. Een witte licht- kegel viel op gras en struiken en deed' alles duidelijk to voorschijn komen. En werkelijk, daar diickt in de nabijheid, stond de verweerde steen, met een opschrift dat wind! en weder onleesbaar hadden gemaakt. Weder hield de politie-beambte hem terug, toen de jonge man ver-der wilde gaan. „De molenaar heeft mij gezegd, dat de steen door gras en struiken bedekt was. Dat kan men hier toch werkelijk niet van zeggen!" En toen de jager zweeg, vroeg Volk: „Sedert wanneer is er verandering ge bracht in de omgeving van dezen steen? Je komt hier toch zeker iederen dag voorbij „Ja, mijnheer, dikwijls) meermalen per dag." Toen schudde hij peinzend! het hoofd. „Ben je hier gisteren nog voorbij gekomen?" „Ja." van hedenmorgen. Taliooze vragen doen zich voor. Is de onderteekening door de Serviërs, Grieken en Montenegrijnen werkelijk nog niet geschied, omdat de telegraaf op den Balkan niet zoo snel werkt, of zijn George, wien men Saloniki afkapen, en Nikita, wien men Skoetari ontnemen wil, het niet geheel eens met koning Ferdinand!? En zacht vraagt een stem: heeft het afschuwelijke bloedbad, hebben de verschrikkingen van dezen oorlog zich wel doen beta len, en hebben, afgewogen tegen hetgeen gewonnen is, de tranen der weezen) en' der verminkten niet te overvloedig gestroomd? TWEEDE KAMER. De Tweede Kamer zette gisteren de artikelsgewijze bespreking van de Indische begrooting voort. De heer Hubrecht (U. L.) zette uiteen, dat het uitoefenen van praktijk als geneesheer onveree- nigbaar is met de functie van medisch adviseur. Spr. behandelde de voorgenomen inrichting- van een corps Europeesch© verplegers. Hij begreep dit plan niet. Spr. is tegen de inrichting van dit nieuwe corps. De heer Scheurer (A.-R.) verdedigde het standpunt der regeering betreffende de recruteering van civiele geneeskundigen. Ook deze spr. voelde niet voor de inrichting- van een corps Enropeesche verplegers. De minister van koloniën zei, dat het niet de bedoeling is, een blijvend corps ziekenverplegers te scheppen. i<i; Uitvoerig verdedigde de minister de voorgestelde salarisregeling voor de medische ambtenaren van den burgerlijken geneeskundigen dienst. In de avondvergadering wei-den eerst de nog te be handelen artikelen der Justitiebegroot-ing aangeno men, waarna werd overgegaan tot de behandeling- van de begrooting van Buitenlandsehe Zaken. De alge meene beschouwingen werden geopend door den heer V o r s t e r m a n van O y e n (V. D.), die de on derhandelingen met België inzake de voorgenomen in dijking van het zuidelijk gedeelte van den Braakman en het loozen van Belgisch water door de Isabella- sluis besprak en den minister waarschuwde voor de bedreigdë belangen van Philippine. De heer De Kan ter (U. L.)( bepleitte uitbrei ding van het aantal beroepsconsuls) en ondersteunde het verzoek van het Alg. Ned. Verbond, om zooveel mogelijk de Nederlandsche taal te gebruiken in amb telijke correspondentie met vreemde regeeringen. Evenals de vorige spreker drong ook de lieer A n- k er man (C. H.) aan' op toekenning van het door „Vredo en Recht" gevraagde subsidie, daar anders liet vredescongres in 1913 niet hier tei lande kan wor den gehouden. De heer Hugenholtz (S.D.A.P.) vroeg of er al uitnoodigingen zijn verzonden voor de 3e vredesconfe rentie. Nu de wereldoorlog dreigt, zou opening van het Vredespaleis heb toppunt zijn) van huichelarij, zei spr. Do minister van buitenlandsehe zaken legde een verklaring af inzake den toestand' in Europa, die spr. niet zoo donker inzag na ingekomen berichten en bracht een woord van hulde aan het Nederlandsche volk voor de zelfopoffering, waarmee door onze land genooten op het oorlogsterrein wordt gewerkt. Spr. 'beantwoordde daarna de verschillende gemaakte op merkingen. PENSIOENREGELING. Het ligt in de bedoeling van den minister van Fi nanciën één pensioenregeling te doen ontwerpen voor de weduwen en weezen van alle dfeelgerechtigden in het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambte naren. Deze zaak wordt thans aan genoemd! departe ment voorbereid. KAMERVERKIEZING 1913. Verschillende afdeelingen van den Bond1 voor Staats- pensioneering- in Friesland besloten' vóór de Kamer verkiezing do verschillende candidaten te laten op- „Nu en?" „Gisteren was er nog niets van den. steen te zien." „Weet je dat heel zeker?" „Ja, toevallig-. Toen ik gisteren de rijpe rozebotteis daar aan den' struik zag zitten moeder maakt daar graag soep van toen heb ik er een paar handjes van geplukt." „En was er toen nog niets veranderd1?" Toen was er nog niets van den steen te zien." De politie-beambte bukte inmiddels en liet het licht van den lantaarn op het gras vallen. Hij zocht naar voetsporen. „Ben je gisteren dicht bij den steen geweest „Neen. Wat had ik daar nood'ig? Ik was bij den wilden rozenstruik." „Juist. Ik hoor dat dit kleine voetpaadje bijna niet meer gebruikt wordt?" „Neen, alleen door den houtvester. En die maakt er ook hoogst zeklcn gebruik vau. De weg- moet dicht groeien." „Mag- jij hem ook niet gebruiken?" „Het is mij niet verboden; maar ik weet dat de houtvester het liever niet heeft, omdat de fazanten hier liet liefst komen." „Wanneer ben je hier het laatst doorgegaan?" „Dat weet ik niet meer." De commissaris wees naar hot gras dat hier in den vochtigen grond zeer welig groeide. „Kijk eens, hier is toch iemand door geloopen." De jager keek met opmerkzaamheid naar den grond. „Dat dunkt mij ook daar van den weg af tot aan den steen en toen weer terug." „Ja juist." Weder liet hij den lichtschijn in het rond vallen. „Laat je jagersoogen nog eens verder speuren." „Ik zou zoggen dat er nog- een voetspoor ging naar dat slootje daar ginds." „Ja, dat dacht ik ook. Maar kijk eens1 oplettender naar dat lange gras. Het lig-t nog- plat op den grond." „Dat kan nog niet lang geleden gebeurd zijn...." IX" commissaris klopte den jongen op den schouder. „Goed. Dezelfde voet is eenige uren later langs den steen naar het kleine voetpaadje gegaan; den Ingezonden mededeellngen. treden, om diengene aan te bevelen, die het dichtst bij de beginselen van d'en Bond staat. Het comité van actie heeft aan dat besluit zijn goedkeuring ont houden, het acht dergelijke actie op politiek terrein verkeerd en verzoekt de afdeelingen niet aldus te handelen. Dit besluit van het comité valt.bij sommige afdee lingen in slechte aarde, vooral in die, waarin' het soci alistisch element sterk vertegenwoordigd is. Sommige hebben dan ook reeds besloten zich niet te storen aan de waarschuwing van het comité van actie. (N. Ct.) Oemengd uien we. DE BOUWKWESTIE TE ZAANDAM. Kort geleden hebben we melding gemaakt van een actie van aannemers tegen de aanbesteding- van 13 woningen ten dienste van het Burgerlijk Armbestuur van Zaandam met het oog op de bepalingen in ver band! met de bekende artikelen 1638 c en d. Ei- waren slechts 2 inschi'ijvingsbiljetten ingeleverd en hij, aan eersten keer dat hij naar den steen ging was hij op een verkenningstocht uit. Ja, mijn waarde vriend, polities-agent en jager, die vakken komen in veel op zichten met elkaar overeen! Was het een groote of ■een kleine voet, die hier zijn sporen heeft achtergela ten? Was het steeds1 dezelfde voet?" De jonge man scheen bezield) te worden door den zelfden ijver als zijn leermeester. Hij boog voorover en onderzocht het (gras met d'e grootste aandacht. „Het is een kleine voetoveral dezelfde." „Ik vind nog iets. Kijk zie je hier niet in den vochtigen grond telkens' een kleine diepte? Dat moet de smalle, hooge hak van een dameslaarsje zijn ge weest. Zoo, nu kan je verder gaan, maar pas' op de voetsporen." Voorzichtig liepen zij beiden voort. De voetsporen voerden naar een smal slootje, vlak voor ben. Aan gene zijde van dit slootje verhief zich liet dichte woud. „Uier moeten' wij even springen," hernam d'e com missaris, „dat is altijd een gunstige omstandigheid voor onskijk maar! Daar ginds heeft de klei ne voet goed moeten indringen hier zullen wij het eens pirobeeren." De politie-beambte sprong over de sloot, knielde ne der, haalde een papier uit zijn zak en teekende het voetspoor nauwkeurig na. Toen stond' hij weer op. stak het papier bij zich en liet het licht vallen in de droge sloot. Daar groeiden bramen, de doornachtige struiken hechtten zich aan het gras vast. Een klein, wit puntje, men zou zeggen een groote sneeuwvlok trok de aandacht van den heer Völk. Hij trad nader en zag dat het een heel klein stukje kant was. Hij maakte het voorzichtig' los van de doorn en hield het bij het licht. „Dat moet aan eén damesrok gezeten hebben," merkte hij op. En hij deed het lantaarntje dicht. „Meer hebben wij niet noodig. Ik weet wat ik we ten wilde. Ga nu maar mee. Ik moet verder. En het is laat." Met rassehe schreden keerden zij weder terug naai den rijweg. „Hoe heet dé houtvester?" i wien het werk gegund zou worden, werd! bedreigd met een boycot, welke zich ook zou uitstrekken tot hen, die dezen aannemer op eenige wijze materialen enz. leverden. De gunning werd' toen aangehouden. 'Thans is den correspond1, van de Tel. aldaar officieel medegedeeld, dat het Burgerlijk Armbestuur dit werk niet heeft gegund. Medegedeeld! werd, dat dit niet een gevolg was van de actie van den Aannemersbond, noch van een of an der bezwaar tegen den aannemer, doch dat er andere beweegredenen waren, die het Burgerlijk Armbestuur tot het nemen van dit besluit hebben geleid. AMBACHTSSCHOOL TE HOORN. Ouder groote belangstelling is gisteren de nieuwe ambachtsschool te Hoorn geopend. Het woord1 werd gevoerd door den voorzitter der vereeniging, de hee- ren dr. W. C. L. Bronsveld, den burgemeester, Th. M. Ketelaar, lid van Gedep. Staten, W. de Jong, lid van de Tweede Kamer, en den heer Ovaa, directeur dei- nieuwe school. „Mijnheer Rott." „Is' hij getrouwd?" „Neen, zijn oud© moeder doet- de huishouding voor hem." „Ontvangt' de houtvester nu en dan bezoek van dames?" „Ik heb nog nooit een dame bij hem gezien." „Vandaag ook niet?" „Neen." „Vooruit dan maar!" „Waar wil mijnheer naar toe?" „Ik wil naar de plaats waar het ongeluk vandaag gebeurd! is." „Kunnen wij hard' voortloopen „Zoo hard mogelijk." „Moet ik op den rijweg blijven „Dat is niet noodig. De kortste weg' als je blieft." Gedurende den snellen tocht, die nu volgde, sprak de commissaris geen' woord. Hij had trouwens werk genoeg op zijn voetstappen te letten op het smalle paadje door het boseh en te zorgen dat hij niet over de boomwortels viel. De jonge man stelde hem voor zijn lantaarn te gebruiken; Völk deed dit echter niet. Hij dacht intussehen na over hetgeen hij tot nu toe ondervonden en gezien had. Over den houtvester had nog niemand een woord gesproken. Dat was echter een spoor dat, hij niet meer uit het. oog zou verliezen. „Is de houtvester vandaag mee geweest op de jacht?" vroeg hij eindelijk. „Neen, hij had vanmiddag zijn voet verstuikt en kon haast geen voetstap verzetten. Ik heb het van hem moeten overnemen." „Met wion ben je mee geweest?" „Met den officier van justitie." „En de andere heer?" „De luitenant ging op den onzinnigen bok af." „Onzinnig? Wat beteekenit dat?" „De bok heeft een scheeven tak op zijn kop, die groeit heelemaal op zijhij is zeker, toen hij nog heel jong was, en de takken1 van zijn) gewei nog week wa ren, tegen een boom aangeloopen." „En is die gekwetste tak dan in die richting- ver hard?" „Ja, mijnheer." (Wordt vervolgd.)

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 1