DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Het derde schot No. 295 Honderd en veertiende Jaargang. 1912 VRIJDAG 13 DECEMBER. FEUILLETON. Deze Courant wordt eiken avond, behalve op Zon- en Feestdagen, uitgegeven. Abonnementsprijs per 3 maanden voor Alkmaar f0,80; franco door het geheele Rijk f 1, Afzonderlijke nummers 3 Cents. Prijs der gewone advertentiën Per regel f0,10. Bij groote contracten rabat. Groote letters naar plaatsruimte. Brieven franco aan de N. V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. HERMs. COSTER ZOON, Voordam C 9. Telefoonnummer 3. BINNENLAND. al) o— ALKMAAR, 13 'December. Nu er op het oogenblik geen oorlogsnieuws is, wox den de couranten gevuld! met uitlatingen van leiden de persoonlijkheden in de politiek. De heer X zegt zus, de heer IJ zeg't zooIn den regel zijn het beleefde zinswendingen, welke, zooals de Köln. Ztg. gisteren verklaarde „een handig staatsman voor zulke gelegenheden bij de hand heeft." Maar ook maken ze wel eens indruk en wekken ze vertrouwen of wan trouwen in den internationalen toestand. Om eens te laten zien hoe weinig men erop aan kan, zullen wij eens een aantal van dergelijke uitlatingen, ©enigen tijd! geleden in verband met het 11 alk an vraagstuk ge daan, naast elkaar stellen. Eenige jaren geleden verscheen er een Fransch blad herinnerde er dezer dagen aan een Engelsch boek, waarin interviews stonden van een journalist met de Balkan-vorsten. De vraaggesprekken waren te Cettinje begonnen1 en Nikita van Montenegro was zeer vredelievend. Een verbond der Balkanstaten achtte hij echter zeer wel mogelijk en Montenegro zou meedoen, als liet zoover kwam. Ferdinand van Bulgarije sprak ook' nut over den Balkanbond en over Turkije; hij verzekerde, dat de boeren alleen maar hard wilden- werken en hij hoopte, dat ze niets van de „beschaafde wereld" zouden over nemen. Overigens zeidei hij op het. gezegde van den journalist, dat het Bulgaarsehe leger ira het buiten land goed aangeschreven stond, dat hij inderdaad getracht had het tot de beste van het Balkan-land te maken wat geen grootspraak is gebleken. Koning George dacht, dat Griekenland' zeer goed in vrede met Turkije zou leven, zoo- de Kreta-kwestie maar was- opgelost. Carol van Roemenië zeide voor een goed1 leger te zorgen, maar dat was voor de toekomst.. Uit geen der vraaggesprekken bleek dus, dat de oorlog eenige jaren geleden was voorzien. Verleden jaar, begin December, vertoefde de ko ning der Bulgaren te Weenen. Toen scheen bet alsof Bulgarije gaarne gebruik wilde maken van de gele genheid om in verband met Servië en Griekenland een einde te maken aan het rijk van den sultan, maar het heette, dat. do vorst geen steun kreeg in de Oos- tenrijksche hoofdstad. Terzelfder tijd trad de chef van den Oostenrijkschen generalen staf, von Hötzen- dorf, af. Men vraagt thans of er verband bestaat tusschen de Bulgaarsehe oorlogsboods-chap en deze militaire persoonswisseling. En onwillekeurig denkt men aan de mutaties welke er dezer da-gen in het opperbestuur van het leger hebben plaats gehad en waarbij van Hötzendorf in- zijn oude functie is hersteld. In het begin van dit jpar werd de tijd' van het sneeuw-smelten op den Balkan met onrust afgewacht. De Italiaansc-h-Turksche oorlog was nog aan den gang en het scheen niet onmogelijk dat de oorlogzuch tige elementen het op een gewapend conflict .lieten aankomen. liet Tageblatt zond een medewerker naai den Balkan met de opdracht, da stemming in de re- geeringskrin-gen en onder het volk eens op te nemen. Vóór ons ligt zijn artikel, geschreven in het begin van April. Hij heeft den Kamer-president Daneff gesproken, die o.a. zeide: „Wij zijn voorzichtig- en ook tevreden met onzen tegenwoordigen toestand. Wij denken er niet aan, den Tiu-kschen buurman onaangenaamheden te ver oorzaken. Wij achten den status quo, gelijk onze plicht is. En voor de toekomst- vind ik een nauwere aaneensluiting der afzonderlijke Balkanstaten een unie ter bevordering van den eeon-emischen welstand, wel een doel, waarnaar gestreefd moet. worden. De minister van financiën motiveerde de vredelie vende .stemming van Bulga-rije met er op te wijzen, dat het tevreden is met zijn geografische ligging, dat het niet, zooals Servië, zich -er over -h-ad te beklagen, dat het door de besluiten van het congres van Berlijn door aangrenzende naties was ingesloten- en afgezon derd. „Kaar het Oosten, zeide hij, heeft Bulgarije vol doende aan de haven Warna, zijn al onze wenschen bevredigd." „En in het Oosten, waar -Roemenië Bulgarije's huurman- is, en vooral in het zuiden en zuidwesten, waar Bulgarije aan Turkije grenst?" vroeg de journa list. „Inlichtingen over grens-- en diplomatanvragen be lmoren te worden gesteld aan den minister-president, die de huitenlandsche politiek leidt." En de man- van huitenlandsche zaken verklaarde: „Onze politiek is een politiek van vrede. Wij zijn overtuigd, dat wij den vrede noodig hebben, om ons land" te kunnen ontwikkelen. Maar wanneer er aan de ongelukkige Turksche politiek jegens de Bulgaren Macedonië geen einde komt, wanneer er verwikkelin gen ontstaan, welke den status quo op den Balkan en in het bijzonder de belangen van Bulgarije bedreigen, dan vrees ik zeer, dat ons land door de openbare mee ning gedwongen kan worden, maatregelen ter be scherming dezer belangen te nemen. Onze politiek is een tegenspel van de politiek van anderen. „Macedonië, voegde de schrijver hieraan toe, is de bazaar der Balkan-volkeren en in een Oostersche ba zaar is hartstochtelijke twist regel. Welke gevolgen deze twist in Macedonië voor den tegenwoordigen toe stand op het Balkanschiereiland ten gevolge zal heb ben, zal de naaste toekomst leeren." De journalist, g-ing naar Servië. De minister-presi dent Milowanowitsj verzekerde, dat Servië den vrede wilde, er niet aan dacht Turkije moeielijkheden te be reiden. Met Rusland was men goed bevriend en ook de betrekkingen tot den machtigen huurman Oosten- rijk-Hongarije hadden geen enkel bedenkelijk mo ment Enkele weken na deze verklaringen werd het ver hond der Balkanstaten gesloten en werd het gemeen schappelijk plan opgemaakt, om de Turksche natie te verslaan en het Turksche rijk te verdeelen, welk plan eenige maanden daarna werd uitgevoerd. Ziedaar, de waarde van verklaringen van officieele personen Het is goed daaraan in deze dagen eens te denken. CRIMINEELE ROMAN VAK 1IAKS VOK WTESA. (Vertaald met toestemming van den Duitschen uitgever.) „Ik dank u zeer dat u zoo vriendelijk is dadelijk ge hoor te geven aan mijni zonderling- verzoek, mijn heer Volk, die. officier geweest was, sloeg dadelijk den gepasten toon aan. Hij maakte -een diepe buiging en zeide „Commissaris' Völk. Ik heb immers de eer met freule von Rittner te spreken?" En op een. toestemmend gebaar ging hij voort „U sprak van een zonderling verzoek, freule, ik heb gastvrijheid onder uw dak genoten, al was ik niet uit- genoodigd wat zou mij kunnen verhinderen aan het verzoek van een dame gevolg te geven; te meer wanneer zij, zooals hier waarschijnlijk liet geval is, door een zwaren last wo-rdt gedrukt? Zou u zoo goed willen zijn mij zonder omwegen en ronduit, uw verzoek mee te deelen; ik ben geheel tot uw beschikking." „Dank u zeer, mijnheer Völk", klonk het. antwoord. Zij noodigde hem uit tegenover haar pLaats te ne men en zeide: „U heeft gelijk; de onzekerheid en angst voor het lot van mijnheer Behringer. „Uw verloofde, niet waar?" vroeg Völk met eenige verbazing. Jutta bloosde. Zij had echter spoedig haar kalmte terug gekregen en ging voort: „U kunt begrijpen in welk een angst mijn moeder en ik verkeeren. En ik hoorde gisteravond nog ver tellen, dat men.... mijn aanstaande verzocht had' een andere kamer te betrekken. Mijn moeder zei dat hij zich in voorloopige hechtenis bevond- ;ich TWEEDE KAMER. De algemeene beschouwingen over de staatsbegroo- liug- werden gisteren hervat. De heer Van Wassenaev van C a t- wyck (C.-H.)i besprak de tucht bij leger en vloot, in verband met het bestaan van militaire bonden. Spr. wilde dat hier krachtig tegen wordt opgetreden De heer d'e Savor ai a Lohman (C. H.j zeide, dat met den Bijbel door de christenen, met ver standig overleg, eenheid1 in de wetgeving- wordt be reikt. Spr. keerde zich in- dit verband tegen de hu manisten en zei, dat de rechtsche partijen zich door geen listige tactiek zullen laten scheiden. De heer Lohman besprak dan het verwijt, dat het kabinet te weinig heeft afgedaan en meende, dat er slechts ruimte is voor twee veronderstellingen: of de Kamer heeft haar plicht verzaakt, of de regeering heeft te veel gedaan. Spr. betoogde dit nader; -er wordt z. i. te veel! gepraat in de Kamer en de partij politiek oefen-t steeds meer invloed op de werkwijze van de Kamer uit, Spr. wijdde daarna zijn aan-dacht aan het openbaar onderwijs, de neiging tot. bureaucratie bij minister Talma, en de professoren-benoemingen. Kaar aanleiding van het concentratie-pro,gram stel de spr. verschillende vragen. Aan staats-pen-sionnee- ring kende- spr. een socialistisch karakter toe. En waar, vroeg sjxr., zal het geld; van-daan komen en wat. zal men met de invaliditeit doen? Het program is trouwens over het. geheel z. i. socialistisch, rqvision- nistisch-socialistisch. Verder werkt men weer met dr. Kuyper alsi boeman. j Spr. verdedigde daarna het kabinet en zeide, dat wanneer van dit kabinet wezenlijke vrijheid en gel ij k- S heid op het gebied van onderwijs werd verkregen, op elk gebiedi in de Kamer karn worden samengewerkt. De heer Kooien (R. K.) verdedigde, dat minis ter Kolkman de herziening van het Tarief liet voor gaan, en vondl h-et goed, als er te komende jaar weer opcenten op bedrijfs- en vermogensbelasting zullen geheven worden. De heer De Meester (U. L.) verdedigde de houding van de Liberale-Unieled'en bij de stemming over de Militiewet. Hij sprak verder over de militai re bonden en- verwees daarover naar de discussie van 1907. De heer S meen ge L.) kwam op voor alge- heele drooglegging van de Zuiderzee. De heer Van der Voort van Z ij p (A.R.) drong aan op krachtige maatregelen tegen de mili taire bonden, m-et name tegen den Marin-ebond» De heer Kolen-s (R. K.) betoogde, dat èn mn het beginsel, èn om het. belang der practisohe politiek, dit kabinet moet worden gecontinueerd. Bij het ka binet ia geen tekort. Er is wetgevende achterstand, die moet- worden getracht nog in te halen. Ka bespreking van het concentratieprogram zeide spr., dat het tegenwoordige kabinet zijn plicht heeft gedaan. Zoowel wat de hoogere beginselen als wat het practische belang van ons land! aangaat, zal het een zegen zijn, indien de coalitie het heft in handen houdt. De heer De Stuers (R. K.) besprak de kwes tie van het Raadhuis te Amsterdam. Amsterdam wil het oude raadhuis terughebben. Dat is een uiting van gezonden burgerzin. Spr. hoopte, dat de regee ring het gedane onrecht, zal herstellen en terwille van de rechtvaardigheid en de nationale eer het stadhuis teruggeven. Minister Heemskerk zei toe, dat in de besteksbepalingen van rijkswerken met het standaard- loon bij particulieren zal rekening worden gehouden. Ten aanzien van, de Paleisi-Raadhuis>-kwestie zeide de minister thans de zaak met den heer De Stuers niet verder te willeu behandelen. - liet plan bestaat, dat de Tweede Kamer, voor het geval zij dit jalar met haar be-grootingsarbeid niet gereed komt, den 7en Januari weer zal bijeenkomen tot afdoening vani de nog aanhangige hoofdstukken, vermoedelijk van binnenlandsche- zaken en van mari ne. KA MERVERKIEZIKGEK 1913. De centrale liberale kiesvereeniging in het district Enkhuizen heeft; op de groslijst van candida te n geplaatst, de heeren: mr. H. Goeman Borgesdus, mr. D. Foek, jhr. R. de Muralt en J. Zijp- Kaar cle correspondent van de K. R. Ct. te Hoorn verneemt, hebben verschillende kiesvereeni- gingen in het district Enkhuizen den heer K. O os ter- ba an zijdelings in overweging gegeven, zich in 1913 niet herkiesbaar te stellen. mijnheer Völk, vertel mij wat er van dit alles waar is." Völk's oogen waren onafgewend! op het sehoone, bleeke g-eziehtje gevestigd; er sprak angs-t en span ning uit de donkere oogen, van het jonge meisje; de diepe kringen getuigden van een slapeloozen nacht, „Voorloopige hechtenis, heeft u daarvan hooren spreken? Al was het door bijzondere omstandigheden noodzakelijk geworden ongewone maatregelen te ne men, vermoed) ik toch dat de officier van justitie geen aanleiding gehad zou hebben daar de bedienden mee in kennis te stellen." „Dus er is geen sprake van voorloopige hechtenis?" „Keen, freule. Mijnheer Behringer is op zijn ge wone kamer. Ht heb hem zoo aanstonds gesproken." „Houdt u Han-s-Joost voor onschuldig?" sprak het jonge meisje zonder op die familiaren naam te let ten. „Ja, freule; mijn persoonlijke meening is, dat hij volkomen onschuldig is." „En heeft, u den schuldige gevonden?" „Zoover zijn wij nog- niet, freule", .antwoordde Völk lachend. „Daarenboven is het nog- niet eens bewezen of zich iemand schuldig heeft gemaakt aan een daad die strafrechtelijk vervolgbaar is-; zelfs de lijkschou wing zal no-g niet voldoende zijn om, zich daarvan met zekerheid te overtuigen. Ik begrijp dat uw belang stelling zich voorloopig in dit geval bij uw aanstaan de bepaalt.; welnu, wat liem betreft, kan ik u de meest geruststellende tijding geven." „O, hoe dankbaar ben ik u voor die woorden; u neemt mij een zwaar pak van het hart", viel het jon ge meisje den spreker met bewogen stem in de rede, „maar ik wist het wel, Han-s-Joost kan geen onwaar heid! spreken, hij is geen huichelaar, dat kan niet." „Dit laatste ben ik volkomen, met u eens, maar uw beschouwing van de geheele zaak, zoover het den heer Behringer betreft, is toch wel wat al te optimistisch, freule. Want het. is niet buitengesloten, neen meer dan dat, het is waarschijnlijk, dat uw geloof aan uw vriend nog op een zware pro-ei' zal worden gesteld!" Er vertoonde zich- een donkere wolk op het gelaat van Jutta, dat zooeven straalde van hoop. Droevig- keek zij in de vlammen van bet haardvuur. zoo zat zij eenige seconden voor zich uit te staren. „Voor mij zelf maak ik mij niet ongerust, ik heb vertrouwen op hem, maar.... mijn moeder.... Völk stond op. „Geef den moed' niet op", sprak hij op hartelijken toon, „blijf hem uw vertrouwen schenken en vergeet niet, dat uw -geloof en uw vertrouwen den zwaar be proefden man, wiens lot u met het uwe wilt verbin den, kracht moet verleenen om zijn zware lot te dra gen; namelijk geduldig af te wachten. Ik zeg- nog een® het zware lot, freule, want dat is zeer moeilijk voor hem. Een leven, vergiftigd) door een kwaad ver moeden dat. op, hem rust, is menigmaal' zwaarder te dragen d.an. het einde." Het jonge meisje sloeg de oogen op tot het ern stig gelaat van den politie-beambte. Zij had' hem be grepen. „Wat, wat zegt u? ik begrijp u niet." Völk zweeg en sloeg de oogen neer. Na eenige oogenblikken van drukkend stilzwijgen, zeide hij langzaam: „Ja, u heeft mij zeer goed begrepen. En nu ver zoek ik u permissie om heen te gaan. Mijn plicht roept mij." Hij boog. Het. jonge meisjo stak hem de hand toe. „Keem mijn dank aan, mijn innigen dunk. En. enwilt u hem zeggen, dat ik hem volkomen ver trouw!" voegde zij er met zachte stem bij. Völk hield het kleine, smalle handje nog in de zijnq, „Durft u hel hem zelf niet te zeggen? Hij bevindt zich nog met u onder hetzelfde dak." j „Bi heb mijn moeder moeten beloven, ik kon, ik 1 mocht niet anders; ik heb het haat- moeten beloven I als niet. alles in eens- uit moest wezen. Dat. zal ook i voor hem de proefsteen wezen van zijn trouw. Vaar wel t Toen de deur achter den politie-beambte gesloten LIJ STERVAK GST. De Minister van Landbouw, Nijverheid) en Handel heeft aan de Commissarissen der Koningin- opgaaf gevraagd van de gemeenten, waar het. vangen van lijsters als bedrijf wordt uitgeoefend, gedurende weL- ken tijd van het jaar en door hoeveel personen dit vangen plaats vindt. Gemengd nieuws. ART. 251 W. v. S. De rechtbank te VGravenbage veroordeelde giste ren B. W. C. de B., huisvrouw van K. L., verloskun dige, wonende aan den Zwarteweg aldaar, en optre dende onder den naam vam „Mevrouw Bergmans" die terechtstond wegen® heb misdrijf bedoeld in art. 251 bis Wetboek van Strafrecht) tot 2 jaar .gevangenis straf. (Geëischt was 3 jaar gevangenisstraf en ont- s, keerde het jon-ge meis-ja langzaam kaar plaats terug, en bedekte het gelaat met de beide han den. Het. vuur in den haard stortte ineen; het daglicht viel met breed© stroomen het venster binnen, maar in het hart van -het. jon-ge kind, dat. zoo wreed uit haar geluksdroom was wakker geschud, werd de duisternis al zwaarder en somberder. TWAALFDE HOOFDSTUK. Ongeveer een uur later hield voor de dorpsherberg- eer, rijtuig stil. waar vier heeren uitstapten. Twee. der heeren waren in- een pelsjas gehuld. De e-ene, een lange, tamelijk gezette heer, rekte zich uit, zijn bec-nen waren zeker wat stijf geworden in het nauwe rijtuig. De man had een grijzen baard. Een lange, magere gestalte zonder -baard' of kne vel, volgde hem hij had een gouden bril op den neus en keek zeer mistroostig. Met luide, gebiedende stem riep hij om den huis knecht; het was-echter te vérgeefs. lntussehen waren nog twee andere personen uitge stapt, ceu man met een vriendelijk gelaat, een reis deken over* den arm- cn een gesloten, led-eren porte feuille in de hand; en eindelijk een klein, bewegelijk mannetje met een koffertje in de hand. Het waren de dokter, met de lijkschouwing belast, de rechter van instructie, de secretaris, d'ie het pro ces-verbaal moest opmaken en een assistent, van den dokter. Eindelijk kwam de waard te voorschijn; deze ging do heeren voor naar de eenvoudige, lage gelagkamer, op en wendde zich tot. den waard: „Hebt u niet nog oen andere kamer? Er is hier een ellendige lucht. Verduiveld, hot is hier niet uit te houden!" „Willen de heeren zoo goed zijn door te loopen naai de billardkamcr", haastte de waard zich te antwoor den. Zij gaven aan de uitnoodiging gehoor, maar heel veel behagelijker v< nden de heeren uit de stad het. ook hier niet. (Wordt vervolgd.)

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1912 | | pagina 1