DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. Mllnheer Peebles' geldbelegging. Niet te koop. O 166 Honderd een en twintigste Jaar^an^, DONDERDAG 17 J DLL E K IJ I 1,1, E T O N. Bin ntM'i In rui. Abonnementsprijs bij vooruitbetaling per 3 maanden f 1,69, franco |ier post f 1,90. Bewijsnummers 9 ot. Advertentieprijs 15 ot. per regel, grootere letters naar plaatsruimte. Brieven franco N.V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. Herms. Coster Zoon, Voordam C 9, Telof. 3. Vrij vertaald naar 't Engelach van JENNETTE LEE, T. de R, (Nadruk verboden). Liet was lente. Mijnheer Peebles werkte hub ten in zijn tuin, Eigenlijk had hij zich best de weelde kunnen veroorloven van kalmpjer in zijn huis te zitten en duimpje te draalen Zijn voorvaderen hadden veie geslachten in den luin gewerkt en hadden als resultaat daarvan een groote som op de bank nagela ten, En het gevolg was, dat mijnheer Pee- bles hulzen bezat en land en zelfs aandeden in een voordeelige zaak, die elk jaar een boog dividend uitkeerde, maar juiot doordat zijn voorvaderen altijd in den tuin hadden Iccnd, zag hij een jonge vrouw naderbij men Hij deed, alsof h 1MÊ ging door met werkc in verdiept, maar de deed, alsof hij niets gezien had, en door met werken, Hij was er ineens zdér e vrouw was niet werkt, zat dat mijnheer Peebles ook in Woed; er was iets, dat hem naar bulten dreef. Iedere nieuwe lente, en dat hem dwong daar den heelen dag te werken, te graven en te spitten, te snoeien en de bloemen te ver zorgen. De zon scheen fel op hem neer. de vogels zongen en met elke schop aarde, die hij op het veld wierp, voelde hij het welbehagen door zijn lichaam stroomen. En behalve een gevoel van geluk was er een besef van zelf voidaanhela In zijn hart. Er zouden niet ve len zijn. die, met een groote som op de bank, toch den heelen dag zouden werken buiten in de warme zon Hij hoorde het hekje toeslaan en, opkij- ■WKO- aiets gezien had, i was er ineens uit het veld geslagen, ^e liep hem volstrekt niet voorbij om naar de voordeur te gaan en aan te bellen, zooals mijnheer Peebles stille tjes hoopte. Zij liep recht op hem af, zoodat mijnheer Peebles ien slotte wel moest opkij ken en hoewel zijn gezicht alles behalve vriendelijk stond ,zei ze toch met een allerin nemendst lachje: „Goeden morgen, mijnheer Peebles. Ik ben Clara Wesley. O kent me misschien nog wel van toen ik heel klein was?" Hij knikte norsch. „Ik ken uw vader, ge loof Ik," Ja juist. En daarom ben ik naar u toege komen1 -om uw hulp in tie roepen voor de Fransche kinderen." „De Franache kinderen?" deed mijnheer Peebles verbaasd. „Ik weet van geen Fran sche kinderen." „Neen, dat weet ik wel. En daarom juist kwam ik naar u toe." Ze zei het glimlachend en stak hem een klein boekje toe. „Hier - dit zal u wel nader uitleg geven. Ik hoop, dat u ook zult willen inteekenen." „Waarvoor nu weer?"j>vroeg mr. Peebles stug. „Hef is voor de Frnnsdie kinderen klei ne babies de meesten nog sommigen van hen zijn „Ik weet niets van hen af", herhaalde mr. Peebles zwakjes. ,Maar daarom wilde ik er u juist van ver- En ze gaf hem het boeltje, wfÊ m „Ik ben al van zooveel dingen'lid; ik geef bijna aan alle weldadige instellingen in de wereld", zei hij hulpeloos. „Daar heb je nu b.v. de Katholieke Vereeniging, en ik behoor zelf tot de Protestanten, en het Tabaksfonds en zelf rook ik niet; het Roode Kruis, de Ver eeniging tot Bescherming van Dieren, en zoovele andere bijna klagelijk zei hij het. Het meisje keek hem peinzend aan. „Het moet een heerlijk gevoel voor u zijn, zooveel 36) goed te doen", zei ze enthousiast. „Ik be grijp nu dubbel goed, hoe heerlijk u het zult vinden een van die Fransche babies aan te nemen als kind." „Als kind aan ie nonen?" riep mr. Peebles verschrikt uit. Ze lachte luid op. „Nou ja, ik bedoel: er voor te betalen. U hebt niets anders te doen dan per jaar 73 dollar te betalen. Dan bent u oorzaak, dat de baby de eerste twee jaren bij zijn eigen moeder kan blijven. Denkt u eens: net als u en ik bdj onze eigen moeder wa ren". Een visioen schoot door mr, Peebles' gees) het lieve gezicht van zijn moeder wanneer zijn vader boos op hem was geweest, Ën er ontdooide iet» in nem. Hij stopte het boekje in zijn zak. „Ik zal er eens rustig over nadenken", zei hij, „en 't u een volgenden keer zeggen." „Goed. Dan kom ik morgen of overmor gen antwoord halen", zei ze. „Ik weet zeker, dat u het zult doen. U zult haast niet kunnen weigeren. Ik weet wel dat u veel te geven hebt. Maar iedereen weet dan ook hoe edel moedig u bent." En met een vriendelijken blik draaide ze zich om en ging heen. Mijnheer Peebles ging door met graven. Hij wist dat hij edel moedig was en veel gaf. Het geld van zijn voorouders was verdwenen als sneeuw voor de zon. Hij begre?p hoe bedroefd zij zouden zijn als ze 't wisten. Maar wat kan een man anders doen? Hij was te oud om In dienst te gaan zes en veertig, verleden jaar Juni en een man moet toch iets doen, wanneer zijn land in gevaar is? _Hlj groef hard voor on- lilde 1 verkoelend ianp zijn verhit hoofd. Een Fransche baby dat zou nog zoo erg niet zijn, ten slotte een baby op drie duizend K.M. afstand-I Hij' nam het kleine boekje in zijn handen en bladerde er wat in. Hij bekeek de grappige kindergezichtjes, de onbekende kleederdracht, de moeders, die met angstige bezorgdheid haar kleintjes hielden omvat. Hij keek naar al die gezichtjes en din gedach ten dwaalden heel ver. Hij was zeil nooit op rel» geweekt. Wél had hij steeds plannen er voor gehad voor ieder volgend jaar. Maar dan altijd was er te koopen en te verkoopen, geldbeleggingen te veranderen en dan was er de tuin, waarin moest worden gezaaid en gepoot. En zoo was hij ook nooit In Frankrijk geweest. Hij dacht aan alle Engel- sche jongens en mannen, die stierven op Franschen grondHij streek met zijn hand over zijn voorhoofd en keek op, nam zijn ge reedschappen en ging langzaam naar huis te rug. Daar ging hij zitten aan de oude schrljffa fel, waaraan ook zijn voorvaderen hadden ge zeten; waar ze geld hadden weggeborgen waar ze liefdesbrieven hadden zitten schrij ven. (Mr. Peebles had nog nooit iijd gehad voor een liefdesbrief. Hij had alleen maar zitten -rekenen en nog eens rekenen aan de schrijftafel). Hij nam zljtj kas- en cheque boek en verdiepte zich erin. De zon lag in ginnzende strepen on 't karpet en het portret van zijn oudoom Phlncaa Peebics keek van bdven den schoorsteenmantel somber op hem neer, Mijnheer Peebles ging door mei reke nen. Toen zei hij glimlachend: „Dat is een heele familie", en onder aan de lange optel som stond het cijfer tweehonderd zes en der tig! Toen mijnheer Peebles den volgenden mor gen wakker werd, zweefde het cijfer 236 al maar voor zijn oogen. Toen, met een schrik, herinnerde hij zich «Hes: tweehonderd zes en dertig weezeul zou hij aauuemeu als kinde- U'U. Hij had op,zich geuoineü te zorgen voor tweehonderd zes en dertig Fransche babies I Ecu domme daad had hij nooit gedaan in zijn leven, hij, mijnheer Peebles I fill voelde ai zijn voorvaderen kreunen, toen bj zich aan kleedde en dorst hun portretten niet aan te zien. Maar liet geld was ten slotte Van zijn moeder. Eu zijn moeder die zou er blij mee zijn, en trotsch op haar jongen l Hij was vroolijk aan t ontbijt en begreep zelf niet waarom. Zijn huishoudster ergerde zich aau die oügewoue levendigheid. Ze was een methodisch meusch evenals mr. Peebles al die achttien jaren was geweest. Het werd heelemaal éeu vreemde dag voor mr. Peebles. Hij kende zich zelf niet meer. En dien avond schreef hij de ehèque: „Voor het louds voor Fransche babies voor tweehon derd zes en dertig halve weezeu." Hij bleef er lang naar kijken, lwee dagen geleden zou zoo iets onmogelijk ziju geweest Vanwaar kwam dié verauderlug? I lij begreep er zelf niets van. Drie dagen lang liep Rodney Peebles rond met die schuldige ehèque in zijn zak en keek uit over het hek oil Clara Wesley nog aie kwam. Den derden dag kwam ze buiten adem aaugeloopen. „Dacht u dat ik u vergeten had?" „Neen," zei Rodne Peoble». En luecua zag hij dat haar oogen blauw waren - helder en toch heel donker. „Ik kon nie.t eerder komen. Ik was een paar dagen bang al mijn inschrijvers te verliezen. „ik denk, dat u voor de ehèque gekomen bent?" vroeg hij. ia, Ik Troop, dat u let» zult willen docu, al is 'i uog zoo weinig," zei ze. Hij zei niets eu overhandigde haar de che que. Zij nam die aau cu keek er naar met verbaasde oogen. Toeu was het of de heele wereld stilstoud. Toen zag Rodney dat haar oogen vol tranen stonden en hij liep zuchtjes weg. Hij wist nooit iets te zeggen als hij men sdien zag huilen. Hij begon te graven maar hoorde piotseliug haar stem achter zich, die heel zachtjes zei „Ik heb 't altijd geweten, dat u zoo'u goed har t hebt." „Dat heb ik heelemaal niet," verontschul digde hij zich. „Ik doe het alleen voor de aardigheid." „Ju, natuurlijk, dat begrijp ik best," lat ht» ze zachtjes. „Ik ga gauw uaar huis om 't geld op te zeudcu en ik zal het maar aan niemand vertellen, ik denk, dot u dat prettiger vindt Eu toeu ze vlug wegliep, keek hij haar na met glanzende oogen, mompelend: „hoe weel ze dat?" Vauaf dien. dag was mr. Peebles een ander meusch geworden. En als -hij in zijn tuin werkte, died hij het mot liefde, deukend- aau al de Fransche babies, die ervan zouden ge nieten of misschien andere babies of misschien zelfs moeders Hij werkte hord - eu mei vreugde in de warme zon. Er moest dit jaar goed worden gezorgd voor de aarde. Toen, op een morgen, stond ze vóór hem met een stapel brieven in haar hand. „Van de Fransche babies I tcuminste van de moeders. Ze schrijven allemaal zoo dankbaar. „Maar ik kan geen Fransch lezen." „Ik zal ze voorlezen en vertaleu." En ze wilde beginnen meteen. Maar hij keek haar ernstig aan: „Morgen kom ik bij u en lees ze me dan voor. Er zijn nog zooveel dingen, die ik u zou willen zeggen. Maar ik moet er eerst nog even rus tig over deuken. Het zou misschien alles zoo vreemd klinken, ais ik het nu lueeus zei." En zoo liet ze hem achter bij 't bankje on der den bloeienden appelboom, waar hij den heelen morgen bleef zitten denkeu. Het leven was ook voor hem gaan bloeien. Hij wist dat hij haar zou winnen. Hij stamde van een geslacht van meusdien, die wonnen wat ze wilden. Alleen, zij hadden altijd geld verlang en nu verlangde Rodney Clara we» ley. Hij zou haar winnen, haaf, en het geloof eu de liefde in haar oogen eu... Hoe kwam het, dat den volgenden morgen, toen hij bij haar was in haar huls, eu zij sa men zaten met het stapeltje brieven vóór zich, hoe kwam het, dat toen inééns zijn hand de hare omvat hield? Hoe komen al deze din gen? lli „En jf je dan u en lief?" hoorde zichzelf zeggen: houdt dus ook van niij? Maar zie et, hoe oud ik beu? En jij zoo jong Verontwaardigd vloog ze op: „Je bent alleen maar... lief." En zij ver borg snikkend haar hoofdje op zijn breeden schouder. Rodney nam haar handen en hield ze ste vig VaM a Ilui.-ti'i--rid vroeg hij: ..Wanne' r Is dit begonnen Hoe is dit Voo ineens begon nen Zij keek op. „Laatst," zei ze „en altijd" „Altlid?" „ja, t moet altijd zijn gewecsl - tenmin ste zóó voelt het. Miaar ik wiet het paa sinds dien dag in den tuin, toen Je me de ehèque gaf. Toen zag ik je mooie, nobele ziel En toen was 't net alsof ik je altijd had lief ge had.4 Hij legde zijn handen om haar gezichtje - zoodat het veilig daarin was verborgen en zijn vingers streelden het zachtjes zooals hij eens de teerste plantjes in zijn tuin had aan geraakt - vol mysterie, vol belofte van ver vuiling. Eu stil boog hij zich naar haar op geheven gezichtje over en terwijl zijn lippen de here drukten, fluisterde hij het oude lieve woord, dat ook zijn voorvaderen hadden ge bruikt: „Liefste, ik heb je zóó Hef." PROVINCIALE STATEN NOORD- I ICELAND. Gistermorgen) te i-1 uur werd dg zitdag heropendAilererrst was aan de orde de ver ordening op de bedrijven van de provincie Noord-I lülfnmt en de verordening betreffende de levering en winning van water in die pro- vifiek 1 >e heereu Mkhielsetl c.s. stelden voor, om aan de afdeellng Noord-I tölarul van de Ver eeniging van Nederlands* he Gemeenten de gelegenheid te geven twee leden aan ie wijzen in den raad van toezicht, een voor eiectriclteit en een.voor waterleiding, opdai aan de ge meenten! eenlge zeggingschap en invloed ge geven wordt in dfen- gang van /aken. Thans bestalt er bij cnekele gemeentebesturen wre vel en wantrouwen. Mr. Sljngeiiberg, oud-lid van Gcdcputeer- d ©Staten, wees er op, dat als de gemeen (en afgevaardigden krijgen la den raad van toe zicht, ook di walvist happen, de Indult rieden, de ingezetenen, de pcrsoneelen kunnen komen, ojn daarop aanspraak te maken. Hei nuestc wat gedaan kan worden is gedaan. Er U fll. aan het bcsiur van genoemde afdeèling ge zegd: noem «enige herren, die volgens aan gewezen zijn voor het lidmaatschap van dien rand van toezicht, dan zal zoo mogelijk daarmec rekening gehouden worden, Voorf» li wam de lieer S-lingcuberg op tegen de bewe ring van den heer Micliiêlaeu, dat tg iusachen sommige gemeentebrsliureu en dé P. E, M. een onaangename verhouding bestaat. Wel i» juist, dat er in enkele gemeentebesturen indi viduen zijn: die tegen de P. E, M. agecren, maar dit mlj'kcti bij nader onderzoek veelal persoonlijke kwestie» te asljn. Al» dc'P. E. M. en zuk» 'n gemeentebestuur een» nader kenul» maken, dan blijkt rookt» al spoedig. De heer Wibaut betoogde, dat al» er gQöieeflteü zijn, die Ie klagen hebben over dé P. E. W.. d:/e klachten niet behandeld, moe den worden in den raad van toezicht, tsaar in de Provincial» Staten. De heef Co lijm (beioogde, dat het gemeente bestuur van Nieuwer-Amstel »téed» blijken van aangename verstandhouding en1 «amen werking van de zijde der P. E. M. heeft oak vangen. De heer Hetwirlx (Ged. Staten) sloot zich aan bij de rede van ilea heer Sliagenberg. Da aid. Nooixl-Hollaud vaa de Vetuenlguig van Nedóilanilsche Gemeenten heelt van Üed. Staten een verzoek ontvangen om nomen op te geven voor deu raad vaa toezicht wat de éiec- incited aangaat; tot héden is daarop even wei geen antwoord ontvangen, De heer Kooiman verklaarde, dat de heer Mr dit eisen door een misverstand geen kennis gekregen heeft van genoemden Wiel. Na do toezegging van Ued. Staten zul het wel het beste zijn het amendement in ite trekken. De lieer Micluciac hield vol, dat er bij enkele ganeentehesluien icnig wantrouwen bestaat tegen de P. M. (GeroepNoem leiteii.) De heer Michlelsen: Neen, dat doe ik niet. Alleen als afgetreden voorzitter van de aid. Noord-lloilaud der Vereeniging van Ne- d( rlftudache Gemeenten kan ik verzekeren, dat lt> oo is. Spr. trok daarop zijn amendement in. I 'e heer V. d. Waerden onderschreef de ver- Haring vau deu heer Slingenberg. 1 lij klaag de evenwel over de houding van enkele ge meentebesturen tegenover de P. E. M.. omdat die uog steeds weigeren do gevraagde prijs- verhooging toe te staan. De verordeningen werden daarop vastge steld. Jf.i aanleiding van een voorstel van den h. ta Kooiman om buiten de zittingen het schriftelijk vrageureclit voor de Prov. Staten iu te voeren, stelden üedep. Staten voor, het reglement vau orde der Prov. Staten aan te vullen met een artikel, waarin bepaald wordt, dat /ie leden der Staten zonder verlof der Staten schriftelijke vragen aan üedep. Staten kunnen «tellen Ien opzichte vuti de in art. 1&2 tot en mat 102 der provinciale wet bedoelde handelingen. De vi n worden niet de ant woorden onverwijld m de Stateuleden mee- -.i ileeld. i u ui lipg wordt gemaakt voor de vragen, W9ik» wegen» vorm of inhoud bezwaar pkvei dit k'^ beöordoclêa door deu voorzitter van het collége. De voordracht werd na eenigc discussie aangenomen met de stem van den heer De Jong Schouwenburg tegen. Bij het voorstel tot wijziging vau het pen sioenreglement Noord-Holland stelde de heer Van Rooyen c.s voor, om den pensioenge rechtigden leeftijd te verlagen vau 65 tot 60 en van 60 tot 65 Jaar. Het amendement-Van Rooyen (pensioenge rechtigde leeftijd op öü-jarigeii leeftijd voor de groep, die üedep Staten op 65-jarigen leeftijd wil doen penslonneeren) werd*aange nomen met 29 tegen '25 stemmen. Het ameade- „Evenals ieder soort van leven ia 't vrij wel wat men er van maken wil." Zij volgde met haar oogen een rij valken: die laag en vlug over het water vlogen, met hun vreemd uiterlijk, alsof zij zeggen wilden „We kunnen niet ophouden, we kunnen niet ophouden" voordat zij weer sprak. „Het is alles goed en wel voor u om zoo te spreken" zei ze; „maar ik zit in de kooi". (Wordt vervolgd), HMMMNHMMMW M-aydenstone vond dat Esther meer gemeen had met de plotselinge warmte, de scherpe zoelte van de lente, dan met haar loomheid en zachtheid. In ha-ar hand had ze anemonen, die zelf het symbo-o-1 zijn van een slechts oogen- blikkelijke zachtheid. Zoo zij hem aan eeni- gen naam in de geschiedenis of legende deed -denken, was het die van- Atalanta. Naast'h-aar voelde hij zich en zag -hij er afgeleefd uit, en had hij al zijn verstand noodig, om te wedijve ren met de reine levenskracht, die bij haar vergoedde, wat haar ontbrak aan" ruimte en stemming van geest. Haar scherp profiel en de lange, schuine lijn van haar hoofd! sprak meer van durven dan van droomen. Iets meer en haar veerkrachtige gang zou zelfbewust geschenen hebben, zoo duidelijk was haar vreugde over de bewegingen van. -haar lichaam. Hij koorde om, om met haar naar de stad te wandelen, maar zij bleef talmen, alsof zij iets te zeggen had. Zij gingen -op het -door de zon verwarmde gras zitten en vernietigden den flauwen amandelgeur van de kleine blau we zee-ajuinen. Haar beweging, om op den grond te glijden; was lem tot een vreugde; mager maar bevallig, gespierd zonder tesier- heid te verliezen, vormde zij een geheel met al haar bewegingen. Zijdelings op een axm*ge- leund zag zij er als een rustende woudnimf uit. „Ik heb gotraeht precies te begrijpen, wat u in Tregiffian doen wilt," zei ze eindelijk; „maar ik tast nog in het donker." „O, ik wil alleen maar een prettigen tijd hebben," zei hij, zich uitstrekkend) met een overdreven vertoon van luiheid, „Watj verstaat u onder een prettigen tijd nn boonen te laven en te peinzen „Goedé hemel, neeri. Ik hen niet van plan veel veranderingen in mijn -levonswijzo te foreg-en, behalve -dat ik meer voor mij zelf sal doen. Deök in 's hemelsnaam niet, dat ik een man met een roeping ben." „Heen, dat is het juist," zei ze treurig. „U is al-s iemand die iets goeds, gevonden heeft en bang is anderen mensehen te laten zien wat het is, opdat zij het niet met hem zullen wil len -deelen." „Och, het zou wel eens voer niemand an ders goed ikunnen zijn; „iedereen moet zijn eigen schat ontdekken." Zij wachtte even en zei toen, verlegen lachend „Ik vind dat n het iemand vertellen kan." Hij dacht er aan, dat mevrouw Blanchard -dezelfde vraag gedaan had en hij gaf hetzelf de antwoord, dat hij haar gegeven had: „Er is niets te vertollen." Ze koek hem een oogenblik aan en beet met haar sterke, witte tanden op een grasspriet. „Och, het is aan uw geheele wezen te mer ken I" zei ze en keerde zich boos om. Hij ging achterover liggen en lachte stil. Er was heel veel te vertellen, maar hoe kon hij het haar vertellen, zonder te zeggen „Eom het met me deelen?" Hij was beslo ten niet sentimenteel te zijn, geen woord te laten vallen; dat verried, dat hij het onmoge lijke verlangde. Hij was eigenlijk blij, dat het verschil in hun -omstandigheden haar zoo heel ver buiten zijn bereik plaatste. Iets dichter bij en hij had verlokt ikunnen worden om te pro- beeren haar te winnen, om in het eind te fa len en tegelijk aan zijn besluit ontrouw te worden, de dingen om hun zelfs wil te doen en alleen het stoffelijk voordeel aan -te ne men, dat zich toevallig voordeed. Daar het onmogelijk was. dat zij ooit iets meer dan een vriendin voor hem kon zijn, liet hij zijn gedachten ongehinderd ever haar gaan. Hij was op meer dan één vrouw verliefd geweest of linit hot ton minste gedacht, maar bij el'k geval 'luid hij-aan haar -geducht als aau oon god in, die aangeboden moopt .worden, of als aan een schepsol uit fijner «tof gebouwd, dat door zijn liefde beschermd moest worden. Hij had het toen natuurlijk niet bemerkt, maar nu zag hij, dat haar macht over hem daarvan afhing, dat zij altijd dezelfde plaats in zijn verbeelding innamen; een plaats die slechts paste bij het harde en drukke leven. Men kan bijv. zijn maaltijden, niet knielende gebruiken, of zijn werk doen -met den 'linker arm -altijd1 in beschermende en ondersteunen de houding. Miaar -dit was een vrouw om te aanbidden en te beschermen, maar ook om op gelijken v-oet het leven mee te deelen. Zij was vóór alles de goed kameraad. Er was geen ge val, waarin hij zich haar niet als flink kon voorstellen: een korst'brood te deeïbn ondeT een haag, zooveel mogelijk van weelde te ge nieten, zij-dü en juweelen te dragen met vreug de, of lompen met een grap. Zooals hij tot mevrouw Blanchard gezegd had, had zij de indrukwekkende -schoonheid van een wild dier, dat bestand' is tegen alle soort van we der, en hij bedoelde hiermede meer dan licha melijke schoonheid. Zij was van het ja-gersty- pe, een bruine tint, .groote oogen, krachtige trekkenvolmaakt rein, onbevreesd hartstoch telijk, zij zou de liefkozingen van geen man dulden, die zij niet verlangde. De man, die hoopte haar te houden, zou op zijn best moe ten zijn, en van niemand andere; zij zou geen voorgewende liefde willen,die tot uitvluchten en onoprechtheid 'leidt. Alsof zij getroffen was door zijn langdurig stilzwijgen, koek rij over haar schouder - op hem neer. „Het is een vreeselijke bekentenis om nu te doen," zei ze; „maar ik heb nog nooit iets van u gelezen." Hij lachte, getroffen door de zonderlinge gedachte, dat hij die opmerkzaamheid van briar in het minst niet verlangde. „Wanrrwn zou u?" vroeg hij, van waar hij lag tot haar opziende. „Alio amloiTu ;ii'iattoni zooveel onzhi, dut ilk er niet aan mede wildo doen," zei ze, wat verlegen aan het gras plukkend. Met „alle an deren" begreep hij, dat zij vooral haar stief moeder bedoelde, en hü vond het niet onaan genaam een zwak vonkje van j-aloesie te ver moeden, -dat maakte, dat ze geen notitie nam van -dat deel van hem, d!at zij met een ander, en vooral met iemand van wia ze niet hield, moest deelen. Zij ging verder, zonder hem aan te zien „Vertel me eens wat van n zelf, de dingen die n gedaan hebt, en wat u Londen deed ver laten." Hij vertelde haar van zijn ouderlijk huis en schoolleven, zijn eerzucht om een achjjver te worden, zijn ervaringen -als journalist, zijn vroeg succes, waarvan hij later ingezien had, dat het slechts een suc-cos bij een bepaalden- stand was, en zijn erkenning, dat zoo hij het beste, dat in hom waa, wilde hereiken en tege lijk een, wat hij noemde, menschelijk leven lei den, hij de' soort van naam, dien liij begon te maken, moost opofferen en -opnieuw beginnen. Zij luisterde oplettend naar zijn rustige, aarzelende stem en keek mot nieuwe belang stelling naar zijn vermoeid gezicht en slanke, in 't grijs gekleede gestalte. Zij had weinig mannen ontmoet, die uitsluitend' met hun her senen werken en oordeelen-de naar haar vader, verbond zij een krachtig 'karakter aan een breede figuur en, oen overheerschende hou ding, en zij was een weinig verwonderd, kracht en vastheid van wil in een betrekke lijk zwak ui Dienden man to vinden. Alsof hij haar gsdnohtengaug volgde, zei hij'! „Niemand kan natuurlijk buiten de hem ge stelde grenzen gaan. Ik zal nc -t iets anders dan maar een letterkundige zijn. Deze ar men", hij strekte ze op het grasveld uit, „wa ren niet gemaakt om hamer of sobop te han- teeren, en ik zou een heel dwaas figuur ma- -ken in een Bturunvl»"! -op oen topseir». Maar als inon zich zolf ncciut, so-o-al» men is, 1» hot m-ugolijik zijn werk to doen en tegelijkertijd oon redolij'k leven to leideix." „Maar u is toch niet van plan uw geheele leven te Tregiffian te -blijven, wel?" „Heen, ik ga waarschijnlijk vóór den win ter naar de stad terug." „Ik dacht, dat u Londen voor goed hadt op gegeven." „Zooals ik het toen begreep jamaar nu, en vooral na zes maanden op dé heide, geloof ik, d!at ik weet, hoe het aan te pakken; hoe in de machine te zijn, maar er geen deel van uit te maken." Hij probeerde haar duidelijk te maken, dat zijn fout geweest was, dat hij zich aan de sleur van zijn work opgeofferd had. Hij dacht, dat het noodig was op dé hoogte te blijven, tofc dezen club te beboeren, dien man te kennen, den toon van die oourant te vatten. Aldoor had hij te veel zorg voor het baantje gehad, en te weinig gelet op het werk zelf. Maar nu wist hij beter. Door alleen? te schrijven wat hij wilde en zich wat van de menigte af te houden, zou hij ten laatste een. hetere keu» van werk hebben, al moest hij voor het oogen blik tevreden zijn met een kleiner inkomen dan hij vroeger gehad had. Zijn beschrijving van het leven, dat mogelijk is voor een onaf hankelijk dagbladschrijver, maakte, dat zij in verzet kwani tegen haar eigen beperkingen; en toen hij geëindigd had, zei ze jaloersoh „Het W een vroolijk leven."

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1919 | | pagina 5