DAGBLAD VOOR ALKMAAR EN OMSTREKEN. De Gouden Kever Ia. 258 Honderd een en twintigste Jaargang. 1919 1 NOVEMBER. "VITezels. E E U 1L L E T O JN. Landbouw. Z A T E RD A G D,rect9ur! °-H KRAK- Abonnementsprijs bij vooruitbetaling per 3 maanden f 2,00, franco per post f 2,50. Bewijsnummers 5 ct. Advertentieprijs 20 ct. per regel, grootere letters naar plaatsruimte Brieven franco N.V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h. Harms. Costor Zoon, Voordam C 9, Telef. Administratie Nr, 3. Redactie Nr 33 Hoofdredacteur: TJ. N. ADEMA. 61) door EDGAR POE. Oh! oh! qu'est-ce que cela? Ce gar^on a une folie dans les jamhes! It a été mordu par la tarantule. (Tout de travers). EeHige jaren geleden maakte ik kennis met zekeren William Legrand. Hij behoorde tot een oude protestantsche familie en was vroe ger rijk geweest; maar een opeenvolging van rampen had hem in geldnood gebracht. Gm de vernedering van zijn tegenspoeden te ont- loopen, verliet hij New-Orleans, de stad zij ner inwoning, en vestigde zich op het eiland Sullivan, bij Charleston in Zudi-Carolina. Dit eiland is hoogst eigenaardig. Het be staat eigenlijk uit enkel zand en heeft een lengte van ongeveer drie mijlen. De breedte zal niet meer dan één kwart-mijl bedragen. Het wordt gescheiden van het vasteland door een nauw-merkbare kreek, sijpelend langs massa's riet en modder, de verzamelplaats van waterhoentjes. De plantengroei is arm, om zoo te zeggen; dwergachtig. Boomen van eenige afmeting vindt men er haast niet. Wes telijk, waar het fort Moultrie verrijst, en wei nige miserabel-houten woningen 's zomers worden betrokken door lieden, die het koorts achtig klimaat van Charleston ontvluchten, treft men weliswaar de dwergpalm aan, doch met uitzondering van genoemd terrein en de triestig-blanke zeakant, is het heele eilandje bedekt met mirten. Deze heesters, soms een vijf, zes meter hoog, vormen een ondoor dringbaar struikgewas, de atmosfeer van hun geur vervullend In het diepste van dit kreupelhout, aan de oostgrens, had Legrand een kleine hut ge bouwd, welke hij bewoonde, toen ik voor de eerste maal en heel toevallig hem ontmoette. Deze kennismaking rijpte ras tot vriendschap, want de kluizenaar bezat zeer zeker eigen schappen, die belangstelling en achting «noes ten opwekken. Ik merkte wei, dat hij een flin ke opvoeding genoten had, en een buitenge wone interrigentie bezatmaar- tevens dat Hij min of meer aan menschenschuwheid leed en onderhevig was aan plotselinge wisselstem mingen van geestdrift en neerslachtigheid. Hoewel hij vele boeken had, las hij betrekke lijk weinig. Zijn voornaamste afleiding be stond in jagen en in visschen, indwalen langs 't strand of door de mirtenboschjes, zoeken naar schelpdieren en insekten; van zijn ver zameling zou een Swammerdam jaloersch ge weest zijn! Bij deze tochten werd hij veelal vergezeld door Jupiter, een ouden neger, ontslagen na den financieelen achteruitgang der familie, doch, die door dreigementen, noch beloften te bewegen was geweest om massa Will, zijn jongen meester, te verlaten. Het is best mogelijk, d«t de ouders van Legrand, hun zoon als „zonderling" beschouwend, ietwat meegeholpen hadden om Jupiter te stijven in zijn koppigheid, teneinde zóo een soort bewa ker bij zijn vluchteling te weten. Door de ligging van het eiland Sullivan zijn de winters zelden streng, en is het een bijzondere gebeurtenis, wanneer men in het late najaar stoken moet. Maar in October 18... hadden we een bit- terkouden dag Tegen zonsondergang baande ik mij een weg, door het struikgewas, naar de hut van mijn vriend, dien ik sedert een paar weken niet gezien had. Ik woonde destijds te Char leston, op negen mijlen afstanas van 't eiland ea de reis was vrij wat minder makke lek dm tegenwoordig. tty da hut gekomen, UIT HET INDISCHE LEVEN. X. klopte ik als immer. Geen antwoord krijgend, zoent ik naar den sleutel op de daarvoor aan gewezen plaats. Ik opende de deur en trad binnen. Een heerlijk vuurtje brandde in den haard. Dit was een verrassing, en, ik verzeker u, een alleraangenaamste! Ik deed mijn overjas uit, sleepte een leunstoel bij de knetterende hout blokken en wachtte geduldig de komst af van mijn gastheer. Spoedig kwam mijn vriend met Jupiter te huis en heette mij hartelijk welkom. Jupiter, lachend met zijn mond wijd-open, begon al dadelijk zijn bedrijvigheid met het toeberei den van de waterhoentjes voor het avond maal. Legrand was in een „geestdrift-kri- sis", of hoe moet ik het anders noemen? Hij had een vreemd insekt gevonden, een nieuwe soort vormend, en, wat méér zegt: hij had met behulp van Jupiter een zeer zeld- zamen kever nagejaagd en buitgemaakt. Mor gen moest hij ook mijn* oordeel hooren. En waarom niet p.u vroeg ik hem, vlak voor het vuur mijn handen wrijvend, en, in gedachten, alle keversoorten naar de maan verwenschend. Had ik 't maar geweten, had ik 't maar geweten, dat je hier waart! zei Legrand. Ik heb je in zoo n tijd niet gezien, en, hoe kon ik vermoeden, dat je juist vanavond komen zoudt! Naar huis gaande, ontmoette ik lui tenant G... uit het fort; ik heb hem den kever geleend, je zult hem dus morgen pas kunnen zien. Maar blijf vannacht hier, dan kan Jupiter hem bij het opgaan van den zon gaan halen, 't Is het schoonste van de Schepping! Wat? het opgaan van de zon? Weineen! Natuurlijk.... de kever. Hij heeft schitterend-gouden kleuren, hij is zoo groot als een okkernoot, met twee pikzwarte vlekken aan de achterzijde van zijn rug en een derde, iets langer en smaller, aan de voorzijde. De sprieten zijn.... Wee massa, Will, onderbrak' Jupiter het gesprek, de kever is werkelija een heelemaal gouden kever, massief goud, van binnen en van buiten, de vleugels alleen niet; nooit in mijn leven heb ik zoo'n zwaren kever ge zien.*) Goed, goed, laten we maar zeggen, dat je gelijk hebt, Juup, hernam Legrand, een heetje te levendig, naar het mij toescheen. Is het een reden om de hoentjes te laten aan branden? De kleur van het insekt, en hij keerde zich naar mij toe, zou bijna Jupi ter's opmerking geloovenswaardig maken. Je hebt nooit schitterender metaalglans gezien dan zijn dekschildenmaar morgen kun je er pas over oordeelen. Intusschen zal ik vast probeeren je een denkbeeld van zijn vorm te geven. Al pratende ging hij voor een tafeltje zit ten, waarop zich pen en inkt bevonden, doch geen papier. Hij zocht in een lade, maar vond niets. Doet er niet toe, dit is voldoende. En hij haalde iets uit zijn vestjeszak, het geen deed denken aan een stuk oud, vuil ve lijn; hij maakte daarop een soort van pen- teekening. Onderwijl bleef ik zelf bij het vuur zitten, want ik had het nog niet warm. Toen zijn schets klaar was, gaf hij me die, zonder op te staan. Het papier aannemende, liet zich plotseling een vervaarlijk gebrom hooren, ge volgd door gekrabbel aan de deur. Jupiter opende deze, en een enorme Newfoundlander, aan Legrand toebehoorend, stormde de kamer binnen, sprong tegen mijn schouders op en overlaadde mij met liefkoozingenbij mijn vorige bezoeken had ik veel met hem ge stoeid. Nadat hij gekalmeerd was. bekeek ik het papier, en eerlijk gezegd vond ik de tee- De neger spreekt voortdurend in een Engelsche dialect. Evenals in de Fransche vertaling van Ch. Baudelaire, moet dit ver vallen- (Vert.) kening van mijn vriend vrij vreemd. Ja! ik geef toe, dat dit een hoogst merk waardige kever is, zeide ik; iets dergelijks heb ik nog nooit gezien, of het moest een doodshoofd zijn, daar lijkt hij sprekend op 1 Een doodshoofd! herhaaltje Legrand. Ach ja! op het papier heeft 't er wellicht wat van, dat begrijp ik me. De twee bovenste zwarte vlekken zijn de oogholten, de langere onderaan is de mond, nietwaar? Daarbij het ovale van den vorm Het kan zijn, Legrand, maar je hebt geen groot talent voor teekenen! Ik zal ge duldig wachten tot ik het dier zelf krijg te zien! Best, heel best 1 Maar ik vat niet hoe het komt, zei hij een beetje korzelig; ik teeken toch tamelijk goed, ik moest het tenminste goed doen, want ik heb uitstekende meesters gehad, en ben gelukkig geen stommeling 1 Kom kameraad, je schertst! Het is een mooi geteekende schedel, een volmaakte doods kop, en je kever zou het wonderbaarlijkste exemplaar van alle kevers zijn, indien hij hierop leek. We kunnen er een zekere pak kende bijgeloovigheid bij borduren. Ik stel voor om je insekt scarabaeus caput hominis te noemen; in de natuurlijke historie vindt men tal van zulke namen. Maar waar zijn de sprieten, waarover je sprak De sprieten 1 riep Legrand, die zich on begrijpelijk opwond; je kunt de sprieten dui delijk zien, daar ben ik zeker van. Ik heb ze precies geteekend als ze in werkelijkheid wa ren. Is dat soms niet voldoende? Mij wel. Laten we zeggen, dat je de sprieten geteekend hebt, maar neem mij niet kwalijk, dat ik ze niet zie! Ik gaf hem het papier terug, zonder verder commentaar, om. hem niet te kwetsen, maar zijn slecht humeur intrigeerde me, en wat de schets van het insekt betreftde sprie ten waren absoluut onzichtbaar, terwijl het geheel beslist gelijkenis vertoonde mét een ALIMAARSC1E COURANT. We willen thans een bezoek brengen aan de twee kleinste der bij ons voorkomende landroot'dieren, die we evenwel niet als de minst schadelijke zullen voorstellen. Be doeld wurden de beide W ezels, waarvan de grootste h e r m e 1 ij n (ij'oetorius erniuea) geheeten wordt. Wanneer we hieromtrent even aan de (iebr, Muller het woord geven, dan volgt deze meesterlijke beschrijving: „Een zacht regentje heelt op een warmen zomeravond nauw merkbaar den bodem be- aproejd, die, heerlijk verlrischt, al zijn geuren uitademt. Alles is doodstil, alleen het „krie kende kriekske" laat zijn gesjirp vernemen uit het graan, en aan de" 'and van het bosch kan een snapachtig giusinuBje nog maar niet zwijgen. Blotseling wordt onze aandacht getrokken door eenige beweging. Zie, daar steekt een Hermelijn het l'ijne kopje met het stompe, groote snorharen dragende snuitje en de ronde, breede, schelpvormige oorea uit een opening, naar alle zijden rondspeurende. Alles sohijnt veilig. Haar volgt ook de slan ke, van onderen witachtig gekleurde hals en het rolronde, niet zeer dikke, roodbruine lichaam met een staartje, waarvan de lengte slechts 1/3 van die des lichaam» bedraagt. In kleine spiongen, als in een soort van galop,, gaat het van steen tot steen; bij tijd en wijl® wordt het neusje in de lucht gestoken, om te snuiielen of er iets gaande is. Bij 't minst ge- mimsh schrikt het diertje op, al zijn zintuigen zijn gespannen. Hier wordt een muizengat besnutieid, daar een boschje van alle kanten onderzocht, elders weer een boompje beklom men ter wille van een vogelnest Hoor, wat is datl Een sprong naar een kever in do lucht 'i .Neen, een vlinder is het, dien de kleine ja ger zmh even vaardig gevangen heeft, als de vlugste jongen met zijn kapellennet. Daar staat hij opeens stil, één van de voorioopers wordt opgetild tot aan de borst; in de hoog ste spanning wordt geluisterd in de riohting van den landweg en scherp uitgezien, Üna oog volgt do richting van den weg en ont waart, dat een jonge haas met vroolijke sprongen komt aangehuppeld Met groote snelheid naderende, legt hij vlak bij ons de lepels van louter zelfbehagen diep in den nek en ihaakt een luchtsprong, gelijk alleen een jong, dartel haas dat ver mag te doen. Hun staat hij stil, maakt kegol en strijkt zich vol zelfvoldoening de uitko mende snorhaartjes met de vóórioopera. Maar ais een bliksemslag valt daar een rood bruin voyrwerp het niets kwaads vermoeden de dier op het lijf. Het is ons hermelijntje. Hicht aan den weg heeft de schelm vol moordlust op de loer gelegen en vandaar den onheilbrengenden sprong gedaan. Wee den armen haas. Wat helpt hem zijn erbarmelijk geklaag, de vliegende vaart, oneindig snel ler nog, dan te voren, waarmee hij tracht te ontkomen 1 Ais vastgeworteld zit bet kleine monster hem aan den hals, hem gelukt het niet meer dien besten ruiter ter wereld af te werpen. Spoedig wordt het klagen zwakker en zwak ker, einddlijk gaat het ovor in een roochelen, waaruit wij afleiden, dat het slachtoffer be zwijkt. Wij schieten toe en vinden den armen martelaar reeds dood. En ziel nog hangt hem het kleine ondier aan den hals, met volle teu gen zijn zweet zuigendR Hij heeft ons echter in het oog gekregen en pakt zich ijlings weg. Wij tillen den dooden haas op en ontdekken aan een op zich zelf onbeteekonend wondje, dat hem de halsslagader is opengebeten elf1 dat de moordenaar daaruit zijn zweet gezo gen heeft." De Gobr. Miiller lateD hierop nog vo-lgen: ,tWj doen verstandig, den kleinen struikroo- vei' toch maar zfjn gang te laten gaan, want alles samengenomen, is hij voor ons men- schen een overwegend nuttig diertje, dat me- nigen tuin en hof reinigt van ratten en mui- ze en allerlei schadelijk inBeotentuig". Wie den kleinen booswicht heeft leeren kennen in het vrije veld, zul zeker de laatste bewering van de heeren Miiller niet dadelijk onderschrijven, en vooral ook kippenhouders beschouwen hem als een groot kwaad, waar bij het weinigje nut in het niet verzinkt. Lang zal het zeker nog duren, eer jagers en landbouwers den hermelijnen een goed hart toedragen. En het zijn niet alleen jonge ha zen en konijnen, die besprongen en gedood worden, maar ook andere voorwerpen wor den meermalen aangevallen, ©a ook berok kent deze kleine carnivoor veel schade aan de vogelvoortpianting. Even schadelijk als het hermelijn ie do gewone of klein® vetsl (Jfoetariua vul garis), het kleinste inlandsohe roofdier. Het getal jonge hazen, door wezels vermoord, kan zeer groot zijn, en groot ook is de schade, die zij den jager toebrengen door het verstoren van fazanten- en patrijzenlegseis, ml. door het bespringen van de broedende vegale Zender acht te geven ©p het vertehil in grootte bij de beide wezelsoorten, 'kent men tm toch wol steeds van, elkauader» Zoo ia de grootste, het harsaeljm, steeds te onderken nen door de in een haarbosje verlangde zwar te staartpunt, die ©nok in den winter blijft, waaneer dit dier in ©en witten gels een be dekkende kleur heeft. Xn den zomer heeft de bovenzijde van het lichaam en ook de staart, met uitzondering van het zwarte einde, een bruinroode kleur; de onderzijde is steeds geelwit. Men ra het er nog niet over eens, of bij dit dier tweemaal in het jaar een verha- ung voorkomt, dan wel, of in het najaar de haren slechts verbieekem. .Kennelijk vallen in Maart de lichte haren uit, die door donkera vervangen worden. Omtrent het kleed van de 'kleine wezel zegt de heer Lothar Pohl in de „B. J. Zeitung" o, m, „Ha wezel, een heel fraai roefdiertje, waarvan de lenige bewegingen lederen na tuurvriend moeten treffen en welks zwarte, fonkelende oogen groote moordlust verraden, is op de bovenzijde bruinrood, varieerand tot het lichtste vaalbruin; de onderzijde is steeds wit, bj eenige exemplaren in het midden zwaikgeel. Dikw jls ia een donkere, bijna zwar te staartpunt op te merken, die echter niet in een haarbosje uitloopt, zooals bij net her melijn, en bij eeulge voorwerpen is ook een donkere rugiijn waar te nemen". Hermelijn en kleine wezel, beide moeten aangeduid worden als bloeddorstige en moe dige roufdiertjes, niettegenstaande beide schuw zijn. Niet ©en der martelachtige dieren is zoo brutaal in het optreden ais de wezels dit zijn, en gedurig rooven ze by' dag, vooral wanneer ze jongen hebben te verzorgen. Dan worden de door de wezels gedoode dieren naar de holen, die in allerhande wallen, steen- en aardhoopen voorkomen, gesleept, en dan doet zoowei vleescb als bloed dienst. Zoo is het mogelijk, dat men, in een hermo- lijnenhoi een aantal overblijfsel® van vogels vindt, vooral pootjes, snavels en harde been deren. Zoo heb ik eens gestaan bij het uit graven van een hermelijnenhol in e en «loots- wal. Met een spade geschiedde zulks en in -het diepst van het hol vond men een dichten bos vederen, waarin de jongen hadden gele gen, of nog moesten komen. Onder het gra ven was een hermelijn over de spade ge sprongen en onmiddellijk in een van de me nigvuldige holen van den wal gekropen. Uit het hol kwamen te voorschijn vele grootere en kleinere vleugels, minstens 60 vogelpoot jes en vele andere overblijfselen van vogels Uit de pootjes kon opgemaakt worden, dat hier vermoord waren geworden, pleviertjes, jonge kieviten en tureluren. Ook twee leeu werikpootjes werden er bij gevonden, Een poos later heb ik gezien, dat de land- gebruiker hier een goede vangst had, door een moer-hermelijn met acht jongen te 'be machtigen. Ook werden er verschillende vo- gelresten in en bij het 'hol gevonden. De wezel® paren in het voorjaar. Men heeft evenwel op zeer verschillende tijden in het jaar jonge wezels1 en ook oude met embryo's gevonden, zelfs in November en December Men heeft echter nog niet kunnen uitmaken of deze Toofdiertjea één of meermalen in het jaar jongen werpen. Deze enorme verschillen in drachttij d heeft men evenwel veel meer bij het kleine wezeltje dan wel bij het herme lijn geconstateerd. J. DAALDER, Dz. Wat moet ik alzoo meenemen naar Indië? Deze v raag kan en o-ud-gast nog al ©©na hooren van hem, die voor het eerst naar Indië gaan. Ik antwoord geregeld: Met te veel. Met meer dan het hoog noodige. Dit antwoord is wel noodig. Het gebeurt veel te veel, dat baren met allerlei moois in lndië aankomen, dat ze niet n odig hebben. Om het maar -eens plat uit te drukkenMen smeert de lui hier allerlei mooie -en dure dingen aan, waaraan men in Indië niets heeft, of die men daar beter kan krijgen. Zelf ging ik jaren geleden naar Indië met een zoogenaamde tropenpet, een witte pet met een klep, die den nek beschermt tegen de felle zonnestralen. Ik heb het ding nooit ge dragen, want die klep is absoluut niet noo dig Men ziet dat wel eens- op een plaatje, waarop Wat negers en klapperboomen voor komen, maar vergeet dan, dat hij, die naar Indië gaat, geen Saharareizigei wordt. Velen laten zich hier oo'k te veel witte 'kleeren ma ken. Die maakt men in Indië beter. Zorg, diat ge er eenige hebt. Ze zijn goed op reis, wanneer men de tropen inkomt, In de Roode Zee bij ongeveer 100 gr, aan dék rond te wandelen af aan tafel te zitten met Euro- peesehe kleeren aan en een staande boord om, is al heel onaangenaam. Engelschen doen dat Die houden zoogenaamd: van decorum, maar de Hollander is wat praktischer aangelegd en trekt een witte pantalon en gesloten wit jasje (jas toetoep) aan. Doch in Indië levert men de zaken over 't algemeen beter aan hier. Zoo is het ook met sarong en kabaje voor dames. Indië is het land, waar men sarongs moet koopen en wat kabaja's bereft, kan ge rust gezegd worden, dat de coupe in Indië veel beter is dan hier. Wat men hier maakt, zit over het algemeen slordig. Heeren loopen tegenwoordig niet meer rond in slaapbroek en kabaja. Dat was vroe ger zoo. Nu slapen ze er in, dat wil zeggen in den slaapbroek. Een kabaja laat men lie ver maar uit. Hun kleeding is de pyama, die veel netter staat. Men doet natuurlijk verstandig, ais men gekleede costumes, japonnen, wandelcostu- mes, japonnen, wandelcostumes, avondtoil- letten uit Nederland meeneemt. Misschien is dat op 'het oogenblik minder noodig, omdat de prijzen zoo bijzonder hoog zijn, maar in meer normale tij'den betaalt men in E-uropa belangrijk: minder voor costumes dan in In dië. De coupe is in Indië evengoed als hier. Er zijn uitstekende coupeurs, zoowel voor dames als voor heeren in Indië's hoofdste den. Men 'kieze echter zeer dunne stof. Huisraad neemt men niet mee, althans geen meubelen. Glas- en aardewerk, porce- lein, tafelzliver en dergelijke maken een uit zondering, hoewel ze in Indië ook uitstekend te krijgen zijn. -Dat zijn echter van die din gen, die een jong echtpaar nog een® cadeau krijgt en dan is het wel aardig ze mee te ne men. Men denke er echter aan, dat elk pas sagier recht heeft op 1 M3. bagageruimte, bdhalve wat hij in de hut meeneemt. Voor het meerdere moet tegenwoordig een hooge vracht betaald worden en daardoor gaat een groot deel van het voordeel van meenemen verloren. Neemt men breekbare waar mee, laat het dan liever door vaklui inpakken. Heb daar wat geld voor over. Dat is niet zoo zuur, als dat men zijn zaken gebreken uit de kisten te voorschijn haalt. Zelf heb ik eens lampen ingepakt. Dé le zer 'kent ze wel met die zware ballen voor het opschuiven. Toen ik ze uitpakte, was al les aan diggelen. Ik had verzuimd die zware ballen afzonderlijk in te pakken en nu had den ze al'lea vernield. Dat zijn van die koop jes, die een naensch wijzer maken. Tafellakens en servettan neme men ook gerust mee, doch met beddela'kans en sloopen is dat weer anders. De afmetingen van een Indisch ledikant zijn heel anders dan van een Europeesch. Indische ©chtgenooten zijn ge wend om afzonderlijk te slapen, o£ se hebben een twee-peraoons ledikant, waarin er wel vier naast elkaar kunnen legen. De warmte maakt, dat men liefst wat afstand1 bewaart. De afmetingen der kussens zijn ook an dan hier. Dan heeft men nog de goexuigs, rollen, waar men 's nachts één been over legt, om zoo het broeien te voorkomen. In het begin is dat wat vreemd, maar dat went hael gauw. Spoedig ondervindt men in Indië wel, dat het niet goed is te slapen, terwijl de bee- nen tegen elkander rusten. Dan i« er nog ik had bijna gezegd nog een kleedingstuk waaraa men goed doet, o<dk te denken. Dat zijn de tandon. Mankeert daar iets aa% la^t ze dan eerst eens nazien. Hebt ge een valsch gebit, koop u ©en reserve gebit. Allicht wordt ge er ergens geplaatst, waar ge dagen, reizens van een tandarts ver wijderd zijt. En is dat niet het geval, dan nog hebt ge te weten, dat Indische tandart sen uitstekend® menschen zijn, knapppe vak lui, maar tevens handige rekenaars. Ze zijn kolosaal duur. Ge hebt voor 100 niet heel veel en voor een nieuw bovengebit b.v. legt ga al heel gauw 600 a 7O01 neer. Prima kwaliteit, dat is zoo, maar peperduur. Aan te bevelen is tegenwoordig ook een phofotoestel, een kodak b.v., mee te nemen. En natuurlijk eerst photografeeren te lee ren. Men kan er heel veel plezier van hebben. Als men na jaren zijn eigen Indisch album eens opslaat, gaat het voorbijgegane leven u weer voorbij. Ge beleeft het nog eens weer. En vooral doet ge er uw verwanten in Ne derland zoo'n genoegen mee. Ze zien uw huis, uw achtergalerij, uw tuin. Ze zien de uitstapjes, die ge maakt in het heerlijke tro penlandschap. Ze zien uw kinderen, hun kieia-kinderenin de verschillende tijdper ken van hun jeugdgxoeL Mijn moeder, die zich de laatste jaren van haar leven niet meer bewegen kon, had altijd een paar al bum's onder haar bereik en er ging haast geen dag voorbij, of z© bladerde er in. en leefde met haar drie zoon® en hun gezinnen op Java mee. Dat was haar een weelde. Zélf photografeerden we niet of weinig bij gebrék aan tijd, maar we zorgden toch trouw voor de noodige aanvulling. Aardig is het natuur lijk en goedkooper ook, als men zelf kiekt. Men stuurt dan ook meer. en men maakt er de menschen zoo gelukkig mee. Mijn doch ters reizen nog al eens op Java, beklimmen 'bergen, dalen af in kraters, trekken door oerwouden, enz. en verzuimen nooit ons daarvan kiekjes te zenden. Het is dan zoo heerlijk te zien, hoe ze zich vermaken, hoo gezond ze er uit zien, hoe ze van het leven genieten. Die plaatjes zijn zoo'n heerlijke aanvulling van de brieven. We leven meer samen. Ik wil dit arti'kel niet eindigen zonder er nog aan toe te voegen dezen raad: Schrijf dikwijls, aan wie u dierbaar zijn. Hebt ge niets bijzonders te schrijven, doe het dan af met een briefkaart. Er wordt zoo naar verlangd en het stelt zoo gerust. A. v. W. DURE ZUIVELPRODUCTEN. De heer Kroonenburg schrijft in „de Tele» graaf' over de dure zuivelproducten het vol» gen de; Ofschoon de „.duurte" van allerlei benoodig» de artikelen daarop haar stempel heeft ge» drukt, en Mateiding geeft tot vele klachten, zoo zijn het vooral de hoog noodige levensbe» hoeften, die in den tegenwoordigen tijd door onfcM hooge prijzen veler bezorgdheid wekken. Niet alleen bezorgdheid, maar ze hebben ook een vijandelijke stemming doen ontstaan tusschen consument en producent, 'ishopn laatstgenoemde niet altijd uit winst» bejag zijn producten zoo duur aan de markt moet brengen. Ook zijn de velé tusschenper» sonen, die vooral in de groote steden, de land» en tuinbouwproducten onder het bereik der consumenten brengen, in niet geringe ma» te oorzaak van de duurte dezer artikelen. Wel worden allerlei maatregelen voorgesteld, om daarin verandering te brengen, toch blijft het bij klagen over „de duurte." Met de zuivelproducten is het evenzoo, en het is vooral het artikel melk, dat tegenwoor» dig zoowel aan de regeering als aan de consu» men ten en niet minder aan de leveranciers van dit zoo noodzakelijke levensmiddel, veel zorg baart. In hoeverre de producenten van melk en de daaruit bereide boter en kaas mogen beschouwd worden als de door de consumen» ten zoo dikwijls beschuldigde opdryvers der prijzen dezer artikelen, wil ik in dit opstel na» der toelichten. Over het algemeen is onbe» kendheid met het veehoudersbedryf oorzaak van verkeerde gevolgtrekkingen en dit geldt vooral den prijs van het artikel, dat in iedere huishouding als het ware onmisbaar is, name» lijk de melk. Wel staat Nederland bekend als het land, dat een alom beu -oden veestapel bezit, en vooral melkvee by uitnemendheid heeft, zoo» dat bijna alle cultuurstaten fokvee uit ons land betrekken, maar vergeten wordt dikwijls dat bijzondere zorg en moeite vereischt worden, om dit standpunt te handhaven, al dankt ons vee veel aan zijn uitstekende eigenschappen en ook aan het goede acclimatisatievermogen. Al bezit Nederland ook uitstekende weilan» den, zoo moet toch gedurende de wintermaan» den de stalvoedering toegepast worden, en het zijn juist die voedermiddelen, welke tegen» woordig hoog in prijs zijn.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1919 | | pagina 5