Rottort wa m iwtatlfstc kmu- MILITi K Insolirij ving. FE li l LLETON. Zaterdag 20 December. -anecdote. soo. De BURGEMEESTER van ALKMAAR Gelet op art. 7 van het Militiebestuit (K. B van 3 April 1912, Staatsblad No. 145). Herinnert alle mannelijke ingezetenen, die op 1' JA NUAR1 1920 hun 18e levensjaar hebben vol maan (aizuo de mannelijke geborenen van 1900) om zich in de maand JANUARI 1920 voor de Militie te doen inschrijven Dt inschrijving geschiedt in een dei ver trekken v«m het stadhuis a.hier, op DINS iJDAu tut 30 jvvNUAKI as van oes namiddags 2 tot 4 uur, en verder ter Ge- i in a r i t' aaiit ut ui nsauijving bestaat t» ven6 ut gutfc«iiutid urn op te geven de rede» van vrijstelling, die de in te schrijven per soon »c"#oedelijk zal kunnen does gelden Voo. u worde® be isng neb benden opmerk zaeifl fe i.«a»t op ut voigtade bepalingen dei Vlih-.ievtKt Artikel 12 1 Behoudt ns hot bepaa de in art 11 wordt lu. itdei vuuUeijSiig uiaansnjk Nederlan dtr, dis op 1 Januari van het jaar, volgende p dat, waarin hij hst 18e levensjaar heeft volbracht, binnen het Riik in het Duitsche Kijk of is hot Koninkrijk Belgis woonplaats ueeft, oi wiens vader, moeder of voogd on ge noemd tijdstip in een dier Rijken woonplaats aeeti, 2o ieder meerderjarig mannelijk Neder lander, die op genoemd tijdstip in een der ge noemde Rijken woonplaats heeft; 3o. ieder mannelijk niat-Nederlander, die op gmoema tijdstip iagawteafi van kef Rgk Is. 2. Voor mgeaetene m den sla dezer wet wordt gehouden: A. de minderjarife niet-Nederland«, die binnen het Rijk woonplaats heeft lo. indien zijn vader, moeder of voogd binnen hei Kijk woonplaats heeft en geduren de de voorafgaande achttien maanden in hot Rijk of in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen woonplaats gehad heeft; 2o. indien hij zelf gedurende de vooraf gaande achttien maanden ia het Rijk of in de koloniën of bezittingen des Rijks, in andere werelddeelen woonplaats gehad heeft, tenzij hij in den zin dezer wet een vader of moeder heeft en deze elders dan binnen het Rijk woonplaats heeft. B. de meerderjarige niet-Nederlander, die binnen het Rijk woonplaats heeft en gedu rende de voorafgaande achttien maanden in het Rijk of in de koloniën of bezittingen do» Rijks in andere werelddeelen woonplaats ge had heefL 3. Voor de toepassing van het bepaalt» in het Vorig lid wordt gehóuden voor minderjarig hij, die minderjarig ia in den zin der.Nederlandsche wet; voor meerderjarig hij, die „meerderjarig t» in den zin der Nederlandsche wet Artikel 13. Voor de Militie wordt niet ingeschreven lo. de ingezetene niet-Nederlander, die blijkt te behooren tot een Staat, waar de Ne derlanders niet aan den verplichten krijgs dienst zijn onderworpen of waar ten aanzien van den dienstplicht het beginsel van weder keerigheid is aangenomen; 2o. hij, die blijkt in de koloniën of bezittin gen des Rijks in andere werelddeelen woon plaats te hebben, mits dit niat zij t«r sake vas krijgsdienst Artikel 14. 1. De inschrijving geschiedt: en der curateele staat, op zijn curator. 3. De minderjarige, die in den zin desei wet geen vader, moeder of voogd heeft, of wiens vader, moeder of voogd niet binnen het Rijk, in het Duitsche Rijk of ia het Konink rijk België woonplaats heeft, is, behoudens het bepaalde ia het volgend lid, steeds zelf m <ui <sxm o* «asgSfas vwjftfc&t 4. Hij, die ia opgenomsa ia een der tm art. 16 vermelde gestichten «n inrichtingen of b* hoort tot de in het tweede lid van genoemd ar tikel bedoelde personen d«a wel ia dienst is bij de zeemacht, bij het ieger hier te lande of bij de koloniale troepea, behoeft niet ter in schrijving te worden aangegeven-, 5. De aangifte geschiedt in de maand Janu ari van het jaar, volgende op dat, waarin de in te schrijven persoon het 18de levensjaar volbracht. 6. Voor hem of haar, die tot het doen van de aangifte verplicht is, kan de aangifte geschie den door een ander, daartoe» schriftelijk ge machtigd. Artikel 10. 1 De bestuurders van krankzinnigen-, idio ten^, doofstommen- «n blindengestichien, van gevangenissen, van rijkswerkinrichtingen, van rijksopvoedingsgestichten en van tuchtscholen zenden jaarlijks vóór 10 Januari eene opgave, ingericht in den door Ons te bepalen vorm, van de daarin opgenomen mannelijke perso nen, die als dan voor de militie moeten wor den ingeschreven, aan Ouzen commissaris in de provincie, binnen welke de inschrijving moet plaats hebben. 2. Ten aanziea vaa de mannelijks perso nen, die ingevolge art. 39 van hei Wetboek van Strafrecht ter beschikking va» de Regee ring zijn gesteld en niet in een Rijksopvoe dingsgesticht zijn opgenomen, geschiedt gelij ke opgave vanwege Onzen Minister vaa Jus titie. 3. De inschrijving van de in het emte en het tweede lid bedoelde personen, zoomede vaa die welke in dienst ziin bij de zeemacht, bij het leger hitr te lande of bij de koloniale troepen, geschiedt overeenkomstig door Ons ts geven voorschriften. Artikel lt. 1. Voor d* militie wordt ook ingeschreven oi wordt opnieuw iagv.schie.vm lo. ieder minderjarig mannelijk Nederlan der die na 1 Januari van het jaar, volgsnds op dat, waarin hij het 18de levensjaar vol bracht, m vóór het intreden van het 21ste le vensjaar zijne woonplaats binnen het Rijk. in het Duitsche Rijk oi in het Koninklijk Belgiè gevestigd heeft m> visos vader, mosder oi voogd niet reads in «sa dier Rijken woon plaats had 2o. ieder minderjarige mannelijke Neder lander, die niet in een der genoemde Rijken woonplaats heeft, doch wrona vader, moeder of voogd na 1 januari van het jaar, volgende op dat, waarin de minderjarige het 18de le vensjaar volbracht, en vóór het intrede» van diens 21ste levensjaar zijne of hare woon plaats binnen een dier Rijken gevestigd hs-aft; 3o. ieder minderjarige mannelijk Nederlan der, die van het Jaar, volgende op dat, waarin hij het 18de levensjaar volbracht, ei» vóói het intreden van het 21ste levensjaar Nederlan der of opnieuw Nederlander is geworden, zoo hij of zijn vader, moeder of voogd binnen het Rijk, in het Duitsche Rijk of i» het Koninkrijk België woonplaats heelt; lo. van hem, bedoeld in art.. 12, «erste lid, onder lo.: a. zoo zijn vader, moeder of voogd binnen het Rijk woonplaaits heeft, in de gemeente der woonplaats van vader, moeder of voogd; b zoo hij binnen het Rijk woonplaats heeft, li de gemeente zijner woonplaats, ten zij hij in den zin dezer wet een vader, moeder of voogd heeft en deze in eene andere ge meente binnen het Rijk woonplaats heeft; e. aoo zijn vader, moedei of voogd in het Duitsche Rijk en hij niet binnen hot Rijk woonplaats heeft, in de gemeente Amsterdam; d. soo zijn vader, moeder of voogd in het Koninkrijk België «n hij niet binnen het Rijk woonplaats heeft, in de gemeente Rotterdam, a. zoo hij in het Duitsche Rijk en zijn va der, moeder of voogd niet binnen het Rijk of in het Koninkrijk België woonplaats heeft, in de gemeente Amsterdam f. zoo hij in het Koninkrijk België en zijn vader, moeder of voogd niet binnen het Rijk of in bet Duitsche Rijk woonplaats heeft, in de gemeente-Rotterdam; 2o van hem, bedoeld in art. 12, eers/te lid, onder 2o. a. zoo hij wöonp laats heeft binnen het Rijk, in de gemeente zijner woonplaats; b. zoo hij woonplaats heeft in het Duit- Rijk, in de gemeente Amsterdam; „e. zoo hij woonplaats heeft in het Konink rijk België, in de gemeente Rotterdam; 3o. A. van hem, bedoeld in art. 12, «erste M, nder 3a„ ietfran hij mhrdwjarif» is: a. ioo zijn vader, moeder of voogd binnen pen beschrijving j£an het dagelijksch noma denleven, zooals Let gezien en meegemaakt -t weed dory dp schrifsfer .DMILIE, D.EMANT—HATT, Dit het Deens ch vertaald door AA. 25» 26) Nadat we in den loop van tien minuten on telbare malen waren o-mgegooid, kreeg Nikki eindelijk het rendié in zijn macht en stond stil bij een paar berken. Hij keek vreeselijk be denkelijk en zei: „Dat gaat niet goed." Ik vond geen reden hem tegen te spreken, maar toen hij voorstelde dat ik probeeren zou te sturen door de beenen buiten boord te hou den, zei ik: „nee, dank je wel", daar waren mijn beenen me toch te lief voor. Toen sneed hij- 'n langen stevigen stok, waarmee ik moest tegenhouden als de slee weer haar dollen springdans achter het rendier begon te ma ken. -Dat hielp welnu ik iets had om mee te sturen, waren de buitelingen uit de slee niet meer zoo vele, maar het kostte krampachtige inspanning in dat folterwerktuig te blijven zitten, die pogingen werden niet altijd door succes bekroond, 't Gevaarlijkst was het, toen wij in het bosch kwamen en de hellingen steil werden, daar moest ik ook voor de boomen sterk remmen, het halfwilde dier werd dol van angst, als de slee zijn achterpooten aanraak te. Het waren uren vol tegenspoed en span ning, en ik vroeg me af, of ik met Feele lede maten in Julckasjarvi zou komen, maar die heele sledevaart was zoo innig gek, dat ik ieder oogenblik 't lachen met geweld moest EaHnHngaty «at «ia* gnbnd m al da «arié te rn Btfk vreonplBB® ®w6i, ft» de grawsate <em woonplaats van vadei, moeder cd voogd; b. zöö MJ te dan zin dezer wtl geen va der, moeder of voogd heeft of aoo ii;a voogd aiet binnen het Rijk woonplaats héét, in di gemeente, waar hij zelf woonplaats heeft; B. van hem, bedoeld ia ait 12. eerste lid, onder 3o„ indien hij meerderjarig is: in de gemeente, waar hij woonplaats heeft. 2. De in het vorig lid sis plaats van in schrijving aangewezen gemeente is die, waai de woonplaats gevestigd is of was op 1 Ja nuari van het jaar, volgende op dat, waarin d< a te schrijven persoon hel 18de levensjaal volbracht Ten aanzien van hem, wiens in schrijving te Amsterdam of te Rotterdam moet geschieden wegens woonplaats onderschei denlijk in het Duitsche Rijk of ia hé Konink rijk België, wordt de gemeente, waar de in schrijving moet plaats hebben, bepaald Kaar. iel Rijk, waar de woonplaats gevestigd is of A-as op 1 Januari van net jaar, volgende op dat. waarin-de in te schrijve» persoon her 18de levensjaar volbracht. Artikel iS. 1. Hi}, die volgen» art. 12 moet worden la- geschreven. is verplicht zich daartoe aan te geven bij den Burgemeester der gemeente, waar dc inschijving moet geschieden. 2. Indien hij ongesteld of afwezig is, rost de verplichting tot net doen ran de aangifte: a. indien het ees minderjarige betreft, «p zijn vader, moeder of voogd, mits de rader, moeder of voogd binnen het Rijk, i» ket Duit sche Rijk of in het Koninkrijk België woon plaats heeft, of indien de voogdij is opge dragen aan eene rechtspersoonlijkheid bezit tende vereeniging, aaa een# siichtiug «f eene instelling vaa weldadigheid ep dl be stuurders b. .indien het e«a meerderjarig* betreft, dl# 4o. ieder meerderjaiig mannelijk Nederlaa der, die na 1 Januari va# het jaar, volgend» op dat, waarin hij het 18de levensjaar vol bracht, «i vóór het intreden van het 21ste le vensjaar zijne woonplaats binnen het Rijk, in het Duitsche Rijk ol in hei Koninkrijk België gevestigd heeft; 5o. ieder mannelijk meerderjarige, die ia l Januari van het jaar, volgende op dat waarin hij hé 18de levensjaar volbracht, an voor hé intreden vaa het 21ste 'evensjaar Nederlaa der of opnieuw Nederlander is geworden, zoo hij binnea het Rijk, in net Duitsche Rijk of ia het Koninkrijk België woonplaats héét; 6o. ieder mannelijk niet-Nederlander, die na 1 Januari van het jaar, volgende op dat, waarin hij het 18de levensjaar volbracht, m vóór het intreden van net 2iste levensjaar in gezetene of opnieuw ingezetene i» geworden in den zin van art. 12, tweede lid 7o. hij, die vóór het intrede® vaa het 21ste levensjaar ophoudt te verkeeren in ge» dei ge vallen, bedoeld in art. 13, indien hij overi-, gens hetzij volgens artikel 12, hetzij vol^sn# het hiervorea.onder lo. 6o. bepaald* iMg*- achrcver, wu moeten woi 'ten. 2. Met betrekking tot het bepaalde ondtr lo.—6o. gelden art. 12, laalete lid en art. 13 3. Ten aaaaisn van dc gemscaie, waar inschrijving, of de inschrijving opnieuw moet geschieden, geldt art. 14, eerste lid, met dieu verstande, dat dc plaats van inschrijving wordt bepaald naar de gemeente of het Rijk, waar de woonplaats gevestigd is of was op den dag, waarop dc in te schrijven persoon of zijn vader, moeder of Voogd is geraakt ia com der in hei earste lid van dit artikel om schrtvM! gevallen. 4. Tet; aanzien van de aangifte «f op pave ter inschrijving oi ter inschrijving opnieuw gelden de artt. 15 en 16, met dien verstande, dat de aangifte geschiedt binnen dertig en de opgave binnen tien dagen na den dag, waar op de in te schrijven persoon of zijn vader, moeder of voogd is geraakt in een der in hei eerste lid van dit artikel omschreven gevallen. Artikel 102. 1., Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen oi geldboete van ten hoogste honderd vijitig gulden wordt gestraft: lo. de in art. 15, eerste of tweede lid, be doelde persoon of diegene der in laatstge noemd lid bedoelde bestuurders, die niet vol doet aan eene hem bij dat artikel of bij artikel 17, vierde lid, opgeiegde verplichting: 2. Met gevangenisstrai van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste zeshouderd gulden wordt gestraft hij, die op zettelijk een der in het eerste lid bedoelde fei ten pleegt. 16 December 1919. De Burgemeester voorn. W. C. WEN DELAAR. Gainsborough, de uitstekende Engelsehe schilder, gaf heel wat portretten van beroem de personen en meest alle bewonderenswaar dig. Maar die van Garrick en Foote kon hij aiet goed lurijgen. Hij verontschuldigde zich over de mislukking door tez eggen: „Deze vreeselijke tooneelspelers hebben de trekken van iedereen, maar niet hun eigene 1" Toen Tolstoi zijn drama „De macht der duisternis" voltooid had, las hij hei eenigen boeren voor om de uitwerking van zijn stuk te zien. Er gebeurde echter niets. Toen Tolstoi nu eeuigc hartroerende pas sages voorlas, en zelfs in tranen losoaisttc, begonnen de boeren luide te lachen. Dit was natuurlijk een plotselinge afkoeling voor Tol stoi, die pu zij nwerk niet uitgaf. Fréron takelde „Mcrope" van Voltaire ge weldig af. Toch had het werk bizonder groot succes bij de eerste opvoering. Er verscheen kort daarna een prachtuitgave met een titel blad in koperdruk. Daar was ook een ezel op afgedrukt, die een lauwerkrans om den nek droeg. In 't nieuwe nummer van zijn tijd schrift herriep Fréron zijn vroegere kritiek, roemde de uitgave, sprak ook over 't titelblad en voegde er L j Axee le portrait diTl'auteur. Voltaire had rüets beters te doen dan alle exemplaren c e koopen en te verbranden. Bij gelt 1 van een hoffeest onder de invasie der ichen in Duitschland, waar bij de konii gin en haar hofdames korenbloe men in het haar droegen, had zich een Fransch generaal afkeurend uitgelaten over den eenvoud van dien opschik. De koningin wendde zich tot hem en zeide O, mijnheer, sinds de Franschen onze velden verwoest hebben, zijn veldbloemen een kostbare zeldzaamheid geworden! Mogelijk «rfde keizer wilhelm I deze voor liefde voor korenbloemen van zijn moeder. verliezen over mijn sterk gespannen spieren. Er lag een rusthuis op onzen wegtoen we daar kwamen, zagen we aan den schoor steen, dat er vuur brandde, en Nikki ging naar binnen, maar hij vond dat we er niet moesten rusten. Binnen was een gezelschap uit Finnen bestaande, die een lijk naar een kerkhof brachten, de lijkslede stond op eeni gen afstand. Wij zetten na een kleine extra verkwikking onze reis in de duisternis voort. Tegen dep avond zagen we een groo^ vuur lichten midden in het bosch. Het waren eer paar van onze reisgenooten, die rust 'hielden den; wij reden er heen en spoedig waren we bij elkaar. Hé was hun nié béér gegaan dan ons, en hadden zij kunnen vermoeden, dat de weg zóó slecht was, niemand zou de markt- reis ondernomen hebben. De Lappen zeiden, dat ze Hooit een dergelijken toestand hadden beleefd en hoopten, dat ze bewaard mochten blijven, ooit een herhaling ervan te zien. De rendieren werden vlug afgespannen en mé het lange leidsel hier en daar aan de boomen vastgebonden, nadat men eerst had onderzocht of er mos te grazen viel op de plek, waar men ze vastbond. Men kan het da delijk aan het rendier merken of er voedsel is of nié, het doet nl. geen poging om de sneeuw weg te schoppen, als er geen mos on der ligt. Een geweldig vuur werd gestookt bij den wortel van een door den wind gevelden pijn boom. Het eten en de koffieketels kwamen te voorschijn en de ketels werden met sneeucv gevuld. Spoedig had men sterke koffie. Het knapte en knetterde in het kolossale vuur, de vlammen staken den reusachtigen knoestigen wortel aan, die met zijn verwarde uitsteek sels den achtergrond voor het vuur vormde en voor hé kleine groepje in pels gekleede mensChen, die in hé besneeuwde bosch bijeen uuiiw.. Wis koud m da wanna adam hing Toen een officier aan generaal Blücher eens vertelde, hoe hij een Fransch officier gevan gen genomen had, zei Blücher: Jongen, is nut niet een lust, huzaar tc zijn; dc duivel moge me halen, als ik niet graag nog luitc nant wilde zijn, om zulke stukjes uit te ha len. Niets dan moeilijkheden heb ik ais gene raal, en om er eens goed op in te hakken komt er bij mij bijna niet meer van. Aan het hof van den eersten koning Fried- rich I van Pruisen was het gcyvoonte gewor den het geld met volle handen, rond te strooi en. De manier waarop de prin3, de latere Friedrich Wilhelm I. de scldatcnkoriing, me het geld omging had hem reccte spoedig als een jonge gierigaard gcbrandWrkt. Er moet nog een kasboek van hem bestaan, dat hij vim zijp tiende tot zijn twaalfde jaar heeft bij" priiouden, waaruit enerzijds blijkt dm' hij el ke ook de kleinste uitgave zorgvuldig noteer de, maar waaruit ook anderzijd» tc bespeuren valt, dat hij den nood der armen dikwijls cn rijkelijk lenigde. F cn eigenaardige vreemdelingenlijst was te zien te Brienne gedurende den ITar.sch-Lhiit- schcn oorlog. Eenige dagen nadat Blücher uit het slot van Brienne verdreven was, ver legde hij zijn hoofdkwartier weder daarheen In dien tusschentijd had Napoleon de door Blücher verlaten kamer bewoond. Daai de kwartiermakers de uamcu van hen voor wie het kwartier bestemd was, maor met krijt op de deur schreven, kon men op poor ten van het slof van Brienne het volgende merkwaardige opschrift lezen: „Velchvaarschalk Bliichcr." „Zijne majesteit de Keizer." „Veldmaarschalk Blücher." Keizer jozef sprak behalve zijn moerdcrtaal, waarvan hij het Wecnsdic dialect bij voor keur gebruikte. Latijn Fransch, Italiaanseh Hoiigaarsch eii Bohcoiiach, Hij gaf toch bij iedere gelegenheid aan het Duitsch dc voor keur. Toen hij eens bij een feest aan een dame vroeg, hoe ze het maakte cn deze meende, hem volgens de oude étikette, in 't Fransch te moeten an.woorden, werd hij boos, cn zei: Waarom spreekt u geen Duitsch? Wij zijn toch in een Duitsch land? En hij liet haar staan. De aanduiding van den slag, waarin Na poleon in 815 viel, als de slag van „Water loo", is BKicher steeds onsympathiek ge weest, ja, bij vond ze een beleedlging. Hij zelf was het, die den slag naar de plaats, waar het lot van Napoleon beslist wit bevroren in haar en pels, in wenkbrauwen en oogharen, de huid was rood en verkleumd, maar vóór het vuur smolt alles wat bevroren was, en hé humeur kwam bij. Natuurlijk praatte men over de verschrikkelijke gesteld heid van den weg dien men was afgekomen en belangstellend vroeg men elkaar, tioe men 't had. De vrouwen gingen er eigenlijk trotsch op, dat de mannen al even afgetobd waren als zijmaar aller opvatting van het geval was humoristisch, hoe onaangenaam, ja ge vaarlijk de werkelijkheid ook was geweest. Toen we wat gegeten hadden, worden de rendieren naar andere boomen gebracht waar ze konden grazen, terwijl wij rustten, sommi gen in de sleden, anderen rondom 'het vuur de Lappen dachten er half en half over te overnachten, maar gaven dat plan bij nade re overweging op. Ik viel bijna oogenblikkelijk in slaap. Toen ik wakkei; werd was de werkelijkheid als de voortzetting van een droom, het pikdufstere stille bosch, sneeuw die zacht neerdaalde van het vuur, die in hun pelskleeren meer geleken op gedaanten uit de kindersprookjes aan op werkelSjlce menschen; zoo leken ze er op, dat men de omgeving zag in denzelfden glans van het wonderbare en avontuurlijke, dat het levani bijl hen en mé hen zoo mooi maakte en zoo rijk van inhoud. Na een paar uur begon opnieuw de gevaar lijke reis. De rendieren hadden nu rust ge had en liepen weer had. Wie in 't bosch mé een slede reist, moet oppassen, het is in 't donker gauw gebeurd tegen een boom op te slingeren en je hoofd of je ledematen te ver brijzelen, voor de Lappen 'n nié ongewone manier om aan hun eind te komen. Gelukkig kreeg ik de verhalen daarvan eerst veel later te hooren. Na het bosch weer «teengrond en bevroren MTdhooeeo. vuxstw d» wikk v&axx vexd wwti, aa tfe rarbosgee raogasS&eÖRJ si&w de hnnd reikten, Belle Alliance gedoopt heeft, Alexander Dumas was zéér galant. Hij be weerde dat hij neg nooit een leelijke vrouw Sezien had. Een dame begon te lachen, toen ij dit in haar gezelschap zei en merkte op: Ik dan? mij noemt u toch zeker leelijk met zoo'n platten neus! Toen antwoordde Du mas: U ia een engel, uit den hemel geval len op den neus, die daardoor wat plat ge drukt werd! Franz Jozef verzamelde al de menuea van de diners welke hij hal bijgewoond: Dc Koning van Griekenland spoorkaar tjes, waaronder als interessantst document het retourtje van een kardinaal, die naar hé conclave reisde en tot Paus gekozen werd; Konigiu Maud van Noorwegen heelt eeo voorliefde voor alles wat ivoor is. Iemand, die den geleerden Latinist Bu chanan bezocht, begroette hem met de woor den: Salve, magister sine libris! (Wees ge groet, meester zonder boeken!) Toen Bucha nan hem een tegenbezoek bracht, zei hij: Saivete libri, sine magistro! (Weest gegroet, boeken zonder meester!) Want die boeken stonden in de kast met stof bedekt. De Dichter Piron en een meneer van een bureau, commies of zoo iets, kwamen tegelijk als gasten aanbellen. De ambtenaar wilae Piron vóór laten gaan, maar deze deed ook beleefd. De gastheer verscheen en riep tegen den ambtenaar: Kom toch binnen, meneer Piron is maar een dichter 1 Toen stapte Piron vooruit, zeggende: Nu mijn rang genoemd is, ben ik ook zoo vrij u vóór te gaan. Blücher was niet alleen doctor van de universiteit te Oxford, maar is ook door de Berlijnsdie universiteit tot doctor benoemd. De beroemde dr. Heim sprak eens in tegen woordigheid van Blücher dc volgende toast daarop uit: Leve de doctor onder de veld maarschalken I Meteen stond Blücher op en dankte voor dc eer met de toast: Leven de maarschalk onder de doctoren, collega Heim! Van-den Japanschen schrijver Tazlkiva- Bakuin, die in den nieuweren tijd nogal op den voorgrond trad, vertelt men dat hij 290 werken achtergelaten heeft. Het verhaal loopt, dat hij, om zich iu de personen, die hij uitbeeldde niet te vergissen, van hren allen poppen maakte. Toen hij nu eens in de verlegenheid zat, met wat hij een der handelende personen, waarvan hij een pop gemaakt had, zou laten doen, keek, keek hij de pop plotseling strak aan en riep toen uit: Zal ik je dooden ol laten leven? Toevallig trad een koopman het huis binnen om den schrijver te spreken, maar deze maakte bij het hooren dezer woor den gauw dat hij weg kwam. Eens zag Blücher in een kamer, waar hij ingekwartierd was een open kast, waarin de kleedingstukken van de huisvrouw lagen. Daarbij lag ook een groenzijden sierlijk ge- Sarneerde dameshoed, met een grooten bree- en overhangenden rand. Daar Blücher voor zijn oogen een groen scherm noodig had en hij dit niet krijgen kon, nam hij zonder aar zelen den sierlijken hoed en zette dien op. Hij wilde niet, dat men aan dit hoofddeksel iets veranderen zou, en verklaarde alle po gingen daartoe voor domheid. Iu dezen prachtigen hoed ontving hij alle bezoekers, en reed nier ook van Fismes naar Chülons, met den hoed op, zich van de lachende gezichten zijner soldaten en der be volking, die hij gedurende zijn tan\leijk lan gen rit tegenkwam, niets aantrekkend! Toen Rudolf I nog graaf van Habsburg was, keerde hij eens van de jacht naar zijn slot terug. Onderweg ontmoette hij een pries ter, die ondanks het slechte weer en den slij- kerigen weg met het H. Sacrament naar een zieke ijlde. Nauwelijks had de graaf den priester ge zien, of hij steeg van zijn paard en verzocht den priester, na het H. Sacrament eerbiedig gegroet te hebben, zich van zijn paard te be dienen waarbij hij de gedenkwaardige woor den sprak: Het betaamt niet, dat ik rijd, terwijl de bedienaar en drager van den Heer mijn God te voet gaat." Hij schonk den priester het paard met een stuk wei er bij, om het dier op te laten wei den; en toen de priester wilde weigerei, het geschenk te aanvaarden, riep Rudolf uit: voortgezetmaar nu had ik meer oefening en kon me beter 1 innenboords houden, wat Nik ki scheen te 1 azen, want toen wij eens stil hielden, rir e toe: „wat een wonder, dat jij in de s blijven." Eens werd ik er echter zoo krac.itig uitgegooid, dat ik te laat kwam om er weer in te springen. Ik zag de sleden zich verwijderen als een donkere streep op de sneeuw. Gelukkig hoorde Nikki toch ein delijk mijn geschreeuw en stopte de vaart. Maar toen wij Santusjarvi naderden, was ons lijden aan een eind, de sneeuw lag gelijk matig over het ijs, en een heerlijke rust kwam over onze vermoeide zenuwen en spierende rendieren voelden' zeker hézd'fde, hier behoef den ze voor niets bang te zijn, ook werd het lichter, de maan kwam op en stond rood bo ven de rotsen. Ten slotte was het een genot in de slee te zitten en zoo zacht over de sneeuw te glijden. Het heele marktgezelschap was nu weer bijeen en in dè beste stemming maar er werd met veel gesproken, alleen Gaiso zat te neuriën of riep bij tusschenpoozen haar prach tig breedgetakt rendier een vriendelijk woord je toe. Rondom het meer staken donkere bos- schen tegen de sneeuw af. De maan"rees hoo- ger aan den 'hemel en scheen zoo helder dat groenadhtige schaduwen met ons meeliepen. Plotseling zagen we in verre verte op de rotsen een menigte lichtende puntjes; waren hé Lappenvuren O neen, er waren er al te veel. Ik riep Nikki een vraag toe en hij ant woordde in zijn zacht klinkende taal: „Ke- runa." De stadl Keruna was hé, die haar naam heeft gekregen van hé Lapsche woord Kerun (is bergsneeuwhoen) omdat de plaats waar nu d'c vele elcctrische lichten van het mijngebied branden, vroeger door de Lappen zoo werd genoemd. Tegen middernacht werd hé koud, de vorst kraakte in het ijs en schaduwen trokken over d» rnann; waar zaudm W« di«U ÜBCbt kam peeren Ons bed zou waarschijnlijk enkel een rendierhuid zijn op harden grond in de een of andere port (boerenhuis, bestaande uit éen vertrek met uitbouw). Nikki vond in het duistèr den weg naar een klein huisje waar een paar oudere Lappen woonden, die-het zwervend leven hadden vaarwel gezegd. Nikk had de paar rendieren, die zij nog bezaten in zijn kudde en woonde daarvoor bij hen in, als hij te Jukkasjarvi was. Hij klopte aan de deur en spoedig kwam er een mager Lapvrouwtje opendoen. Wij wer den alle drie vriendelijk opgenomen. Nik- ki's schoonzoon was met ons meegegaan. Spoedig vlamde er een goed vuur onder den schoorsteen. Lappen zijn over nachtrustver storing nooit uit hun humeur, ze zijn er door het leven in de hut te zeer aan gewend. Bin nen in hé huisje was alles even netjes. Groot- vadertje zat in bed overeind en vroeg dadelijk naar zijn rendieren; een volwassen zoon lag wakker op een klapbank. Op den grond sliep dien nacht een gast, die iets vroeger was ge komen dan wij. Na een uurtje kregen ook wij de begeerde nachtrust, ik op de klapbank, die met nieuwe rendiervellen aon mij was afge staan, de zoon des huizes sliep met de drie andere mannen op den grond. Niemand had last van de sterke koffie, waarop we waren onthaald. Toen ik den volgenden morgen wakker werd, was het magere moedertje alweer bezig koffie te zetten. Het vuur verlichtte een rimpe lig bruin gezicht en gaf gloed aan haar mooie oude Lappenkleeding; het vertrek was in-gezellig. Met een gevoel van welbehagen sliep ik weer in en sliep tot een vriendelijken „goeden morgen, hoe gaat hé?" me wekte. Wordt WxmIzD rate Coint. v. 'i CU II i k 31 si

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Alkmaarsche Courant | 1919 | | pagina 11