Jo oi René? FLAGSTONES Het êeste adres P. de ZORZI Zn. ZELFBEDIENING Fa. H. J. Volte n en Zn J.LOUTEk Keurkost Olba schotels 128 Louters Zelfbediening door H. Westenberger Nadruk verboden De hoofdzuster, die nog bij de instrumentenkast bezig is, wisselt een blik met de professor en schudt het hoofd. Zij kan niet uitstaan, dat er altijd mensen zijn, die op de laatste minuut komen. Ook de professor heeft niet veel zin meer. ,,Laat ze morgen terugkomen", zegt hij in zijn zangerig Mar- seillaans dialect. „Dat heb ik haar al voorgesteld", zegt de verpleegster aan de deur, maar zij wilde niet gaan. Zij had met opzet gewacht tot zij de laatste was". Na een kleine pauze gaat de professor weer zitten en zegt met een zucht: „In vredesnaam, laat haar dan maar binnen komen". Een ogenblik later komt Leotine Brackwieser de kamer bin nen. Zij werpt een zijdelingse blik op de zuster en kijkt dan met half angstige half smekende blik naar de professor. „Madame „Ik ben mevrouw Brackwieser. Ik heb een zeer precaire zaak met U te bespreken, professor Weer dwaalt Leotine's blik naar de hoofdverpleegster. Als die vrouw nu maar eindelijk de kamer uitging. Zij wilde alleen met de professor spreken! Het is toch allemaal al veel moeilij ker dan zij het zich had voorgesteld. Maar de professor maakt slechts een vriendelijke beweging met zijn hand; mevrouw kan rustig zeggen wat zij te zeggen heeftLeotine doet alle moeite de opwinding te verwinnen, die haar het bloed naar het hoofd doet stijgen. „Misschien kunt U zich mij nog herinneren? vraagt zij zacht met een lachje, dat haar onweerstaanbaar maakt. „Dertien jaar geleden ben ik hier in Uw kliniek geweest, toen mijn jongen geboren werd. Ik lag toen niet in de eerste klasse, maar samen met drie andere vrouwen; maar misschien De professor maakt een beweging die „Ja en Neen" kan be tekenen, dan neemt hij een zilveren potlood in zijn vingers en begint er mee te spelen. Het maakt Leotine ontzettend nerveus. Zou die man daar aan het bureau denken, dat zij hier om een onbenulligheid ge komen was? „Mijn kind is indertijd omgeruild!" zegt ze heftig. Professor Desmartin buigt zich naar haar toe en legt zijn hand aan zijn oor, alsof hij niet goed verstaan heeft. Ook de verpleegster is naderbijgekomen en kijkt Leotine van terzijde onderzoekend aan. Iets in de houding van de beide mensen geeft Leotine een bijna vijandig gevoel. Zij drukt de nagels van haar vingers in de palmen van haar handen en kijkt de dokter niet aan. Als hij nu een spottend gezicht zou trekken, zou zij mis schien in tranen uitbarsten, denkt zij zenuwachtig. Nee, nu mag ze niet huilen; dan heeft zij alles verloren, nog voor zij begon nen is dan zullen ze haar met een paar vriendelijke woorden afschepen en precies zoals Tom gedaan heeft over hysterie pra ten en haar onverrichterzake weer naar huis laten gaan. „Ik ben er heel zeker van, dat mijn kind indertijd met een ander kind verruild is!" zegt zij koppig, naar een hoek van het vertrek starend. De uitdrukking in het gezicht van de profes sor houdt het midden tussen verontwaardigd en geamuseerd. Dan kijkt hij haar met een welwillend lachje aan. Die vrouw moet immers niet helemaal normaal zijn; anders zou zij het toch niet durven wagen hem persoonlijk zo n krankzinnig verwijt te komen maken en zijn kostbare tijd daarvoor in beslag te nemen! „Misschien mag ik U er op attent maken, madame' zegt hij op neerbuigende toon, „dat U tegenover de directeur van het grootste ziekenhuis van Cairo staat „Dat weet ik, professor". „Bovendien is het wel uiterst eigenaardig, dat U pas na dertien jaar tot de ontdekking van deze vergissing gekomen bent". „Dat komt, omdat het pas een paar dagen geleden is, dat ik mijn werkelijke zoon heb leren kennen." „Dat is buitengewoon interessant! Maar tot mijn spijt zie ik geen reden, waarom II ons met Uw probleem lastig zoudt vallen, madame. Ik kan U nadrukkelijk verzekeren, dat het nog nooit gebeurd is, dat er in onze kliniek pasgeboren kinderen verwisseld zijn! Onze boekhouding en de hele organisatie bij ons, is veel te nauwkeurig, dan dat de mogelijkheid van zoiets zou kunnen voorkomen." Leotine is gloeiend rood geworden. „Maar ik sta er op, pro fessor, dat U deze zaak onderzoekt en als U het niet wilt doen, zal ik andere wegen en andere middelen vinden om te weten te te komen, wat ik weten wil. Ik zal niet toegeven! Dat moet U niet denken! Al zou ik heel Cairo er voor op zijn kop moeten zetten!" Weer kijkt Leotine naar de hoofdverpleegster, die nog steeds in het vertrek aanwezig is. Maar nu is zij niet meer verlegen; en dan opeens herkent zij haar! „U bent de hoofd verpleegster, nietwaar? U heet zuster Marguerite? U bent inder tijd erg lief voor mij geweest. Op de avond na -de geboorte hebt li nog een hele poos bij mij gezeten en U hebt verschrik kelijk om mij gelachen omdat ik niet wilde geloven, dat alle haartjes bij mijn zoon nog eens zouden uitvallen. En toen hebt U mij gezegd, dat het best mogelijk was, dat hij dan toch nog blond zou worden. Kunt U zich dat niet herinneren? Och en ik weet ook nog heel precies Een ogenblik aarzelt Leotine, werpt een snelle, onzekere blik naar de professor en vervolgt dan met een bijna meisjesachtig lachje; „Ik weet ook nog pre cies hoe sympathiek U mijn man vond; omdat hij zo groot en zo blond was. In heel Gascogne was geen man zoals hij, hebt U toen nog gezegd De zuster lacht verlegen en kijkt dan de professor onzeker aan. Maar dit alles ontkennen kan zij niet; zij kan er zich wer kelijk nog iets van herinneren. Er was zo'n grote blonde man, die door alle zusters bewonderd werd, dat kwam uit. Een Duitser was het. Leotine knikt heftig. „Ja ja, juist. En ik ben zijn vrouw. Brackwieser heten wij De hoofdverpleegster is dichterbij gekomen. Nadenkend staart zij Leotine aan. Brackwieser. Brackwieser? Ja, ja, die naam komt haar bekend voor hoe moeilijk hij voor een Fran- taise uit te spreken is. Brackwieser En na enig nadenken herinnert de zuster zich, dat er iets bijzonders mee aan de hand was. Of het was een buitengewoon moeilijke geboorte geweest, of er was tegelijk nog een andere geweest Leotine springt op van haar stoel. „Ja, dat was het! Precies op dezelfde tijd waren er nog twee andere jongens geboren. Later hebt U mij dat verteld. En een van hen heet Joachim Frank en is mijn echte zoon. Als U hem zoudt zien, zult U het onmiddellijk moeten toegeven, dat niemand anders dan deze Joachim Frank onze werkelijke zoon kan zijn." Tja de hoofdverpleegster kijkt naar de grond. Hoe zal 'de professor zich uit deze moeilijke situatie redden. Want zo helemaal uit de lucht gegrepen zijn de beweringen van deze mevrouw Brackwieser toch niet Intussen is de professor langzaam van zijn stoel opgestaan en aan de andere kant van het bureau gekomen. Hij staat nu tussen de twee vrouwen, die beiden een hoofd groter zijn dan hij, in en wrijft nerveus over zijn zwarte puntbaard. „Hoe zou dan volgens U die andere moeder heten?" vraagt hij aarzelend. „Frank". „Zo, dus ook een Duitse? Maar die naam kan ik mij absoluut niet herinneren. Frank? Frank? Nee, absoluut niet. „Maar zus ter", wendt hij zich tot de verpleegster, „weet U wat; kijkt U het archief eens even na; ik ben er zeker van, dat we de op- gerustheid van madame zullen opheffen!" Terwijl de zuster de archieven doorzoekt, loopt de professor met kleine, haastige stappen door het vertrek; zo belachelijk als in het begin schijnt hij het geval toch niet meer te vinden. Leotine ziet het met voldoening. Zij staat nog steeds op de zelfde plaats als daarstraks, met in elkaar gevouwen handen en haar hart bonst tot in haar keel. Dadelijk, over een paar minu ten, een paar seconden misschien, zal er beslist zijn over haar lot. En dan? Als zij nu werkelijk te weten komt, dat René haar zoon niet is wat dan? En plotseling overduidelijk is zij zich er van bewust, wat zij dan een enerverende strijd tegemoet zal gaan. Zij had gedacht, tot rust te zullen komen, als zij eerst maar de zekerheid had, wie van de twee jongens haar eigen kind was. Maar dat is immers niet waar. In dit ogenblik, terwijl zij wacht op*wat de zuster zeggen zal, begrijpt zij, dat de grootste onrust pas komen zal als zij de waarheid weet. Dan zal zij om haar zoon moeten vechten, hem van die andere vrouw wegne men, René een verklaring moeten geven, Tom met hem samen brengen Zij schrikt. Het ontzettende van de hele geschiedenis dringt plotseling zó tot haar door, dat zij het liefste naar de zuster zou toesnellen, haar het noodlottige boek zou afnemen en uitroepen: „hou op! Zeg mij niets! Ik zal de waarheid niet kunnen verdra gen, het is te verschrikkelijk De, hoofdverpleegster is klaarblijkelijk opgewonden, als zij terugkomt. Zij heeft een groot opengeslagen boek in haar han den en legt het met een veelbetekenende blik voor de professor op de schrijftafel. „Hier staat wel iets eigenaardigs," fluistert zij. Leotine en de professor buigen zich tegelijkertijd haastig over het boek heen. Daar staat met grote duidelijke letters:: „Brack wieser, Leotine, Vijf uur en veertig minuten. P.M. een zoon". En er vlak onder: „Frank, Hella, Vijf uur vijf en veertig. P.M. een zoon". Langzaam heffen de twee mensen hun hoofden op, het is doodstil in het vertrek. De hoofdverpleegster kijkt Leotine aan en durft nauwelijks te ademen. Leotine is lijkbleek. Haar op elkander geknepen lippen trillen. Haar hart klopt of het springen zal. Zij begrijpt niet, dat haar aderen dat utihouden, zij denkt, dat de kamer in moet storten! Professor Desmartin is de eerste, die zijn zelfbeheersing te rugkrijgt. Hij strijkt over zijn baardje, trekt de schouders op en zegt laconiek, dat dit eigenlijk geen bewijs is. Natuurlijk was het de moeite waard om de zaak te onder zoeken. Ofschoon hij persoonlijk er van overtuigd is, dat het verwisselen van twee kinderen in dit ziekenhuis uitgesloten is. Leotine kijkt hem woedend aan. Haar lichtgrijze ogen doen denken aan die van een kat. Er staat zoveel haat en minachting op haar gezicht te lezen, dat de professor er toch door van zijn stuk wordt gebracht. Deze vrouw doet waarachtig, alsof hij persoonlijk haar een poets heeft willen bakken! Daarbij komt nog, dat de hele geschiede nis voor hem minstens even penibel is als voor haar. De naam van zijn kliniek staat op het spel. Misschien was er toch nog een manier te Vinden om de hele zaak in de doofpot te stoppen! In elk geval moet hij proberen tijd te winnen; de vrouw een beetje aan de sleur houden. „Ma dame," zegt hij met vriendelijker stem en legt zijn hand zacht jes onder haar elleboog, „deze geschiedenis vind ik zelf op het ogenblik van het uiterste gewicht. En ik zal, al was het al leen maar in het belang van mijn kliniek, alles doen, wat in mijn vermogen is, om haar op te helderen. Om te beginnen moet ik alle papieren en acten, die op deze zaak betrekking hebben, nauwkeurig nagaan. Verder zou ik graag Uw man willen spre ken en deze mevrouw Frank. En natuurlijk zou ik ook de beide jongens moeten zien, maar als het mogelijk is, zonder dat die weten waarom het hier gaat. Maar voor dit alles is tijd nodig; met de beste wil van de wereld kan ik dit in een paar dagen niet overzien hebbenU moet mij die tijd geven, madame, en U moet beloven met niemand hierover te praten en, wat moeilijker voor U zal zijn, de hele zaak voorlopig te laten rus ten. Wilt U dat doen?" Leotine kijkt hem aarzelend aan; haar tanden bijten in haar onderlip. Wat hij daar zegt lijkt allemaal erg verstandig. Maar meent hij het eerlijk met haar? Zij heeft het gevoel, of deze man zo glad is als een aal „Nu, madame?" „Beloven kan ik U niets, professor! Maar ik zal mijn best doen, mijn geduld niet te verliezen en te wachten tot ik van U bericht krijg. Op voorwaarde, dat het niet al te lang duurt' Dan gaat zij weg en de profesor geleidt haar door de lange gang tot aan de trap. Maar als de dokter met een zucht van verlichting naar zijn kamer terug wil gaan, keert Leotine zich plotseling om; het adres, zij wil het adres van die Hella Frank hebben! „Niet geven! Niet geven!" seint de professor naar de hoofd verpleegster, die nog in de opendeur van de kamer staat. Maar het is al te laat. En met het adres van de moeder van Jo in haar tasje, neemt Leotine nu afscheid van professor Desmartin. Zij glimlacht als zij buiten is; nu kan zij tenminste, totdat de hele zaak is opgehelderd, het huis zien, waarin haar jongen tot nu toe heeft geleefd. Tot nu toe Hans Eckhart heeft al driemaal tevergeefs aan de tuindeur van de villa aangebeld, zonder dat de deur geopend is. En in het huis brandt licht,«veel licht zelfs. Nu eindelijk, nadat hij nog eens gebeld heeft, weerklinkt het gezoem van de deur, die automatisch wordt opengemaakt en tezelfder tijd het witte mutsje van het kamermeisje. „Wat is hier te doen?" vraagt Hans Eckhart, zonder eigenlijk een antwoord op zijn vraag te verwachten. Maar in de hal valt zijn blik op het ontstelde gezicht van het meisje en hij bemerkt, dat zij graag meer zou zeggen dan het correcte: „Madame is boven, mijnheer Eckhart". Met een paar stappen is hij de trap op. Hij lijkt opvallend veel op zijn zuster, die nauwelijks twee jaar ouder is dan hij, ze hebben precies dezelfde gezichtsvorm, dezelfde lichte, grijsgroe ne ogen, hetzelfde donkere haar. Hij is ook niet veel groter dan zij, maar het bewuste, zelfverzekerde in haar houding, ontbreekt hem. Niettegenstaandezo opgewonden als nu heeft Hans Eckhart zijn "zuster nog nooit gezien. Zij staat midden in de slaapkamer, tussen twee grote, half gevulde koffers, haar ogen zijn rood van het huilen. Op de stoelen, op de twee bedden, op de rustbank, overal liggen kleren, ondergoed en schoenen in de grootste wanorde. De deuren van de kasten staan wijd open. Hans Eckhart trekt de deur zacht achter zich dicht en vergeet in zijn verbazing zijn zuster een hand te geven. „Invredesnaam Tine, wat is hier te doen?" Leotine maakt een vermoeide beweging met haar armen: „Tom gaat op reis". „Hoe zo? Waar heen zo opeens?" „Naar Kaapstad, natuurlijk! De besprekingen zijn vervroegd Een poosje kijkt Hans Eckhart zwijgend de kamer rond. „En dat maakt je zo van streek? En wat is dat voor manier van pakken, dat heb ik nog nooit zo van jou gezien! Het lijkt er wel op of je voor tien mensen tegelijk aan het pakken bent". Hij glimlacht en raapt een pullover op, die vóór hem op de grond ligt. „Ik pak ook voor twee," zegt zij snikkend, „Tom wil de jon gen meenemen." Hans Eckhart fluit zachtjes door zijn tanden en stopt zijn handen in zijn zakken. „Zo?" zegt hij. „En waarom?" Leotine laat de laars, die zij in haar hand houdt, met een bons op de grond vallen en een ogenblik later is zij naast haar broer. „Hans, jij moet met hem spreken! Ik begrijp er eigenlijk niets meer van. Vanmorgen vroeg heeft hij plotseling opgebeld, hij zei, dat hij voor de lunch niet thuis kon komen en dat hij mor genavond al weg moest; anders zou hij een van de heren, waar het erg op aan kwam, niet meer in Kaapstad kunnen ontmoeten. En toen, alsof het maar een bijkomstigheid was, maar op een toon, die ik van hem ken als hij iets van plan is, waarvan hij zich in geen geval laat afbrengen, zei hij nog, dat hij besloten had, de jongen mee te nemen. De school was immers pas weer begonnen, hij zou gemakkelijk in kunnen halen, wat hij missen zou. En hij dacht, dat het in elk geval het beste was, dat de jongen voorlopig maar eens een poosje van zijn moeder van daan kwam. Hans stel je voor! Wat heb ik dat kind gedaan? Ik ben altijd lief voor hem! Ik heb zo mijn best gedaan, hem niets ^■an mijn gevoelens en conflicten te laten merken. En nu ineens wil Topi hem van mij wegnemen alsof ik slecht voor hem was geweest! Kun jij dat begrijpen?" Zij heeft de arm van haar broer gegrepen en kijkt hem dringend aan. Hans Eckhart heeft het hoofd gebogen en kijkt in gedachten naar de punten van zijn schoenen. „En waarom vind je het eigenlijk zo erg, dat Tom hem zal meenemen? Misschien is het wel de beste oplossing voor jullie allemaal". Een ogenblik staart Leotine haar broer sprakeloos aan. „Maar Tom", zegt ze dan. „Tom moet nu immers helemaal niet weg gaan, niet met en zonder de jongen. Iedere dag kan professor Desmartin opbellen en hem te spreken vragen. Hij moet nu toch wel gauw zover met zijn onderzoek zijn, dat hij de kwestie met Tom bespreken kan. En als Tom juist nu weggaat, kan het al lemaal nog weken duren! Dat houd ik toch niet uit! Ik ben op het ogenblik toch al meer dood dan levend en die comedie, te doen of er niets bijzonders aan de hand is, is onmenselijk! En als Tom het nu zo noodzakelijk vindt, dat hij nu op reis moet, laat hij dan tenminste de jongen hier laten, dan kan professor Desmartin hem tenminste zien en onderzoeken als het nodig is. En dan denk ik Hans Eckhart trekt zijn wenkbrauwen samen en kijkt zijn zuster oplettend aan. „Jij, wat wil jij doen?" „Ik," is het opgewonden antwoord, „ik wil de twee jongens samen brengen. Ik wil ze naast elkaar zien. Ik wil me ^elf, mijn gevoel op de proef stellen, als ik ze samen zie. En ik wil Plotseling breekt ze in tranen uit; „Och, laat me met rust! Ik zie immers wel aan je gezicht, dat je geen idee hebt van wat er in mij omgaat. Nee, jij ook niet. Jij hebt precies zo een laffe angst als Tom voor de gevolgen van mijn ontdekking en mis schien denk jij ook dat het enkel hysterie van mij is en dat het beter is, dat de jongen een poos van mij weg is. Jullie konden mij eigenlijk beter maar meteen in een sanatorium brengen! Maar noch het een noch het ander zal jullie kunnen helpen! Ik weet nu eenmaal wat ik weet en mijn kind laat ik mij niet weer ont nemen." „Maar Tine, wat is dat voor onzinnig gepraat? Niemand zegt toch, dat de zaak niet onderzocht zal worden; de kwestie gaat toch alleen maar om een paar weken vroeger of later! Deze reis is immers voor Tom van buitengewoon veel gewicht!" „Och, kom, of die zaak drie weken eerder of later behan deld wordt, kan nooit van zoveel gewicht zijn!" „Toch wel Tine. Maar die geschiedenis van jou kan wel wach ten. En als Tom deze reis achter de rug heeft, zal hij er veel meer aandacht aan kunnen geven dan nu, terwijl hij zijn hoofd vol zakelijke beslommeringen heeft." Op dit ogenblik verschijnt Tom Brackwieser in de deurpost. Zijn fris, opgewekt gezicht betrekt bij het zien van zijn vrouw. Niettegenstaande zij geen enkele maal meer over de geschiede nis hebben gesproken en Thomas niet eens weet, dat Leotine naar het ziekenhuis geweest is en daar aantekeningen gevonden heeft, die haar nu niet bepaald gerust konden stellen, ondanks dat Tine zich verbeeldt, dat hij zich volkomen beheerst heeft, weet Tom heel goed, dat zijn vrouw zich voortdurend met dit geval bezighoudt. Maar juist daarom was hij zo blij, dat hij eerder dan hij oor spronkelijk van plan was, naar Kaapstad zou moeten gaan. In tussen, denkt hij, zal zij tot rust komen. En toen was hij op het idee gekomen de jongen mee te nemen, zodat Tine haar tijd ge heel kon besteden, zoals zij dat zelf wilde. En dan zou gebeuren wat hij verwachtte, zij zou heimwee krijgen naar haar kind en dan zijn hebbelijkheden en onhebbelijk heden niet zo tragisch meer opvatten; en zo de overtuiging krij gen dat René toch werkelijk haar eigen zoon is. Zo dacht Tom Brackwieser, in de hoop, dat de verre afstand tussen haar en het kind hun verhouding idealiseren zouen als hij dan met hem terug zou komen en intussen zou de verhouding tussen hem en de jongen gedurende de reis zeker ook beter worden, dan zou alles weer goed worden. Zo zou deze donkere wolk, die op het ogenblik zijn geluk verduisterde, van zelf wegdrijvenJa, zo had Thomas Brackwieser zich de dingen voorgesteld. En intussen had hij nog iets gedaan, dat hem volkomen gerustgesteld had; hij had laten informeren en de overtuiging gekregen, dat in de Sharia Imad el-Din geen Jo Frank woonde. Tine had zich dus werkelijk door zo n kleine kwajongen voor de mal laten houden. Voor hem was die geschiedenis dus prachtig van de baan en daarom ergerde hem dubbel bij zijn thuiskomst zijn vrouw weer zo opgewonden, ja zelfs in tranen te vinden. Verdraaid! Hij heeft nu toch wel iets anders aan zijn hoofd! Deze overhaaste reis, samen met de jongen nog wel, eist nog wel zoveel voor bereiding, dat hij dat gezeur niet hebben kan. Kan Tine dat dan helemaal niet inzien? Ze is toch anders altijd zo verstandig ge weest! Na een vluchtige begroeting met zijn zwager en een haastige liefkozing voor zijn vrouw, kijkt hij de kamer rond. „Onzinnig, dit overhaaste vertrek, Hans, vind je niet?" Zijn zwager knikt verlegen. „En gaat René werkelijk mee?" „Ja, en ik heb het hem al verteld ook. Hij kwam na schooltijd bij mij op kantoor en vroeg mij om geld voor een uitstapje voor zijn klas. En blij als hij was! Ik heb de jongen nog nooit zo opgewonden gezien!" Tine is doodsbleek geworden. Zij werpt een veelzeggende blik naar haar broer en begint verwoed te pakken. Als het al zover met hem is, dat hij het heerlijk vindt van haar weg te ko men, dan moet hij dan ook maar gaan! Maar in hetzelfde ogen blik komt alles in haar in opstand tegen Tom's besluit. Nee, al vindt de jongen het nog zo heerlijk en al zijn Tom's zaken nog zo dringend; dat andere gaat voor! Zij mogen niet weggaan! Het is Tom's plicht haar nu terzijde te staan en de waarheid aan het licht te brengen. Als hij dat weigert, kan hij haar niet liefhebben. Als hij haar nu in de steek laat, is haar huwelijk een vergissing geweest, want als zij er goed over nadenkt, is dit de eerste vuurproef „Kunnen we nog niet eten, Tine? Ik heb een razende honger." Tine knikt. „Ja, ga maar vast naar beneden, ik kom dadelijk. En Hans zou jij even willen kijken of René al terug is? Ik ge loof dat ik hem al gehoord heb." De twee mannen zijn blij, dat ze kunnen verdwijnen, het is allesbehalve gezellig in de rom melige slaapkamer en daarbij nog, Tine Op het trapportaal blijft Hans Eckhart echter toch staan en legt zijn hand op de arm van zijn zwager: „Ik geloof dat hier meer op het spel staat dan jij denkt Tom. Ik heb zo'n idee, dat Tine zich deze zaak veel meer aantrekt, dan jij denkt. Ik wil mij natuurlijk niet met jouw zaken bemoeien, maar het zou misschien toch beter zijn als je nu juist niet wegging." Het fris blozende gezicht van Tom Brackwieser kleurt zich donker der. Hij voelt een grote sympathie voor zijn zwager, ja zelfs een oprechte vriendschap, maar zo intiem, dat zij dingen kunnen bespreken, als die, welke de jongere man nu aanroert, zo in tiem zijn zij zeker niet. Zijn eerste opwelling is dan ook Hans' hand van zijn arm te duwen, een ander onderwerp aan te roe ren en door te lopen. Maar dan bedenkt hij zich. Hans kent zijn zuster door en door, misschien beter dan hijzelf. „Tine is op het ogenblik hypernerveus, zij heeft je nodig", vervolgt Hans voorzichtig. „Als het mogelijk was, zou ik haar acht weken naar Duitsland sturen, dat zou het beste voor haar zijn," zegt Brackwieser. Een ogenblik is er stilte. Zij horen hoe in de slaapkamer een voorwerp op de grond valt en hoe even later een kastdeur knar send opengaat. „Het beste zou zijn, dat je thuis bleef en de dingen eens gron dig onderzoekt dat zou het beste zijn, Tom „En mijn' zaken?" „Ik weet niet, wat op het ogenblik het gewichtigste is." Tom gooit het hoofd in de nek. „Maar ik weet het! Mijn zaken! Bedenk toch; deze geschiedenis loopt nu al tien jaar en zal nu eindelijk geregeld worden!" Hans haalt de schouders op. „Laat dan tenminste de jongen thuis." „Ik denk er niet aan! Je hoeft niet te proberen mij van ge dachten te doen veranderen; de jongen gaat mee!" (Wordt vervolgd) voor al Uw granietwerk, vloeren, aanrechten, reparaties enz. is Loudelsweg 7 ls, Bergen Uitenboschstraat 55 Alkmaar Tel. K 2200-5123 roodbruine tuintegels Telefoon 597 en 476 Schagen 50 gr. LUNCHWORST 50 gr. ROOKVLEES 69 50 gr. GELD. HAM 50 gr. BERLINER 50 gr. CERVELAATW. 79 50 gr. CASSELR1B J Gebr. gehakt 150 gr. 51 Gebr. kinnebak 150 gr. 49 Geld. ham afslag 150 gr. 66 Pork uit blik 200 gr. 51 1 bl. gebr. gehakt 450 gr. 89 1 bl. 10 gehaktballen a 75 gr. 229 1 bl. leverpastei 200 gr. 59 Prima volvet jong 500 gr. 145 Heerlijk belegen volvet 500 gr. 155 Oude boerenkaas 500 gr. 165 Bicro kalfsvlees voor Croquetten 8 in een blik Borrel croquetten helemaal klaar 15 in een blik 128 Champignon ragout met kalfsvlees per blik 135 Op toast of crackers in ragoüt bakjes op pasteitjes bij rijsttafel of champignonsoep Scholten's zelfrijzend bakmeel 2 pak van 84 voor 69 Flensko voor pannekoeken per pak 47 Koffiemelk 2 blik 99 Wafelmelange 250 gr. 51 Tosca zandkoekjes 250 gr. 59 Hille koekjes 250 gr. 49 Sprits 250 gr. 54 Biscuit croquetten 250 gr. 45 Sago 2 pak 39 Maizena 2 pak 39 Grove rijst per pak 69 Custard groot pak 49 Vruchtengries 250 gr. 48 Ananaspudding met ananas 200 gr. 46 Gekleurde of anijshagel 200 gr. 25 Chocoladehagel 250 gr. 59 Pindakaas per pot 69 Prima thee 100 gr. 75 1 Lit. blik capucijners 71 1 Lit blik bruine bonen 69 Drups 200 gr. 31 Amandelbonen 200 gr. 55 Truffels 150 gr. 65 Chocolaadjes licht gewicht 150 gr. 69 Cocosblokjes 200 gr. 48 Vruchtenblokjes 200* gr. 49 Drups 5 rol 39 1 pak cacao 59 1 grote reep chocolade gratis 2 liters blik perziken 110 1 liters blik ananas ;162 1 pot boerenjongens 125 RUINELAAN 4 BERGEN TELEFOON 2585

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

De Duinstreek | 1957 | | pagina 6