De Geschiedenis van Schoorl en ’t Hontsbosch, II RIBCORD 500 CM. BREED! div. kleuren ,los te legden ALKMAARSE TAPIJTEN HAL b.v. NYLONTAPIJT qenrtêleerd .400em.br. BERBERWWT K OPALONZE 100% WOLLEN HANDWEEF KARPETTEN u**- 10% KORTING! WOL *1 KHJXERBONARMCTF GRATIS jg Xfc 11 w n I V omeins juk Aftocht Romeinen en einde Weinzeef en fibula I voor i k van 98.- stem. uu .slechts restant rollen W00NKAMERTAPUT div. kteure*. zolawg de voorraad strekt. Uit het dagelijks leven Krompotig rapalje SLAAPKAMER. TAPÜT, 400cm.br, alken nu van 89.- voor mooi gemêlaeril. met foawug. Keizer Bonaparte CHINCHILLA TAPIJT koegpotig dralen garen,uit voorraad leverbwr, „z op foamrug ,iet$ voorde 5 doe-t-zelver X' 1 WÜ W1 9 i L. i uit hun streek, 59. 99 59 ra 1 »®W V Bevrijde Friezen keren weer, ontdaan van last en juk, Maar 't heidens volk, - nog niet bekeerd is dan gedecimeerd, hun oude welvaart stuk.. De Vidrus was de rivier die ter hoogte van Petten tevens de grens afbakende. Beneden deze rivier woonden de Caninefaten, daar boven de Texelaars. Tot in de middeleeuwen is deze situatie blijven bestaan. So sel ut den ók kommen weze dat ut sproken Wesfries als gien aar in deuze contraie dur oiguluke keraktur in tóón en gesegdes altemet tot an teugeswóórdug toe, houwen hew. Die stoail kenne je oftug nag vurgeloaike mit hullie skameie kunst en hullie reidug levespetróón, in kenne je bekoike as de spiegel van dut ouste friese volluk die dur, deur der van neture innerluke ienvout so wainug tierelantaine of omhale op nei hielde. Niet in dur doen en leite en êk niet in dur praat ook hun taal nagenoeg niet beïnvloed werd en waarom - alle latere inmengingen ten spijt - elementen uit die vroegste tijden in het Westfries dialekt konden overleven: I I I 55 1 I H 4 P steeg gestaag, hetgeen - opgejaagd door de wind - regelmatig overstromingen tot gevolg had. En daar waren de Romeinen evenmin tegen opgewassen: (Omstreeks het begin van de jaartelling of lal eerder, werden deze geruchten bewaar- [heid: Grote aantallen, in het gelid lopende soldaten en ruiters trokken door de jkennemer dreven. Tot sprakeloze verba zing van onze voorouders deden grote groepen van deze vreemde mensen precies ’dat, wat slechts één man wilde. In het begin zullen die Romeinen wel vriendelijk en voorkomend tegen de kop schuwe Friezen zijn geweest en ze zullen wel de indruk hebben gemaakt dat al die soldaten hier kwamen om hen te bescher men. Doch allengs werd men gewaar dat het anders lag. Achter het optrekkende leger zullen genie-soldaten met behulp van uit de bevolking gevorderde slaven zijn begonnen met het aanleggen van een heerbaan. Daar waar riviermondingen de doorgang belemmerden, zal men in de vorm van bruggen of veerponten voor zieningen getroffen hebben. De Vidrus is bij ons zo’n belemmering geweest. Hij loosde zijn water op de plek die we later de Sype noemen en hij had als "achterland” de meren en moerassen welke vanuit het oosten door de Vecht/IJssel en Onze in de duinstreek wonende Friezen werden - aanvankelijk door de Romeinen - voor "Caninevatie” uitgemaakt. Naar de thans algemeen heersende gedachte wordt deze benaming foutief uitgelegd als ’’ko nijnenvangers”. Het kan ook onmogelijk de juiste betekenis zijn, want ten tijde van de Caninefaten leefden hier geen konijnen.... Er viel in die tijd wel veel wild te vangen, maar geen konijntjes, die verschenen pas veel later ten tonele. Caninevatie is meer een scheldnaam, waaruit een vergaande minachting blijkt. De Romeinen zullen ze zo hebben ge noemd en beoordeeld, omdat ze geen sympathie voor landbouwende, grond- bewerkende mensen konden opbrengen. In het verre vaderland behoorden hun arbeidzame, agrarische landgenoten in hun ogen eveneens tot een minderwaardig gepeupel, tot de laagste klasse van het volk. "Canine” kan naar onze mening eerder een vervorming zijn die verwant is aan het Franse ’’canaille", waarmee gespuis of rapalje bedoeld wordt en het oude, hier nog in de middeleeuwen voorkomende "vatie” betekende krombenig of krompotig. Ergo, de Romeinen vonden het volk dat hier rondliep maar een krompotig rapalje, dat zich ondanks de gemakkelijke overmeeste ring slecht aan hun wil liet onderwerpen: HOEK BREEDSTRAAT/KREBBESTEEG, ALKMAAR, TELEFOON 072 125160 MOLENSTRAAT 50/HOEK STATIONSWEG, SCHAGEN, TELEFOON 02240-7582 De Friezen vluchten bestoken de Romeinen, verschuilen tussen kaik en kreek.... zo moet hun heersschap kwijnen En 't water van de zoute zee, - tezamen met de wind - doen fel en onbarmhartig mee, totdat je geen Romein meer vindt. Alle aktiviteiten van het Romeinse gouver nement konden niet verhoeden dat het gebied ontvolkte en het resulteerde in hun afmars uit de lage landen. De schoolmeester uit Barsingerhorn schreef in 1595 als vertrektijd het jaar 330 na Christus op. Verlaten Romeinse bouw werken of ruïnes daarvan zullen eeuwen lang de eenzame kusten hebben gesierd. In Merovingische tijden zullen de weinige Friezen zich voornamelijk met visserij in het leven hebben gehouden. Het gebied in de tegenwoordige Zijpe, zoals tussen Rijks weg 9 en de egalementsloot langs de Hargervaart, geeft hiervoor het bewijs. Bij draineerwerk in de 50er jaren, werden daar Friese scherven gevonden, die niet veel verschillen van het vaatwerk uit Romeinse tijd. Ze toonden duidelijk dat men het vaatwerk gebruikt had voor het verzamelen en koken van mosselen. Ze moeten er armoedig geleefd hebben, dit in grote tegenstelling tot de vleespotten uit beter tijden. De armoede zal er de reden van zijn geweest dat de Angelen en de Saksen, toen zij deze streek binnen drongen, niet de minste belangstelling voor hen hebben gehad. Er viel immers niets anders te halen dan natte voeten, en dat terwijl ze op buit uit waren Ze zochten het hoger op en trokken naar Noord-Friesland en Groningen, om zich op de daar opgeworpen wierden in te dringen onder de welvarende bevolking en er zich mee te vermengen. Het huidige Anglo- Friese ras en hun geheel eigen taal zijn er het levend bewijs van, evenals in Gro ningen de Saksische invloeden nog zo duidelijk merkbaar zijn. Het betekende voor onze Westfriezen dat ze ongemoeid werden gelaten, zichzelf bleven, waardoor De in vóór-romeinse tijden zo dicht bevolkte streek begint in de jaren van bezetting en onderdrukking steeds dunner bevolkt te worden. Velen, meestal jonge ren, trekken naar de binnenlanden en houden zich schuil in voor de bezetters ontoegankelijke moerasgebieden. Daar werden strijdtroepen gevormd die het de Romeinen enorm lastig maakten. Vooral de Zaanstreek leende zich goed voor dergelijke guerilla-aktiviteiten met haar vele kaiken en poelen. Daarbij komt nog dat de Rpmeinen ook de elementen tegen zich kregen, want het water van de Noordzee 4^ Een koopman uit het Zuiden zal de wijnzeef geïmporteerd hebben en hem hebben "verkocht" aan een Friese boer, misschien wej tegen betaling van een schaap of een koe. Die Fries kon het gebruiksvoorwerp goed gebruiken, niet om zijn wijn, maar om zijn bier mee te zeven. De vondst van een gave bronzen Romeinse mantelspeld (fibula) in Eenigenburg heeft heel wat stof doen opwaaien. Eén van de onbeantwoorde vragen blijft om wiens schouders de mantel heeft gehangen, die ooit door deze speld bijeengehouden werd. Was het een Romeins soldaat, een uit heemse koopman of een autochtone Fries? [soldaten van 't Romeinse Rijk [belegerden 't Statje en de markt van Dore, i/e trokken langs de Selschardijk en menig Fries heeft daar z’n vrije lijf verlore S/aafs werken op de lange baan, of zwoegen aan 't castèl, Waarom dit onderdrukt bestaan, Lees kommer en dees kwel?? Als aanvulling op het vorige artikel, nu het vervolg van de samenvatting uit het eerste deel van het in voorbereiding zijnde boekje over de geschiedenis van Schoorl en ’t Hontsbosch met het daarachter gelegen land. Onderzoek, bevindingen, visie en tekeningen: C. Wagenaar, Krabbendam. Samenvoeging tekst en vertelling: W.K. van Schoneveld, Eenigenburg. Hoe is de aanwezigheid hier van een uit Gallië afkomstige wijnzeef te verklaren in de direkte nabijheid van een friese pot? Beiden werden zuidelijk van Krabbendam bij elkaar gevonden en zijn vermoedelijk voor één en hetzelfde doel gebruikt, want de zeef past goed op de pot, hoe afwijkend beider herkomst en het materiaal ook zijn. nen en dit zal mede een stimulans zijn geweest het gebied te bezetten. Al spoedig zullen na het voltooien van de heerbaan op geregelde afstanden - om de zes romeinse mijlen - castella’s gebouwd zijn, om vanuit een veilig centrum de opstandigen in toom te houden. Zo’n centrum noemde men Ketelbaan of - banne en het was verboden terrein voor onbevoegden, ze waren daar uitge”bannen”. Mannen en vrouwen hadden gelijke rech ten en zij, die zich als priester of heelmeester bekwaamden, stonden in hoog aanzien. De ouderen daarvan zullen veel invloed hebben gehad, gelijk bij alle primitieve, op de natuur afgestemde kuitu ren. In deze harde oer-maatschappij stierf men jong en wanneer iemand oud werd, was dat iets zeldzaams. Het kon dus niet anders of zo'n oude man of vrouw moest wel bijzondere bescherming van de één of andere godheid genieten. Bij kwaadaar dige of boosaardige vrouwen bijvoorbeeld past een even kwade god: We denken daarbij aan heksen. In het begin van de 20ste eeuw geloofden de Anglo-Friezen hardnekkig in het bestaan van "tjoensters”, daarnaast kende ook menige Westfries toen nog een grondige angst voor "kollen”. En menig lezer zal zich herinneren hoe hij of zij als kind door de ouders uit de omgeving van water werd gehouden, uit ontzag voor de ’’bullebak”, want als die je pakte, vrat ie je op! De bullebak, sinds heugenis voortlevend in het Westfries taalgebruik, waarin uit deze vroege tijden elementen zijn bewaard. Aet woord in klank en betekenis verwantschap met "Beëlzebub”, de kwade oppergod der duisternis, de overste der trawanten, die door laat-middeleeuwse schilders zo rea listisch in beeld is gebracht en die de vroegste bijbelschrijvers uit de godsdienst der Phoeniciërs hebben overgenomen. Deze duivel vroeg veel mensenoffers die de vuurdood moesten sterven en bezorgde vooral veel kinderen een ontijdig einde. In dit laatste vertoont hij eveneens gelijkenis met "onze" bullebak. Zullen Phoeniciërs "Beëlzebub” hebben meegevoerd om hem hier in de duisternis der wateren in de loop ter tijden onder de mensen om te vormen, met behoud van zijn aard, tot bullebak?? De kwade invloed van het water in de lage landen is nu eenmaal ingrijpender op het maatschappelijk ge beuren geweest dan dat van vuur. De jeugd, de periode van kind zijn, moet voor deze mensen - zoals ook nu nog - de mooiste van hun leven zijn geweest. Zorgeloos en zich verzorgd wetend door de ouders. Maar zodra ze volwassen waren geworden, moesten ze in hun eigen levensonderhoud voorzien. Dan maakte de zorgeloosheid plaats voor de zorgen en de hardheid om het bestaan van alledag. Mede daardoor zal het ze aan inspiratie hebben ontbroken om tot enige vorm van kunst te komen, en kon ook hun godsdienst ze daartoe niet bewegen. Hun artistieke kreativiteit reikte niet verder dan het met donkerbruin tot zwarte kleurstof versieren van de kruiken en potten, waarop ze in de weke klei hand-en vingerafdrukken achter lieten. Ze vormden drie kleine kuiltjes in hun aardewerk en ze vormden fraaie punt- oortjes aan sommige kruiken. Die drie kuiltjes en de puntoortjes hebben ver moedelijk een godsdienstige grondslag, de gewoonte is tot omstreeks 1000 jaar na Christus te volgen, doch over de beweeg redenen waarom bestaan geen vermoe dens of aanwijzingen. De Selschardijk te Eenigenburg, hier uitsluitend bedoeld als hedendaags her kenningspunt. uit het zuiden door de Rijn gevoed werden. Ten gevolge van klei-afzettingen verlegde de bedding zich, want aanvankelijk stroom de de Vidrus ter hoogte van Schagen om nabij Callantsoog de zee in te gaan. In de Romeinse tijd had hij zich verplaatst tot Sint Maarten, het dorp, en bevond de monding zich ter hoogte van het tegen woordige Petten. Daar, waar de overtocht het gemakkelijkst te nemen was zorgden de Romeinen voor een brug of een pont. Dit zal ter hoogte van Sint Maarten zijn gebeurd, waar de rivier het minst breed was. De heerbaan zal vanaf Hargen via deze oeververbinding naar Callantsoog hebben gevoerd. De straat onder de duinen van Schoorl tot aan Camperduin heet sinds jaar en dag Heereweg en kan in eerste aanleg zo’n heerbaan zijn geweest. Oude.Egmonders zouden halverwege Ber gen of iets daarvóór bij zeer lage water standen verspoelde steensoorten hebben waargenomen en men zou er wel eens Romeinse dakpannen hebben gevonden, terwijl men vroeger in de abdij daar een Romeinse mijlpaal bewaarde. Een volk van boeren en tuinders, zoals de Friezen, kende geen geschreven wetten, noch enige andere vorm van dwangmatige organisatie, hetgeen tot gevolg zal hebben gehad dat de Romeinen de smalle, dicht bevolkte kuststrook in snel tempo konden bezetten. Ook het invoeren van belasting plicht, welke belasting in natura betaald moest worden, drukte zwaar op de mensen en de van opzet harmonieus natuurlijke maatschappij ontwrichtte steeds meer. De flinke aanvoer van vee door de boeren op de markten, zoals Dore, zal niet onopgemerkt zijn gebleven aan de Romei- In 1421 grenst de heerlijkheid Warmenhui zen tussen Schoorldam en Krabbendam aan Ketelban, ter hoogte van Catrijp. In de blafferd van de abdij van Egmond vinden we in de jaren 1083 en 1123 Hargen en Catrijp aangeduid als "Harga cive Cethel”. Cethel, Ketel, Catteof kasteel komen uit de taal der Romeinen, het Latijn, en het wijst op hun vestingen ter plaatse, zo ook bij Catrijp. Vanaf Limburg langs de rivieren tot in Zuid-Holland komen regelmatig Ketel, Ketelban, Ketelpolder en soortgelijke va riaties voor en steeds in de onmiddellijke ■omgeving van een castellum. In de buurt van Schiedam ligt een plaats die Kethel heet in de Hargpolder daar, waar bij opgravingen Romeinse kultuursporen wer den gevonden. Zowel de Zuid-Hollandse Hargpolder als het Noordhollandse Hargen zouden vernoemd kunnen zijn naar keizer Hadrianus. Wie weet wat er onder de duinen bij Catrijp bewaard is gebleven? En bij Castricum? Meester Valcooch uit Barsingerhorn schrijft anno 1598 zijn ’’Cronyck van de Sype", gebaseerd op overleveringen uit die dagen. Zo vermeldt hij dat Callantsoog zijn naam ontleent aan een Romeinse vesting, die daar ter plaatse in het begin van de eerste eeuw door keizer Caligula gesticht zou zijn. Deze legende, gekombineerd met de naam van het gebied ten zuiden van Callantsoog, het Ketelduin, kunnen de juistheid ervan slechts bevestigen. Een in de kuststreek van Noordholland veel voorkomende kookpot met bijzonder smalle voet. Heeft de amphora uit het Middellandsezee-gebied in vroeger tijden voor deze pot model gestaan? VAM 149r voor /A jSchoor/se Caninefaten die bezig zijn met het eerdgetouw de grond te bewerken en het Vnzaaien van koren. De duinkant-bewoners van toen moeten in geen goed blaadje bij de Romeinen hebben gestaan, gezien de benaming "Caninefaten", hetgeen zoiets als luitvaagsel moet hebben betekend. i

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

De Duinstreek | 1980 | | pagina 9