Recreatie
Ontwikkelingsmogelijkheden
stedelijk gebied
11
Natuur en landschap.
geko-
Landbouw en landinrichting
werd
arnen-
rschilt
streek-
er het
edelijk
lauwe-
schijn-
jinnen
i daar-
- Woningbouw in kleine kerpen/regio-
naal kernenplan
Als één van de consequenties zou zijn het
uiteindelijke verlies van zelfstandigheid
van onze gemeente dan is ons de prijs te
hoog. In verband daarmee zou informatie
over de mogelijkheid van blijvende zelf
standigheid van de gemeente Schoorl
met inachtneming van minstens het
huidige dienstverleningsniveau de nota
verrijken en de stellingname wellicht
kunnen vergemakkelijken.
Men kan zich overigens afvragen of het
kortwieken van de gemeentelijke moge
lijkheden om zelf te bepalen waar en in
welk tempo woningen zullen worden
gebouwd gerechtvaardigd is. Dat lijkt
alleen het geval indien een gemeente
zich niet wenst te conformeren aan het
provinciaal beleid, zoals dat is verwoord
in streekplannen, provinciale nota’s of
anderszins.
Voor Schoorl geldt als uitgangspunt van
gemeentelijk beleid, dat de woningbouw
allen ten goede dient te komen aan de
natuurlijke groei van de eigen bevolking.
Voorts: "Het specifieke karakter van de
gemeente, dat zich kenmerkt door de
overgang van duingebied naar polder
gebied, dient tezamen met het natuur- en
landschapsschoon behouden te blijven
en waar nodig versterkt te worden (zie de
hiervoor aangehaalde algemene doel
stellingen). Hieruit blijkt dat de uitgangs
punten, welke het gemeentebestuur voor
zijn beleid heeft gekozen, in belangrijke
mate met die van het provinciaal bestuur
overeenstemmen; zowel voor wat betreft
het terugdringen van de suburbanisatie
als voor wat betreft het beschermen van
natuur en landschap.
In tegenstelling tot voorheen streeft de
halve onderworpen dient te zijn aan een
aanlegvergunningenstelsel (blz. 90).
In de nota wordt terecht het verschil
gesignaleerd tussen de kalkrijke duinen
ten zuiden van de gemeentegrens met
Bergen en de kalkarme duinen ten noor
den daarvan. Kalkarme duinen zijn veel
gevoeliger voor betreding. Dit onder
scheid komt in de nota niet naar voren,
doch is naar onze mening van grote bete
kenis als argument voor beperking van de
druk op met name dit deel van het duin
gebied van Noord-Kennemerland. Aan
vulling in deze zin achten wij nodig.
Het duingebied van de Boswachterij
Schoorl wordt in de nota tevens aange
wezen voor de waterwinning. Wij zijn
daar niet erg gelukkig mee. De eerste
vraag die rijst is of die aanwijzing nodig
is? De tweede vraqg die rijst is of dat in de
toekomst ook infiltratie met rivierwater
van elders kan inhouden. Naar onze
mening zou een dergelijke infiltratie het
karakter en de samensteling van de dui
nen zodanig aantasten, dat van het on
derscheid kalkarm-kalkrijk geen sprake
meer zal zijn Daarom zien wij in ieder
jeval graag buiten twijfel gesteld dat in
flatie niet toegestaan zal zijn. In de nota is
terecht aandacht gewijd aan de "stromen
de sloten en greppels” in de duinzoom te
greppels hangt ten nauwste samen met
de waterwinning in de duinen. De aller
best maatregel tot instandhouding van
die "duinbeken” zou dan ook zijn de
waterwinning hier in de duinen achter
wege te laten
Dagrecreatie.
De nota stelt er van uit te gaan, dat alleen
de wijziging van het inwonertal van de
herkomstgebieden het aantal dagjes
mensen dat het strand en de duinen be
zoekt zal beïnvloeden. Op zich kan dat
correct zijn. Men miskent dan echter het
feit, dat steeds minder mensen deel uit
maken van het werkende deel der bevol
king. Steeds meer mensen zullen -vroe
ger- gepensioneerd zijn, steeds meer
mensen zullen geen werk vinden of ar
beidsongeschikt zijn verklaard en men
zal meer vrije tijd krijgen. Gezien deze
ontwikkelingen -die ook in de nota
worden gesignaleerd- kunnen wij ons
niet voorstellen dat het bezoek door dag-
recreanten niet meer zal toenemen dan
de nota aangeeft (van 7000 in 1973 tot
8000 in 1990). Mogelijk dat de aangekon-
digde stellingen in 1980 tot bijstelling
zullen leiden.
Het bezoek van strand en duinen wordt
onzes inziens echter ook beïnvloed door
de mate van ontsluiting en door het in
richten van recreatiegebieden in de
directe omgeving van de woongebieden.
Die relatie wordt in de nota onvoldoende
gelegd.
De nota concludeert dat er een nader on
derzoek zou kunnen worden gedaan naar
de mogelijkheid van een openlucht
zwembad bij Bergen/Schoorl. Een der
gelijk zwembad zou zowel voor de eigen
bevolking als voor de verblijfsrecreanten
kunnen dienen.
Zoals bekend is. zijn diepgaande pogin
gen in het werk gesteld om in Schoorl een
zwembad te realiseren. Die pogingen zijn
tot nog toe niet geslaagd. Een nieuwe
onderzoek kan geen .kwaad. Het trekt de
aandacht dat niet wordt gerept over de
bouw van een sporthal in Schoorl. Trou
wens de sportvoorzieningen krijgen in de
nota toch al erg weinig aandacht. Naar
onze mening zou de realisatie van een
sporthal hogere prioriteit dienen te
- ver-
hoorl-
moet
aag in
;fte in
uwd.
/erde-
naar
rings-
dt het
iep op
name
op de
jente-
msde
tierna
m van
an de
aarop
dt op
/onin-
retwo-
ig zijn
gen te
ensen
3 para-
- reeds
)e nota
je we
st, waar
zullen
rffende
en. De
teraard
ouw in
>t voor-
n.
ireke-
*5-25.
er 15
Een
i ver-
de de
/eren,
deze
Met de geformuleerde beleidsuitgangs
punten kan worden ingestemd. Wel zou
naar onze mening iets meer tot uitdruk
king mogen komen de grote betekenis
die een goede agrarische situatie - met
name de veehouderij - heeft voor de in
standhouding van het landschap. De
nota signaleert terecht het versnipperde
grondgebruik bij de veehouderijbedrij
ven in onze gemeente. Een vrijwillige
kavelruil- waarmee overigens reeds een
begin is gemaakt- zou daarvoor oplos
singen kunnen bieden. In de nota worden
in dat verband voorts opmerkingen
gemaakt over verbetering van wegen en
Een gemeentelijke afweging in 1975 van
de mogelijke bouwlocaties leidde uitein
delijk tot de keuze van een uitbreiding
nabij Groet. Voornaamste argument
daarbij was dat elders in de gemeente van
grotere aantastingen sprake zou zijn. De
provincie komt op basis van alleen de al
gemene doelstellingen tot een andere
conclusie, zonder overigens ook maar
één alternatief concreet aan te geven.
Mede in het licht van eerdere opmerkin
gen over het geldende streekplan zijn wij
geneigd te menen dat het provinciaal be
stuur hier te oppervlakkig conclusies
heeft getrokken. Onder de gemeentelijke
doelstelling "natuurlijk milieu” staat
vermeld: "De natuurwetenschappelijke
en landschappelijke waardevolle ele
menten dienen bij naam te worden ge
noemd”. In de nota worden geen ele
menten bij naam genoemd. In het gebied
lopen geen belangrijke duinbeken.
Onze constatering is derhalve, dat de na
tuurlijke en landschappelijke gegeven
heden hier niet dermate zijn dat de uit
breiding nabij Groet geen doorgang zou
mogen vinden. Wij gaan er dan ook van
uit dat in 1980 het bestemmingsplan
"Groet-Hargen-Camperduin" kan wor
den vastgesteld, inclusief de uitbreiding
nabij Groet.
In aansluiting op het vermelde op blz.
90/91 kan nog worden meegedeeld, dat
reeds tot tweemaal toe zijdens de
gemeente een verzoek is gedaan om de
"duinbeken" onder de werking van de
Natuurbeschermingswet te brengen. Op
het tweede verzoek is echter nog steeds
geen reactie ontvangen.
Enkele detailpunten verdienen hier nog
speciaal te worden aangestipt. Wij noe
men de opvatting dat het stelsel van
onverharde paden in de duinen niet dient
te worden uitgebreid (blz. 90). Rekent
men daartoe ook verharding met schel
pen? Zo ja. dan dient naderte worden on-
derbouwd waarom dat niet aanvaardbaar
is. opdat terzake metterdaad aanlegver-
gunning kan worden geweigerd. Een en
ander uitgaande van de gedachte, dat
ook verharding van paden met schelpen
de duinen een minder natuurlijk (park
achtig) karakter aeeft.
Een tweede betekenisvolle opmerking is,
dat egalisatie van het duinreliëf niet is aan
te merken als normaal onderhoud en der-
werking gevonden. Van de te bouwen
woningen zal - en kan - minimaal 50%
worden gerealiseerd in de woningwet-
sector en 40% in de premiesector, waar
van het merendeel in de goedkope
sector. Ook zal daar nadrukkelijk aan
dacht worden geschonken aan de bouw
van kleine woningen (maximaal 3
kamers).
Eerder in deze paragraaf is opgemerkt
dat de grondexploitatie gebonden is aan
de financieel-economische mogelijk
heden. Tot heden werd steeds een slui
tende exploitatie verlangd. De vraag rijst
of de betreffende opmerkingen in de pro
vinciale nota tevens betekenen, dat voor
taan ook een niet-sluiténde grondexploi
tatie mogelijk zal zijn. Niet-sluitend in
die zin, dat de exploitatie-opzet sluitend
wordt gemaakt met bijdragen vanuit de
gemeentelijke algemene dienst.
In het algemeen kunnen wij de ten aanzien van dit facet geformuleerde be
leidsvoornemens onderschrijven. De conclusie met betrekking tot de wo
ningbouw nabij Groet delen wij echter niet. Elders in de nota wordt terecht op
gemerkt, dat de provincie niet altijd over toereikende locale informatie be
schikt. Hier doet zich zo’n geval voor.
ten oplossen, was de nood nu enkele
malen groter geweest dan hij thans is.
gen bekend argument voor de suburba
nisatie was, dat het draagvlak voor aller
lei voorzieningen groter werd en dat
daardoor nieuwe voorzieningen konden
worden getroffen, die tegemoet kwamen
aan de wensen van de bewoners. Alge
meen wordt die argumentatie thans
aangevochten. Toch hanteert ook de
nota hier en daar die argumentatie.
gén van de doelstellingen is: versterking
‘van de voorzieningenstructuur.
Een voortborduren op het oude patroon
derhalve. Elders in de nota wordt echter
met veel gemak gesteld, dat de voorzie
ningenstructuur toch niet is te hand
haven, ook al zou enige uitbreiding van
de bebouwing worden toegestaan. De
nota doet voorkomen alsof het suburba-
nisatieverschijnsel op zichzelf stond. Dat
was echter geenszins het geval. Vroegere
rijks- en provinciale nota’s gingen uit van
toename van de bevolking. Het thans nog
geldende streekplan voor Noord-Kenne
merland voorziet in dat verband bijvoor
beeld voor de gemeente Schoorl in forse
uitbreidingen. Een deel daarvan is con
form het beleid van de hogere overheden
gerealiseerd, een ander deel ondanks dat
beleid niet. Het is in dit verband de
tragiek van de omstandigheden dat in de
nota kritische opmerkingen worden
gewijd aan een beperkte woningbouw
nabij Groet. Het streekplan laat daar
notabene uitbreidingen toe die een veel
voud daarvan zijn. En het heeft niet aan
het provinciaal bestuur gelegen dat die
uitbreidingen tot heden nog niet gereali
seerd zijn. De constatering op t?lz. 12 van
de nota, dat de bevolkingsgroei in afwij
king van de richtlijnen van rijk en pro
vincie voor een deel is terecht gekomen
in kleinere gemeenten achten wij voor
Schoorl niet juist.
zie verder pagina 12
stroom van verstrekkers en de stroom
van vestigers.
We zijn toen niet op de oorzaken inge
gaan. Hier willen wij dat wel doen. De
oorzaak van die vergrijzing ligt in de on
mogelijkheid tot het voeren van een ves
tigingsbeleid voor bestaande woningen.
In niet-stedelijke kernen is vanouds een
groot aantal woningen eigendom van de
bewoners. Het aandeel huurwoningen is
in het algemeen klein. In Schoorl is dat
niet anders. Door de hoge koopprijzen
van bestaande woningen tengevolge van
de vraag naar woningen, in een aantrek
kelijk woongebied als Schoorl biedt,
blijkt in. de praktijk het proces van opvol
ging der generaties te worden verstoord.
Van de bestaande koopwoningen komt
er vrijwel geen ten goede aan jonge
Schoorlse woningzoekenden.
De oorzaak daarvan ligt volledig in de
hoogte van de koopprijs. De Woonruim-
tewet 1947 biedt volstrekt onvoldoende
mogelijkheden om bestaande woningen
ten goede te doen komen aan degenen
die daar volgens het natuurlijke proces
voor in aanmerking zouden moeten
komen. Het gevolg is dat jonge gezinnen
gedwongen zijn weg te trekken (tenzij
voor hen door de gemeehte betaalbar^
nieuwbouw wordt gerealiseerd), 'terwijl
de bestaande woningen worden aange
kocht door mensen van middelbare
leeftijd en ouder, die de woningen wel
kunnen betalen. Deze verschuiving heeft
allerlei gevolgen. Wij noemen slechts de
gevolgen voor de scholen en de vereni
gingen. De effecten van dit proces zijn tot
nog toe betrekkelijk gering, maar onder
kend kan worden dat die effecten zullen
toenemen. De vraag is of dat aanvaard
baar is. Vast staat dat het sociale milieu er
sterk door zal worden aangetast. Zolang
deze effecten niet kunnen worden tegen
gehouden, hebben wij er grote moeite
mee in te stemmen met een doelstelling,
die tot gevolg heeft dat de jeugd van
Schoorl c.q. een deel daarvan (Welk
deel? Wie moet overigens uitmaken wie
moet vertrekken naar elders?) naar
elders moet voor hun huisvesting. Wij
zouden wel kunnen instemmen met een
beleid, dat op basis van een wervend
woonmilieu elders en uitgaande van vrij
willig vertrek naar elders, streeft naar een
zo gering mogelijke uitbreiding van de
woonbebouwing in Schoorl.
Tot nog toe heeft een dergelijk beleid
begrip ondervonden. Het succes is niet
groot geweest, gezien de opstelling van
de in aanmerking komende centrum
gemeente. Ook dat beleid zal echter in
daling van het aantal inwoners resulteren
en derhalve leiden tot afname van draag
vlak. De consequenties van daling van
het aantal inwoners vinden wij niet terug
in de nota.
Schoorl is niet ingedeeld bij het stedelijk
gebied. Toch zullen ook de ontwikke
lingen in het stedelijk gebied de inwoners
van Schoorl niet geheel ongemerkt voor
bijgaan. Om die reden willen wij er - zij
het beperkt - enige opmerkingen aan
wijden.
Hiervoor hebben wij al aangegeven dat
wij opteren voor model 2 voor wat betreft
de bevolkingsontwikkeling. De nota zelf
kiest voor model 4 en dat model is dan
ook verder uitgewerkt.
Volgens model 4 zullen er in de streek-
planperiode in het stedelijk gebied afge
rond 27.500 woningen nodig zijn. (Bij
model 2 kan dat aantal 6.240 woningen
minder zijn). Voor de bouw van ai deze
woningen zijn diverse locaties volgens
bestaande of in voorbereiding zijnde
plannen beschikbaar. Tot 1992 moeten
voor circa 9.500 woningen nieuwe loca
ties worden gevonden (bij model 2 overi
gens slechts voor 3.250). Er worden
diverse nieuwe locatiemogelijkheden
genoemd, waarvan een deel uiteindelijk
is uitgewerkt in een viertal varianten. Die
varianten worden vrij "hard” gepresen
teerd. Wij menen dat er heel goed meer
dere varianten hadden kunnen worden
gepresenteerd.
Thans zijn de eisen die het ri)kf<stëf?voor
het geven van financiële steun kennelijk
doorslaggevend geweest, voorzover het
althans locaties buiten Alkmaar betreft.
Indien dat gegeven - zo men wil rand
voorwaarde - zo belangrijk is, resteert bij
onze keuze voor model 2 slechts aanwij
zing van nieuwe locaties binnen het
grondgebied van de gemeente Alkmaar.
aan de
jen de
men de
n me®'
een aantal - leidt ons ertoe te conclude
ren, dat er maar een offer moet worden
gebracht in het belang van de jeugdige
Schoorlse woningzoekenden en nog
komende woningzoekenden. Op dit
tijdstip en bij deze gelegenheid willen wij
alleen volstaan met het noemen van in
onze ogen enige redelijk mogelijk nieuwe
bouwplaatsen in Schoorl. Wij noemen
dan in de eerste plaats het binnengebied
van Bregtdorp (tussen Schoutsakker-
Huismansweg-Heereweg en Voorweg),
hoewel woningwetbouw daar gezien de
grondkosten moeilijk zal zijn. In de
tweede plaats valt te noemen het gebied
aan de Voorweg tussen Bovenweg en
Vuurdoornweg. Ook valt te denken aan
het gebied ten oosten van de wijk ’t
Geesje. Kortom het lijkt ons mogelijk in
Schoorl nog woningbouwmogelijkheden
te creëren voor zo’n 250 woningen tot het
jaar 2000, naast de reeds genoemde be
staande mogelijkheden (inclusief nabij
Groet) voor zo’n 300 woningen. Het zou
dan mogelijk zijn alle "eigen behoefte”
binnen de eigen gemeente onder te
brengen.
Na 2000 mag worden aangenomen dat de
aangekondigde daliqg yap de bevolking
xisIUis aoeBQ_JiQQ£foa eins ■f-sn eh,ire-
zich zal manifesteren in een overschot
aan woningen (gezien de druk van buiten
wellicht echter niet in Schoorl).
De constatering in de nota dat bij de
woningbouw meer nadruk moet worden
gelegd op bouwen in de woningwet-
sector en in de goedkope premiesector
heeft in het ontwerp-bestemmingsplan
"Groet-Hargen-Camperduin” reeds uit-
waterhuishouding. Aan verbetering van
wegen is inmiddels van gemeentewege
reeds het nodige gedaan. Met betrekking
tot verbetering van de waterhuishouding
zijn wij geneigd iets minder uitgesproken
positief te zijn. Elders in de nota wordt in
kleurrijke bewoordingen de waarde van
de betreffende graslanden als weide-
vogelbroedgebieden geschilderd. De
kans lijkt ons niet bepaald denkbeeldig,
dat verbetering van de waterhuishouding
die functie van het gebied zal aantasten.
de nota
?se van
tekort,
dig 9s'
ïdelijk®
in Schoorl zelf een aantal van 300 kunnen
worden gebouwd. Het tekort van 250
woningen zou elders moeten worden
gerealiseerd. Voor de periode 1-1-1992
tot 1-1-2000 zouden daar nog eens 200
woningen bijkomen. Het gevolg hiervan
zal zijn, dat de bevolking in Schoorl tegen
het jaar 2000 met circa 10% zal zijn
gedaald.
Dit percentage wordt niet nader toege
licht en vraagt derhalve om een kantteke
ning. Volgens de provinciale berekening
wordt tot het jaar 2000 voor Schoorl een
woningtekort berekend van in totaal 450
woningen. Globaal benaderd betekent
dat over een loop van jaren een vertrek-
overschot van minstens 1200 .ersonen
oftewel 18% van het gemeenteïjk inwo
nertal. Aangezien de natuurlijke groei het
nulpunt al dicht is genaderd en het
negatieve migratieoverschot over de
jaren 1978 en 1979 een versterkte ver
grijzing tot gevolg heeft gehad, moet
derhalve worden gevreesd dat de daling
van de bevolking meer zal bedragen dan
de genoemde 10%.
De eigen gemeentelijke berekeningen
(die niet verder gaan dan tot 1994) komen
over de periode 1-1-1980 tot 1-1-1992 tot
een tekort van ci’fc'a’ 365 (berekening op
basis van de bevolking per 1-1-1976) c.q.
340 (berekening op basis van de bevol
king per 1-1-1979).
Deze berekening is gebaseerd op de
algemene doelstelling dat de
woningbouw alleen ten goede dient te
komen van de natuurlijke groei van de
eigen bevolking. De berekening gaat
voorts uit van leeftijdsspecifieke be
hoeftenpercentages toegepast op de
leeftijdsopbouw van de gemeentelijke
bevolking. De gemeentelijke berekening
is gezien de doelstelling wellicht het best
als een minimum-raming te kenschetsen.
Als zodanig heeft zij het nadeel, dat het
moeilijker is een taakstelling te verhogen
dan te verlagen. Bij deze cijfers speelt de
ontwikkeling van de daling van de gemid
delde woningbezetting (het aantal
mensen dat in een woning woont) een
belangrijke rol. Een meer of minder
sterke daling kan grote invloed hebben
op het benodigde aantal woningen
(vooral als de natuurlijke groei van de
bevolking laag is).
In hoeverre er tussen de provinciale en de
gemeentelijke cijfers verschillen zijn
voor wat betreft de verwachte daling van
de gemiddelde woningbezetting is uit de
nota niet af te leiden. Het is daarom ver
standiger er in dit stadium van uit te gaan
dat de woningbehoefte in Schoorl zich in
de periode 1-1-1980 tot 1-1-1992 zal be
wegen tussen minimaal 340 365 en
maximaal 550 woningen. Een regelma
tige bijstelling van de behoefteramingen
is daarom noodzakelijk. De provincie
stelt het aantal beschikbare
bouwplaatsen in Schoorl op 300
Woningen. Met dit aantal kunnen wij in
stemmen. Voorzover thans valt te over
zien zal dit aantal binnen de
streekplanperiode ook daadwerkelijk
gerealiseerd kunnen worden. Dit aantal is
gebaseerd op geldende bestemmings
plannen en het in voorbereiding zijnde
bestemmingsplan "Groet-Hargen-
Camperduin” (dus inclusief de uitbrei
ding bij Groet). Volgens de gemeentelijke
berekeningen zal er een tekort zijn van
circa 40 a 65 woningen. Voor de streek
planperiode lijken de voorgestelde
beperkingen aan woningbouw in Schoorl
derhalve in de praktijk tot minder grote
consequenties aanleiding te geven, dan
in eerste opzet uit de nota blijkt. Er zitten
echter enige principiële kanten aan.
Te dien aanzien zijn hiervoor reeds enige
kanttekeningen gemaakt bij het onder
scheid "grote kern” - ’’kleine kern”. In de
tweede plaats is in de nota slechts vanuit
twee aspecten de keuze gemaakt. De uit
werking van het aspect natuur- en land
schap kunnen wij volgen, de uitwerking
van het aspect voorzieningen achten wij -
zie hiervoor ook boven - ontoereikend.
Andere aspecten, die de nota wel noemt,
zijn daarentegen in het geheel niet uit
gewerkt. Met name de aspecten "sociaal-
culturele leven”, ”de verhouding autoch-
tonen-allochtonen”, "vergrijzing”, "ver
voersmogelijkheden”, krijgen geen
verdere aandacht. Met name deze ge
noemde aspecten zouden voor Schoorl
tot een andere conclusie kunnen leiden.
Het aspect "vergrijzing” is hiervoor ook
reeds aan de orde geweest, als zijnde een
gevolg van onevenwichtigheid in de
gemeente binnen het raam van de finan
cieel-economische mogelijkheden een
maximalisering van het aantal woning-
wet(huur)woningen na, omdat dit de
beste garantie geeft om de nieuwge
bouwde woningen - ook op den duur -
zoveel mogelijk ten goede te laten komen
van de eigen woningzoekenden.
Bij de jongste bestemmingsplannen
komen de voorheen bestaande, betrek
kelijk ongecontroleerde, bouwmogelijk
heden binnen de dorpen en buurtschap
pen meer en meer te vervallen (zie bij
voorbeeld het bestemmingsplan ”Aagt-
dorp”). Het gemeentebestuur krijgt daar
door steeds meer mogelijkheden om
sturend op te treden en woningbouw op
minder gewenste locaties uit te sluiten.
Dat dit gemeentelijk beleid niet zonder
gevolg is, mag reeds blijken uit het afge
nomen migratiesaldo. De groei van de
bevolking en de woningvoorraad in
Schoorl lag in de periode 1975-1979
onder het gemiddelde voor het gehele
streekplangebied. Op grond van dit eigen
gemeentelijke beleid - wij stipten het ook
al eerder aan - kan men bezwaarlijk de
conclusie trekken dat ingrijpen vanwege
het provinciaal bestuur voor Schoorl
noodzakelijk is.
Afwijzing van "overloop” van Schoor-
laars naar elders in de regio leidt onzes
inziens tevens tot de plicht nieuwe bouw
locaties aan te wijzen. Die zijn in Schoorl
- wij hebben er al eerder op geduid -
zonder consequenties voor natuur en
landschap moeilijk te vinden. Afweging
van belangen - hiervoor noemden wij er
Ter inleiding zullen wij eerst nog in het
kort herhalen wat een regionaal kernen
plan inhoudt. Het zal uiterst fragmenta
risch moeten zijn, want de hele proble
matiek van de kleine kernen in Noord-
Holland is indertijd in twee nota’s, een
studie en een beleidsnota, uitgebreid
behandeld. In dié nota’s werd vastge-
stëld, dat de uitbreiding van kleinere
kernen diende plaats te vinden vanuit een
regionale benadering, aangezien alle
andere benaderingen tekort schoten.
Een regionale benadering, waarbij de
groei van de kernen aan de hand van een
uitgebreid toetsingskader in onderling
verband wordt beoordeeld, zou naar ver
wachting betere perspectieven bieden. In
regionale kernenplannen zou met name
de spreiding van dé groei van de woning
voorraad over de in de regio aanwezige
kernen moeten worden geregeld. Die
regionale benadering zou voorts het best
te verwezenlijken zijn op de schaal van de
streekplangebieden, gezien de bestuur
lijke en maatschappelijke samenhangen
welke deze vertonen. Een regionaal ker
nenplan zal hoofdlijnen dienen te geven
voor de toekomstige ontwikkeling en
uitbouw van de kleine kernen. Een plan
voor een soort woningdistributie dus.
De Nota Ontwikkelingsmogelijkheden
bevat een aanzet voor een regionaal
kernenplan. In de nota valt dat plan in
twee delen uiteen: een kernenplan voor
wat in de nota het landelijk gebied wordt
genoemd en een ’’kernenplan” voor het
stedelijk gebied. Het kernenplan voor het
landelijk gebied wordt in de nota het
"Regionale Kernenplan” genoemd.
Over dat kernenplan zouden de betrok
ken gemeenten zich met name moeten
uitspreken en bij de discussie daarover
de bevolking speciaal betrekken.
Het concept-kernenplan van de provincie
gaat ervan uit, dat voor de betreffende
kernen als maximum voor de woning
bouw zal gelden het voorzien in de
’eigen woningbehoefte”. Het begrip
eigen behoefte” wordt niet nader om
schreven. Er kan van worden uitgegaan,
dat daartoe gerekend wordt de eigen
gemeentelijke natuurlijke aanwas
vermeerderd met degenen, die econo
misch aan de gemeente zijn gebonden.
Het komt dus vrijwel overeen met de
huidige gemeentelijke inschrijvings-
normen voor woningzoekenden. De nota
Zegtdat bij het afwegen of een kern moet
groeien vele aspecten een rol spelen.
In de nota zelf worden er twee aspecten
gehanteerd, te weten het hebben van ge
volgen voor het landschap en voor de
voorzieningen.
0p basis daarvan trekt het provinciaal
bestuur de conclusie dat vooral om land-
Schappelijke redenen in de gemeente
Schoorl niet volledig voor de eigen
woningbehoefte zou moeten worden
gebouwd.
0e ontbrekende aantallen woningen
z°uden in Warmenhuizen en/of Lange-
bijk en/of in het stedelijk gebied (Alk-
[paar) kunnen/moeten worden gebouwd.
Oe provincie stelt de behoefte aan
Vvoningen voor de periode 1-1-1980 tot
'1-1992 op 550. Uit de nota wordt niet
duidelijk hoe dit getal is samengesteld,
terwijl het d.d. 19 maart 1980 versterkte
^treksel uit de komende provinciale
Woningbouw-nota 1980 voor de
Semeente Schoorl geen cijfers geeft. Wel
'ikt uit de Nota Ontwikkelingsmogelijk-
eden dat het aantal als een maximum-
aming moet worden beschouwd.
an dit aantal voor de eigen behoefte
°dige woningen zal - volgens de nota -
s