Recreatie Ontwikkelingsmogelijkheden stedelijk gebied 11 Natuur en landschap. geko- Landbouw en landinrichting werd arnen- rschilt streek- er het edelijk lauwe- schijn- jinnen i daar- - Woningbouw in kleine kerpen/regio- naal kernenplan Als één van de consequenties zou zijn het uiteindelijke verlies van zelfstandigheid van onze gemeente dan is ons de prijs te hoog. In verband daarmee zou informatie over de mogelijkheid van blijvende zelf standigheid van de gemeente Schoorl met inachtneming van minstens het huidige dienstverleningsniveau de nota verrijken en de stellingname wellicht kunnen vergemakkelijken. Men kan zich overigens afvragen of het kortwieken van de gemeentelijke moge lijkheden om zelf te bepalen waar en in welk tempo woningen zullen worden gebouwd gerechtvaardigd is. Dat lijkt alleen het geval indien een gemeente zich niet wenst te conformeren aan het provinciaal beleid, zoals dat is verwoord in streekplannen, provinciale nota’s of anderszins. Voor Schoorl geldt als uitgangspunt van gemeentelijk beleid, dat de woningbouw allen ten goede dient te komen aan de natuurlijke groei van de eigen bevolking. Voorts: "Het specifieke karakter van de gemeente, dat zich kenmerkt door de overgang van duingebied naar polder gebied, dient tezamen met het natuur- en landschapsschoon behouden te blijven en waar nodig versterkt te worden (zie de hiervoor aangehaalde algemene doel stellingen). Hieruit blijkt dat de uitgangs punten, welke het gemeentebestuur voor zijn beleid heeft gekozen, in belangrijke mate met die van het provinciaal bestuur overeenstemmen; zowel voor wat betreft het terugdringen van de suburbanisatie als voor wat betreft het beschermen van natuur en landschap. In tegenstelling tot voorheen streeft de halve onderworpen dient te zijn aan een aanlegvergunningenstelsel (blz. 90). In de nota wordt terecht het verschil gesignaleerd tussen de kalkrijke duinen ten zuiden van de gemeentegrens met Bergen en de kalkarme duinen ten noor den daarvan. Kalkarme duinen zijn veel gevoeliger voor betreding. Dit onder scheid komt in de nota niet naar voren, doch is naar onze mening van grote bete kenis als argument voor beperking van de druk op met name dit deel van het duin gebied van Noord-Kennemerland. Aan vulling in deze zin achten wij nodig. Het duingebied van de Boswachterij Schoorl wordt in de nota tevens aange wezen voor de waterwinning. Wij zijn daar niet erg gelukkig mee. De eerste vraag die rijst is of die aanwijzing nodig is? De tweede vraqg die rijst is of dat in de toekomst ook infiltratie met rivierwater van elders kan inhouden. Naar onze mening zou een dergelijke infiltratie het karakter en de samensteling van de dui nen zodanig aantasten, dat van het on derscheid kalkarm-kalkrijk geen sprake meer zal zijn Daarom zien wij in ieder jeval graag buiten twijfel gesteld dat in flatie niet toegestaan zal zijn. In de nota is terecht aandacht gewijd aan de "stromen de sloten en greppels” in de duinzoom te greppels hangt ten nauwste samen met de waterwinning in de duinen. De aller best maatregel tot instandhouding van die "duinbeken” zou dan ook zijn de waterwinning hier in de duinen achter wege te laten Dagrecreatie. De nota stelt er van uit te gaan, dat alleen de wijziging van het inwonertal van de herkomstgebieden het aantal dagjes mensen dat het strand en de duinen be zoekt zal beïnvloeden. Op zich kan dat correct zijn. Men miskent dan echter het feit, dat steeds minder mensen deel uit maken van het werkende deel der bevol king. Steeds meer mensen zullen -vroe ger- gepensioneerd zijn, steeds meer mensen zullen geen werk vinden of ar beidsongeschikt zijn verklaard en men zal meer vrije tijd krijgen. Gezien deze ontwikkelingen -die ook in de nota worden gesignaleerd- kunnen wij ons niet voorstellen dat het bezoek door dag- recreanten niet meer zal toenemen dan de nota aangeeft (van 7000 in 1973 tot 8000 in 1990). Mogelijk dat de aangekon- digde stellingen in 1980 tot bijstelling zullen leiden. Het bezoek van strand en duinen wordt onzes inziens echter ook beïnvloed door de mate van ontsluiting en door het in richten van recreatiegebieden in de directe omgeving van de woongebieden. Die relatie wordt in de nota onvoldoende gelegd. De nota concludeert dat er een nader on derzoek zou kunnen worden gedaan naar de mogelijkheid van een openlucht zwembad bij Bergen/Schoorl. Een der gelijk zwembad zou zowel voor de eigen bevolking als voor de verblijfsrecreanten kunnen dienen. Zoals bekend is. zijn diepgaande pogin gen in het werk gesteld om in Schoorl een zwembad te realiseren. Die pogingen zijn tot nog toe niet geslaagd. Een nieuwe onderzoek kan geen .kwaad. Het trekt de aandacht dat niet wordt gerept over de bouw van een sporthal in Schoorl. Trou wens de sportvoorzieningen krijgen in de nota toch al erg weinig aandacht. Naar onze mening zou de realisatie van een sporthal hogere prioriteit dienen te - ver- hoorl- moet aag in ;fte in uwd. /erde- naar rings- dt het iep op name op de jente- msde tierna m van an de aarop dt op /onin- retwo- ig zijn gen te ensen 3 para- - reeds )e nota je we st, waar zullen rffende en. De teraard ouw in >t voor- n. ireke- *5-25. er 15 Een i ver- de de /eren, deze Met de geformuleerde beleidsuitgangs punten kan worden ingestemd. Wel zou naar onze mening iets meer tot uitdruk king mogen komen de grote betekenis die een goede agrarische situatie - met name de veehouderij - heeft voor de in standhouding van het landschap. De nota signaleert terecht het versnipperde grondgebruik bij de veehouderijbedrij ven in onze gemeente. Een vrijwillige kavelruil- waarmee overigens reeds een begin is gemaakt- zou daarvoor oplos singen kunnen bieden. In de nota worden in dat verband voorts opmerkingen gemaakt over verbetering van wegen en Een gemeentelijke afweging in 1975 van de mogelijke bouwlocaties leidde uitein delijk tot de keuze van een uitbreiding nabij Groet. Voornaamste argument daarbij was dat elders in de gemeente van grotere aantastingen sprake zou zijn. De provincie komt op basis van alleen de al gemene doelstellingen tot een andere conclusie, zonder overigens ook maar één alternatief concreet aan te geven. Mede in het licht van eerdere opmerkin gen over het geldende streekplan zijn wij geneigd te menen dat het provinciaal be stuur hier te oppervlakkig conclusies heeft getrokken. Onder de gemeentelijke doelstelling "natuurlijk milieu” staat vermeld: "De natuurwetenschappelijke en landschappelijke waardevolle ele menten dienen bij naam te worden ge noemd”. In de nota worden geen ele menten bij naam genoemd. In het gebied lopen geen belangrijke duinbeken. Onze constatering is derhalve, dat de na tuurlijke en landschappelijke gegeven heden hier niet dermate zijn dat de uit breiding nabij Groet geen doorgang zou mogen vinden. Wij gaan er dan ook van uit dat in 1980 het bestemmingsplan "Groet-Hargen-Camperduin" kan wor den vastgesteld, inclusief de uitbreiding nabij Groet. In aansluiting op het vermelde op blz. 90/91 kan nog worden meegedeeld, dat reeds tot tweemaal toe zijdens de gemeente een verzoek is gedaan om de "duinbeken" onder de werking van de Natuurbeschermingswet te brengen. Op het tweede verzoek is echter nog steeds geen reactie ontvangen. Enkele detailpunten verdienen hier nog speciaal te worden aangestipt. Wij noe men de opvatting dat het stelsel van onverharde paden in de duinen niet dient te worden uitgebreid (blz. 90). Rekent men daartoe ook verharding met schel pen? Zo ja. dan dient naderte worden on- derbouwd waarom dat niet aanvaardbaar is. opdat terzake metterdaad aanlegver- gunning kan worden geweigerd. Een en ander uitgaande van de gedachte, dat ook verharding van paden met schelpen de duinen een minder natuurlijk (park achtig) karakter aeeft. Een tweede betekenisvolle opmerking is, dat egalisatie van het duinreliëf niet is aan te merken als normaal onderhoud en der- werking gevonden. Van de te bouwen woningen zal - en kan - minimaal 50% worden gerealiseerd in de woningwet- sector en 40% in de premiesector, waar van het merendeel in de goedkope sector. Ook zal daar nadrukkelijk aan dacht worden geschonken aan de bouw van kleine woningen (maximaal 3 kamers). Eerder in deze paragraaf is opgemerkt dat de grondexploitatie gebonden is aan de financieel-economische mogelijk heden. Tot heden werd steeds een slui tende exploitatie verlangd. De vraag rijst of de betreffende opmerkingen in de pro vinciale nota tevens betekenen, dat voor taan ook een niet-sluiténde grondexploi tatie mogelijk zal zijn. Niet-sluitend in die zin, dat de exploitatie-opzet sluitend wordt gemaakt met bijdragen vanuit de gemeentelijke algemene dienst. In het algemeen kunnen wij de ten aanzien van dit facet geformuleerde be leidsvoornemens onderschrijven. De conclusie met betrekking tot de wo ningbouw nabij Groet delen wij echter niet. Elders in de nota wordt terecht op gemerkt, dat de provincie niet altijd over toereikende locale informatie be schikt. Hier doet zich zo’n geval voor. ten oplossen, was de nood nu enkele malen groter geweest dan hij thans is. gen bekend argument voor de suburba nisatie was, dat het draagvlak voor aller lei voorzieningen groter werd en dat daardoor nieuwe voorzieningen konden worden getroffen, die tegemoet kwamen aan de wensen van de bewoners. Alge meen wordt die argumentatie thans aangevochten. Toch hanteert ook de nota hier en daar die argumentatie. gén van de doelstellingen is: versterking ‘van de voorzieningenstructuur. Een voortborduren op het oude patroon derhalve. Elders in de nota wordt echter met veel gemak gesteld, dat de voorzie ningenstructuur toch niet is te hand haven, ook al zou enige uitbreiding van de bebouwing worden toegestaan. De nota doet voorkomen alsof het suburba- nisatieverschijnsel op zichzelf stond. Dat was echter geenszins het geval. Vroegere rijks- en provinciale nota’s gingen uit van toename van de bevolking. Het thans nog geldende streekplan voor Noord-Kenne merland voorziet in dat verband bijvoor beeld voor de gemeente Schoorl in forse uitbreidingen. Een deel daarvan is con form het beleid van de hogere overheden gerealiseerd, een ander deel ondanks dat beleid niet. Het is in dit verband de tragiek van de omstandigheden dat in de nota kritische opmerkingen worden gewijd aan een beperkte woningbouw nabij Groet. Het streekplan laat daar notabene uitbreidingen toe die een veel voud daarvan zijn. En het heeft niet aan het provinciaal bestuur gelegen dat die uitbreidingen tot heden nog niet gereali seerd zijn. De constatering op t?lz. 12 van de nota, dat de bevolkingsgroei in afwij king van de richtlijnen van rijk en pro vincie voor een deel is terecht gekomen in kleinere gemeenten achten wij voor Schoorl niet juist. zie verder pagina 12 stroom van verstrekkers en de stroom van vestigers. We zijn toen niet op de oorzaken inge gaan. Hier willen wij dat wel doen. De oorzaak van die vergrijzing ligt in de on mogelijkheid tot het voeren van een ves tigingsbeleid voor bestaande woningen. In niet-stedelijke kernen is vanouds een groot aantal woningen eigendom van de bewoners. Het aandeel huurwoningen is in het algemeen klein. In Schoorl is dat niet anders. Door de hoge koopprijzen van bestaande woningen tengevolge van de vraag naar woningen, in een aantrek kelijk woongebied als Schoorl biedt, blijkt in. de praktijk het proces van opvol ging der generaties te worden verstoord. Van de bestaande koopwoningen komt er vrijwel geen ten goede aan jonge Schoorlse woningzoekenden. De oorzaak daarvan ligt volledig in de hoogte van de koopprijs. De Woonruim- tewet 1947 biedt volstrekt onvoldoende mogelijkheden om bestaande woningen ten goede te doen komen aan degenen die daar volgens het natuurlijke proces voor in aanmerking zouden moeten komen. Het gevolg is dat jonge gezinnen gedwongen zijn weg te trekken (tenzij voor hen door de gemeehte betaalbar^ nieuwbouw wordt gerealiseerd), 'terwijl de bestaande woningen worden aange kocht door mensen van middelbare leeftijd en ouder, die de woningen wel kunnen betalen. Deze verschuiving heeft allerlei gevolgen. Wij noemen slechts de gevolgen voor de scholen en de vereni gingen. De effecten van dit proces zijn tot nog toe betrekkelijk gering, maar onder kend kan worden dat die effecten zullen toenemen. De vraag is of dat aanvaard baar is. Vast staat dat het sociale milieu er sterk door zal worden aangetast. Zolang deze effecten niet kunnen worden tegen gehouden, hebben wij er grote moeite mee in te stemmen met een doelstelling, die tot gevolg heeft dat de jeugd van Schoorl c.q. een deel daarvan (Welk deel? Wie moet overigens uitmaken wie moet vertrekken naar elders?) naar elders moet voor hun huisvesting. Wij zouden wel kunnen instemmen met een beleid, dat op basis van een wervend woonmilieu elders en uitgaande van vrij willig vertrek naar elders, streeft naar een zo gering mogelijke uitbreiding van de woonbebouwing in Schoorl. Tot nog toe heeft een dergelijk beleid begrip ondervonden. Het succes is niet groot geweest, gezien de opstelling van de in aanmerking komende centrum gemeente. Ook dat beleid zal echter in daling van het aantal inwoners resulteren en derhalve leiden tot afname van draag vlak. De consequenties van daling van het aantal inwoners vinden wij niet terug in de nota. Schoorl is niet ingedeeld bij het stedelijk gebied. Toch zullen ook de ontwikke lingen in het stedelijk gebied de inwoners van Schoorl niet geheel ongemerkt voor bijgaan. Om die reden willen wij er - zij het beperkt - enige opmerkingen aan wijden. Hiervoor hebben wij al aangegeven dat wij opteren voor model 2 voor wat betreft de bevolkingsontwikkeling. De nota zelf kiest voor model 4 en dat model is dan ook verder uitgewerkt. Volgens model 4 zullen er in de streek- planperiode in het stedelijk gebied afge rond 27.500 woningen nodig zijn. (Bij model 2 kan dat aantal 6.240 woningen minder zijn). Voor de bouw van ai deze woningen zijn diverse locaties volgens bestaande of in voorbereiding zijnde plannen beschikbaar. Tot 1992 moeten voor circa 9.500 woningen nieuwe loca ties worden gevonden (bij model 2 overi gens slechts voor 3.250). Er worden diverse nieuwe locatiemogelijkheden genoemd, waarvan een deel uiteindelijk is uitgewerkt in een viertal varianten. Die varianten worden vrij "hard” gepresen teerd. Wij menen dat er heel goed meer dere varianten hadden kunnen worden gepresenteerd. Thans zijn de eisen die het ri)kf<stëf?voor het geven van financiële steun kennelijk doorslaggevend geweest, voorzover het althans locaties buiten Alkmaar betreft. Indien dat gegeven - zo men wil rand voorwaarde - zo belangrijk is, resteert bij onze keuze voor model 2 slechts aanwij zing van nieuwe locaties binnen het grondgebied van de gemeente Alkmaar. aan de jen de men de n me®' een aantal - leidt ons ertoe te conclude ren, dat er maar een offer moet worden gebracht in het belang van de jeugdige Schoorlse woningzoekenden en nog komende woningzoekenden. Op dit tijdstip en bij deze gelegenheid willen wij alleen volstaan met het noemen van in onze ogen enige redelijk mogelijk nieuwe bouwplaatsen in Schoorl. Wij noemen dan in de eerste plaats het binnengebied van Bregtdorp (tussen Schoutsakker- Huismansweg-Heereweg en Voorweg), hoewel woningwetbouw daar gezien de grondkosten moeilijk zal zijn. In de tweede plaats valt te noemen het gebied aan de Voorweg tussen Bovenweg en Vuurdoornweg. Ook valt te denken aan het gebied ten oosten van de wijk ’t Geesje. Kortom het lijkt ons mogelijk in Schoorl nog woningbouwmogelijkheden te creëren voor zo’n 250 woningen tot het jaar 2000, naast de reeds genoemde be staande mogelijkheden (inclusief nabij Groet) voor zo’n 300 woningen. Het zou dan mogelijk zijn alle "eigen behoefte” binnen de eigen gemeente onder te brengen. Na 2000 mag worden aangenomen dat de aangekondigde daliqg yap de bevolking xisIUis aoeBQ_JiQQ£foa eins ■f-sn eh,ire- zich zal manifesteren in een overschot aan woningen (gezien de druk van buiten wellicht echter niet in Schoorl). De constatering in de nota dat bij de woningbouw meer nadruk moet worden gelegd op bouwen in de woningwet- sector en in de goedkope premiesector heeft in het ontwerp-bestemmingsplan "Groet-Hargen-Camperduin” reeds uit- waterhuishouding. Aan verbetering van wegen is inmiddels van gemeentewege reeds het nodige gedaan. Met betrekking tot verbetering van de waterhuishouding zijn wij geneigd iets minder uitgesproken positief te zijn. Elders in de nota wordt in kleurrijke bewoordingen de waarde van de betreffende graslanden als weide- vogelbroedgebieden geschilderd. De kans lijkt ons niet bepaald denkbeeldig, dat verbetering van de waterhuishouding die functie van het gebied zal aantasten. de nota ?se van tekort, dig 9s' ïdelijk® in Schoorl zelf een aantal van 300 kunnen worden gebouwd. Het tekort van 250 woningen zou elders moeten worden gerealiseerd. Voor de periode 1-1-1992 tot 1-1-2000 zouden daar nog eens 200 woningen bijkomen. Het gevolg hiervan zal zijn, dat de bevolking in Schoorl tegen het jaar 2000 met circa 10% zal zijn gedaald. Dit percentage wordt niet nader toege licht en vraagt derhalve om een kantteke ning. Volgens de provinciale berekening wordt tot het jaar 2000 voor Schoorl een woningtekort berekend van in totaal 450 woningen. Globaal benaderd betekent dat over een loop van jaren een vertrek- overschot van minstens 1200 .ersonen oftewel 18% van het gemeenteïjk inwo nertal. Aangezien de natuurlijke groei het nulpunt al dicht is genaderd en het negatieve migratieoverschot over de jaren 1978 en 1979 een versterkte ver grijzing tot gevolg heeft gehad, moet derhalve worden gevreesd dat de daling van de bevolking meer zal bedragen dan de genoemde 10%. De eigen gemeentelijke berekeningen (die niet verder gaan dan tot 1994) komen over de periode 1-1-1980 tot 1-1-1992 tot een tekort van ci’fc'a’ 365 (berekening op basis van de bevolking per 1-1-1976) c.q. 340 (berekening op basis van de bevol king per 1-1-1979). Deze berekening is gebaseerd op de algemene doelstelling dat de woningbouw alleen ten goede dient te komen van de natuurlijke groei van de eigen bevolking. De berekening gaat voorts uit van leeftijdsspecifieke be hoeftenpercentages toegepast op de leeftijdsopbouw van de gemeentelijke bevolking. De gemeentelijke berekening is gezien de doelstelling wellicht het best als een minimum-raming te kenschetsen. Als zodanig heeft zij het nadeel, dat het moeilijker is een taakstelling te verhogen dan te verlagen. Bij deze cijfers speelt de ontwikkeling van de daling van de gemid delde woningbezetting (het aantal mensen dat in een woning woont) een belangrijke rol. Een meer of minder sterke daling kan grote invloed hebben op het benodigde aantal woningen (vooral als de natuurlijke groei van de bevolking laag is). In hoeverre er tussen de provinciale en de gemeentelijke cijfers verschillen zijn voor wat betreft de verwachte daling van de gemiddelde woningbezetting is uit de nota niet af te leiden. Het is daarom ver standiger er in dit stadium van uit te gaan dat de woningbehoefte in Schoorl zich in de periode 1-1-1980 tot 1-1-1992 zal be wegen tussen minimaal 340 365 en maximaal 550 woningen. Een regelma tige bijstelling van de behoefteramingen is daarom noodzakelijk. De provincie stelt het aantal beschikbare bouwplaatsen in Schoorl op 300 Woningen. Met dit aantal kunnen wij in stemmen. Voorzover thans valt te over zien zal dit aantal binnen de streekplanperiode ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden. Dit aantal is gebaseerd op geldende bestemmings plannen en het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Groet-Hargen- Camperduin” (dus inclusief de uitbrei ding bij Groet). Volgens de gemeentelijke berekeningen zal er een tekort zijn van circa 40 a 65 woningen. Voor de streek planperiode lijken de voorgestelde beperkingen aan woningbouw in Schoorl derhalve in de praktijk tot minder grote consequenties aanleiding te geven, dan in eerste opzet uit de nota blijkt. Er zitten echter enige principiële kanten aan. Te dien aanzien zijn hiervoor reeds enige kanttekeningen gemaakt bij het onder scheid "grote kern” - ’’kleine kern”. In de tweede plaats is in de nota slechts vanuit twee aspecten de keuze gemaakt. De uit werking van het aspect natuur- en land schap kunnen wij volgen, de uitwerking van het aspect voorzieningen achten wij - zie hiervoor ook boven - ontoereikend. Andere aspecten, die de nota wel noemt, zijn daarentegen in het geheel niet uit gewerkt. Met name de aspecten "sociaal- culturele leven”, ”de verhouding autoch- tonen-allochtonen”, "vergrijzing”, "ver voersmogelijkheden”, krijgen geen verdere aandacht. Met name deze ge noemde aspecten zouden voor Schoorl tot een andere conclusie kunnen leiden. Het aspect "vergrijzing” is hiervoor ook reeds aan de orde geweest, als zijnde een gevolg van onevenwichtigheid in de gemeente binnen het raam van de finan cieel-economische mogelijkheden een maximalisering van het aantal woning- wet(huur)woningen na, omdat dit de beste garantie geeft om de nieuwge bouwde woningen - ook op den duur - zoveel mogelijk ten goede te laten komen van de eigen woningzoekenden. Bij de jongste bestemmingsplannen komen de voorheen bestaande, betrek kelijk ongecontroleerde, bouwmogelijk heden binnen de dorpen en buurtschap pen meer en meer te vervallen (zie bij voorbeeld het bestemmingsplan ”Aagt- dorp”). Het gemeentebestuur krijgt daar door steeds meer mogelijkheden om sturend op te treden en woningbouw op minder gewenste locaties uit te sluiten. Dat dit gemeentelijk beleid niet zonder gevolg is, mag reeds blijken uit het afge nomen migratiesaldo. De groei van de bevolking en de woningvoorraad in Schoorl lag in de periode 1975-1979 onder het gemiddelde voor het gehele streekplangebied. Op grond van dit eigen gemeentelijke beleid - wij stipten het ook al eerder aan - kan men bezwaarlijk de conclusie trekken dat ingrijpen vanwege het provinciaal bestuur voor Schoorl noodzakelijk is. Afwijzing van "overloop” van Schoor- laars naar elders in de regio leidt onzes inziens tevens tot de plicht nieuwe bouw locaties aan te wijzen. Die zijn in Schoorl - wij hebben er al eerder op geduid - zonder consequenties voor natuur en landschap moeilijk te vinden. Afweging van belangen - hiervoor noemden wij er Ter inleiding zullen wij eerst nog in het kort herhalen wat een regionaal kernen plan inhoudt. Het zal uiterst fragmenta risch moeten zijn, want de hele proble matiek van de kleine kernen in Noord- Holland is indertijd in twee nota’s, een studie en een beleidsnota, uitgebreid behandeld. In dié nota’s werd vastge- stëld, dat de uitbreiding van kleinere kernen diende plaats te vinden vanuit een regionale benadering, aangezien alle andere benaderingen tekort schoten. Een regionale benadering, waarbij de groei van de kernen aan de hand van een uitgebreid toetsingskader in onderling verband wordt beoordeeld, zou naar ver wachting betere perspectieven bieden. In regionale kernenplannen zou met name de spreiding van dé groei van de woning voorraad over de in de regio aanwezige kernen moeten worden geregeld. Die regionale benadering zou voorts het best te verwezenlijken zijn op de schaal van de streekplangebieden, gezien de bestuur lijke en maatschappelijke samenhangen welke deze vertonen. Een regionaal ker nenplan zal hoofdlijnen dienen te geven voor de toekomstige ontwikkeling en uitbouw van de kleine kernen. Een plan voor een soort woningdistributie dus. De Nota Ontwikkelingsmogelijkheden bevat een aanzet voor een regionaal kernenplan. In de nota valt dat plan in twee delen uiteen: een kernenplan voor wat in de nota het landelijk gebied wordt genoemd en een ’’kernenplan” voor het stedelijk gebied. Het kernenplan voor het landelijk gebied wordt in de nota het "Regionale Kernenplan” genoemd. Over dat kernenplan zouden de betrok ken gemeenten zich met name moeten uitspreken en bij de discussie daarover de bevolking speciaal betrekken. Het concept-kernenplan van de provincie gaat ervan uit, dat voor de betreffende kernen als maximum voor de woning bouw zal gelden het voorzien in de ’eigen woningbehoefte”. Het begrip eigen behoefte” wordt niet nader om schreven. Er kan van worden uitgegaan, dat daartoe gerekend wordt de eigen gemeentelijke natuurlijke aanwas vermeerderd met degenen, die econo misch aan de gemeente zijn gebonden. Het komt dus vrijwel overeen met de huidige gemeentelijke inschrijvings- normen voor woningzoekenden. De nota Zegtdat bij het afwegen of een kern moet groeien vele aspecten een rol spelen. In de nota zelf worden er twee aspecten gehanteerd, te weten het hebben van ge volgen voor het landschap en voor de voorzieningen. 0p basis daarvan trekt het provinciaal bestuur de conclusie dat vooral om land- Schappelijke redenen in de gemeente Schoorl niet volledig voor de eigen woningbehoefte zou moeten worden gebouwd. 0e ontbrekende aantallen woningen z°uden in Warmenhuizen en/of Lange- bijk en/of in het stedelijk gebied (Alk- [paar) kunnen/moeten worden gebouwd. Oe provincie stelt de behoefte aan Vvoningen voor de periode 1-1-1980 tot '1-1992 op 550. Uit de nota wordt niet duidelijk hoe dit getal is samengesteld, terwijl het d.d. 19 maart 1980 versterkte ^treksel uit de komende provinciale Woningbouw-nota 1980 voor de Semeente Schoorl geen cijfers geeft. Wel 'ikt uit de Nota Ontwikkelingsmogelijk- eden dat het aantal als een maximum- aming moet worden beschouwd. an dit aantal voor de eigen behoefte °dige woningen zal - volgens de nota - s

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

De Duinstreek | 1980 | | pagina 11