1 koerstruien TOUR OF GEEN TOUR Een stukje geschiedenis rond de ’’Tour de France” Loop-Fietsschoen rq en van AGU voor WW y WU IS HETHENNIEOF JOOP? zondag zullen we het weten! koersbroeken agu Asport aguAsport JOSen MARIAN KUYPER DUINWEG 2 - SCHOORL Koersbroeken Koerstruien Zweetshirts Trainingspakken Raceschoenen NYLON FIETSTASSEN Wij hebben alles op gebied van RACE- en TOURMATERIALEN 10 c zoals: NU MAANDAGS DE GEHELE DAG GEOPEND! Vele perfekt passende modellen. Voor kinderen, in acryl, in wol en natuurlijk een aërodynamische broek. Uitstekend zeem leer. Ook voor lange koersbroeken (col- lants): AGU-SPORT. Koerstruien in wol of acryl. Voor kinderen of volwassenen. Met of zonder tekst. De AGU-SPORT kollektie is zeer uitgebreid. Vraag haar de speciale kleurenfolder van AGU-SPORT. BUSKER B.V. t.o. de Ruïnekerk Bergen, tel. 5196 BUSKER B.V. t.o. de Ruïnekerk Bergen, tel. 5196 vele soorten en diverse merken AGU - KYOSO - PEUGEOT - SPRINT In 1939 was dan nog eenmaal België troef: Sylveer Maes won zijn tweede Tour, vóór de Franse klimspecialist René Vietto, die tot tweemaal toe de gele trui in zijn bezit had, doch die tenslotte juist op de plaats waar hij gedacht had de Tour definitief te winnen, bij de beklimming van de Izoard, door Sylveer Maes werd ont troond. Nederland had ditmaal acht renners in de strijd. Onze beste man was de jonge Limbur ger Jan Lambrichs, die zich niet alleen als een uitstekende kracht in tijdraces maar vooral ook als een goed klimmer ontpoptein het eindklasse ment bezette hij de achtste plaats. Albert van Schen- del, die 15e werd, zat hem dicht op de hielen, de Rot terdammer De Korver werd 28e, Toon van Schen- del 38e, Dominicus 39e en Janus Hellemons 46e. Niemand minder dan Henri Desgrange zelf meen de in Jan Lambrichs een toekomstige Tour de France-winnaar te zien, maar helaas: de Wereld oorlog maakte het verrijden van een Ronde van in 1914 won de Belg Philippe Thijs met overwel digende meerderheid. In 1913 was men al zover, dat men de Franse en buitenlandse journalisten moest vervoeren in een autobus, waarbij op te merken valt, dat men nu aan tien moderne auto bussen niet genoeg zou hebben om alle journalisten die jaar in jaar uit de Ronde van frankrijk voor hun kranten verslaan, te vervoeren. In 1914 had Philippe Thijs heel wat beroemdheden onder zijn tegenstanders: de Fransman Henri Pélissier bij voorbeeld, de beroemde Italiaan Constante Girar- dengo en de al even beroemde Zwitser Oscar Egg. De Belg liet er zich niet door afschrikken en be haalde zijn tweede Tour-overwinning. Vier jaar achtereen, gedurende de Eerste Wereld oorlog, hadden de Fransen wel andere dingen aan hun hoofd dan een Tour de France, maar in 1919 was de Ronde van Frankrijk alweer terug. Het werd opnieuw een Belgische overwinning; de winnaar heette Firmin Laubet en hij was een van de slechts tien renners die de finish haalden. Een jaar later, in 1920, zorgden de Belgen voor een indrukwekkender overwinning. Zes jaar nadat hij zijn tweede Tour-overwinning op zijn naam had geschreven, behaalde Philippe Thijs zijn derde Ronde-zege en toen hij terugkeerde in het Belgi sche dorpje waar hij thuishoorde, vierde men hem als een nationale held. In 1921 bleef Thijs op de achtergrond, doch ditmaal was het zijn leerling de „locomotief” Scieur die voor een Belgische overwinning zorgde en als merkwaardige bijzon derheid meldde men de verblufte wielersport- enthousiasten, dat deze Scieur pas op twee en twintigjarige leeftijd had geleerd op een fiets te rijden! In 1922 zorgde Firmin Lambot dan nog eenmaal voor een Belgische overwinning, nadat Desgrange de sterkste Belg, Van Heusden, met een uur gestraft had, omdat hij onderweg zijn rijwiel voor een ander machientje had verwisseld. In 1923 won eindelijk Henri Pélissier, wellicht de sterkste renner die Frankrijk ooit had, zijn Tour de France, doch toen al zat er op de tweede plaats een zonderlinge Italiaan, die het Pélissier bijzonder moeilijk had gemaaktBotecchia. Reeds een jaar later, in 1924, zorgde die voor de eerste Italiaanse overwinning in de Ronde van Frankrijk. Het was overigens voor de Fransen geen vriendelijke Tour de France. De gebroeders Pélissier hadden opnieuw in een boze bui de strijd gestaakt en de eerste vijf plaatsen in de Ronde waren stuk voor stuk voor het buitenland: 1. Botecchia (Italië); 2. Nicolas Frantz (Luxemburg)3. Buysse (België)4. Aymo (Italië) en 5. Beeckman (België). Het griezelige aan dat alles voor de Fransen was dat hetzelfde bui tenlandse gezelschap het in 1925 nog eens dunnetjes overdeed. Weer won Botecchia, ditmaal bezette de Belg Lucien Buysse de tweede plaats, werd de Italiaan Aymo derde en nestelde Nicolas Frantz zich op de vierde plaats! Hoe sterk dit gezelschap wel was, bleek later opnieuw. Botecchia was toen als gevolg van een noodlottig en dodelijk ongeval niet meer van de partij, maar ditmaal won Lucien Buysse de Tour, vóór Nicolas Frantz en de Italiaan Aymo. Het verhaal van de etappe Bayonne-Luchon uit die Ronde van Frankrijk 1926 behoort tot de gruwelge- schiedenissen van de Tour de France. Er heerste die dag een oorverdovend noodweer in de Pyreneeën en ’s avonds laat, om elf uur, waren er slechts 45 renners, meer dood dan levend, aan de frnisch in Luchon gearriveerd. Onder hen waren er 10 die 40 km vóór Lu chon een autobus hadden gehuurd en die zich pp die comfortabele manier naar de finish hadden laten rijden. Vanzelfsprekend waren zij enkele kilo meters voor de eindstreep weer op hun fiets gaan zitten en vermoedelijk zou het geval pas veel later zijn uitgelekt, als de heren toevallig niet hadden vergeten de eigenaar van de bus voor de bewezen diensten te betalen! De man wendde zich prompt tot de wedstrijdleider, Lucien Dazalis, en toen deed Dazalis het verstandigste wat hij onder de gegeven omstandigheden kon doen: hij betaalde die man, strafte de renners niet en zweeg er verder over. In 1927 leden de Belgen een pijnlijke nederlaag. De Luxemburger Nicolas Frantz (tweede in 1924, vierde in 1925, tweede in 1926!) versloeg de Bel gen, onder wie keien als Maurice Dewaele en Félicien Vervaecke. En voor het geval men nog aan de meerderheid van de altijd rustige Luxem burger twijfelde, won hij in 1928 de Ronde opnieuw, nadat hij reeds in de eerste de beste etappe de gele trui - waarmee men in de Tour de France de leider in het algemeen klassement siert-had veroverd. Pas in 1929 kon Dewaele weer voor een Belgische over winning zorgen. Nicolas Frantz was toen de oude al niet meer, maar hij bracht het niettemin nog tot de vijfde plaats. Er zijn maar weinig renners geweest in de geschiedenis van de Ronde van Frankrijk die er in slaagden, niet alleen twee overwinningen, doch bovendien zovele ereplaatsen te veroveren als de Luxemburger. Intussen hadden de Fransen na de Eerste Wereldoorlog nog altijd slechts één overwinning gevierd (in 1923, dankzij Pélissier), doch in 1930 was De overbekende ramp werd voor de deelnemers. Er waren er, die twintig bandjes lek reden; er waren er bovendien die, volkomen ontmoedigd en met hun fiets op de rug, pas laat in de nacht in Nancy arriveerden. Niettemin ging men nog tien etappes voort. Het feest werd ditmaal gewonnen door Trousellier, een man met een voorwereldlijke snor en spieren als. scheepskabels. Desgrange begreep intussen,dat hij naar attracties moest gaan zoeken, wilde hij het met zijn Tour op den duur redden. Hij vond die at tracties in.... de bergen. Voordien had geen der wedstrijdorganisatoren het gewaagd, de bergen te gebruiken ais operatieterrein voor de wieler sport, maar Desgrange was nu eenmaal niet bang uitgevallen. Hij laste in de Tour de France een klim tegen de Ballon d’Alsacé in en het werd het succes van de Tour. Het publiek had de grootste bewondering voor de reuzen-van-de-weg, die er in slaagden met zo’n fiets helemaal tegen een berg op te klimmen. De beste klimmer bleek, tussen twee haakjes, de Fransman Réné Pottier en hoever hij met kop en schouders wel boven de rest van de concurrerende menigte uitstak, moge blijken uit het feit dat hij op de top van de Ballon d’Alsace niet minder dan een uur voorsprong had op zijn naaste concurrentMet deze Tour had Desgrange het pleit gewonnen. In 1907 had de Tour al honderd deelnemers, won opnieuw een Fransman (Petit-Breton) en was de Ronde van Frankrijk reeds doorgedrongen tot op de voorpagina’s der Franse dagbladen. Desgrange werd intussen niet moe nieuwe stunts te bedenken. In 1908 liet hij ’s morgens om drie uur 172 renners starten in het hart van Parijsop de Place de la Concorde. Heel Parijs stond naar die nachtelijke fietsoptocht te kijken, heel Parijs stond opnieuw langs de straten van de Ville Lumière toen, zestien dagen later, Petit-Breton opnieuw zegevierend in Parijs terugkeerde, nadat hij niet minder dan vijf van de veertien etappes op zijn naam had geschreven. Het was toen al zover, dat ook het buitenland grote belangstelling koes terde voor dat wat er in zo’n Tour de France aan opwindende dingen allemaal gebeurde. Het gevolg was dat ook het buitenland zijn sterkste renners naar de Ronde van Frankrijk begon af te vaardi gen en bovendien dat men in 1909 de eerste buitenlandse overwinning in de Ronde van Frank rijk noteerde. Het was de Luxemburger Faber, bijgenaamd „de kolos”. Hij begon die Ronde van Frankrijk met niet minder dan vijf etappes achter een te winnen. Vervolgens deed hij het wat kalmer aan, maar hij werd tot de finish in Parijs niet meer ernstig bedreigd. Tot geruststelling van Desgrange, die niet ten onrechte vreesde, dat het buitenland met zijn Tour aan de haal zou gaan werd het in 1910 opnieuw een Franse overwinning, namelijk voor Octave Lapize. In 1911 regende het opnieuw sensaties. In de eerste plaats liet Desgrange zijn renners voor het eerst tegen de Galibier opklimmen (er staat nu boven op deze Alpentop een monument ter na gedachtenis aan Desgrange), doch bovendien werd een der favorieten, de Fransman Duboc, door zijn concurrenten. vergiftigd! Men ach terhaalde de ware schuldigen nooit en men was het hele incident alweer vergeten, toen men in Parijs opnieuw een Fransman als overwinnaar huldigen mocht: Gustave Carrigou. Toen was het dan ook met de Franse overwinnin gen gedaande Belgen, die al enige jaren achtereen aan de Tour de France deelnamen, hadden het spel letje der Fransen door en zij vonden er wat op: zij gingen in ploegverband rijden. Dat leverde onmid dellijk resultaten op: in 1912 vierde men de eerste Belgische overwinning, dank zij Odile Defraye (de Franse favoriet Lapize had tijdens de grote Pyreneeën-etappe tot diepe teleurstelling van heel Frankrijk de strijd gestaakt) en zowel in 1913 als Vraag mij niet uit te leggen wat de Ronde van Frankrijk precies is, wat deze monsterwedstrijd in de internationale wielersport wel betekent en wat er allemaal aan organisato rische-voorbereidingen nodig is voor men ieder jaar weer de bonte rennerskaravaan met alles wat er bij hoort van start kan zenden. Men kan dat niet vertellen in enkele bladzijden. Men heeft de Ronde van Frankrijk niet voor niets het „grootste circus aller tijden” genoemd. Wat men daarmee bedoelde was: aan te tonen, dat de Ronde van Frankrijk veel méér is dan alleen maar een wielerwedstrijd, waarin men de renners onder meer tegen wat Alpen en wat Pyreneeën laat op klimmen. De Ronde van Frankrijk is nog wat anders bovendien: een boeiend mengelmoes van sfeer en romantiek, en als men dat zou moeten beschrijven, dan zou men er een compleet boek voor nodig hebben. Overigens heeft Nederland de laatste jaren wel wat meer ervaren van deze grote Franse wegwedstrijd. Onze successen in de Tour de France hebben er tóe geleid, dat de Nederlandse kranten steeds meer aandacht gingen besteden aan deze Ronde en tot in de verste uit hoeken van Nederland weet men tegenwoordig wel het een en ander omtrent die bonte wieler- sportkaravaan die ieder jaar in Juli niet alleen door Frankrijk trekt, maar die bovendien ook wel eens het buitenland aandoet. Omdat men tegenwoor dig alleen maar leest over het enorme succes van deze monsterrace, vergeet men wel eens, dat ook de organisatoren van de Tour de France het inder tijd, toen zij voor het eerst met hun plannen op de proppen kwamen, niet altijd even gemakkelijk hebben gehad. Dat was in 1903 en de wielersport had toen het kinderziektestadium nog niet achter de rug; doch de rivaliteit onder de renners van naam was groter dan heden ten dage en met de sport nam men het niet zo bar nauw. Dat droeg er toe bij, dat er toen nogal wat sensatie zat in de wielersport en dat het publiek er een steeds stij gende belangstelling voor koesterde. Doch niettemin verklaarde men Henri Desgrange ronduit voor krankzinnig, toen hij voor het eerst zijn Tour de France-plannen publiceerde. Des grange was niet alleen oud-notarisklerk, maar bovendien oud-renner. Hij leidde in Parijs het toen nog jonge sportblad „l’Auto” en hij zocht naar wegen om zijn blad meer populair te maken. Hij dacht daarbij aan dé Tour. Een Ronde van v Frankrijk zou een stimulans betekenen voor de wielersport en een uitstekende reclame voor l’Auto. Daarom waagde Desgrange zich aan het avontuur. Het bleek toen al een kostbaar avon tuur, maar Desgrange hield niet van halve maat regelen. Hij ontwierp een Tour met zes etappes: Parijs—Lyon, Lyon-Marseille, Marseille-Toulouse, Toulouse-Bordeaux, Bordeaux-Nantes en Nantes- Parijs. Hij stelde een voor die dagen fantastisch bedrag aan prijzen beschikbaar (twintig duizend goudfranken). De concurrerende sportbladen maakten het de renners echter zo moeilijk, dat Desgrange bij het sluiten van de inschrijvingster- mijn over niet meer dan vijftien deelnemers be schikte. Desgrange nam dat niet; hij stelde zijn Tour veertien dagen uit en reisde alle renners per soonlijk af. Het gevolg was dat hij op 1 Juli 1903 zestig renners kon laten starten voor de eerste Ronde van Frankrijk, van wie er slechts 21 de finish haalden. Het was Maurice Garin, een der bekende Franse renners uit die dagen, die de Tour won. Ook in 1904 zou hij hebben gewonnen, als er niet geknoeid was onder de renners; zó zelfs, dat Desgrange aan het slot van de feestelijkheden verplicht was, de eerste vier in de algemene rang schikking te disqualificeren. Winnaar werd toen de volkomen onbekende, twintigjarige Cornet. De derde Tour de France begon eveneens afschuwelijk. Het bleek, dat vijanden van Desgrange op de weg van de eerste etappe, tussen Parijs en Nancy, niet minder dan 125 kilogram kopspijkertjes hadden uitgestrooid, hetgeen een men dan eindelijk zo ver, dat men over enkele jonge, veelbelovende renners beschikte. Een van hen was de altijd jolige Dédé Leducq, een ander was Antonin Magne, die men niet ten onrechte „de sombere” noemde. Leducq zorgde in 1930 eindelijk weer eens voor een Franse overwinning, ondanks een zware valpartij tijdens de afdaling van de Galibier. Tweede werd de beroemde Italiaan Guerra, die zich maanden achtereen speciaal op deze Tour had voorbereid, 3e werd Antonin Magne. Een jaar later ging Magne rnet de overwinning aan de haal en vervolgens zou Frankrijk tot en met de Tour van 1934 troef blij ven: in 1932 voor de tweede maal een overwinning van Leducq, nadat er in de Belgische équipe niets anders dan Hoekse en Kabeljauwse Twisten waren opgevoerd; in 1933 een overwinning van de jonge George Speicher, die dat zelfde jaar op de auto baan van Monthléry bovendien de wereldtitel voor Frankrijk zou veroveren; in 1934 een tweede over winning voor Antonin Magne. Toen, in 1935, maakten de Belgen opnieuw een einde aan deze Franse zegereeks. Het was een vrij onbekende renner, de kleine Romain Maes, die in de eerste etappe voor België de gele trui veroverde. Men gaf hem niet veel kansen, maar de kleine man hield die gele trui ook in de bergen vast en won tenslotte ook de allerlaatste etappe, Caen-Parijs. Het werd zijn enige grote heldendaad in de wielersport. Doch een jaar latér, in 1936, was het zijn naamge noot Sylveer Maes (nu ploegleider van de Belgische Tour de France-équipe) die opnieuw voor België de overwinning behaalde, daarbij Antonin Magne achter zich latende. Het was in deze Tour, dat Nederland voor het eerst een woordje meesprak. Wij wonnen zowaar al een etappeTheo Middel kamp versloeg alle specialisten in de Alpenrit Aix- les Bains-Grenoble en ook de in Toulouse wonen de gebroeders Van Schendel leverden in deze Tour reeds behoorlijke prestaties. In het eindklassement werd Albert van Schendel 15e, Middelkamp 23e en Toon van Schendel 32e. Het kon waarachtig slechter voor zo’n debuut! Het werd in 1937 een bijzonder interessante Tour de France. Niet alleen omdat de Belgische équipe in Bordeaux uit protest de strijd staakte, terwijl Sylveer Maes de gele trui in zijn bezit had, doch vooral ook, omdat Gino Bartali er zijn debuut maakte. De jonge Italiaan veroverde op de Galibier meteen maar de gele truide volgende dag echter smakte hij bij de afda ling van een andere berg uit een bocht en in een bergriviertje. Hij eindigde zijn eerste Tour de France in een Rode-Kruiswagen. Het bleek een zware Tour de France. Van de 98 renners die van start waren gegaan, bereikten er slechts 46 de finish in Parijs. Onder hen slechts één Neder lander (van de zes die er gestart waren)Albert van Schendel, die zich ditmaal met de 33e plaats tevreden moest stellen. Niettemin verscheen Ne derland in 1938 opnieuw met zes renners aan de start en het begin was veelbelovend. Gerrit Schulte won op overdonderende wijze de derde etappe, van St. Brieux naar Nantes, maar hij reed die Tour niet uit. En hoewel het niet helemaal vlotte in onze équipe (wij moesten in dat jaar samenrijden met zes onwillige Spanjaarden), won Middelkamp nog even Bayonne-Pau, kwam Albert van Schen del als eerste aan in Luchon-Perpignan en hadden wij aan de finish nog vijftig procent van onze Nederlandse équipe over: Middelkamp 43e, Albert van Schendel 50e en Janus Hellemons, de eeuwige hekkensluiter, 55e. Gino Bartali behaal de dat jaar zijn eerste Tour de France- overwinning en de Belg Vervaecke bezette de 2e plaats. Est j van Frankrijk opnieuw voor vele jaren onmogelijk enl toen men in 1947 het startschot loste voor de eerste na-oorlogse Ronde van Frankrijk, was Jan Lam.! brichs al over zijn topvorm heen en was Henrij Desgrange al enige jaren overleden. De orga.' nisatie van de Tour was in handen gekomen van een nieuw sportblad, „l’Equipe”, in samenwerking met het Parijse dagblad „Le Parisien Libéré”, en ij onder een tweehoofdige leiding: de heren Jacques Goddet, die men als Desgrange’s opvolger be- I schouwen kan, en Félix Lévitan, de chef van de: sportrubriek van „Le Parisien”. Het werd een.l boeiende Tour de France, doch niet voor Neder- land. Onze renners werden opnieuw onderge bracht in een gemengde équipe (waarin onder meer de Italiaan Camellini en de Pool Klabinsky), doch door allerlei oorzaken brachten wij er niet veel van terecht. Nauwelijks halverwegen de Tour was alleen de Limburger Jef Jansen nog in de strijd. Hij reed die Tour op zijn eentje uit en plaatste zich in het eindklassement nog als 32e. De Tour-overwinning ging op zeer verrassende wij. ze naar de Franse klimmer Jean Robic, Het bleef, voorlopig, de enige Franse overwinning in de na-oorlogse reeks. In 1948 keerde Gino Bar tali na tien jaar terug in de Tour en won zoals hij maar wilde. Het was in deze Tour, dat de Fransen een nieuwe toekomstige crack, Louison Bobet, ontdekten; de beste Fransman in het totaalklasse- ment echter bleek de Franse baanrenner Guy La- pébie, die derde werd. Nederland deed het op nieuw bescheiden; slechts Jansen (36e) en de I Rotterdammer Wim de Ruyter (42e) haalden dit- I maal de finish. Het verging ons dat jaar niettemin I nog beter dan in 1949, toen wijlen Joris van den Bergh (die er voor gezorgd had, dat Nederland indertijd I in de Tour kwam) de behartiging van onze Tourbelan- gen bverdroeg aan een jongere kracht. Ditmaal was er na de eerste helft van de Ronde van een Nederlandse ploeg al geen sprake meer; in de etappe San Sebastian- Pau vielen de laatste drie Nederlanders als slachtoffers van het hoge tempo. De Tour was opnieuw voor de Italianen: Fausto Coppi vierde zijn eerste overwinning, i de zoveel oudere Gino Bartali bezette de tweede plaats, gevolgd door de kleine Fransman Marinelli, die de verrassing van deze Ronde was geweest. Nederland kreeg in 1950 een nieuwe kans Kan Pijnenburg leidde een Nederlandse équipe die veel beloofde, maar er weining van terecht bracht. Ditmaal overleefde alleen W. de Ruyter die in het eind klassement 27e werd, de krijgsbedrijven. Het was een merkwaardige Tour. Na de grote Pyreneeën- etappe staakten alle Italianen onder aanvoering van Gino Bartali en Fiorenzo Magni de strijd (Coppi was dat jaar niet van de partij) in ver band met de vijandige houding van het chauvi nistische Franse publiek. De Italianen werden onderweg met stenen bekogeld en dat namen zij niet: zij lieten de Tour de. Tour en namen de trein naar het vaderland. Ferdinand Kübler, de zonderlinge Zwitser, kreeg daardoor de kans van zijn leven en hij greep haar met beide handen. Hoewel de Fransman Bobet in een der laatste etap pes nog een schitterende poging deed om de Zwitser te onttronen, hield Kübler zijn gele trui tot in Parijs. Tweede werd de Belg Ockers en i Bobet moest zich met de derde plaats tevreden stellen. In 1951, net toen wij met onze Tour-ploeg het diepst in de put schenen te zitten, kreeg Kees Pelle naars haar in handen. Hij trok met acht renners j naar Frankrijk en wat geen mens had verwacht, gebeurde in de etappe Agen-Dax: Wim van veroverde, voor het eerst in de geschiedenis de Tour, voor Nederland de gele trui Helaas, de vreugde duurde slechts kort; geen dag later stortte Van Est bij het afdalen van de Aubis- que in een zeventig meter diep ravijn. Hij over leefde de val, doch onze ploeg trok zich, sterk geïnti mideerd door dit ongeval terug uit de strijd. Het werd intussen opnieuw een Zwitserse overwinning. Hugo Koblet bleek ongenaakbaar en zelfs Coppi moest het hoofd voor hem buigen. Geminiani en Lucien Lazarides redden voor Frankrijk de eer met een tweede en derde plaats; Bartali, een veteraan onderhand, was nog altijd vierde. In de Tour 1952 bracht Coppi reeds in de tiende etappe (Lausanne-Alpe d’Huez) zijn tweede Tourover- winning in veiligheid en Nederland kwam dankzij Jan Nolten (eerste in Monte Carlo) en Hans Dekkers (eerste in Bordeaux) eindelijk weer eens tot grote prestaties. Alle Nederlanders (Nolten, 15e; Van Est, 17e; Voorting, 22; Wagtmans 25; Roks 53; Dekkers 60; v. Breenen 69, Henk Faanhof, 76e) bereikten dat jaar de finish in Parijs en toen al kon men de denderende Neder landse successen van de Tour-1953 zien aankomen. Toen, in 1953, lieten wij het niet bij indrukwekken de etappe-overwinningen van Nolten, Van Est, Gerrit Voorting en Wagtmans, doch wij legden bovendien beslag op het ploegenklassement. Stellig maakte dat ook in Frankrijk nog méér indruk dan de overwinning welke de Fransman Louison Bobet tenslotte in Parijs vieren mocht.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

De Duinstreek | 1980 | | pagina 10