1
koerstruien
TOUR OF GEEN TOUR
Een stukje
geschiedenis
rond de
’’Tour de France”
Loop-Fietsschoen rq en
van AGU voor WW y WU
IS HETHENNIEOF JOOP?
zondag zullen we het weten!
koersbroeken
agu Asport
aguAsport
JOSen MARIAN KUYPER
DUINWEG 2 - SCHOORL
Koersbroeken
Koerstruien
Zweetshirts
Trainingspakken
Raceschoenen
NYLON FIETSTASSEN
Wij hebben alles op gebied van
RACE- en
TOURMATERIALEN
10
c
zoals:
NU MAANDAGS DE GEHELE DAG GEOPEND!
Vele perfekt passende modellen. Voor
kinderen, in acryl, in wol en natuurlijk een
aërodynamische broek. Uitstekend zeem
leer. Ook voor lange koersbroeken (col-
lants): AGU-SPORT.
Koerstruien in wol of acryl. Voor kinderen
of volwassenen. Met of zonder tekst. De
AGU-SPORT kollektie is zeer uitgebreid.
Vraag haar de speciale kleurenfolder van
AGU-SPORT.
BUSKER B.V.
t.o. de Ruïnekerk
Bergen, tel. 5196
BUSKER B.V.
t.o. de Ruïnekerk
Bergen, tel. 5196
vele soorten en diverse merken
AGU - KYOSO - PEUGEOT - SPRINT
In 1939 was dan nog eenmaal
België troef: Sylveer Maes won
zijn tweede Tour, vóór de Franse
klimspecialist René Vietto, die tot
tweemaal toe de gele trui in zijn
bezit had, doch die tenslotte juist
op de plaats waar hij gedacht had
de Tour definitief te winnen, bij
de beklimming van de Izoard,
door Sylveer Maes werd ont
troond. Nederland had ditmaal
acht renners in de strijd. Onze
beste man was de jonge Limbur
ger Jan Lambrichs, die zich niet alleen als een
uitstekende kracht in tijdraces maar vooral ook
als een goed klimmer ontpoptein het eindklasse
ment bezette hij de achtste plaats. Albert van Schen-
del, die 15e werd, zat hem dicht op de hielen, de Rot
terdammer De Korver werd 28e, Toon van Schen-
del 38e, Dominicus 39e en Janus Hellemons 46e.
Niemand minder dan Henri Desgrange zelf meen
de in Jan Lambrichs een toekomstige Tour de
France-winnaar te zien, maar helaas: de Wereld
oorlog maakte het verrijden van een Ronde van
in 1914 won de Belg Philippe Thijs met overwel
digende meerderheid. In 1913 was men al zover,
dat men de Franse en buitenlandse journalisten
moest vervoeren in een autobus, waarbij op te
merken valt, dat men nu aan tien moderne auto
bussen niet genoeg zou hebben om alle journalisten
die jaar in jaar uit de Ronde van frankrijk voor
hun kranten verslaan, te vervoeren. In 1914 had
Philippe Thijs heel wat beroemdheden onder zijn
tegenstanders: de Fransman Henri Pélissier bij
voorbeeld, de beroemde Italiaan Constante Girar-
dengo en de al even beroemde Zwitser Oscar Egg.
De Belg liet er zich niet door afschrikken en be
haalde zijn tweede Tour-overwinning.
Vier jaar achtereen, gedurende de Eerste Wereld
oorlog, hadden de Fransen wel andere dingen
aan hun hoofd dan een Tour de France, maar
in 1919 was de Ronde van Frankrijk alweer terug.
Het werd opnieuw een Belgische overwinning;
de winnaar heette Firmin Laubet en hij was een
van de slechts tien renners die de finish haalden.
Een jaar later, in 1920, zorgden de Belgen voor
een indrukwekkender overwinning. Zes jaar nadat
hij zijn tweede Tour-overwinning op zijn naam
had geschreven, behaalde Philippe Thijs zijn derde
Ronde-zege en toen hij terugkeerde in het Belgi
sche dorpje waar hij thuishoorde, vierde men hem
als een nationale held. In 1921 bleef Thijs op de
achtergrond, doch ditmaal was het zijn leerling
de „locomotief” Scieur die voor een Belgische
overwinning zorgde en als merkwaardige bijzon
derheid meldde men de verblufte wielersport-
enthousiasten, dat deze Scieur pas op twee en
twintigjarige leeftijd had geleerd op een fiets te
rijden! In 1922 zorgde Firmin Lambot dan nog
eenmaal voor een Belgische overwinning, nadat
Desgrange de sterkste Belg, Van Heusden, met
een uur gestraft had, omdat hij onderweg zijn
rijwiel voor een ander machientje had verwisseld.
In 1923 won eindelijk Henri Pélissier, wellicht de
sterkste renner die Frankrijk ooit had, zijn Tour de
France, doch toen al zat er op de tweede plaats een
zonderlinge Italiaan, die het Pélissier bijzonder
moeilijk had gemaaktBotecchia. Reeds een jaar
later, in 1924, zorgde die voor de eerste Italiaanse
overwinning in de Ronde van Frankrijk. Het was
overigens voor de Fransen geen vriendelijke Tour de
France. De gebroeders Pélissier hadden opnieuw in
een boze bui de strijd gestaakt en de eerste vijf
plaatsen in de Ronde waren stuk voor stuk voor
het buitenland: 1. Botecchia (Italië); 2. Nicolas
Frantz (Luxemburg)3. Buysse (België)4. Aymo
(Italië) en 5. Beeckman (België). Het griezelige
aan dat alles voor de Fransen was dat hetzelfde bui
tenlandse gezelschap het in 1925 nog eens dunnetjes
overdeed. Weer won Botecchia, ditmaal bezette de Belg
Lucien Buysse de tweede plaats, werd de Italiaan Aymo
derde en nestelde Nicolas Frantz zich op de vierde
plaats! Hoe sterk dit gezelschap wel was, bleek later
opnieuw. Botecchia was toen als gevolg van een
noodlottig en dodelijk ongeval niet meer van de partij,
maar ditmaal won Lucien Buysse de Tour, vóór Nicolas
Frantz en de Italiaan Aymo.
Het verhaal van de etappe Bayonne-Luchon uit die
Ronde van Frankrijk 1926 behoort tot de gruwelge-
schiedenissen van de Tour de France. Er heerste die dag
een oorverdovend noodweer in de Pyreneeën en ’s
avonds laat, om elf uur, waren er slechts 45 renners,
meer dood dan levend, aan de frnisch in Luchon
gearriveerd. Onder hen waren er 10 die 40 km vóór Lu
chon een autobus hadden gehuurd en die zich pp die
comfortabele manier naar de finish hadden laten
rijden. Vanzelfsprekend waren zij enkele kilo
meters voor de eindstreep weer op hun fiets gaan
zitten en vermoedelijk zou het geval pas veel later
zijn uitgelekt, als de heren toevallig niet hadden
vergeten de eigenaar van de bus voor de bewezen
diensten te betalen! De man wendde zich prompt
tot de wedstrijdleider, Lucien Dazalis, en toen deed
Dazalis het verstandigste wat hij onder de gegeven
omstandigheden kon doen: hij betaalde die man,
strafte de renners niet en zweeg er verder over.
In 1927 leden de Belgen een pijnlijke nederlaag.
De Luxemburger Nicolas Frantz (tweede in 1924,
vierde in 1925, tweede in 1926!) versloeg de Bel
gen, onder wie keien als Maurice Dewaele en
Félicien Vervaecke. En voor het geval men nog
aan de meerderheid van de altijd rustige Luxem
burger twijfelde, won hij in 1928 de Ronde opnieuw,
nadat hij reeds in de eerste de beste etappe de gele
trui - waarmee men in de Tour de France de leider
in het algemeen klassement siert-had veroverd. Pas
in 1929 kon Dewaele weer voor een Belgische over
winning zorgen. Nicolas Frantz was toen de oude al
niet meer, maar hij bracht het niettemin nog tot de
vijfde plaats. Er zijn maar weinig renners geweest in
de geschiedenis van de Ronde van Frankrijk die er
in slaagden, niet alleen twee overwinningen, doch
bovendien zovele ereplaatsen te veroveren als de
Luxemburger. Intussen hadden de Fransen na de Eerste
Wereldoorlog nog altijd slechts één overwinning
gevierd (in 1923, dankzij Pélissier), doch in 1930 was
De overbekende
ramp werd voor de deelnemers. Er waren er, die
twintig bandjes lek reden; er waren er bovendien
die, volkomen ontmoedigd en met hun fiets op de
rug, pas laat in de nacht in Nancy arriveerden.
Niettemin ging men nog tien etappes voort. Het
feest werd ditmaal gewonnen door Trousellier, een
man met een voorwereldlijke snor en spieren als.
scheepskabels. Desgrange begreep intussen,dat hij
naar attracties moest gaan zoeken, wilde hij het
met zijn Tour op den duur redden. Hij vond die at
tracties in.... de bergen. Voordien had geen
der wedstrijdorganisatoren het gewaagd, de bergen
te gebruiken ais operatieterrein voor de wieler
sport, maar Desgrange was nu eenmaal niet bang
uitgevallen. Hij laste in de Tour de France een
klim tegen de Ballon d’Alsacé in en het werd het
succes van de Tour. Het publiek had de grootste
bewondering voor de reuzen-van-de-weg, die er
in slaagden met zo’n fiets helemaal tegen een berg
op te klimmen. De beste klimmer bleek, tussen
twee haakjes, de Fransman Réné Pottier en hoever
hij met kop en schouders wel boven de rest van de
concurrerende menigte uitstak, moge blijken uit
het feit dat hij op de top van de Ballon d’Alsace
niet minder dan een uur voorsprong had op zijn
naaste concurrentMet deze Tour had Desgrange
het pleit gewonnen. In 1907 had de Tour al
honderd deelnemers, won opnieuw een Fransman
(Petit-Breton) en was de Ronde van Frankrijk
reeds doorgedrongen tot op de voorpagina’s der
Franse dagbladen.
Desgrange werd intussen niet moe nieuwe stunts
te bedenken. In 1908 liet hij ’s morgens om drie
uur 172 renners starten in het hart van Parijsop
de Place de la Concorde. Heel Parijs stond naar
die nachtelijke fietsoptocht te kijken, heel Parijs
stond opnieuw langs de straten van de Ville
Lumière toen, zestien dagen later, Petit-Breton
opnieuw zegevierend in Parijs terugkeerde, nadat
hij niet minder dan vijf van de veertien etappes op
zijn naam had geschreven. Het was toen al zover,
dat ook het buitenland grote belangstelling koes
terde voor dat wat er in zo’n Tour de France aan
opwindende dingen allemaal gebeurde. Het gevolg
was dat ook het buitenland zijn sterkste renners
naar de Ronde van Frankrijk begon af te vaardi
gen en bovendien dat men in 1909 de eerste
buitenlandse overwinning in de Ronde van Frank
rijk noteerde. Het was de Luxemburger Faber,
bijgenaamd „de kolos”. Hij begon die Ronde van
Frankrijk met niet minder dan vijf etappes achter
een te winnen. Vervolgens deed hij het wat kalmer
aan, maar hij werd tot de finish in Parijs niet meer
ernstig bedreigd. Tot geruststelling van Desgrange,
die niet ten onrechte vreesde, dat het buitenland
met zijn Tour aan de haal zou gaan werd het in
1910 opnieuw een Franse overwinning, namelijk
voor Octave Lapize.
In 1911 regende het opnieuw sensaties. In de
eerste plaats liet Desgrange zijn renners voor het
eerst tegen de Galibier opklimmen (er staat nu
boven op deze Alpentop een monument ter na
gedachtenis aan Desgrange), doch bovendien
werd een der favorieten, de Fransman Duboc,
door zijn concurrenten. vergiftigd! Men ach
terhaalde de ware schuldigen nooit en men was
het hele incident alweer vergeten, toen men in
Parijs opnieuw een Fransman als overwinnaar
huldigen mocht: Gustave Carrigou.
Toen was het dan ook met de Franse overwinnin
gen gedaande Belgen, die al enige jaren achtereen
aan de Tour de France deelnamen, hadden het spel
letje der Fransen door en zij vonden er wat op: zij
gingen in ploegverband rijden. Dat leverde onmid
dellijk resultaten op: in 1912 vierde men de eerste
Belgische overwinning, dank zij Odile Defraye
(de Franse favoriet Lapize had tijdens de grote
Pyreneeën-etappe tot diepe teleurstelling van heel
Frankrijk de strijd gestaakt) en zowel in 1913 als
Vraag mij niet uit te leggen
wat de Ronde van Frankrijk precies is, wat deze
monsterwedstrijd in de internationale wielersport
wel betekent en wat er allemaal aan organisato
rische-voorbereidingen nodig is voor men ieder
jaar weer de bonte rennerskaravaan met alles
wat er bij hoort van start kan zenden. Men
kan dat niet vertellen in enkele bladzijden. Men
heeft de Ronde van Frankrijk niet voor niets het
„grootste circus aller tijden” genoemd. Wat men
daarmee bedoelde was: aan te tonen, dat de
Ronde van Frankrijk veel méér is dan alleen maar
een wielerwedstrijd, waarin men de renners onder
meer tegen wat Alpen en wat Pyreneeën laat op
klimmen. De Ronde van Frankrijk is nog wat
anders bovendien: een boeiend mengelmoes van
sfeer en romantiek, en als men dat zou moeten
beschrijven, dan zou men er een compleet boek
voor nodig hebben. Overigens heeft Nederland
de laatste jaren wel wat meer ervaren van deze
grote Franse wegwedstrijd. Onze successen in de
Tour de France hebben er tóe geleid, dat de
Nederlandse kranten steeds meer aandacht gingen
besteden aan deze Ronde en tot in de verste uit
hoeken van Nederland weet men tegenwoordig
wel het een en ander omtrent die bonte wieler-
sportkaravaan die ieder jaar in Juli niet alleen door
Frankrijk trekt, maar die bovendien ook wel eens
het buitenland aandoet. Omdat men tegenwoor
dig alleen maar leest over het enorme succes van
deze monsterrace, vergeet men wel eens, dat ook
de organisatoren van de Tour de France het inder
tijd, toen zij voor het eerst met hun plannen op de
proppen kwamen, niet altijd even gemakkelijk
hebben gehad. Dat was in 1903 en de wielersport
had toen het kinderziektestadium nog niet achter
de rug; doch de rivaliteit onder de renners van
naam was groter dan heden ten dage en met de
sport nam men het niet zo bar nauw. Dat droeg
er toe bij, dat er toen nogal wat sensatie zat in de
wielersport en dat het publiek er een steeds stij
gende belangstelling voor koesterde.
Doch niettemin verklaarde men Henri Desgrange
ronduit voor krankzinnig, toen hij voor het eerst
zijn Tour de France-plannen publiceerde. Des
grange was niet alleen oud-notarisklerk, maar
bovendien oud-renner. Hij leidde in Parijs het
toen nog jonge sportblad „l’Auto” en hij zocht
naar wegen om zijn blad meer populair te maken.
Hij dacht daarbij aan dé Tour. Een Ronde van
v Frankrijk zou een stimulans betekenen voor de
wielersport en een uitstekende reclame voor
l’Auto. Daarom waagde Desgrange zich aan het
avontuur. Het bleek toen al een kostbaar avon
tuur, maar Desgrange hield niet van halve maat
regelen. Hij ontwierp een Tour met zes etappes:
Parijs—Lyon, Lyon-Marseille, Marseille-Toulouse,
Toulouse-Bordeaux, Bordeaux-Nantes en Nantes-
Parijs. Hij stelde een voor die dagen fantastisch
bedrag aan prijzen beschikbaar (twintig duizend
goudfranken). De concurrerende sportbladen
maakten het de renners echter zo moeilijk, dat
Desgrange bij het sluiten van de inschrijvingster-
mijn over niet meer dan vijftien deelnemers be
schikte. Desgrange nam dat niet; hij stelde zijn
Tour veertien dagen uit en reisde alle renners per
soonlijk af. Het gevolg was dat hij op 1 Juli 1903
zestig renners kon laten starten voor de eerste
Ronde van Frankrijk, van wie er slechts 21 de
finish haalden. Het was Maurice Garin, een der
bekende Franse renners uit die dagen, die de Tour
won. Ook in 1904 zou hij hebben gewonnen, als
er niet geknoeid was onder de renners; zó zelfs,
dat Desgrange aan het slot van de feestelijkheden
verplicht was, de eerste vier in de algemene rang
schikking te disqualificeren. Winnaar werd toen
de volkomen onbekende, twintigjarige Cornet.
De derde Tour de France begon eveneens
afschuwelijk. Het bleek, dat vijanden van
Desgrange op de weg van de eerste etappe, tussen
Parijs en Nancy, niet minder dan 125 kilogram
kopspijkertjes hadden uitgestrooid, hetgeen een
men dan eindelijk zo ver, dat men over enkele jonge,
veelbelovende renners beschikte. Een van hen was de
altijd jolige Dédé Leducq, een ander was Antonin
Magne, die men niet ten onrechte „de sombere”
noemde. Leducq zorgde in 1930 eindelijk weer eens voor
een Franse overwinning, ondanks een zware valpartij
tijdens de afdaling van de Galibier. Tweede werd de
beroemde Italiaan Guerra, die zich maanden achtereen
speciaal op deze Tour had voorbereid, 3e werd Antonin
Magne. Een jaar later ging Magne rnet de
overwinning aan de haal en vervolgens zou
Frankrijk tot en met de Tour van 1934 troef blij
ven: in 1932 voor de tweede maal een overwinning
van Leducq, nadat er in de Belgische équipe niets
anders dan Hoekse en Kabeljauwse Twisten waren
opgevoerd; in 1933 een overwinning van de jonge
George Speicher, die dat zelfde jaar op de auto
baan van Monthléry bovendien de wereldtitel voor
Frankrijk zou veroveren; in 1934 een tweede over
winning voor Antonin Magne. Toen, in 1935,
maakten de Belgen opnieuw een einde aan deze
Franse zegereeks. Het was een vrij onbekende
renner, de kleine Romain Maes, die in de eerste
etappe voor België de gele trui veroverde. Men gaf
hem niet veel kansen, maar de kleine man hield
die gele trui ook in de bergen vast en won tenslotte
ook de allerlaatste etappe, Caen-Parijs. Het werd
zijn enige grote heldendaad in de wielersport.
Doch een jaar latér, in 1936, was het zijn naamge
noot Sylveer Maes (nu ploegleider van de Belgische
Tour de France-équipe) die opnieuw voor België
de overwinning behaalde, daarbij Antonin Magne
achter zich latende. Het was in deze Tour, dat
Nederland voor het eerst een woordje meesprak.
Wij wonnen zowaar al een etappeTheo Middel
kamp versloeg alle specialisten in de Alpenrit Aix-
les Bains-Grenoble en ook de in Toulouse wonen
de gebroeders Van Schendel leverden in deze Tour
reeds behoorlijke prestaties. In het eindklassement
werd Albert van Schendel 15e, Middelkamp 23e
en Toon van Schendel 32e. Het kon waarachtig
slechter voor zo’n debuut! Het werd in 1937 een
bijzonder interessante Tour de France. Niet alleen
omdat de Belgische équipe in Bordeaux uit protest
de strijd staakte, terwijl Sylveer Maes de gele trui
in zijn bezit had, doch vooral ook, omdat Gino
Bartali er zijn debuut maakte. De jonge Italiaan
veroverde op de Galibier meteen maar de gele
truide volgende dag echter smakte hij bij de afda
ling van een andere berg uit een bocht en in een
bergriviertje. Hij eindigde zijn eerste Tour de
France in een Rode-Kruiswagen. Het bleek een
zware Tour de France. Van de 98 renners die
van start waren gegaan, bereikten er slechts 46
de finish in Parijs. Onder hen slechts één Neder
lander (van de zes die er gestart waren)Albert
van Schendel, die zich ditmaal met de 33e plaats
tevreden moest stellen. Niettemin verscheen Ne
derland in 1938 opnieuw met zes renners aan de
start en het begin was veelbelovend. Gerrit Schulte
won op overdonderende wijze de derde etappe,
van St. Brieux naar Nantes, maar hij reed die Tour
niet uit. En hoewel het niet helemaal vlotte in
onze équipe (wij moesten in dat jaar samenrijden
met zes onwillige Spanjaarden), won Middelkamp
nog even Bayonne-Pau, kwam Albert van Schen
del als eerste aan in Luchon-Perpignan en hadden
wij aan de finish nog vijftig procent van onze
Nederlandse équipe over: Middelkamp 43e,
Albert van Schendel 50e en Janus Hellemons, de
eeuwige hekkensluiter, 55e. Gino Bartali behaal
de dat jaar zijn eerste Tour de France-
overwinning en de Belg Vervaecke bezette de
2e plaats.
Est j
van
Frankrijk opnieuw voor vele jaren onmogelijk enl
toen men in 1947 het startschot loste voor de eerste
na-oorlogse Ronde van Frankrijk, was Jan Lam.!
brichs al over zijn topvorm heen en was Henrij
Desgrange al enige jaren overleden. De orga.'
nisatie van de Tour was in handen gekomen van
een nieuw sportblad, „l’Equipe”, in samenwerking
met het Parijse dagblad „Le Parisien Libéré”, en ij
onder een tweehoofdige leiding: de heren Jacques
Goddet, die men als Desgrange’s opvolger be- I
schouwen kan, en Félix Lévitan, de chef van de:
sportrubriek van „Le Parisien”. Het werd een.l
boeiende Tour de France, doch niet voor Neder-
land. Onze renners werden opnieuw onderge
bracht in een gemengde équipe (waarin onder
meer de Italiaan Camellini en de Pool Klabinsky),
doch door allerlei oorzaken brachten wij er niet
veel van terecht. Nauwelijks halverwegen de Tour
was alleen de Limburger Jef Jansen nog in de
strijd. Hij reed die Tour op zijn eentje uit en
plaatste zich in het eindklassement nog als 32e.
De Tour-overwinning ging op zeer verrassende wij.
ze naar de Franse klimmer Jean Robic,
Het bleef, voorlopig, de enige Franse overwinning
in de na-oorlogse reeks. In 1948 keerde Gino Bar
tali na tien jaar terug in de Tour en won zoals hij
maar wilde. Het was in deze Tour, dat de Fransen
een nieuwe toekomstige crack, Louison Bobet,
ontdekten; de beste Fransman in het totaalklasse-
ment echter bleek de Franse baanrenner Guy La-
pébie, die derde werd. Nederland deed het op
nieuw bescheiden; slechts Jansen (36e) en de I
Rotterdammer Wim de Ruyter (42e) haalden dit- I
maal de finish. Het verging ons dat jaar niettemin I
nog beter dan in 1949, toen wijlen Joris van den
Bergh (die er voor gezorgd had, dat Nederland indertijd I
in de Tour kwam) de behartiging van onze Tourbelan-
gen bverdroeg aan een jongere kracht. Ditmaal was er
na de eerste helft van de Ronde van een Nederlandse
ploeg al geen sprake meer; in de etappe San Sebastian-
Pau vielen de laatste drie Nederlanders als slachtoffers
van het hoge tempo. De Tour was opnieuw voor de
Italianen: Fausto Coppi vierde zijn eerste overwinning,
i de zoveel oudere Gino Bartali bezette de tweede plaats,
gevolgd door de kleine Fransman Marinelli, die de
verrassing van deze Ronde was geweest. Nederland
kreeg in 1950 een nieuwe kans Kan Pijnenburg leidde
een Nederlandse équipe die veel beloofde, maar er
weining van terecht bracht.
Ditmaal overleefde alleen W. de Ruyter die in het eind
klassement 27e werd, de krijgsbedrijven. Het was
een merkwaardige Tour. Na de grote Pyreneeën-
etappe staakten alle Italianen onder aanvoering
van Gino Bartali en Fiorenzo Magni de strijd
(Coppi was dat jaar niet van de partij) in ver
band met de vijandige houding van het chauvi
nistische Franse publiek. De Italianen werden
onderweg met stenen bekogeld en dat namen zij
niet: zij lieten de Tour de. Tour en namen de
trein naar het vaderland. Ferdinand Kübler, de
zonderlinge Zwitser, kreeg daardoor de kans van
zijn leven en hij greep haar met beide handen.
Hoewel de Fransman Bobet in een der laatste etap
pes nog een schitterende poging deed om de
Zwitser te onttronen, hield Kübler zijn gele trui
tot in Parijs. Tweede werd de Belg Ockers en i
Bobet moest zich met de derde plaats tevreden
stellen.
In 1951, net toen wij met onze Tour-ploeg het
diepst in de put schenen te zitten, kreeg Kees Pelle
naars haar in handen. Hij trok met acht renners j
naar Frankrijk en wat geen mens had verwacht,
gebeurde in de etappe Agen-Dax: Wim van
veroverde, voor het eerst in de geschiedenis
de Tour, voor Nederland de gele trui
Helaas, de vreugde duurde slechts kort; geen dag
later stortte Van Est bij het afdalen van de Aubis-
que in een zeventig meter diep ravijn. Hij over
leefde de val, doch onze ploeg trok zich, sterk geïnti
mideerd door dit ongeval terug uit de strijd. Het werd
intussen opnieuw een Zwitserse overwinning. Hugo
Koblet bleek ongenaakbaar en zelfs Coppi moest het
hoofd voor hem buigen. Geminiani en Lucien Lazarides
redden voor Frankrijk de eer met een tweede en derde
plaats; Bartali, een veteraan onderhand, was nog altijd
vierde. In de Tour 1952 bracht Coppi reeds in de tiende
etappe (Lausanne-Alpe d’Huez) zijn tweede Tourover-
winning in veiligheid en Nederland kwam dankzij Jan
Nolten (eerste in Monte Carlo) en Hans Dekkers (eerste
in Bordeaux) eindelijk weer eens tot grote prestaties.
Alle Nederlanders (Nolten, 15e; Van Est, 17e; Voorting,
22; Wagtmans 25; Roks 53; Dekkers 60; v. Breenen 69,
Henk Faanhof, 76e) bereikten dat jaar de finish in
Parijs en toen al kon men de denderende Neder
landse successen van de Tour-1953 zien aankomen.
Toen, in 1953, lieten wij het niet bij indrukwekken
de etappe-overwinningen van Nolten, Van Est,
Gerrit Voorting en Wagtmans, doch wij legden
bovendien beslag op het ploegenklassement. Stellig
maakte dat ook in Frankrijk nog méér indruk dan
de overwinning welke de Fransman Louison Bobet
tenslotte in Parijs vieren mocht.