Het houten beeld oftewel het levenswerk van Franz-Jozef Lehneis vrij I ■s 0 o IBIS B I c Wel o 1 c Van jaar - K Echter Wie Slot Maar nu 8 O •9 K l 4 '4 T O -■> o 2 c I W Ti. i 0 O koster-schoolmeester, maar tot mijn dood toe, zal ik er spijt van hebben”. Dat verhaal deed weer opgeld, maar de enkele kenners van de oude, verkochte stal, die nog in leven waren, zegden volmondig, dat dat schaap niet van die verkochte stal was. Wel wedijveren kon in schoonheid, in snijkunde met de beelden van die ver kochte stal. tot jaar spannender werd het spel rond Kerstmis tussen de op de loer liggende kapelaan, koster, pastoor, schoolmeester enerzijds en de brenger/maker van een houten beeld anderzijds. De jaren kwamen en de jaren gingen. Na tien jaar van verrassingen was men nog geen stap verder. Ik weet, mijn lezer vermoedt al iets, maar in het dorp had men geen flauw benul ervan, geen flauw idee ervan, wie de houtsnijder was, wie het was, die jaar op jaar een stenen beeld meenam uit de kerststal en er een houten beeld voor in de plaats zette. De Hitlertragedie nam een aanvang er volgden toerisme, Passiespelen, mobili satie en bezetting van Oostenrijk. Weereen oorlog. Men had wel andere zorgen dan na te gaan, wie er het ene jaar een houten os had gebracht en het andere jaar een prachtig zwarte koning. Weer was een oorlog ten einde, weer was een grens getrokken tussen Duitsland en Oostenrijk en men vroeg alleen nog: hoeveel beelden zijn er niet van hout??? Bijna alle beelden uit de stal waren nu van hout, beelden van een zeldzame pracht en kunstzinnigheid, alleen het Jezuskind was nog van steen. Welgeteld waren er in twintig jaar tijds bijna dertig houten beelden op onverklaarbare, bijna wonder dadige wijze bijgekomen. begraven lag als een der weinigen, achter het kleine kapelletje van het slot. Verder doordringen in zijn leven, was ook de professor niet gelukt, hoe vriendelijk de drie gesprekken ook geweest waren. Jos van GemertSmits Kerstmis 1980 Ik vind echter, dat mijn lezers al lang genoeg in spanning hebben gezeten en dus recht hebben met mij om een tocht te maken door de Beierse wouden tussen Ettal, Slot Linderhof en Oostenrijk. Ik moet toch eens, de ware dader noemen en dus In de twintiger jaren kwamen geleidelijk aan wat mannen terug uit krijgsgevangen schap. Soms jaren na de oorlog en iedere konfrontatie met familie, gezin en dorp was verschillend. Onder de tientallen, die terug kwamen was ook de enige zoon van de hoofdhoutvester van Slot Linderhof. Hij kwam terug op een koude decemberavond, laat en onopgemerkt. Hij was met de trein gekomen en verder per bus en postkoets. In het dorp was hij aangegaan bij een tante van hem, om even uit te rusten van de lange Enkele mensen hadden met verbazing erover gesproken, dat er een fraai bruin zwart schaapje stond terzijde van de Kerststal, maar, omdat er altijd andere dingen te doen waren, als men met kinderen en zo een bezoek bracht aan de zeer kleine kapel in de tuin van Slot Linderhof, was het verder daarbij gebleven. Uitroepen als: "Wat een lief schaapje” en ”hè, wat jammer, dat het zo achteraf staat”, waren het enige kommentaar. Meer praat kwam er toen Wenzel, de oude tuinman van het slot en tevens koster, bij het wegruimen van de stal en het inpakken van de beelden, tot zijn grote verbazing ontdekte, dat dat ene schaap van hout was, gesneden met de hand en door kon gaan voor een stukje kostbaar, degelijk hout snijwerk. Fraai handwerk zelfs. "Het is mij een raadsel, hoe dat houten schaap, dat gesneden, eikenhouten beeld, daar terecht is gekomen”. Omdat het maar een zeer kleine kring van kerkgangers was, die rond de kerstdagen in dat kerkje kwamen, was het relaas snel weggeëbd. Daarbij kwam nog, dat het opruimen van destal in 1926 voor het eerst geschiedde op de maandag, na de zondag na Driekoningen. Ik weet, geachte lezer, dat dat op een puzzel lijkt, maar - volgens oud-Beiers gebruik - ja, want daar speelt ons kerstverhaal zich dit jaar af - mocht de kerststal eigenlijk pas worden opgeruimd op de zondag na Maria Lichtmis, dus op de eerste zondag na twee februari. De Driekoningen, die per 6 januari pas in en rond de stal staan, met hun stoet van kamelen en drijvers, hebben recht op een plaats in de kerststal tot vrouwendag. Allengs door de moderne tijd was die termijn ingekort tot de maandag na de zondag na Driekoningen. En, omdat dat nogal wat stof had doen opwaaien in het dorp, was het gekrakeel en het uiten van zijn meningen over die opruimdag zo hoog opgelaaid, dat de zaak van het houten schaap eigenlijk niet zo zeer tot zijn recht was gekomen. Wie schetst echter de verbazing van de koster, toen hij bij het opruimen van de stal het jaar erop, ontdekte, dat vóór de stal vier liggende schapen ook van hout bleken te zijn. Vakkundig gesneden, met een wol- sculptuur, die aan echte wol deed denken. Zwaar als lood met oogjes, die leken te leven. Dacht men het jaar ervoor nog aan een grap, nu waren de vier liggende houten schapen het gesprek van de dag. De pastoor preekte erover liet ze nog een week lang staan, om beter bewonderd te kunnen worden. Houtsnijmeesters als Lang en Heinzeller roemden de vakkunde. "Dat moet een meester zijn”!!! Wie was het??? Men keek er elkaar op aan in het dorp, fluisterde namen en giste. Men hield werkplaatsen in het oog en de jonge kapelaan van het dorp had zelfs een weddenschap afgesloten met de burger vader, dat hij in de loop van het jaar ontdekken zou, wie dat gedaan had. Hij had als vrolijke Beierse geestelijke immers toegang tot alle huizen en werkplaatsen. Hij had zelfs een kaartsysteem aangelegd van alle bewoners en nog nooit had men zoveel aan huisbezoek gedaan als dat jaar. Tevergeefs!!! Hoewel de ingang van de kerk door de koster in het oog werd gehouden, stond er het jaar daarop een bijna metershoge houten os in de kribbe. Hoe men dat gedaan had, wist niemand. Vijftig kilo zwaar, dat neem je toch niet mee in je binnenzak. Een wonder???!!! ”Je zou het bijna gaan geloven”, zei de kapelaan tijdens de preek in de hoogmis op tweede Kerstdag. reis. En daar had hij vernomen, dat zijn vader onlangs gestorven was, dat het slot onbewoond was, de koning afgezet en dat het ouderlijk huis was afgebrand. Hij had twee jaar zwaargewond gelegen in een hospitaal in Litauen. Men wist uit de spaarzame korrespondentie, dat hij zwaar gewond was geraakt, maar men schrok toch wel even, toen hij zijn grote, groene jas, die om de schouders hing, afgooide en met een linkerhand met twee vingers voor hen stond. Zijn rechterarm was totaal afgerukt en over zijn gelaat liepen twee grote littekens. Maar, hij kon nog lachen en omdat hij honger had en moe was, was hij die nacht in het dorp gebleven. Pas toen hij de volgende dag met een rugzak met wat brood en kaas de weg insloeg naar het kasteel en rond doolde, uren lang, eenzaam ronddoolde door de voormalige Koninklijke tuinen en parken en bossen, was de volle ernst van de situatie pas tot hem doorgedrongen. Ouderloos, verminkt, met een klein oor- logspensioen en zonder werk. In de loop der jaren zag men hem steeds minder in de dorpen langs de Ammer en na enkele jaren wist men niet anders, dan dat er een voormalige cavalerist van de Beierse landweer ergens hoog in de bergen woonde. Kluizenaar, schaapherder, wat mensenschuw, altijd gehuld in een wijde, groene cape en niet onvriendelijk als het - zeldzaam-tot een gesprek kwam. Toen zijn tante gestorven was, zag men hem nog op de begrafenis en des zomers zagen enkele waaghalzen, die de edelweiss gingen plukken op de toppen van de Alpen, hem wel eens ver boven de sneeuwgrens met zijn schapen. Des zomers had hij ergens een hut op de helling van de Notharspitze, waarop hij een kruis had geplant. Verder werd zijn persoon steeds meer tot een legendarisch zwerver tussen de Dreierköpfl en de Ochsensitz. Hij kon blijkbaar voor zichzelf zorgen, want de keren, dat men hem met schapenvachten of huiden van marters etc. in Ettal zag, werden steeds minder in aantal. Zijn pensioengeld nam hij sporadisch op. Dat hij nog in leven was, wist men alleen, als hij weer gesig naleerd was in het kerje met Pasen en/of Kerstmis. Een Oostenrijkse professor, die enkele maanden op zoek naar zeldzame padde stoelen door de bergen zwierf en logeerde in Oberammergau, had verteld, dat hij hem ontmoet had en enige tijd met hem gesproken had. Hij had een stuk schape- kaas van hem gekregen en de professor had op de Zuidzijde van de berg wat kleine perkjes gezien met groenten, aardappelen en mais. Over de oorlog wilde hij niet praten en toen de professor vroeg, wie hij was had hij een potloodje uit zijn bovenzakje gepakt met de twee vingers van zijn linkerhand, het tussen zijn tanden gestopt en met dat potlood in de mond zijn naam geschreven op een stuk papier, dat de professor hem aanreikte: Franz-Jozef Lehneis. Lehneis, dat klopte, want men herinnerde zich, dat dat de naam was van de vroegere hoofdhoutvester van het slot, een statige zware man, die altijd te paard zat en Alleen aan ingewijden wordt buiten Kerst mis om een kennismaking gegund met dat houtsnijwerk van de mondsnijwerker Franz. Alle anderen moeten maar zorgen dat ze met Kerstmis in de kapel komen om de fraaie beelden te kunnen bewonderen, beelden, op wier gelaat en in wier gebaren de rust en het geluk stralend van een gelouterd mens, van een man, die zichzelf vond. En in de scholen van Ettar en omgeving vertelt ieder jaar de schoolmeester het verhaal van Franz-Jozef Lehneis, de ver minkte cavalerist uit Beieren, die met de mond een stel beelden sneed. Sommige kinderen in een hogere klas hebben dat verhaal al wel vijf keer gehoord, maar het verveelt nooit. Het is in het land tussen de Ammer en de Alpen geen Kerstmis, als niet honderden de beelden hebben bewonderd en niet tientallen leerlingen geluisterd hebben, in ademloze spanning, naar het verhaal van een eenvoudige, zwervende schaapherder, die hoog in de bergen, met ijzeren wilskracht, met tussen zijn tanden een beitel, het hardste eikenhout bedwong en sneed tot koningen, herders en schaapjes. Het is het ware verhaal van Franz-Jozef Lehneis, die het laatste beeld, dat hij aldus sneed, het lieve Jezuskind met Zijn stralende lach, met Zijn lief gezichtje, zelf kwam brengen, vlak voordat hij stierf in de kapel van Slot Linderhof. "Maar nu, nu zal en wil ik weten, wie dat gedaan heeft”, zei de nieuwe kapelaan. Want uitgerekend dit jaar zou nu, als laatste, het Jezuskind in de kribbe verwis seld moeten worden. Een zware sneeuwstorm woedde er al dagen vóór Kerstmis, zo erg, dat men na een half uur op wacht staan, de moed opgaf en vertrok. In Godsnaam dan maar. Wel had men de deur gesloten en pas geopend een half uur voor de nachtmis, toen er enkele mensen te wachten stonden. De kapelaan ontsloot de deur en rende bijna naar voren. Gelukkig, nog geen houten Jezusbeeld; men had dus nog kans. De dienst begon en tijdens de tweede mis van de Kerstviering ging zachtjes de deur open en er verscheen een uitgeputte gestalte in de opening. De deur sloeg piepend dicht en gestoord door dat lawaai, keken enkele kerkgangers achter in de kerk om: Ze zagen nog juist, hoe een uitgeputte man zijn grote cape afwierp en een houten beeld behoedzaam op de vloer legde. Ze zagen ook, hoe Franz-Jozef Lehneis onderuit gleed en een kreet slaakte. Hij werd bediend die nacht en stierf nog tijdens de tweede mis op enkele haastig gereedgelegde warme bontjassen. ”Op de heuvel Nothar, vlak bij de Nothar spitze in het sparrenbos staan de schapen. Zorg ervoor, die zijn met alles wat ik heb voor de armen”. Dat waren zijn laatste woorden. Hij werd begraven naast zijn vader en moeder, achter de slotkapel en toen eerste Kerstdag rond het middaguur enkele ervaren Alpinisten naar de Nothar togen en na een zware tocht zijn huisje en zijn schapen vonden, waren zij niet weinig verbaasd, toen zij in zijn grote hut een flinke werkbank aantroffen, met allerlei beitels, gutsen en messen. Óp een vlierinkje, dat doorzakte van het erop geplaatste gewicht, vonden ze de stenen beelden van de kerststal en ergens op een tafel stond een gesneden beeld van een mannenkop. Het was de stoere kop van Frans-Jozef Lehneis zelf, met een zware beitel tussen zijn tanden. Zesentwintig jaar lang had hij, jaar in, jaar uit, met zijn verminkte linkerhand met twee vingers en zijn stevige tanden, dag na dag gewerkt aan het snijden van de beelden uit zwaar eikenhout. Wel was in kleine kring de voorgeschie denis van de huidige stenen stal weer ter sprake gekomen. Dat op zich is al een heel verhaal. In de uiterste punt van Zuid- Duitsland, nog ver achter Oberammergau en Ettal ligt Schloss Linderhof met zijn grote tuinen, parken, grotten en dienst woningen. Het is een schitterend kasteel, gebouwd door Dollmann in opdracht van Koning Ludwig de Tweede van Beieren. Deze Ludwig, raadselachtig gestorven in 1879, is tot op heden toe de lieveling van het Beierse volk. Toen hij stierf bleef de koninklijke dynastie nog bestaan tot 1918, maar eerlijkheidshalve moet er bij gezegd worden, dat deze zelfde Ludwig de Tweede Beieren achterliet met een enorme staats schuld. Na de noodlottige oorlog van 1914-1918 bleef er een verarmd Duitsland achter en nergens was die armoede groter, dan in het verdwenen Koninkrijk Beieren, waar in 1918 de laatste Koning werd afgezet. En de allerg rootste armoede was weer i n de streken tussen de voet van de Alpen. Ettal, Oberau en Graswang waren plaatsen, waar de mensen bittere armoede leden. De Passiespelen van 1920 hadden wat toe risten, vooral Amerikanen uit de bezet tingstroepen naar die streken gehaald. Anton Lang, die voor Christus speelde, werd wereldberoemd, maar, omdat er nog geen toerisme was en geen wintersport, geen verkeer en geen handel, was er ook bijna geen afzetmogelijkheid voor het fraaie houtsnijwerk van de bewoners uit die streek. De jaren 1920 tot 1925 zijn de zwarte jaren voor de Zuid-Beieren en de buren aan de andere kant van de grens, de Oosten rij kers, op een steenworp afstand, waren er even erg aan toe, zo niet erger. Zij stuurden met duizenden hun kinderen naar Nederland en andere landen in West- Europa om op verhaal te komen. En te midden van die zwarte armoede lag het rijke slot Linderhof, zonder bewoners, steeds verder in verval rakend. De oude pastoor van het Koninklijk Slot deed wat hij kon, om de nood te lenigen. Velen kwamen nooit of erg laat terug, na jaren terug uit krijgsgevangenschap. De bossen waren rijk aan hout, maar dat kan men niet eten. "Tot aan mijn dood toe zal ik er spijt van hebben”, maar ik kon niet anders”, met dat woord susten de pastoor en de koster hun geweten, als zij weer wat kostbaars uit de bezittingen van slot en kerkje te gelde maakten voor het lenigen van de nood. En zo was het gebeurd, dat ooit in 1923 de pastoor in zijn uiterste radeloosheid, de fraaie, uit eikenhout gesneden kerststal uit de slotkapel, die in totaal niet meer dan tachtig gelovigen kon bevatten, voor harde dollars verkocht had aan een Amerikaan. Wat doe je, als de temperatuur twintig graden onder nul is, de sneeuw bijna twee meter hoog ligt en de mensen bijna boom bladeren eten. Het was een prachtstal, al met al zestig beelden tellend en gesneden door de beste houtsnijders uit duizend jarig oud, Sloweens eikenhout. Er was destijds vijf jaar aan gewerkt en de verkoop was geschied met instemming van velen. Vijfduizend harde dollars, waarde 1923 had hij opgebracht, een groot bedrag, ais men bedenkt, dat duizend Marken in die tijd nog geen dubbeltje waard waren. Het bedrag was eerlijk verdeeld onder de vele gezinnen in de streek, gezinnen zonder vader, met vermiste zonen en veelal verminkte echtgenoten. "Het slijt wel in de loop der jaren”, zei de

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

De Duinstreek | 1980 | | pagina 8