Veertig jaren in dienst van
de muze der Toonkunst =]-
Stadsnieuws
Met de „Tarakan'
Noorwegen
Jiod spot
Jfocfi tot.
TWEEDE BLAD
HELDERSCHE COURANT VAN DINSDAG 20 AUGUSTUS 1935.
5
2 September 1895 - 2 September 1935
40-jarig bestaan van de Muziekschool A. J. Leewens
Zet 'n waker voor
Uw kleerenkast!
Visscherij.
OP BEZOEK BIJ EEN JEUGDIGEN 65-JARIGE
In de Prins Hendriklaan davert en rumoert
het leven van allen dag. En de dagen zijn,
nu wij dit schrijven, zoo mooi, stralend staat
er de zon aan een hoogen, blauwen hemel,
fleurig en opgewekt loopen er de menschen
langs de zonnige straten. En hier op dit
idyllische plekje van Den Helder, concen
treert zich alles wat wij aan intiem stads
leven bezitten: oude boomen werpen er hun
schaduwen, waarover de oudjes op hun bank
je hun dagelijksche praatje maken en hun
pijpje rooken, de pelargoniums uit onze
stadskweekerij stralen er hun helle kleuren
uit en maken van dit plekje een klein para
dijsje, en "*ór en achter, links en rechts, ko
men en gaan de menschen, te voet, per fiets,
per auto...-
A. J. LEEWENS.
Wij zitten in de gezellige voorkamer van
den huize Leewens en genieten van een goede
sigaar en een overheerlijk kopje thee. En kij
ken in de levendige, twinkelende oogen, ach
ter de gekleurde brilleglazen van dezen jeug
digen grijsaard en praten over dit mooie
plekje in onze stad,
„Ja," zegt de heer Leewens, „als je ouder
wordt, gaat het zoo; dan slijt je je leven op
een bankje in 't plantsoen, met een pijpje en
wat politiek. Maar daar ben ik nog niet aan
toe, gelukkig, ik ben nog maar vijfenzestig".
„Nog maar vijfenzestig J" herhalen wij, in
bewondering voor zooveel jeugdig vuur en
levenslust.
„Nou ja", vergoelijkt de heer Leewens,
„zoo heel jong is het niet meer. Maar ik voel
me absoluut nog niet oud, in geenen deele!"
De interviewer ziet voor zijn geestesoog de
talrijke momenten, waarin hij den heer Lee
wens zag dirigeeren en hij herinnert zich de
bewondering, die hij telkens weer, bij iedere
gelegenheid, voelde voor het geweldige en
thousiasme, het spirit, de vitaliteit, die van
dezen dirigent uitgingen, en hij is het in alle
opzichten met zijn gastheer eens. Maar dan
gaat de interviewer aan het filosofeeren:
„Hoe kan het ook anders", (zoo overpeinst
hij, maar hoedt er zich voor het hardop te
zeggen), „als men zijn gansche leven gewijd
heeft aan en doorgebracht in het gezelschap
van Bach en Handel, van Beethoven en Mo-
zart, van Mendelssohn en Schubert, van
ach, vult u maar in. De Europeesche politiek
is zeer zeker noodig en nuttig voor het voort
bestaan der maatschappij, maar welgelukzalig
hij. die er zich buiten kan houden! Die zich
alleen maar bezig heeft te houden met con
trapunt en rhythmiek, met tempo en voor
dracht, met allargando's en diminuendo's, en
die ten aanzien van non-agressiepacten (die
straks, als puntje bij paaltje komt, immers
toch niet nagekomen worden), van inter
nationale politiek en van joden-pogroms een
benijdenswaardige inactiviteit kan in acht
nemen, en, als hem door een of ander fana
tiekeling het vuur hieromtrent te na aan de
schenen wordt gelegd, met den man van de
aneedote u weet wel, stond eens in de
Heldersche Courant zeggen kan: gooi
het maar in mijn pet!"
Zoo filosifeert de interviewer, onderwijl van
zijn thee genietend. Maar de jeugdige grijs
aard tegenover hem, de man, die „nog maar"
vijfenzestig is, heeft bij intuitie iets van deze
overpeinzing gevoeld, want hij vervolgt zijn
betoog:
„Neen, oud voel ik me nog niet, en toch...
als je zoo terugkijkt, is het een heele tijd,
veertig jaar! Je maakt dan heel wat mee,
lief en ook leed! Ik heb me heusch wel eens
boos gemaakt op m'n zangvereeniging, als ik
er vrije uren aan besteed had en dan toch
moest zien met hoe weinig ernst ze soms op
kwamen, hoe weinig zorg ze besteedden aan
de repetities. En ook is het wel eens ont
moedigend als je zoo'n heelen middag les
gegeven hebt, chromatische toonladders hebt
ingestudeerd, en over rhythmiek en maat
verteld hebt, en je wel verdiende kopje thee
haalt met de gedachte: hoe weinig van al die
jongens en meisjes zijn er bij, voor wie deze
muzikale opleiding inderdaad een blijvend
element in hun leven is!"
En weer filosofeert de interviewer en hij
denkt aan zijn eigen schooljaren. Dat twee
maal twee vier is, weet hij nog altijd, dank
zij- de practijk van het leven, die hem dat
meermalen deed ondervinden. Dat je leeren
met een dubbele en lezen met een enkele e
moet schrijven, probeert-ie af te leeren, hoe
wel minister Marchant ér niet meer is om
het te controleeren. Oók tracht hij zich bij
te brengen dat je niet meer spreken mag van
„den" man, maar dat het voortaan is „van de
man", hoewel desalniettemin „man" mannelijk
blijft (dat kon zelfs minister Marchant niet
veranderen). Maar overigens., alle jaartallen,
die je in de klas keurig netjes op een rijtje
kon opzeggen met de gebeurtenissen er bij,
de meeldraden en stampers van een mei
zoentje, de vorm van den bek van een vink,
van het blad van een kamperfoelie... alles
wat je in je schooljaren zooal door respec
tieve meesters met of zonder energie is bij
gebracht, ach, er blijft immers, voor zoover
wij er in ons verdere leven niet méér mée in
aanraking komen, zoo bitter weinig van
hangen. De heer Leewens trooste zich dus als
hp klaagt over het monnikenwerk om zijn
leerlingen de beginselen der muziek en de
geheimen van het pianospel bij te brengen,
als een „blijvend" element.
Maar, de heer Leewens klaagt niet. De heer
Leewens is heelemaal niet het type om te
klagen. Want een type, dat klaagt over de
teleurstellingen des levens, dat zich beklaagt
over monnikenwerk, dat hij moet verrichten,
over een Sisyphus-arbeid (Sisyphus moest
uit straf, dat hij zich tegen den wil dei-
goden verzet had, een rotsblok omhoog
wurmen, dat dan telkens, als hij er mee
boven was, weer omlaag viel), zulk eeii
type voelt zich op zijn vijfenzestigste jaai-
niet als een jonge man, die voor geen geld
van de wereld op een bankje in 't plantsoen
wil zitten en pijpjes rooken en boomen over
de slechte tijden en de slechte menschen.
Neen, klagen doet de heer Leewens niet.
Daarvoor tintelen zijn oogen te levendig
achter de brilleglazen.
Uit vroeger dagen. Een ach
terlijke toestand.
„Hoe was de muziekbeoefening hier ter
plaatse voorheen?" vragen wij dan, zakelijk.
„U zult wel vele herinneringen hebben over
al die jaren!"
„Als men den toestand zou moeten schet
sen waarin de muziekbeoefening en het
muziekonderwijs voor 40 jaar terug, zich hier
ter plaatse bevond, zou men op zijn zachtst
uitgedrukt moeten bekennen: „ten achter bij
andere steden van gelijke grootte", aldils
luidt het antwoord.
„Wel was een kleine opleving te consta-
teeren door het in 1881 opgerichte „Helders
Mannenkoor" en de in 1884 geconstitueerde
muziekvereeniging „Crescendo", welke beide i
vereenigingen kleinere werken met eigen j
solistische krachten (dilettanten) vertolkten, j
maar van daden, als het uitvoeren van
oratoria met solisten van beteekenis enz.,
waarin andere steden waren vóórgegaan, was
toen nog geen sprake.
Een uitzondering maakte destijds het uit
voeren van het overigens zeer eenvoudig van
structuur zijnde „Weihnachts-oratorium" yan
deken Müller, welke uitvoering met levende
beelden onder leiding van den toenmaligen
plaatselijken muziekmeester H. A. Égbérs,
voor den Helder een evenement bleek te zijn.
Het muziekonderwijs stond in die dagen
onder protectoraat van genoemden heer
Egbers, die degelijk goed violist en organist
was en van wiens onderwijs ik als beginne
ling; 'dankbaar profiteerde.
Vakopleiding evenwel was uitgesloten, ter
wijl meer algemeene ontwikkeling, als
muziektheorie, muziekgeschiedenis, vormleer,
enz. niet werd gegeven. Van het ontwikkelen
en gebruiken der menschelijke stem nam men
weinig notitie, terwijl aan deugdelijke adem
haling, zinsbouw, uitspraak en nuanceering
eveneens reinig aandacht werd geschonken
Elk vogeltje zong zooals het gebekt was.
Het beoefenen van het Gregoriaansch (de
ware een-stemmige kerkzang) in de Kath.
kerk, was in totaal miscrediet, men ging
deze specifieke kunst maai- al te gaarne ver
vangen door meerstemmige muziek van den
ouden stempel en dikwijls van twijfelachtig
gehalte. Het kwam meermalen voor dat de
missen, overigens kunstwerken, van Mozart,
Haydn, Righini en zelfs van Beethoven,
welke oorspronkelijk voor gemengd koor zijn
gecomponeerd, voor mannenkoor werden ge
arrangeerd en aldus uitgevoerd. Zelfs koren
uit de „Schepping" van Haydn e. a. werden
met ondergeschoven latijnschen tekst ge
zongen- Het behoeft niet nader te worden
aangéduid dat van medeleven met de lytur-
gische handeling dikwijls geen sprake kon
zijn; terwijl overeenkomst tusschen woord en
toon veelal uitgesloten was.
(Wordt vervolgd.)
DOÖDE WALVISCH GESIGNALEERD.
i
Vrijdag en Zaterdagmorgen hebben verschil
lende botters een doode walvisch van res
pectabele lengte zien drijven. Het beest dreef
ter hoogte van de Haaksgronden. Eb en
vloed voerden het dier heen en weer. Men is
er nog niet in geslaagd de walvisch aan wal
te brengen. Vermoedelijk is het beest uit de
Schotsche wateren afkomstig, waar nog wel
eens jacht op walvisschen gemaakt wordt.
Het is mogelijk, dat het beest daar gehar
poeneerd en gewond werd, doch dat men er
niet in is kunnen slagen om het dier te
vangen. Het zou langs de Engelsche kust
om de Zuid gedreven kunnen zijn en zoo
langs de kust van ons land naar de Haaks
gronden. Momenteel is de zeldzame ver
schijning uit het gezicht verdreven, doch
hét is mogelijk, dat het door den stroom weer
dezé streken uit wordt gevoerd.
I.-T.;,
FRISS!'HE MORGEN ZWEMMERS
BEDWINGEN DEN RAZENDEN BOL.
De Zondag stond, zooals de laatste rustda
gen'steeds het geval was, weer in het teeken
yan de langé afstandzwemmerij. Nu was het
dé „Frissche Morgen", die weer eens van zich
spréken liet. Een 2-tal dames, vergezeld door
5 heeren, zouden probeeren de gevaarlijke
zandplaat „De Razende Bol" te bereiken. Door
de geweldige stroomingen, die daar stonden
werd de tocht zeer bemoeilijkt. Na een uiterst
zwaren tocht van 2 uur bereikten tenslotte
2 dames en 2 heeren het eindpunt, te weten
de dames Bruin en de Kok en de heeren
Wilms en Taylor. De andere heeren moesten
den strijd helaas opgeven. We wachten nu
weer op nieuwe krachttoeren van onze a,dspi-
rant-Kanaalzwemmer
EEN GEREDDE, DOCH ONDANKBARE
JUFFROUW.
De volgende geschiedenis speelde zich af
Zondagayond om 7 uur op het „stille" strand
tusschen Donkere Duinen en Huisduinen.
Er was een juffrouw, die niet kon zwém-
men. Toch wilde zij gaarne een verfrisschend
bad nemen, hetgeen alleszins verklaarbaar is.
Omdat zij niet zwemmen kon, had zij, ter
vermeerdering van het drijvend vermogen, een
reddingsboei meegenomen. Deze werd omge
gord en het badvermaak nam een aanvang.
Het beviel de juffrouw opperbest in het
zoute, zilte nat, zoodanig zelfs, dat zij niet
meer achter zich keek alvorens zij een heel
stuk uit den wal was gespelevaren. Zij was
zelfs al buiten de pier geraakt en lag ip
stroom, die de juffrouw Zuidwaarts voerde.
Zoo gauw was de juffrouw zich niet bewust
van het gevaar, waarin zij plotseling ver
keerde of zij maakte rechtsomkeert en poog
de door wilde armslagen het veilige strand
weer te bereiken. Hetgeen haar vanwege de
stroomsterkte niet gelukte. En het zou haar
ook zeker niet gelukt zijn, als niet een twee
tal jonge mannen haar te hulp waren geko
men. De één, ziende dat assistentie dringend
noodzakelijk was, oegaf zich, in z'n Zondag-
sche pak gekleed, te water; de ander, die
in badpak was, volgde hem op de voet. De
beide rappe mannen mochten het genoegen
smaken de juffrouw veilig- en wel op het
strand te brengen.
Daarmee was de geschiedenis nog niet ten
einde. Luister: Op het zien van de nood der
juffrouw en de reddingspogingen van de
mannen was een schare van belangstellenden
toegestroomd. De geredde juffrouw stapte aan
wal, waarna een der omstanders haar toe
voegde:
„Daar hebt u het leven van anderen ge
waagd door zoo ver te gaan en niet te kun
nen zwemmen."
'Waarop kort en snibbig het volgende ant
woord kwam:
Licht op voor alle voertuigen.
Dinsdag 20 Aug. 20.45 uur
Woensdag 21 20.43 uur
HARMONIEKAPEL „WINNUBST".
Vierde zomerconcert te geven op Woensdag
21 Augustus 1935, des avonds van 8u30 tot 10
Uur, in het Julianapark, onder leiding van den
heer H. B. Schenkels, Directeur.
Programmal
1. Voorwaarts Marsch W. Ciere
2. La Muette de Portici, Ouverture. F. Auber
3. Dolorès. Valse E. Waldteufel
4. Humoristische variaties „Es kommt
ein Vogel geflogen" Sieg. Ochs
0. Slavonic Rhapsody C. Friedemann
6 Potpourri sur 1'Operette „La Fille du
tambour 'aj r de Offenbach
7. Marsch. Finale.
EEN ZEEMAN.
Het is niet ieder bekend, dat Piet Osten-
burg, wiens huldiging Zaterdag in de Helder
sche Courant was beschreven, een goede be
kende is van het vroegere 4e regiment ves
tingartillerie, thans regiment kustartillerie.
Bij de schietoefeningen was Ostenburg on
misbaar. Hij was het, die aan het hoofd van
mannen de schijven plaatste op de zandplaat
Onrust en de sleepschijven optuigde, welke
door de sleepboot van de Torpedisten, die
hier ook al lang weg zijn, werden voort
bewogen.
De officieren, die toen, het is al 20 k 30
Jaar geleden, als waarnemer met de vlet naar
Onrust gingen of op de sleepboot het vuur
volgden, zullen zich Ostenburg en zijn dappe
ren wel herinneren. Want dappere mannen
waren het, die de netten van de schijf in
het zeegat zelve herstelden. Met de vlet roei
den zij naar de schijf en tervr)l één man de
vlet van het vlot ifhield om niet te worden
stukgeslagen, sprongen de anderen op het
vlot, dat zoo glad als spek was, over. Daar
begonnen zij, alsof het in hun binnenkamer
was, rustig de netten, als er te veel gaten
in geschoten waren te herstellen. Ik zie hen
nog op het vlot staan, dat telkens voor een
deel onder ging, zoo rustig als op den vasten
wal, met het onvermijdelijke dophoedje, dat
zoo stevig stond, op het hoofd en met de
waterlaarzen aan. En niet altijd met kalm
weder geschiedde dit werk. Het waren wel
rasechte zeelieden, die zulke staaltjes van
durf en behendigheid uitvoerden. De officier,
die medeging in de vlet om de treffers op te
nemen, kwam meermalen erg ziek door de
heftige bewegingen van het vletje weer aan
boord van de sleepboot terug. Maar geen
nood, Ostenburg kende het kunstje en nam
met het grootste gemak de schoten waar:
50 nieter plus, 20 meter min. enz., hij was
toch ook een man van het regiment.
Het is goed, dat zoo velen notitie hebben
genomen van den 80en verjaardag van dezen
braven zeeman. Het regiment kustartillerie
had zich niet onbetuigd gelaten. Een bloem
stuk namens de officieren werd gebracht,
terwijl de Commandant, de Luitenant-Kolo
nel J. H, C. Bentz van den Berg met schrijver
dezes een bezoek aan den jarige bracht. Het
spreekt vanzelf, dat toen het een en ander
van den ouden tijd werd opgehaald.
Den Helder, 18 Augustus 1935.
A. VAN DER WAAG,
Kapitein, Hoofdinstructeur van
het regiment kustartillerie.
Een 92-jarige vriend van Ostenburg, J. J.
Gren, schreef den 80-jarige het volgende vers:
TER GELEGENHEID VAN UW
80sten VERJAARDAG.
Veel hebt U al in het leven
Voor het menschdom gedaan,
Vol van moed en zelfvertrouwen
Bent U de branding in gegaan.
Om Uw medemensch te redden
Was U geen gevaar te groot.
Of de storm af heftig beukte
Of de wind al loeide en floot,
Altijd kon men op U rekenen
Altijd, altijd stond U klaar
Wakkere stoere menschenredder
Leef gezond nog menig jaar
Opgeruimd en ook tevreê.
Het was mooi wat U presteerde
Het was prachtig wat U deed
Het volk van Nederland kan trots zijn
Op de helden van de zeé!
Ostenburg op 16 dezer
Leeft heel Holland met U mee.
KONMN's AUTOMATIC,
DAGELIJKS UITZENDING DINERS
BOM dag en nacht.
naar
Het leven aan boord. Van Zeeziekten
EZ en prettige ervaringen.
Aan boord m.s. „Tarakan". Zesmaal
zeshonderd jongens met de „Tarakan"
naar de Noorsche fjorden: een prachtig ini
tiatief van de Maatschappij „Nederland"!
Een week lang volop genietingen van velerlei
aard voor deze knapen van 15 tot 18 jaar;
genietingen, die voor de meesten hunner on
bereikbaar zouden z(jn, indien de „Neder
land" deze reizen niet op haar soepele voor
waarden had georganiseerd. Of de maat
schappij voldoening van haar werk heeft?
men behoeft maar het enthousiasme in de
rijen der jeugdige toeristen te aanschouwen
om het bevestigd antwoord op die vraag te
kunnen geven.
Het begint al te Amsterdam, het verzamel
punt van het meerendeel der groepen. Op de
portieren van den op het Centraal Station
gereedstaanden extra-trein hebben door
geestdrift bewogen handen opschriften aan
gebracht als „Hup Tarakan!" „Leve de Ta
rakan!" De mede-reizigers, die op de tus-
schenliggende stations instappen, worden
met luid gejuich begroet en het is een roe
rige trein, die op het terrein der hoogovens
te IJmuiden naast de „Tarakan" stilhoudt.
Met bewondering en een tikje ontzag, zien
de jongens tegen den stalen romp van de
groote vrachtboot, die hen naar het Noorden
zal brengen.
Dan begint de inscheping. Achtereenvol
gens beklimmen de groepen het schip en on
middellijk worden zij naar de slaapruimen
gedirigeerd, waar zij hun bagage kunnen
kwijt raken. Een paar honderd „uitgeleiders"
zijn meegekomen en, terwijl zorgzame vaders
en moeders met hun zoons over de dekken
wandelen, worden de laatste wenken ge
geven. Maar het is niet waarschijnlijk, dat
de jongens de noodige aandacht aan deze
ouderlijke raadgevingen schenken, want die
aandacht wordt veel te zeer in beslag geno
men door alles, wat er aan boord van een
zeeschip te bewonderen valt. De ruimen, de
dekken, de masten en het touwwerk, de ver
blijven van manschappen en officieren, do
machinekamer, en last not least, de speciaal
voor de jeugd ingerichte vertrekken, het is
alles voor hen het aankijken wel waard.
Vijf uur in den Zaterdagmiddag! De uitge
leiders zijn van boord gegaan, de trossen
worden losgesmeten, de „Tarakan" verwij
dert zich langzaam van den wal: de zeereis
is begonnen. Terwijl de pieren gepasseerd
worden, zitten enkele der globetrotters al in
een verborgen donker hoekje kaart te spelen.
Ook bridgen is belangrijk!
Op een prachtige, vlakke zee wendt de
„Tarakan" den steven Noordwaarts; het zal
dezen dag niet tot de gevreesde zeeziekte
komen. In een heerlijk weer vaart het schip
langs de vaderlar.dsche kust en intusschen
loopen de jongens nog onwennig door elkaar.
Een groot deel bivakkeert het liefst op de S
dekken, hangt over de verschansing; anderen
schaken, dammen, sjoelen of kaarten. Bij de j
piano heeft ziel» een groote groep gevormd;
er is reeds een provisorische jazzband samen- j
gesteld en het eetruim wordt vervuld van
klavier-, saxofoon- en trompetklanken.
De reisleider, de heer Schaafsma, roept de
jongens bijeen voor het doen van verschillen
de mededeelingen. De sloepenrol is een at
tractie voor de jonge zeevaarders: voorzien
van de aangegorde zwemvesten repeteert 1
men de reddingsmaatregelen.
Het eerste avondeten aan boord brengt
nieuwe drukte. De corveeërs halen vleesch,
aardappelen, groenten en toespijs en als
alles zoo rechtvaardig als bij een troep hon
gerige jongens mogelijk is, verdeeld is, be
gint de aanval, forsch en hevig.
De avond van deze uitreis is verrukkelijk-
Onder een vrijwel onbewolkten hemel ver
wijdert het schip zich van de Nederlandsche
kust. De lichtschepen „Haaks" en „Terschel-
lingerbank" zijn al uit het gezicht verdwe
nen, en rustig en snel klieft de boeg het wa
ter. Een prachtige zonsondergang en daarna
een maanlichte nacht, terwij j de zee zich aan
alle zijden tot den gezichteinder uitstrekt.
Het is velen jongens aan te rien, dat zij
onder de bekoring van dit mooie komen. De
jazzers krijgen rust: de jongens verzamelen
zich op dek en de kampliederen weerklingen
over het water. „My Bonnie is over the
ocean" is wel het meest toepasselijke lied,
maar ook de moderne „volksliederen", zooals
„Sarie Marais" en „Wij zijn niet bang",
krijgen ruimschoots hun beurt.
De nacht, die op dezen schoonen avond
volgt, is minder rustig. Als de jongens in de
slaapruimen zijn „gedreven", is er nog lang
geen sprake van doodsche stilte. De jongens
voelen zich gedrongen gymnastiekoefeningen
aan de boven elkaar aangebrachte houten
kribben uit te voeren; de bewoners der „be
nedenverdiepingen" komen op bezoek bij de
bovenburen; er bestaat nog al wat verschil
van meening omtrent het gebruik van de
dekens en kussens. Van eenigen afstand ge
zien is het een warboel van hoofden, armen
en beenen en men zou zich bijna bezorgd ma
ken, dat de zaak hopeloos in de knoop is
geraakt. Maar het valt mee: ieder krijgt dan
toch zijn eigen ledematen terug en lang
zamerhand komen de slaapruimen tot rust.
De reisleider en de heer Holthuis, de hoofd
leider, zien voor dezen eersten avond nog
wat door de vingers: de jongens moeten op
hun ongewone slaapplaatsc i wennen en wie
uit is, mag immers een beetje meer rumoer
maken dan anders geoorloofd is! Maar de
volgénde avonden wordt streng opgetreden:
op den vastgestelden tijd moet ieder onder
de wol en stil zijn; jeugdige ordeverstoorders
worden uit het ruim gehaald en moeten een
paar uur wacht loopen op het voordek.
Zondagochtend! Er blijkt el dadelijk jets
niet in orde te zijn met de magen van ver
schillende jongens. Gedurende den nacht is
er wat deining op het water gekomen en het
Bescherm Uw kleeren tegen motten!
Haal 'n bus Shelltox bij Uw dro
gist en verdelg het ongedierte
met larven en eitjes incluis. Shelltox
is insectendood!
„Hadde ze me dan moete late verz.
Boos, verdween de juffrouw in haar tentje.
Zij vergat ook maar één woord van dank tot
haar levensredders te richten......
MEISJE DOOR RUIT GEVALLEN.
Het 6-jarig dochtertje van den heer Go-
mes viel Zaterdagmiddag door een ruit van
een woonhuis aan de Spoorgracht. Haar
armpje werd zwaar gekwetst. Toeschietende
jongens trachtten het armpje boven dé
wonde af te binden; per auto van Van Geud
Loos werd het kind naar het Marine Hos
pitaal overgebracht. Opname bleek dringend
noödig; Dr. Van Heerde nam het kind on
middellijk onder behandeling.
MOTOR GESLIPT.
Bestuurder licht gewond.
Zondagmorgen is een motorrijder, onze
plaatsgenoot, de heer J. S., die mét een vaart
van ca. 70 km van de richting „De Kooij"
kwam, in de bocht van den Rijksweg nabij
het woonwagenkamp geslipt en gevallen. On
middellijk werd bij het Vliegkamp om assi
stentie gevraagd; een ziekenauto van dit
kamp was spoedig ter plaatse. Dr. Proost
verleende eerste medische hulp; de elleboog
van den linkerarm bleek vrij ernstig ge
kwetst te zijn. Met den auto van het Vlieg
kamp werd de onfortuinlijke motorrijder
naar het Marine Hospitaal vervoerd.
15-JARIGE KNAAP REDT 2 OM
GESLAGEN KANOVAARDERS.
Maandagmiddag bevonden zich een tweetal
jeugdige kanovaarders ter hoogte van de Mo
lengracht en ondérvondet op een gegeven
moment de sensatie van om te slaan.
Deze sensatie had evenwel een bitter droe
vig einde kunnen hebben; een der twee ped
delaars lag namelijk reeds onder de kano en
zag geen kans zich daaronder uit té werken.
Dat er evenwel nog ferme kerels bestaan
werd bewezen toen de 15-jarige Jo Hillen, zich
zonder te bedenken te water begaf, teneinde
de drenkelingen op het droge element te
brengen. Hij had de voldoening beiden te
redden.
Een woord van waardeering voor deze daad
is ongetwijfeld op zijn plaats.
Wederom bekruipt ons de lust om iets aan
te halen uit het visscherijovèrzicht uit Rotter
dam in de „N. R. Ct." en ook nu weer blijkt
daaruit, dat de IJmuidensche visch maar
moeilijk gunstig kan worden beoordeeld door
den schrijver daarvan. Hij schrijft b.v.: „Met
wat van IJmuiden komt kunnen de kooplieden
zich maar niet vereenigen. De kwaliteit van
het grootste gedeelte der hier aangevoerde
visch van die plaats beantwoordt niet aan
wat de koopman, maar meer nog wat de bur
ger verlangt. Midden in den zomer zijn kleine
gul, slappe scholletjes, wyting, gehavende
hakevisch en doode kabeljauwsoorten waar de
koopman minachtend op nederziet, omdat
deze soorten slechts aan hen met de kleinste
beurzen te plaatsen zijn en zulks is maar
goed, want de propaganda voor het vischver-
bruik is met zulke kwaliteit lang niet ge
diend".
In dit overzicht wordt ook gemeld, dat een
50-tal colli's visch door Texelsche visschers
werd aangebracht.
Meer en meer schijnen dezen dus de Rot-
terdamsche markt te gaan prefereeren.
Ook hieruit blijkt weer duidelijk hoe zich,
door technische mogelijkheid, de bedrijven
heel anders gaan ontwikkelen.
Inderdaad is het, door deze soms sprongs
gewijze ontwikkeling van de techniek, niet
mogelijk om een bedrijf goed te stabiliseeren
In het visscherijbedrijf spelen zich ingrij
pende wijzigingen af en telkens zal er plaats
schip maakt nog andere bewegingen dan op
de reisroute staat aangegeven. Bij het ontbijt
laat al een vijftigtal jongens verstek gaan en
dan breidt de goedaardige epidemie zich snel
uit. De verschansing L dichtbezet met slacht
offers, die met blikken van machtelooze haat
neerzien op de golven, nun vijanden. Af en
toe klinken rare geluiden en ontspringen er
onsmakelijke fonteintjes. De matrozen heb
ben een reinigingsdienst op touw gezet, zoo
dat het dek begaanbaar blijft. Als bij den
lunch de balans wordt opgemaakt, blijkt het,
dat slechts een derde dee der wereldreizigers
belangstelling voor dezen maaltijd heeft.
Maar deze matadors *reffen het dan ook uit
stekend: zij hebben de spijs maar voor het
uitkiezen en zelfs gaat over het schip de
faam, dat één hunner een meter worst naar
binnen heeft gewerkt!
Intusschen zet de „Tarakan" met een
snelheid van pl.m. 16 mijl zijn reis voort; het
is thans niet de blauwe hemel van den vori-
gen dag; de lucht trekt steeds meer dicht
en na den middag komt het schip in een ste-
vigen regenbui. Het zicht wordt kleiner en
zoo blijft het punt aan de Noorsche kust,
dat zich bij mooi weer het eerst aan het oog
voordoet, voor ons verborgen. Maar dan
klaart het weer wat op en de eilanden langs
de kust doemen op. De horden der zeezieken
slaken een zucht van verlichting: wel is de
beweging van het water niet minder gewor
den en waait er nog altijd een frissche bries,
maar er is land in zicht en dat is een goed
teeken!
De uitwerking is duidelijk merkbaar; bij
20 Augustus. Marion Anderson is
een zingende negerin en namens het heele
blanke ras spreek ik mijn diepe leedwezen
uit over de onstichtelijke herrie, die in de pers
over haar is ontstaan. Van die herrie hebt u
niets gemerkt. Dat is niet zoo vreemd, want
niemand heeft er iets van gemerkt.
Maar geweest is de herrie er!
En dat zou ook aan u w aandacht niet ont-
snapt zijn, als u niet de gewoonte had, eerst
de ééne recensie (van begin tot eind) en dan
de andere (van begin tot eind) te lezen.
Maar leest u nu eens om de beurt een zin
van de ééne en een zin van de andere, dan
lijkt het wel een achterbuurtruzie.
De Meneer van de Nieuwe Rotterdammer!
Nobeler zangkunst dan die van Marion
Anderson kan men moeilijk wenschen.
Meneer J. G. van het Handelsbladis
Anderson, althans wat de ontwikkeling van
haar materiaal en techniek betreft, nog in
een primitief stadium. Elke werkelijke stern-
cultuur is haar vreemd.
N.R.C.: Het omvangrijke orgaan, een diep
sonore altstem, is van bijzondere welluidend
heid. Zij gebruikt het met het grootste ge
mak. De egalisatie van dé registers is vol
komen.
Meneer J. G.: Haar geluid „zit" niet, heeft
geen steun van resonans of adem, zoodat het
ook daar niet draagt, waar de stem eener
altzangeres (hetgeen Anderson heet te zijn)
het krachtigst moet klinken.
N.R.C.: De lage tonen hebben een bronzen
klank, over het midden ligt fluweelachtige
glans en de koptonen klinken week en ij 1.
Alles kan zij met deze kostelijke stem doen
en dit vermag zij ook met haar zeggings-»
kracht, 'die zich zoowel in het dramatische
als in het lyrische geheel kan uitleven.
Meneer J. G.: Al haar zingen geschiedt
binnensmonds, de toon is geheel naar achte
ren weggedrukt. Alleen in de hoogte, bij
heldere vocaliseering, komt het geluid naar
voren en dan te schel.
N.R.C.: Bovendien, welk een buigzaamheid
en schittering van coloratuur!
Meneer J. G.: Het Hawaian-achtige opslee-
pen van de aanzetten is bijzonder hinderlijk.
N.R.C.: Met de magistrale, zuivere en aan
grijpende vertolking van twee vermaarde
aria's van Handel en van het Lamento di
Arianna van Monteverdi heeft de zangeres
haar toehoorders in verrukking gebracht!
Meneer J. G.: Van een door hoogen geest
gedragen uitbeelding der gezangen van Han
del en Monteverdi was door de genoemde
tekorten niet veel te bemerken.
Mevrouw Anderson (tot haar impressario) f
„Hoe zegt u in het Nederlandsch: „Well I
never......"?
Impressario: „Lust je nog peultjes?"
Mevrouw Anderson: I see. Wordt hier ook
voetbal gespeeld
Impressario: „Zeker mevrouw".
Mevrouw Anderson: Gebeurt het wel eens,
dat de verslagen een verschillende uitslag
vermelden Dat bijvoorbeeld een bepaalde
wedstrijd volgens den eenen verslaggever ge
ëindigd is met 13 voor de thuispartij, en
volgens den anderen met 12—4
Impressario: Nooit!! Ze geven altijd precies
denzelfden uitslag.
Mevrouw Anderson: Dan moet u hier uit
stekende sportverslaggevers hebben!
moeten komen voor het meest moderne, wil
men den bestaansstrijd volhouden.
Misschien zal dat mogelijk zijn als er op
gemakkelijke voorwaarden credit verkrijgbaar
zal zijn. Ook in dit opzicht zal er veel van
het oude moeten worden losgelaten.
Eenvoudig middel voor het weg
maken van bedorven luchtjes.
Het is onaangenaam als ergens een luchtje
aan komt, vooral in koelruimten, daar de af
te koeleD waren dikwijls dezen ongewensch-
ten géur aannemen en niet meer daarvan
bevrijd kunnen worden. Nu heeft Roberts T.
Jonas te Atlanta, Ga. (U.S.A.) een patent
verkregen op een mengsel van gegranuleerd
trinatrium phosphaat en fijnkool, fijn gema
len glas of andere fijngemalen stoffen, dat
uitstekend geschikt is, bedorven luchtjes of
andere ongéwenschte geuren in koelruimten
weg te nemen.
Het wegnemen van bedorven luchtjes kan
vooral voor het vischbedrijf van groote be
teekenis zijn.
Ondanks de uitputting van vischaanvoer
uit Denemarken en België voor de maand
Augustus heeft men toch nog een paar maal
de hand over het hart gestreken. Voor den
Belg, die een zieke had af te zetten te IJmui
den en voor een Deen, dien men op het hart
bond, dat deze aangevoerde visch in minde
ring kwam van het toegestane contingent
over September.
n
het avondeten zijn vele plaatsen bezet, die
des middags leeg warén gebleven, en de
stemming wordt fleuriger.
Er is dan voor voor de Koilandsche jongens
heel wat te zien! Als de .Tarakan" tus
schen de eilanden is gekomen, strekt zich
aan weerskanten de hooge rotskust uit; de
voorste berglrjn daalt meestal steil in zee af
en daarachter verrijzen, soms in nevel ge
huld, nieuwe hoogten. Een landschap zooals
de meeste jongens nooit gezien zullen heb
ben. Verrekijkers en fototoestellen komen te
voorschijn en duizend Hollandsche oogen be
wonderen het Noorsche land.
Een half uur nog komt de „Tarakan" in
volle zee; dan blijft hij in kalmer water en
de zeeziekte wijkt. De kampliederen, gediri
geerd door twee eminente jeugdleiders, schal
len weer en het is heel wat gezelliger aan
boord dan gedurende den dag het geval is
geweest.
De nacht na den „bewogen" Zondag brengt
een welverdiende rust; de trouwe „Tarakan"
vaart ondertusschen onvermoeid door; de
Maanoagmorgen ziet het schip reeds ver in
de Sogne-fjord en bij het dorpje Fjaerlard
gaat het ten anker. Het eerste reisdoel is
bereikt!
uro'ido,.
uryJl