Veertig jaren in dienst van de muze der Toonkunst =]- Stadsnieuws Met de „Tarakan' Noorwegen Jiod spot Jfocfi tot. TWEEDE BLAD HELDERSCHE COURANT VAN DINSDAG 20 AUGUSTUS 1935. 5 2 September 1895 - 2 September 1935 40-jarig bestaan van de Muziekschool A. J. Leewens Zet 'n waker voor Uw kleerenkast! Visscherij. OP BEZOEK BIJ EEN JEUGDIGEN 65-JARIGE In de Prins Hendriklaan davert en rumoert het leven van allen dag. En de dagen zijn, nu wij dit schrijven, zoo mooi, stralend staat er de zon aan een hoogen, blauwen hemel, fleurig en opgewekt loopen er de menschen langs de zonnige straten. En hier op dit idyllische plekje van Den Helder, concen treert zich alles wat wij aan intiem stads leven bezitten: oude boomen werpen er hun schaduwen, waarover de oudjes op hun bank je hun dagelijksche praatje maken en hun pijpje rooken, de pelargoniums uit onze stadskweekerij stralen er hun helle kleuren uit en maken van dit plekje een klein para dijsje, en "*ór en achter, links en rechts, ko men en gaan de menschen, te voet, per fiets, per auto...- A. J. LEEWENS. Wij zitten in de gezellige voorkamer van den huize Leewens en genieten van een goede sigaar en een overheerlijk kopje thee. En kij ken in de levendige, twinkelende oogen, ach ter de gekleurde brilleglazen van dezen jeug digen grijsaard en praten over dit mooie plekje in onze stad, „Ja," zegt de heer Leewens, „als je ouder wordt, gaat het zoo; dan slijt je je leven op een bankje in 't plantsoen, met een pijpje en wat politiek. Maar daar ben ik nog niet aan toe, gelukkig, ik ben nog maar vijfenzestig". „Nog maar vijfenzestig J" herhalen wij, in bewondering voor zooveel jeugdig vuur en levenslust. „Nou ja", vergoelijkt de heer Leewens, „zoo heel jong is het niet meer. Maar ik voel me absoluut nog niet oud, in geenen deele!" De interviewer ziet voor zijn geestesoog de talrijke momenten, waarin hij den heer Lee wens zag dirigeeren en hij herinnert zich de bewondering, die hij telkens weer, bij iedere gelegenheid, voelde voor het geweldige en thousiasme, het spirit, de vitaliteit, die van dezen dirigent uitgingen, en hij is het in alle opzichten met zijn gastheer eens. Maar dan gaat de interviewer aan het filosofeeren: „Hoe kan het ook anders", (zoo overpeinst hij, maar hoedt er zich voor het hardop te zeggen), „als men zijn gansche leven gewijd heeft aan en doorgebracht in het gezelschap van Bach en Handel, van Beethoven en Mo- zart, van Mendelssohn en Schubert, van ach, vult u maar in. De Europeesche politiek is zeer zeker noodig en nuttig voor het voort bestaan der maatschappij, maar welgelukzalig hij. die er zich buiten kan houden! Die zich alleen maar bezig heeft te houden met con trapunt en rhythmiek, met tempo en voor dracht, met allargando's en diminuendo's, en die ten aanzien van non-agressiepacten (die straks, als puntje bij paaltje komt, immers toch niet nagekomen worden), van inter nationale politiek en van joden-pogroms een benijdenswaardige inactiviteit kan in acht nemen, en, als hem door een of ander fana tiekeling het vuur hieromtrent te na aan de schenen wordt gelegd, met den man van de aneedote u weet wel, stond eens in de Heldersche Courant zeggen kan: gooi het maar in mijn pet!" Zoo filosifeert de interviewer, onderwijl van zijn thee genietend. Maar de jeugdige grijs aard tegenover hem, de man, die „nog maar" vijfenzestig is, heeft bij intuitie iets van deze overpeinzing gevoeld, want hij vervolgt zijn betoog: „Neen, oud voel ik me nog niet, en toch... als je zoo terugkijkt, is het een heele tijd, veertig jaar! Je maakt dan heel wat mee, lief en ook leed! Ik heb me heusch wel eens boos gemaakt op m'n zangvereeniging, als ik er vrije uren aan besteed had en dan toch moest zien met hoe weinig ernst ze soms op kwamen, hoe weinig zorg ze besteedden aan de repetities. En ook is het wel eens ont moedigend als je zoo'n heelen middag les gegeven hebt, chromatische toonladders hebt ingestudeerd, en over rhythmiek en maat verteld hebt, en je wel verdiende kopje thee haalt met de gedachte: hoe weinig van al die jongens en meisjes zijn er bij, voor wie deze muzikale opleiding inderdaad een blijvend element in hun leven is!" En weer filosofeert de interviewer en hij denkt aan zijn eigen schooljaren. Dat twee maal twee vier is, weet hij nog altijd, dank zij- de practijk van het leven, die hem dat meermalen deed ondervinden. Dat je leeren met een dubbele en lezen met een enkele e moet schrijven, probeert-ie af te leeren, hoe wel minister Marchant ér niet meer is om het te controleeren. Oók tracht hij zich bij te brengen dat je niet meer spreken mag van „den" man, maar dat het voortaan is „van de man", hoewel desalniettemin „man" mannelijk blijft (dat kon zelfs minister Marchant niet veranderen). Maar overigens., alle jaartallen, die je in de klas keurig netjes op een rijtje kon opzeggen met de gebeurtenissen er bij, de meeldraden en stampers van een mei zoentje, de vorm van den bek van een vink, van het blad van een kamperfoelie... alles wat je in je schooljaren zooal door respec tieve meesters met of zonder energie is bij gebracht, ach, er blijft immers, voor zoover wij er in ons verdere leven niet méér mée in aanraking komen, zoo bitter weinig van hangen. De heer Leewens trooste zich dus als hp klaagt over het monnikenwerk om zijn leerlingen de beginselen der muziek en de geheimen van het pianospel bij te brengen, als een „blijvend" element. Maar, de heer Leewens klaagt niet. De heer Leewens is heelemaal niet het type om te klagen. Want een type, dat klaagt over de teleurstellingen des levens, dat zich beklaagt over monnikenwerk, dat hij moet verrichten, over een Sisyphus-arbeid (Sisyphus moest uit straf, dat hij zich tegen den wil dei- goden verzet had, een rotsblok omhoog wurmen, dat dan telkens, als hij er mee boven was, weer omlaag viel), zulk eeii type voelt zich op zijn vijfenzestigste jaai- niet als een jonge man, die voor geen geld van de wereld op een bankje in 't plantsoen wil zitten en pijpjes rooken en boomen over de slechte tijden en de slechte menschen. Neen, klagen doet de heer Leewens niet. Daarvoor tintelen zijn oogen te levendig achter de brilleglazen. Uit vroeger dagen. Een ach terlijke toestand. „Hoe was de muziekbeoefening hier ter plaatse voorheen?" vragen wij dan, zakelijk. „U zult wel vele herinneringen hebben over al die jaren!" „Als men den toestand zou moeten schet sen waarin de muziekbeoefening en het muziekonderwijs voor 40 jaar terug, zich hier ter plaatse bevond, zou men op zijn zachtst uitgedrukt moeten bekennen: „ten achter bij andere steden van gelijke grootte", aldils luidt het antwoord. „Wel was een kleine opleving te consta- teeren door het in 1881 opgerichte „Helders Mannenkoor" en de in 1884 geconstitueerde muziekvereeniging „Crescendo", welke beide i vereenigingen kleinere werken met eigen j solistische krachten (dilettanten) vertolkten, j maar van daden, als het uitvoeren van oratoria met solisten van beteekenis enz., waarin andere steden waren vóórgegaan, was toen nog geen sprake. Een uitzondering maakte destijds het uit voeren van het overigens zeer eenvoudig van structuur zijnde „Weihnachts-oratorium" yan deken Müller, welke uitvoering met levende beelden onder leiding van den toenmaligen plaatselijken muziekmeester H. A. Égbérs, voor den Helder een evenement bleek te zijn. Het muziekonderwijs stond in die dagen onder protectoraat van genoemden heer Egbers, die degelijk goed violist en organist was en van wiens onderwijs ik als beginne ling; 'dankbaar profiteerde. Vakopleiding evenwel was uitgesloten, ter wijl meer algemeene ontwikkeling, als muziektheorie, muziekgeschiedenis, vormleer, enz. niet werd gegeven. Van het ontwikkelen en gebruiken der menschelijke stem nam men weinig notitie, terwijl aan deugdelijke adem haling, zinsbouw, uitspraak en nuanceering eveneens reinig aandacht werd geschonken Elk vogeltje zong zooals het gebekt was. Het beoefenen van het Gregoriaansch (de ware een-stemmige kerkzang) in de Kath. kerk, was in totaal miscrediet, men ging deze specifieke kunst maai- al te gaarne ver vangen door meerstemmige muziek van den ouden stempel en dikwijls van twijfelachtig gehalte. Het kwam meermalen voor dat de missen, overigens kunstwerken, van Mozart, Haydn, Righini en zelfs van Beethoven, welke oorspronkelijk voor gemengd koor zijn gecomponeerd, voor mannenkoor werden ge arrangeerd en aldus uitgevoerd. Zelfs koren uit de „Schepping" van Haydn e. a. werden met ondergeschoven latijnschen tekst ge zongen- Het behoeft niet nader te worden aangéduid dat van medeleven met de lytur- gische handeling dikwijls geen sprake kon zijn; terwijl overeenkomst tusschen woord en toon veelal uitgesloten was. (Wordt vervolgd.) DOÖDE WALVISCH GESIGNALEERD. i Vrijdag en Zaterdagmorgen hebben verschil lende botters een doode walvisch van res pectabele lengte zien drijven. Het beest dreef ter hoogte van de Haaksgronden. Eb en vloed voerden het dier heen en weer. Men is er nog niet in geslaagd de walvisch aan wal te brengen. Vermoedelijk is het beest uit de Schotsche wateren afkomstig, waar nog wel eens jacht op walvisschen gemaakt wordt. Het is mogelijk, dat het beest daar gehar poeneerd en gewond werd, doch dat men er niet in is kunnen slagen om het dier te vangen. Het zou langs de Engelsche kust om de Zuid gedreven kunnen zijn en zoo langs de kust van ons land naar de Haaks gronden. Momenteel is de zeldzame ver schijning uit het gezicht verdreven, doch hét is mogelijk, dat het door den stroom weer dezé streken uit wordt gevoerd. I.-T.;, FRISS!'HE MORGEN ZWEMMERS BEDWINGEN DEN RAZENDEN BOL. De Zondag stond, zooals de laatste rustda gen'steeds het geval was, weer in het teeken yan de langé afstandzwemmerij. Nu was het dé „Frissche Morgen", die weer eens van zich spréken liet. Een 2-tal dames, vergezeld door 5 heeren, zouden probeeren de gevaarlijke zandplaat „De Razende Bol" te bereiken. Door de geweldige stroomingen, die daar stonden werd de tocht zeer bemoeilijkt. Na een uiterst zwaren tocht van 2 uur bereikten tenslotte 2 dames en 2 heeren het eindpunt, te weten de dames Bruin en de Kok en de heeren Wilms en Taylor. De andere heeren moesten den strijd helaas opgeven. We wachten nu weer op nieuwe krachttoeren van onze a,dspi- rant-Kanaalzwemmer EEN GEREDDE, DOCH ONDANKBARE JUFFROUW. De volgende geschiedenis speelde zich af Zondagayond om 7 uur op het „stille" strand tusschen Donkere Duinen en Huisduinen. Er was een juffrouw, die niet kon zwém- men. Toch wilde zij gaarne een verfrisschend bad nemen, hetgeen alleszins verklaarbaar is. Omdat zij niet zwemmen kon, had zij, ter vermeerdering van het drijvend vermogen, een reddingsboei meegenomen. Deze werd omge gord en het badvermaak nam een aanvang. Het beviel de juffrouw opperbest in het zoute, zilte nat, zoodanig zelfs, dat zij niet meer achter zich keek alvorens zij een heel stuk uit den wal was gespelevaren. Zij was zelfs al buiten de pier geraakt en lag ip stroom, die de juffrouw Zuidwaarts voerde. Zoo gauw was de juffrouw zich niet bewust van het gevaar, waarin zij plotseling ver keerde of zij maakte rechtsomkeert en poog de door wilde armslagen het veilige strand weer te bereiken. Hetgeen haar vanwege de stroomsterkte niet gelukte. En het zou haar ook zeker niet gelukt zijn, als niet een twee tal jonge mannen haar te hulp waren geko men. De één, ziende dat assistentie dringend noodzakelijk was, oegaf zich, in z'n Zondag- sche pak gekleed, te water; de ander, die in badpak was, volgde hem op de voet. De beide rappe mannen mochten het genoegen smaken de juffrouw veilig- en wel op het strand te brengen. Daarmee was de geschiedenis nog niet ten einde. Luister: Op het zien van de nood der juffrouw en de reddingspogingen van de mannen was een schare van belangstellenden toegestroomd. De geredde juffrouw stapte aan wal, waarna een der omstanders haar toe voegde: „Daar hebt u het leven van anderen ge waagd door zoo ver te gaan en niet te kun nen zwemmen." 'Waarop kort en snibbig het volgende ant woord kwam: Licht op voor alle voertuigen. Dinsdag 20 Aug. 20.45 uur Woensdag 21 20.43 uur HARMONIEKAPEL „WINNUBST". Vierde zomerconcert te geven op Woensdag 21 Augustus 1935, des avonds van 8u30 tot 10 Uur, in het Julianapark, onder leiding van den heer H. B. Schenkels, Directeur. Programmal 1. Voorwaarts Marsch W. Ciere 2. La Muette de Portici, Ouverture. F. Auber 3. Dolorès. Valse E. Waldteufel 4. Humoristische variaties „Es kommt ein Vogel geflogen" Sieg. Ochs 0. Slavonic Rhapsody C. Friedemann 6 Potpourri sur 1'Operette „La Fille du tambour 'aj r de Offenbach 7. Marsch. Finale. EEN ZEEMAN. Het is niet ieder bekend, dat Piet Osten- burg, wiens huldiging Zaterdag in de Helder sche Courant was beschreven, een goede be kende is van het vroegere 4e regiment ves tingartillerie, thans regiment kustartillerie. Bij de schietoefeningen was Ostenburg on misbaar. Hij was het, die aan het hoofd van mannen de schijven plaatste op de zandplaat Onrust en de sleepschijven optuigde, welke door de sleepboot van de Torpedisten, die hier ook al lang weg zijn, werden voort bewogen. De officieren, die toen, het is al 20 k 30 Jaar geleden, als waarnemer met de vlet naar Onrust gingen of op de sleepboot het vuur volgden, zullen zich Ostenburg en zijn dappe ren wel herinneren. Want dappere mannen waren het, die de netten van de schijf in het zeegat zelve herstelden. Met de vlet roei den zij naar de schijf en tervr)l één man de vlet van het vlot ifhield om niet te worden stukgeslagen, sprongen de anderen op het vlot, dat zoo glad als spek was, over. Daar begonnen zij, alsof het in hun binnenkamer was, rustig de netten, als er te veel gaten in geschoten waren te herstellen. Ik zie hen nog op het vlot staan, dat telkens voor een deel onder ging, zoo rustig als op den vasten wal, met het onvermijdelijke dophoedje, dat zoo stevig stond, op het hoofd en met de waterlaarzen aan. En niet altijd met kalm weder geschiedde dit werk. Het waren wel rasechte zeelieden, die zulke staaltjes van durf en behendigheid uitvoerden. De officier, die medeging in de vlet om de treffers op te nemen, kwam meermalen erg ziek door de heftige bewegingen van het vletje weer aan boord van de sleepboot terug. Maar geen nood, Ostenburg kende het kunstje en nam met het grootste gemak de schoten waar: 50 nieter plus, 20 meter min. enz., hij was toch ook een man van het regiment. Het is goed, dat zoo velen notitie hebben genomen van den 80en verjaardag van dezen braven zeeman. Het regiment kustartillerie had zich niet onbetuigd gelaten. Een bloem stuk namens de officieren werd gebracht, terwijl de Commandant, de Luitenant-Kolo nel J. H, C. Bentz van den Berg met schrijver dezes een bezoek aan den jarige bracht. Het spreekt vanzelf, dat toen het een en ander van den ouden tijd werd opgehaald. Den Helder, 18 Augustus 1935. A. VAN DER WAAG, Kapitein, Hoofdinstructeur van het regiment kustartillerie. Een 92-jarige vriend van Ostenburg, J. J. Gren, schreef den 80-jarige het volgende vers: TER GELEGENHEID VAN UW 80sten VERJAARDAG. Veel hebt U al in het leven Voor het menschdom gedaan, Vol van moed en zelfvertrouwen Bent U de branding in gegaan. Om Uw medemensch te redden Was U geen gevaar te groot. Of de storm af heftig beukte Of de wind al loeide en floot, Altijd kon men op U rekenen Altijd, altijd stond U klaar Wakkere stoere menschenredder Leef gezond nog menig jaar Opgeruimd en ook tevreê. Het was mooi wat U presteerde Het was prachtig wat U deed Het volk van Nederland kan trots zijn Op de helden van de zeé! Ostenburg op 16 dezer Leeft heel Holland met U mee. KONMN's AUTOMATIC, DAGELIJKS UITZENDING DINERS BOM dag en nacht. naar Het leven aan boord. Van Zeeziekten EZ en prettige ervaringen. Aan boord m.s. „Tarakan". Zesmaal zeshonderd jongens met de „Tarakan" naar de Noorsche fjorden: een prachtig ini tiatief van de Maatschappij „Nederland"! Een week lang volop genietingen van velerlei aard voor deze knapen van 15 tot 18 jaar; genietingen, die voor de meesten hunner on bereikbaar zouden z(jn, indien de „Neder land" deze reizen niet op haar soepele voor waarden had georganiseerd. Of de maat schappij voldoening van haar werk heeft? men behoeft maar het enthousiasme in de rijen der jeugdige toeristen te aanschouwen om het bevestigd antwoord op die vraag te kunnen geven. Het begint al te Amsterdam, het verzamel punt van het meerendeel der groepen. Op de portieren van den op het Centraal Station gereedstaanden extra-trein hebben door geestdrift bewogen handen opschriften aan gebracht als „Hup Tarakan!" „Leve de Ta rakan!" De mede-reizigers, die op de tus- schenliggende stations instappen, worden met luid gejuich begroet en het is een roe rige trein, die op het terrein der hoogovens te IJmuiden naast de „Tarakan" stilhoudt. Met bewondering en een tikje ontzag, zien de jongens tegen den stalen romp van de groote vrachtboot, die hen naar het Noorden zal brengen. Dan begint de inscheping. Achtereenvol gens beklimmen de groepen het schip en on middellijk worden zij naar de slaapruimen gedirigeerd, waar zij hun bagage kunnen kwijt raken. Een paar honderd „uitgeleiders" zijn meegekomen en, terwijl zorgzame vaders en moeders met hun zoons over de dekken wandelen, worden de laatste wenken ge geven. Maar het is niet waarschijnlijk, dat de jongens de noodige aandacht aan deze ouderlijke raadgevingen schenken, want die aandacht wordt veel te zeer in beslag geno men door alles, wat er aan boord van een zeeschip te bewonderen valt. De ruimen, de dekken, de masten en het touwwerk, de ver blijven van manschappen en officieren, do machinekamer, en last not least, de speciaal voor de jeugd ingerichte vertrekken, het is alles voor hen het aankijken wel waard. Vijf uur in den Zaterdagmiddag! De uitge leiders zijn van boord gegaan, de trossen worden losgesmeten, de „Tarakan" verwij dert zich langzaam van den wal: de zeereis is begonnen. Terwijl de pieren gepasseerd worden, zitten enkele der globetrotters al in een verborgen donker hoekje kaart te spelen. Ook bridgen is belangrijk! Op een prachtige, vlakke zee wendt de „Tarakan" den steven Noordwaarts; het zal dezen dag niet tot de gevreesde zeeziekte komen. In een heerlijk weer vaart het schip langs de vaderlar.dsche kust en intusschen loopen de jongens nog onwennig door elkaar. Een groot deel bivakkeert het liefst op de S dekken, hangt over de verschansing; anderen schaken, dammen, sjoelen of kaarten. Bij de j piano heeft ziel» een groote groep gevormd; er is reeds een provisorische jazzband samen- j gesteld en het eetruim wordt vervuld van klavier-, saxofoon- en trompetklanken. De reisleider, de heer Schaafsma, roept de jongens bijeen voor het doen van verschillen de mededeelingen. De sloepenrol is een at tractie voor de jonge zeevaarders: voorzien van de aangegorde zwemvesten repeteert 1 men de reddingsmaatregelen. Het eerste avondeten aan boord brengt nieuwe drukte. De corveeërs halen vleesch, aardappelen, groenten en toespijs en als alles zoo rechtvaardig als bij een troep hon gerige jongens mogelijk is, verdeeld is, be gint de aanval, forsch en hevig. De avond van deze uitreis is verrukkelijk- Onder een vrijwel onbewolkten hemel ver wijdert het schip zich van de Nederlandsche kust. De lichtschepen „Haaks" en „Terschel- lingerbank" zijn al uit het gezicht verdwe nen, en rustig en snel klieft de boeg het wa ter. Een prachtige zonsondergang en daarna een maanlichte nacht, terwij j de zee zich aan alle zijden tot den gezichteinder uitstrekt. Het is velen jongens aan te rien, dat zij onder de bekoring van dit mooie komen. De jazzers krijgen rust: de jongens verzamelen zich op dek en de kampliederen weerklingen over het water. „My Bonnie is over the ocean" is wel het meest toepasselijke lied, maar ook de moderne „volksliederen", zooals „Sarie Marais" en „Wij zijn niet bang", krijgen ruimschoots hun beurt. De nacht, die op dezen schoonen avond volgt, is minder rustig. Als de jongens in de slaapruimen zijn „gedreven", is er nog lang geen sprake van doodsche stilte. De jongens voelen zich gedrongen gymnastiekoefeningen aan de boven elkaar aangebrachte houten kribben uit te voeren; de bewoners der „be nedenverdiepingen" komen op bezoek bij de bovenburen; er bestaat nog al wat verschil van meening omtrent het gebruik van de dekens en kussens. Van eenigen afstand ge zien is het een warboel van hoofden, armen en beenen en men zou zich bijna bezorgd ma ken, dat de zaak hopeloos in de knoop is geraakt. Maar het valt mee: ieder krijgt dan toch zijn eigen ledematen terug en lang zamerhand komen de slaapruimen tot rust. De reisleider en de heer Holthuis, de hoofd leider, zien voor dezen eersten avond nog wat door de vingers: de jongens moeten op hun ongewone slaapplaatsc i wennen en wie uit is, mag immers een beetje meer rumoer maken dan anders geoorloofd is! Maar de volgénde avonden wordt streng opgetreden: op den vastgestelden tijd moet ieder onder de wol en stil zijn; jeugdige ordeverstoorders worden uit het ruim gehaald en moeten een paar uur wacht loopen op het voordek. Zondagochtend! Er blijkt el dadelijk jets niet in orde te zijn met de magen van ver schillende jongens. Gedurende den nacht is er wat deining op het water gekomen en het Bescherm Uw kleeren tegen motten! Haal 'n bus Shelltox bij Uw dro gist en verdelg het ongedierte met larven en eitjes incluis. Shelltox is insectendood! „Hadde ze me dan moete late verz. Boos, verdween de juffrouw in haar tentje. Zij vergat ook maar één woord van dank tot haar levensredders te richten...... MEISJE DOOR RUIT GEVALLEN. Het 6-jarig dochtertje van den heer Go- mes viel Zaterdagmiddag door een ruit van een woonhuis aan de Spoorgracht. Haar armpje werd zwaar gekwetst. Toeschietende jongens trachtten het armpje boven dé wonde af te binden; per auto van Van Geud Loos werd het kind naar het Marine Hos pitaal overgebracht. Opname bleek dringend noödig; Dr. Van Heerde nam het kind on middellijk onder behandeling. MOTOR GESLIPT. Bestuurder licht gewond. Zondagmorgen is een motorrijder, onze plaatsgenoot, de heer J. S., die mét een vaart van ca. 70 km van de richting „De Kooij" kwam, in de bocht van den Rijksweg nabij het woonwagenkamp geslipt en gevallen. On middellijk werd bij het Vliegkamp om assi stentie gevraagd; een ziekenauto van dit kamp was spoedig ter plaatse. Dr. Proost verleende eerste medische hulp; de elleboog van den linkerarm bleek vrij ernstig ge kwetst te zijn. Met den auto van het Vlieg kamp werd de onfortuinlijke motorrijder naar het Marine Hospitaal vervoerd. 15-JARIGE KNAAP REDT 2 OM GESLAGEN KANOVAARDERS. Maandagmiddag bevonden zich een tweetal jeugdige kanovaarders ter hoogte van de Mo lengracht en ondérvondet op een gegeven moment de sensatie van om te slaan. Deze sensatie had evenwel een bitter droe vig einde kunnen hebben; een der twee ped delaars lag namelijk reeds onder de kano en zag geen kans zich daaronder uit té werken. Dat er evenwel nog ferme kerels bestaan werd bewezen toen de 15-jarige Jo Hillen, zich zonder te bedenken te water begaf, teneinde de drenkelingen op het droge element te brengen. Hij had de voldoening beiden te redden. Een woord van waardeering voor deze daad is ongetwijfeld op zijn plaats. Wederom bekruipt ons de lust om iets aan te halen uit het visscherijovèrzicht uit Rotter dam in de „N. R. Ct." en ook nu weer blijkt daaruit, dat de IJmuidensche visch maar moeilijk gunstig kan worden beoordeeld door den schrijver daarvan. Hij schrijft b.v.: „Met wat van IJmuiden komt kunnen de kooplieden zich maar niet vereenigen. De kwaliteit van het grootste gedeelte der hier aangevoerde visch van die plaats beantwoordt niet aan wat de koopman, maar meer nog wat de bur ger verlangt. Midden in den zomer zijn kleine gul, slappe scholletjes, wyting, gehavende hakevisch en doode kabeljauwsoorten waar de koopman minachtend op nederziet, omdat deze soorten slechts aan hen met de kleinste beurzen te plaatsen zijn en zulks is maar goed, want de propaganda voor het vischver- bruik is met zulke kwaliteit lang niet ge diend". In dit overzicht wordt ook gemeld, dat een 50-tal colli's visch door Texelsche visschers werd aangebracht. Meer en meer schijnen dezen dus de Rot- terdamsche markt te gaan prefereeren. Ook hieruit blijkt weer duidelijk hoe zich, door technische mogelijkheid, de bedrijven heel anders gaan ontwikkelen. Inderdaad is het, door deze soms sprongs gewijze ontwikkeling van de techniek, niet mogelijk om een bedrijf goed te stabiliseeren In het visscherijbedrijf spelen zich ingrij pende wijzigingen af en telkens zal er plaats schip maakt nog andere bewegingen dan op de reisroute staat aangegeven. Bij het ontbijt laat al een vijftigtal jongens verstek gaan en dan breidt de goedaardige epidemie zich snel uit. De verschansing L dichtbezet met slacht offers, die met blikken van machtelooze haat neerzien op de golven, nun vijanden. Af en toe klinken rare geluiden en ontspringen er onsmakelijke fonteintjes. De matrozen heb ben een reinigingsdienst op touw gezet, zoo dat het dek begaanbaar blijft. Als bij den lunch de balans wordt opgemaakt, blijkt het, dat slechts een derde dee der wereldreizigers belangstelling voor dezen maaltijd heeft. Maar deze matadors *reffen het dan ook uit stekend: zij hebben de spijs maar voor het uitkiezen en zelfs gaat over het schip de faam, dat één hunner een meter worst naar binnen heeft gewerkt! Intusschen zet de „Tarakan" met een snelheid van pl.m. 16 mijl zijn reis voort; het is thans niet de blauwe hemel van den vori- gen dag; de lucht trekt steeds meer dicht en na den middag komt het schip in een ste- vigen regenbui. Het zicht wordt kleiner en zoo blijft het punt aan de Noorsche kust, dat zich bij mooi weer het eerst aan het oog voordoet, voor ons verborgen. Maar dan klaart het weer wat op en de eilanden langs de kust doemen op. De horden der zeezieken slaken een zucht van verlichting: wel is de beweging van het water niet minder gewor den en waait er nog altijd een frissche bries, maar er is land in zicht en dat is een goed teeken! De uitwerking is duidelijk merkbaar; bij 20 Augustus. Marion Anderson is een zingende negerin en namens het heele blanke ras spreek ik mijn diepe leedwezen uit over de onstichtelijke herrie, die in de pers over haar is ontstaan. Van die herrie hebt u niets gemerkt. Dat is niet zoo vreemd, want niemand heeft er iets van gemerkt. Maar geweest is de herrie er! En dat zou ook aan u w aandacht niet ont- snapt zijn, als u niet de gewoonte had, eerst de ééne recensie (van begin tot eind) en dan de andere (van begin tot eind) te lezen. Maar leest u nu eens om de beurt een zin van de ééne en een zin van de andere, dan lijkt het wel een achterbuurtruzie. De Meneer van de Nieuwe Rotterdammer! Nobeler zangkunst dan die van Marion Anderson kan men moeilijk wenschen. Meneer J. G. van het Handelsbladis Anderson, althans wat de ontwikkeling van haar materiaal en techniek betreft, nog in een primitief stadium. Elke werkelijke stern- cultuur is haar vreemd. N.R.C.: Het omvangrijke orgaan, een diep sonore altstem, is van bijzondere welluidend heid. Zij gebruikt het met het grootste ge mak. De egalisatie van dé registers is vol komen. Meneer J. G.: Haar geluid „zit" niet, heeft geen steun van resonans of adem, zoodat het ook daar niet draagt, waar de stem eener altzangeres (hetgeen Anderson heet te zijn) het krachtigst moet klinken. N.R.C.: De lage tonen hebben een bronzen klank, over het midden ligt fluweelachtige glans en de koptonen klinken week en ij 1. Alles kan zij met deze kostelijke stem doen en dit vermag zij ook met haar zeggings-» kracht, 'die zich zoowel in het dramatische als in het lyrische geheel kan uitleven. Meneer J. G.: Al haar zingen geschiedt binnensmonds, de toon is geheel naar achte ren weggedrukt. Alleen in de hoogte, bij heldere vocaliseering, komt het geluid naar voren en dan te schel. N.R.C.: Bovendien, welk een buigzaamheid en schittering van coloratuur! Meneer J. G.: Het Hawaian-achtige opslee- pen van de aanzetten is bijzonder hinderlijk. N.R.C.: Met de magistrale, zuivere en aan grijpende vertolking van twee vermaarde aria's van Handel en van het Lamento di Arianna van Monteverdi heeft de zangeres haar toehoorders in verrukking gebracht! Meneer J. G.: Van een door hoogen geest gedragen uitbeelding der gezangen van Han del en Monteverdi was door de genoemde tekorten niet veel te bemerken. Mevrouw Anderson (tot haar impressario) f „Hoe zegt u in het Nederlandsch: „Well I never......"? Impressario: „Lust je nog peultjes?" Mevrouw Anderson: I see. Wordt hier ook voetbal gespeeld Impressario: „Zeker mevrouw". Mevrouw Anderson: Gebeurt het wel eens, dat de verslagen een verschillende uitslag vermelden Dat bijvoorbeeld een bepaalde wedstrijd volgens den eenen verslaggever ge ëindigd is met 13 voor de thuispartij, en volgens den anderen met 12—4 Impressario: Nooit!! Ze geven altijd precies denzelfden uitslag. Mevrouw Anderson: Dan moet u hier uit stekende sportverslaggevers hebben! moeten komen voor het meest moderne, wil men den bestaansstrijd volhouden. Misschien zal dat mogelijk zijn als er op gemakkelijke voorwaarden credit verkrijgbaar zal zijn. Ook in dit opzicht zal er veel van het oude moeten worden losgelaten. Eenvoudig middel voor het weg maken van bedorven luchtjes. Het is onaangenaam als ergens een luchtje aan komt, vooral in koelruimten, daar de af te koeleD waren dikwijls dezen ongewensch- ten géur aannemen en niet meer daarvan bevrijd kunnen worden. Nu heeft Roberts T. Jonas te Atlanta, Ga. (U.S.A.) een patent verkregen op een mengsel van gegranuleerd trinatrium phosphaat en fijnkool, fijn gema len glas of andere fijngemalen stoffen, dat uitstekend geschikt is, bedorven luchtjes of andere ongéwenschte geuren in koelruimten weg te nemen. Het wegnemen van bedorven luchtjes kan vooral voor het vischbedrijf van groote be teekenis zijn. Ondanks de uitputting van vischaanvoer uit Denemarken en België voor de maand Augustus heeft men toch nog een paar maal de hand over het hart gestreken. Voor den Belg, die een zieke had af te zetten te IJmui den en voor een Deen, dien men op het hart bond, dat deze aangevoerde visch in minde ring kwam van het toegestane contingent over September. n het avondeten zijn vele plaatsen bezet, die des middags leeg warén gebleven, en de stemming wordt fleuriger. Er is dan voor voor de Koilandsche jongens heel wat te zien! Als de .Tarakan" tus schen de eilanden is gekomen, strekt zich aan weerskanten de hooge rotskust uit; de voorste berglrjn daalt meestal steil in zee af en daarachter verrijzen, soms in nevel ge huld, nieuwe hoogten. Een landschap zooals de meeste jongens nooit gezien zullen heb ben. Verrekijkers en fototoestellen komen te voorschijn en duizend Hollandsche oogen be wonderen het Noorsche land. Een half uur nog komt de „Tarakan" in volle zee; dan blijft hij in kalmer water en de zeeziekte wijkt. De kampliederen, gediri geerd door twee eminente jeugdleiders, schal len weer en het is heel wat gezelliger aan boord dan gedurende den dag het geval is geweest. De nacht na den „bewogen" Zondag brengt een welverdiende rust; de trouwe „Tarakan" vaart ondertusschen onvermoeid door; de Maanoagmorgen ziet het schip reeds ver in de Sogne-fjord en bij het dorpje Fjaerlard gaat het ten anker. Het eerste reisdoel is bereikt! uro'ido,. uryJl

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Heldersche Courant | 1935 | | pagina 5