Wat Katholieken ontmoeten
bij hun komst in Canada
Hoog bezoek aan Rotterdam
DE KRONIEK VAN
ZATERDAG
De oud-katholieke Kerk
Boekenhoek je
Kees, de bok,
dood
Haar wezen, haar geschiedenis
en haar aanspraken
EEN IMMIGRANT VERTELT (IV)
Verenigingsleven is geheel
anders georiënteerd
„Draaiboek voor Titia"
Radio Luxemburg
helpt Thuisfront
President Coty in Maasstad
hartelijk ontvangen
IS
HAAR KINDJE GEDOOD
Oók thuis op
het pierement!
Meisje overreden
en gedood
GEVAARLIJKE LADING
Raad voor de Scheepvaart
wenst lijsten en voor
schriften
(Van onze bijzondere medewerker)
Jeugdclubs zijn een zegen en een uitkomst voor de katholieke Ne
derlandse jongelui. Uiteraard zijn de clubs hoofdzakelijk te vinden in
Zuid-Ontario, waar de Hollanders het dichtst geconcentreerd zijn. De
clubs zijn ontstaan uit het initiatief van één of enkele jongelieden met
medewerking van een Hollandse priester, en sommige hebben 150 tot
200 leden. Men weet de beschikking te krijgen over een zaal, en daar
wordt dan een dansavond gehouden, meestal om de twee weken; dit
geeft dan de bezoeker gelegenheid elkaar te leren kennen.
Af en toe komt een Hollandse
priester op zo'n avond die de club
toespreekt en zich met deze en gene
individueel onderhoudt. Wie in Hol
land grootgebracht is zal maar zeer
zelden met 'n Canadees of Canadese
trouwen omdat de volksaarden en
-zeden zo verschillend zijn. Holland
se jongemannen en meisjes zoeken
dus elkaar, en hier voorzien de
clubs in een grote behoefte. In de
Hollandse sfeer ervan voelt een Ca-
andees zich niet thuis, evenmin een
niet-katholieke Nederlander. Deze
laatsten hebben trouwens hun eigen
clubs, waaruit zij elke buitenstaan
der weren. Apart van deze clubs is
er, met uitzondering van Quebec, op
Zondag weinig te beleven: volgens
Engels patroon zijn danszalen, bios
copen e.d. dan gesloten, en er zijn
slechts op enkele plaatsen sportwed
strijden op Zondag. (In die plaatsen
is dit toegestaan na gemeentelijke
volksstemming). De Hollandse natio
nale sport bij uitstek, wordt in Cana
da practisch niet beoefend, en voor
de Canadese sporten, rugby, baseball
en softball, interesseren de Hollan
ders zich niet. Uit de clubs zijn al
voetbal- en korfbalploegen ontstaan,
die elkaar bekampen op Zondag. De
een of andere Hollandse farmer stelt
daarvoor dan een grasveld ter be
schikking.
De Canadese katholieken hebben
ook jeugdclubs, samengevat onder
de naam CYO, Catholic Youth Orga
nizations, doch de immigranten voe
len zich daar niet thuis, althans niet
de groteren: ze vinden er niet de
sfeer die ze zoeken. Voor jongere
kinderen liggen de dingen anders: zij
gaan naar de school waarin en waar
door ze zich veel beter en in 'n korte
tijd aanpassen bij en inburgeren in
de zeden en gewoonten der Canade
zen. Zij kunnen lid worden van de
katholieke padvindersbeweging en
van andere clubs en organisaties in
de steden en grotere dorpen althans.
Wie daar ver vanaf woont heeft als
regel geen keus en moet zijn kinde
ren naar een neutrale school sturen;
bijzondere scholen zijn daar niet. De
priester, en op vele plaatsen ook
zusters, van de parochie waartoe zij
behoren, zorgen dan echter voor ca
techismus en godsdienstonderricht op
Zaterdag, wanneer de kinderen vrij
van school hebben.
Dit geldt niet voor de provincie
Quebec, waar óók op het platteland,
in haast alle scholen katholiek ge-
loofsonderwijs gegeven wordt.
De verhouding in aantal van katho
lieken tot andersdenkenden verschilt
in Canada niet zo heel veel met Ne
derland. In Quebec is het percentage
katholieken plm. 85, in de overige
provincies van 25 tot 35 procent, be
halve in B.C., waar de katholieken
slechts 'n kleine minderheid vormen.
Men kan dan ook practisch overal
in Canada zijn geloofsplichten als ka
tholiek nakomen, al zijn in sommige
districten, vooral in B.C., de kerken
wel eens ver van elkaar verwijderd.
Toch zijn ook naar B.C. al veel emi
granten getrokken, en onder hen vele
katholieken.
Wie in Canada zijn kinderen op een
katholieke school wil hebben, moet
zich daarvoor, tenzij hij in de pro
vincie Quebec woont, het offer ge
troosten meer belasting te betalen
dan anderen, en dit vooral in B.C.,
waar nu een 'strijd om gelijkberech
tiging i.v.m. bijzondere scholen ge
voerd wordt. Iedere provincie heeft
n.l. een voor interne zaken practisch
autonome, eigen regering, waardoor
wetten in de verschillende provin
cies sterk kunnen variëren. Echter 't
Een jong meisje, pas in de
schoolbanken, was teleurgesteld
en daarom min of meet opstan-
Zijn er geen tientallen
i itia s? Met zichzelf en hun om
geving weten zij geen raad. Niets
deugt meer. Alles wordt becriti-
seerd en afgebroken. Het oude,
het voorgaande wordt wegge
worpen. Sturm und Drang. Niet
altud even geruisloze afval, ook
van het geloof en van godsdien
stige practijken.
Losgeslagen gaat men dan het
andere, het nieuwe tegemoet. Het
vrije leven, zoals het heet. Het
schijnt allemaal zo verlokkelijk.
Artieste, Parijs gue voulez-
vous? Dansen, toneel er zit
een magische aantrekkingskracht
in. Menig meisje droomt er van,
hier en daar gaat er een op in.
Irma Meyer heeft zo'n avon-
tuners'tertie beschreven in haar
bas ibii „De Fontein" in
utrecht verschenen roman:
Draaiboek van Titia". Een meisje
uit Haarlem, helemaal niet denk
beeldig. De romantiek in het hart
en nog meer onrust in de geest.
Als zii naar Parijs trekt, heeft
God en Ziin leven voor haar al
geen practische betekenis meer.
Natuurlijk. Hoe kan het anders?
Maar God kent Zijn uur, oök
hier. Het leed zal de ogen openen.
Dan pas wordt de betekenis en
de waarde van het artiest-zijn be
grepen: geen eisen, maar veel
geven, ook en op de eerste plaats
aan God. Zo leert het meisje,
gerijpt en gelouterd, de werke
lijke zin van haar leven herwin-
liike zin van haar leven hervin
den.
Deze katholieke roman. een
mengeling van verdichtsel en
waarheid, heeft om haar strek
king wel iets te zeggen en kan
°ok als letterkundig werk ge
waardeerd worden.
BIBLIOTHECARIS.
belastingverschil is niet zodanig dat
het voor de kath. ouders een onover
komelijke hinderpaal zou vormen.
De leerplichtwet verplicht in de
meeste provincies de kinderen tot
hun zestiende jaar naar school te
gaan. Bewaarscholen, die in vele
plaatsen bestaan, zijn éénjarig. Er is
in Canada ook een kindertoeslagwet,
krachtens welke aan de moeders
maandelijks een chèque toegezonden
wordt.
Onbekende gezelligheid
De immigranten, en vooral de Hol
landers, missen hier in Canada over
het algemeen sterk de intieme sfeer
van buurtgemeenschaps- en paro
chieleven, zoals zij dat in hun „oude
land" in Europa gewendt waren en
dat daar als iets vanzelfsprekends
gold. Men mist de uitvoeringen van
locale toneelclubs en muziekcorpsen,
het stamcafé met biljart. De Cana
dees heeft inplaats van dat alles
hoofdzakelijk radio en televisie, en
ook wel clubs en verenigingen, maar
in een de Hollander vreemd-aan
doende stijl.
Een Canadees biljart, dat men bij
vijf, tien of nog meer tafels bijeen
kan vinden in biljartzalen, z.g.n.
„poolrooms," inplaats van in café's,
is zeer verschillend van het Holland
se: men speelt hier verschillende sy
stemen met van tien tot zestien bal
len. Verder bieden „bowling-alleys",
kegelbanen, gelegenheid tot ontspan-
ning. Katholieke organisaties hebben
hun eigen kegelclubs, voor jongens
en meisjes samen. Café's, in de Hol
landse zin van het woord, kent men
hier niet: alcoholhoudende drank kan
men in speciale winkels kopen en
thuis drinken, of men kan ze bestel
len en drinken in hotelgelagkamers.
Evenzeer, hoezeer de Nederlandse
emigrant ook de Hollandse gezellig
heid moge missen, hij is naar Canada
gegaan om daar een beter bestaan te
vinden, en hij ontdekt al spoedig dat
hij volop de kans heeft zich dat te
veroveren. Voor een gezin met enige
kleine kinderen zal de eerste jaren
een betere levensstandaard de enige
directe lotverbetering vormen. Jong
gehuwden en gezinnen met grote kin
deren echter kunnen al spoedig
méér bereiken, en dat te sneller naar
mate men in een beter district te
recht komt of daarheen trekt - want
niemand is, eenmaal in Canada zijn
de, gebonden in een bepaalde provin
cie of bepaald district te blijven.
P. SMITS (Wordt vervolgd)
MET „PARADE"
„Parade" heet de nieuwe actie van
Katholiek Thuisfront. In het gehele
land worden in de periode van 9 tot
en met 22 Augustus figuurtjes aan de
man en aan de vrouw gebracht. Hoe
het precies allemaal in elkaar zit, is
het geheim van de smid. Thuisfront
zorgt altijd weer voor een bijzondere
stunt. Hoe iedereen dan te weten
komt of hij een van de meer dan hon
derd gelukkigen is geworden? Nog
nooit heeft Thuisfront zo snel de uit
slag bekend gemaakt als deze keer
zal gebeuren.
De K.R.O. heeft gemeend aan deze
actie niet te moeten meewerken. Ra-
dio Luxemburg doet het wél voor
onze Nederlandse militairen. Op 22
Augustus, van half twee tot twee uur,
wordt via radio Luxemburg medege
deeld wat met de parade-soldaatjes
moet worden gedaan. En voor wie het
niet heeft gehoord, wordt de uitzen
ding op 23 Augustus van half twee
tot twee uur herhaald.
Rotterdam heeft gisteren president Coty van Frankrijk, mevrouw
Coty en het Nederlandse Koningspaar een hartelijk welkom bereid.
Daarvan getuigde de ontvangst in de burgerzaal van het stadhuis,
daarvan getuigden ook de diverse bezoeken, die de hoge gasten in
de Maasstad aflegden,
Burgemeester van Walsum be
groette het gezelschap met vreug
de, omdat hij hierin een blijk
van Franse belangstelling voor
Nederlands grootste havenstad
zag. Nog nimmer heeft een
staatshoofd van Frankrijk het
stadhuis van Rotterdam betreden,
althans niet tijdens het zelfstan
dig bestaan van ons volk, zo zei-
de mr. van Walsum.
Nadat president Coty voor de
vuist weg de burgemeester op
hartelijke wijze had geantwoord,
splitsten zich de wegen van de
hoge gasten. De president en de
Prins gingen een „wederopbouw-
rit" door de stad maken, terwijl
Nog geen tienduizend leden telt in ons land het Kerkgenootschap
dat officieel bekend staat onder de naam „Rooms-Katholieken van de
Oud-Bisschoppelijke Cleresie," maar zichzelf liever „de Oud-Katho
lieke Kerk van Nederland" of ook wel „de Kerk van Utrecht" noemt.
In deze benamingen liggen zowel de geschiedenis als het wezen van
deze godsdienstige groepering uitgedrukt. Van Gorcum's Historische
Bibliotheek (Assen 1953) bracht onlangs als 42e deel van de reeks in
tweede herziene en uitgebreide druk de „Geschiedenis van de Oud-
Katholieke Kerk van Nederland" door B. A. van Kleef, hoogleraar aan
het Oud-Katholieke Seminarie te Amersfoort en Deken van het Metro-
politaan-Kapittel van Utrecht.
AMSTERDAM, 23 Juli. Kees de
Bok, eens de mascotte van de Prins
Bernhard-kapel, waarmee het dier
verre tochten heeft ondernomen, is
in Artis overleden. Op 30 Juni
1948 kreeg de bok, als geschenk van
de kapel, onderdak in Artis, waar hij
lange jaren een bekende „figuur" is
geweest.
De laatste weken was Kees plotse
ling niet meer de oude en van dag tot
dag ging hij achteruit, ofschoon men
geen bepaalde ziekteverschijnselen
kon constateren. Hij kon zich nauwe
lijks bewegen en kon ook niet meer
staan. Iedere dag kwam de dieren
arts even bij hem kijken, waarbij hij
verscheidene keren injecties heeft
gekregen. Het mocht evenwel niet
meer baten
Bij de sectie is gebleken, dat Kees
kerngezond was. „Ouderdom" is de
doodsoorzaak.
ZEIST, 23 Juli. Een 21-jarige
verpleeghulp van een inrichting te
Zeist is gearresteerd en ter beschik
king gesteld van de Officier van Ju
stitie te Utrecht omdat zij haar drie
maanden geleden geboren kindje
moet hebben gedood. Het lijkje van
het kind werd in een doos op een
zolder gevonden. Het meisje heeft
eerder bij een brand een shock opge
lopen.
Wat zij bedoelt.
Met de titels van de schrijver
zijn we ineens geplaatst midden
in een Kerkelijke Wereld, zij het
dan van geheel eigen aard, die
bij alle verwantschap met de
onze daar toch weer zeer van
verschilt. De Kathedrale Kerk
aan het Willemsplantsoen te
Utrecht vertoont van binnen een
aanzien dat wij gewend zijn, en
de deelnemers aan de bisschops
conferentie van 24 September
1889 dragen een waardig clericaal
karakter zoals dat aan prelaten
past. Af en toe valt er door de
radio de uitzending van een of
andere godsdienstoefening te be
luisteren wadrvan de teksten en
melodieëën min of meer ver
trouwd in de oren klinken.
Een stuk katholicisme is in
deze kerk aanwezig gebleven.
Zelf zal zij met stelligheid en na
druk verklaren dat zij „katho
liek" is en wil zijn. En zij wijst
daarbij op het middelpunt van
haar religieus-geestelijk leven,
de H. Eucharistie; zij wijst op
haar bisschoppen en priesters, op
haar kerkelijke inrichting en be
stuur. Zij doet een bèroep op
haar geloofsinhoud die haar het
katholieke karakter moet geven.
Bij voorkeur echter noemt zii
zich „oud-katholiek" omdat zij
wil teruggrijpen op de eerste
tien eeuwen van het Christen
dom. op de tijd van de nog onge
deelde Kerk met haar zeven, al
gemeen aanvaarde conciliet. Ver
der wil zij niet gaan; wat daarna
komt wijst zij af. Zij wil niet
„Rooms"-Katholiek zijn, ook al
bestempelt haar officiële bena
ming haar dan zo. Zij wil alleen
Westers-Katholiek zijn, behoren
tot de Katholieke Kerk van het
Westen zoals er een Grieks-
Katholieke of orthodoxe Kerk is
in het Oosten.
Daarmee neemt de Kerk van
Utrecht haar eigen plaats in. Zij
wenst onafhankelijk en zelfstan
dig te zijn. Zij verlangt niet on
der het centrale gezag van .Ro
me" te staan en het primaat
schap van de Paus als universeel
Opperherder der gehele Kerk te
erkennen. Op de bisschoppelijke
eigenmacht legt zij de nadruk.
Daarom heet zij „de Oud-Bis
schoppelijke Cleresie", d.w.z. het
kerkgenootschap waarvan de
geestelijkheid zich rondom de
bisschop schaart en hem alleen
als hoofd in zijn gebied be
schouwt. De ontwikkeling van
het later „Rooms"-Katholicisme
zoals die zich vooral na het Con
cilie van Trente in de 16e eeuw
voltrok, verwerpend, wil zii haar
basis vinden in het oorspronke
lijke ideaal-katholicisme der
eerste eeuwen.
Zo ongeveer spreekt zij zelf
haar belijdenis uit. Uit haar eigen
mond vernemen wij haar stand
punt. Dit geeft ons de waarborg
dat wii ons niet omtrent haar
wezen kunnen vergissen.
Haar aanspraken.
Het is duidelijk dat er tus
sen .Utrecht" en „Rome" om
in haar eigen taal te spreken
een afstand bestaat, een kloof,
zowel in dogmatisch als in kerk
rechtelijk opzicht. Er is echter
nog méér. Het verschil heeft
bovendien historisch geleid tot
een breuk. In het begin van de
18e eeuw is er een conflict ont
staan tussen een gedeelte van de
Noord-Nederlandse geestelijkheid,
met name van die boven de grote
rivieren, van het zogenaamde
Noorden Aus, en de Curie te
Rome. De toemaligem Apostilische
Vicaris Petrus Codde werd ge
schorst in de uitoefening van zijn
ambt; een klein aantal priesters
sloot zich bij hem aan in het ver
zen; tenslotte is men in 1723
overgegaan tot de wijding van 'n
bisschop, Cornells Steenoven. Zijn
verkiezing, buiten Rome om én
door Rome niet erkend en be
krachtigd, was een historische
daad: het in omvang en getal
weliswaar beperkte kerkgenoot
schap verzekerde aldus zijn
voortbestaan, met een eigen
bisschoppelijk bestuur, onafhan
kelijk van Rome. Daarmee was
de breuk voltrokken.
Sindsdien is deze Kerk haar
eigen wegen gegaan. Zii kent ook
een bisschop van Haarlem en een
van Deventer. Bii de verschil
lende buitenlandse oud-katholieke
strevingen van de vorige eeuw
zocht en vond zij aansluiting. Zij
ontwikkelde zich in een rich
ting die zich meer en meer van
Rome verwijderde. Utrecht kwam
steeds verder van de Eeuwige
Stad af te liggen. Men is zich dat
aan beide zijden wel bewust.
En toch beroept men zich hier
in Nederland op de eerste Evan
geliepredikers van ons vader
land. Sint Willibrord beschouwd
men als de Apostel die de Ka
tholieke Kerk van Nederland
heeft gesticht. Weliswaar is zij
in de stormen der reformatie
zwaar gehavend en geteisterd,
maar vernietigd en ten gronde
fegaan is zij, volgens oud-katho-
iel standpunt, niet. De Kerk van
Utrecht, los vain Rome, maakt er
aanspraak op, de voortzetting te
zijn van de Kerk vóór de her
vórming. Haar geschiedenis wil
zij niet in de 18e eeuw met Codde
en Steenoven, maar duizend ja
ren vroeger, met Sint Willibrord'
en Bonifatius, begonnen zien.
Voor zijn eigen geloofsgenoten
op de allereerste plaats heeft B.
A. van Kleef zijn werk geschre
ven maar uiteraard ook voor
andere belangstellenden. Belang
stelling hebben wii inderdaad.
Op de viering van het eeuwfeest
van het herstel der bisschoppe
lijke- hiërarchie destijds in het
Stadion van Utrecht, werd van
Katholieke zijde onder indruk
wekkend applaus der aanwezigen
de hand toegestoken aan de oud
katholieken van Nederland. Kan
het in velerlei opzicht merk
waardige boek van B. A. van
Kleef als het antwoord be
schouwd worden? Het is in alle
geval een onverdacht getuigenis:
op voorwaarde van geestelijke
stemming en wetenschappelijk
gehalte is in rustige objectiviteit
altijd te praten.
H. J. pr.
mevrouw Coty en Koningin Ju
liana zich naar het Doofstommen-
instituut en het Oogziekenhuis be
gaven. De rit van president en
Prins vond zijn hoogtepunt in
het Groothandelsgebouw; de
auto's kozen namelijk hun weg
via de een-verdieping-hoog lig
gende expeditiestraat van het ge
bouw. Vanaf de gaanderijen rond
de binnenplaats juichten honder
den employé's de president en
de Prins hartelijk toe.
Om twaalf uur begaf het hoge
gezelschap zich aan boord van
het koninklijk jacht „Piet Hein",
waarmee een korte haventocht
werd gemaakt. Intussen bezoch
ten mevr. Coty en Koningin Ju
liana het Instituut voor doofstom
menonderwijs en het Oogzieken
huis.
Het was een ongedwongen be
zoek, vol van een hartelijke sfeer.
In de klas van de allerkleinsten
was het voor mevr. Coty onmo
gelijk om de uitgestoken handjes
niet te zien. De aangeboden
knuistjes werden dan ook vrien
delijk door de hoge bezoeksters
aanvaard. Toen aan een der kin
deren via het klas-gehoorapparaat
werd gevraagd: „Wie komen er
vandaag op bezoek?", gaf het na
lang nadenken ten antwoord:
„Mevrouw Coty en de Koninigin!"
'n Ander meisje kon haar opge
togenheid niet bedwingen en
toen Hare Majesteit aanstalte
maakte het lokaal te verlaten,
riep ze spontaan: „Dag, Konin
gin!"
In het Oogziekenhuis ging het
al even ongedwongen toe. Me
vrouw Coty kreeg hier een prach
tig bouquet anjers en een van
de meisjespatiënten bood Konin
gin Juliana witte orchideeën aan
met de woorden „Alstublieft lieve
Koningin". Ontroerd boog de
Landsvrouw zich naar het meisje
en dankte haar hartelijk.
Even over één uur kwam het
AMSTERDAM, 23 Juli. „Nous
sommes en vacances", deze
woorden sprak lachend een der
vijf bemanningsleden van de
„France", het vliegtuig der
Franse luchtmacht, waarmee de
President van Frankrijk en Ma
dame Coty naar ons land zijn
gekomen. Het vijftal, dat deze
vier dagen de gast is van de
Koninklijke Luchtmacht, ver
toefde vanmorgen in een Am
sterdams grachtenhuis waar een
oud Nederlands sportvlieger
zijn Franse gasten ontving. Ter
opluistering van die samenzijn
verscheen op de gracht een
Amsterdams pierement, dat, hoe
kon het anders, het concert
opende met het chanson uit
„Moulin Rouge", een muzikale
geste, die de Fransen bijzonder
apprecieerden. Dat de piloten
niet. alleen de stuurknuppel
kunnen hanteren maar even
goed de zwengel van een piere
ment, bewezen zij met de daad.
gehele gezelschap weer bijeen
bij het gebouw van de Kon. Roei
en Zeilvereniging „De Maas".
Hier hadden zich talrijke kijkers
opgesteld, die de President be
groetten met een enthousiast
„Vive la France". Groot was de
verrassing van het publiek, toen
de president met een hartelijke
armzwaai uitriep: „Leve Neder
land". Toen mevrouw Coty en
Koningin Juliana arriveerden
strooide het kantoorpersoneel,
werkzaam in de gebouwen rond
de Veerhaven op Amerikaanse
trans papierstroken naar bene
den.
Aan het noenmaal zaten be
halve de hoge gasten mede aan
de burgemeester van Rotterdam,
mr. van Walsum, wethouders van
Tilburg, andere gemeentelijke,
militaire autoriteiten en vertegen
woordigers van scheepvaart, han
del en industrie.
Om ongeveer vier uur verliet
het hoge gezelschap Rotterdam
weer. De Franse gasten begaven
zich via Bleiswijk, Hazerswoude
en Alphen aan de Rijn naar Am
sterdam, terwijl Koningin en
Prins de hoofdstad via Den Haag
bereikten.
Deelneemster aan
driedaagse fietstocht
's-HERTOGENBOSCH, 23 Juli.
Vanmorgen omstreeks 11 uur heeft
zich bij het passeren van de deelne
mers aan de driedaagse fietstochten
op de verkeersweg Breda—Gorkum
bij Keizersveer een ongeval voorge
daan dat het leven heeft gekost van
de 16-jarige deelneemster M. Pacilly
uit Den Bosch.
Waarschijnlijk doordat .enkele fiet
sers te veel ruimte op de verkeersweg
in beslag namen is het slachtoffer
door een passerende vrachtauto ge
raakt. Zij kwam te vallen en kreeg
een der achterwielen over zich heen.
Het meisje was vrijwel op slag
dood.
Het stoffelijk overschot werd over
gebracht naar het ziekenhuis in
Raamsdonksveer. Met het oog op dit
droevig gebeuren zijn voor vanavond
alle feestelijkheden ter gelegenheid
van de driedaagse fietstochten in Den
Bosch afgelast.
AMSTERDAM. 23 Juli. De
Raad voor de Scheepvaart heeft
thans schriftelijk uitspraak ge
daan in de zaak van de ontplof
fing in de lading zinc-ashes aan
boord van het motorschip „Rini"
op 15 October 1952 in de haven
van Delfzijl.
Volgens het oordeel van de
Raad was de lading bij de ver
zending vanuit Engeland aange
duid als „zinc-ashes", poeder-
vormig. Op de gestorte lading
lag een deel in zakken verpakt.
Uit een scheikundig rapport is
gebleken, dat het grotendeels
zinkstof was, dat onder invloed
van vochtige lucht waterstof kan
ontwikkelen en d'an explosief
wordt. De Engelse autoriteiten
hadden geen bijzondere eisen met
het oog op brand of ontploffing
gesteld. Waarschijnlijk waren de
ruimen niet droog genoeg. Ze
waren de dag vóór de inlading
uitgespoten.
De Raad meent, dat deze ont
ploffing de wenselijkheid heeft
aangetoond van het uiigeven van
overheidswege, ingevolge artikel
99 schepenbesluit, van lijsten van
ontplofbare stoffen en voor
schriften voor het vervoeren van
gevaarlijke ladingen.
1000000000000000000000000000000É000000S
VAN TWEE ZIJDEN hebben ook de vrou-
wen haar stem laten horen over het Bis
schoppelijk Mandement van Mei j.l. (Het is
formeel van 1 Mei, de datum waarop het afge
sloten is, maar het werd op 30 Mei afgekondigd.)
Daar is op de eerste plaats een artikel van het
C.H. vrouwelijke Kamerlid, jonkvrouwe mr C. W.
I. Wttewaal van Stoetwegen. Zij heeft het Man
dement becritiseerd in het orgaan van de Centrale
van Christelijk-Historisehe Vrouwengroepen. Een
heel ander geluid dan van mannen als Ruppert c.s.
van het Christelijk Nationaal Vakverbond, die nog
wel verder zouden willen gaan dan de Bisschop
pen. Overigens betwist ook jonkvrouwe Wttewaal
het recht van de Bisschoppen, om te spreken, als
zij deden, niet, zij is het er alleen niet mede eens.
Evenals de meeste protestanten kan ook zij zich
niet verplaatsen in de katholieke opvatting, welke
de eigen macht van de Hiërarchie erkent en zich
niet wezenlijk in de vrijheid beknot voelt, als zij
de leiding van de Bisschoppen aanvaardt, ook in
andere dan geestelijke zaken. Maar zij erkent
daarbij, dat er tijdelijke zaken zijn, met een gees
telijke achtergrond of een geestelijk fundament,
waarin de Bisschoppen hun woord te spreken heb
ben. eHt standpunt van de Bisschoppen doet dan
ook niets tekort aan de gewenstheid van samen
werking „nu wij leven in een kokende wereld,
waarin wij elkaar als Nederlanders hard nodig
hebben", gelijk jonkvrouwe Wttewaal het zeer
juist uitdrukt. Maar de Bisschoppen zijn niet tegen
die samenwerking. En wat zou die samenwerking
redelijkerwijs in de weg kunnen staan? Alleen
het feit, dat in de kringen van die anderen anders
gedacht wordt over ge'estelijke vrijheid en kerke
lijk gezag? Maar zeggen die anderen dan niet, dat
zij „eikaars inzichten willen eerbiedigen"? Laat
men dat dan dóen
Een andere stem uit de kring van de vrou-
wen ziet de situatie ten opzichte van het
Mandement juister in. Het is mevrouw Kor-
tekaas-den Haan, die de redactie voert van het
pittige maandblad voor de katholieke vrouw
„Vrouwenleven", die in een kort artikeltje in het
laatste nummer uiteenzet, dat een „begrijpen van
het Mandement alleen kan voortkomen uit een
levenshouding, die op God gericht is" (en dan nog
gebaseerd op de inzichten van de Kerk). Zo meent
mevr. Kortekaas dan ook, dat zelfs zij, die een
levenshouding aanvaarden, gericht op God, dikwijls
nog moeite hebben, het juiste begrip voor het
bisschoppelijk woord te vinden. Maar hier is sprake
van een aanvaarden in kinderlijke eenvoud, in de
overtuiging, dat „onze geestelijke leiders grote
zorgen hebben, om de gelovigen die onder hun
hoede zijn gesteld". De schrijfster geeft dan o.i.
terecht te kennen, dat wie „het groen-gebande
boekje werkelijk leest en niet alleen napraat wat
anderen er over zeggen", er niet han ontkomt, zich
af te vragen: „Waarom toch al deze felle reacties"
en dan stelt ook zij nog eens de vraag: staat hier,
in dit Mandement, iets, wat we niet al wisten?
Wij kunnen er inderdaad in lezen, dat het Man
dement van 26 September 1916 nog steeds van
volle kracht is bij de opbouw van de katholieke
sociale beweging, dat er in wezen dus niets veran
derd is. Er is slechts zwart op wit gezet, wat de
leidinggevende katholieke figuren uit het sociale
leven" toch reeds wisten en waarnaar zij steeds
trachtten te leven. Misschien zouden we het daar
om eigenlijk moeten betreuren dat dit alles nog
eens zo nadrukkelijk gezegd moest worden, om
dat er sommigen zijn, „die het gevaar lopen, de
waarde en noodzaak van onze verbondenheid en
eenheid uit het oog te verlieizen. Is dit Mandement
dan geen inbreuk op de persoonlijkheid? Maar ook
mevr. Kortekaas herinnert dan aan het gezagheb
bende woord van Kardinaal de Jong „in de ge
vaarlijke en critieke tijden, zoals vóór en onder
de oorlog", een woord, dat door vriend en vijand
werd aanvaard." Niets is daarom minder waar, dan
dat het Episcopaat een eenzijdige beslissing dicta
toriaal op de schouders van de gelovigen heeft
willen leggen. De Bisschoppen hebben trouwens,
volgens hun eigen verklaring, „in hechte verbon
denheid met de priesters en in eerlijk beraad met
oök om de doorwerking van deze houding in het
geheel van ons menselijk, maatschappelijk leven.
Het is dus een echt positief christelijk stuk. De
Bisschoppen vorderen van ons en hebben het
volste récht dat te doen! een levenshouding, die
moet worden ingenomen in een wereld waarin ook
vele mensen niet christelijk denken, maar het niet
temin oök goed menen met de samenleving. En
daarom geven de Bisschoppen richtlijnen die
door de critici merkwaardig genoeg maar worden-
verzwegen! voor onze houding en gedragingen
tussen katholieken en niet-katholieken
En deze uiteenzettingen laten zij voorafgaan
aan een nadere beschouwing over de nood
zaak en de taak van de kath. sociale organi
saties, waarvan het actueel is, de zin nog eens te
herhalen, nu van andere zijde (in 't bijzonder door
het N.V.V., dat het Mandement als 'n voorwendsel
voor het verbreken van een goede samenwerking
nam) het bestaansrecht van die katholieke organi
saties wordt ontkend. Er moet, zegt het Mande
ment (pag. 16) op maatschappelijk gebied meer
leken, dit leidende woord willen spreken."positief en concreet gebouwd worden, aan een
beter, een meer geordend en vooral ook in chris-
En zo is dit Mandement geschreven voor
He allen, ook voor de vrouwen, tot wie de
schrijfster in „Vrouwenleven" uiteraard haar
woord richt. Maar de grondslag van haar betoog
is een geschikt uitgangspunt, om nog eens tot
allen, tot de mannen en tot de vrouwen te zeggen,
hoe onjuist het is, gelijk velen doen, zich bij de
bespreking van en de critiek op dit document, te
beperken tot de twéé bladzijden er uit, die zich in
het bijzonder met de politiek bezig houden en geen
aandacht ,te schenken aan de 46 zegge en schrij
ve zes-en-veertig andere bladzijden, die in het
algemeen handelen over de taak van de katholiek
in het openbare leven, met het vele, dat daaraan
vastzit. Terecht werd in het kaderblad van de
K.A.B. deze week opgemerkt, dat de Bisschoppen
niet anders niet méér, maar ook niet minder!
hebben gedaan, dan „voortzettend wat door alle
eeuwen heen door hen is gedaan, thans in een tijd
van godsdienstige vervlakking en zedelijk verval,
de Nederlandse katholieken de weg te wijzen naar
herstel." Maar er wordt tevens een program ont
vouwd, zo vooruitstrevend, als alleen de volwaar
dige beleving van het christendom ons brengen
kan. Het gaat daaFbij niet alleen om onze houding
ten opzichte van God en godsdienst, maar vooral
telijk opzicht volmaakter maatschappelijk bestel en
„zonder de aanvaarding van de christelijke grond
slagen en zonder de doorvoeringvan de christe
lijke beginselen is géén duurzame maatschappelijke
orde en -waarachtig welzijn mogelijk". Daarvoor
zijn vanzelfsprekend organisaties en bewegingen
en bonden nodig, die van de christelijke beginselen
uitgaan, die het christelijk beginsel aanvaarden als
grondslag van hun werken en streven. Dat
doen neutrale en socialistische en vrijzinnige ver
enigingen van nature niet. En toch: ..Christus
alleen is de hoeksteen, waarop èn de burgerlijke
maatschappij en de ènkeldng veilig stand kunnen
houden." De Bisschoppen prijzen de activiteit tot
nog toe van de katholieke sociale beweging en
beklemtonen dan nog eens de juiste verhouding
tussen het geestelijke en het tijdelijke: het geeste
lijke staat voorop, het bezit het primaat, maar de
beleidsvraag van de juiste verhouding tussen het
geestelijke en het tijdelijke „kan en mag niet wor
den opgelost door Zich terug te trekken in het
geestelijke." Hoezeer er ook gevaren verbonden
kunnen zijn aan het zich bezig houden met het
tijdelijke, vast staat, dat de Kerk „tot taak heeft,
het evangelie te verkondigen voor onze tijd en
voor onze verhoudingen, zij moet het christendom
tot zuurdesem maken van onze huidige maatschap,
pij. De geestelijke taak van de Kerk moet verwe
zenlijkt worden in het volle leven, de Kerk kan
de ziel der mensen niet winnen, als ze de mens
zou verliezen"....
De Bisschoppen verdedigen op de bekende
He gronden het bestaansrecht van de katholieke
sociale organisaties, „ook om het Koning
schap van Christus op alle gebieden van cultuur en
arbeid te verbreiden", geven een en ander aan
over de moderne verhouding tussen stands- en
vakorganisaties, waarbij zij in afwachting van een
rapport terzake, te kennen geven, dat het onjuist
zou zijn, indien alles in handen kwam van de vak
bonden, omdat dan teveel naar het tijdelijke zou
worden overgeheld. Hoe meer zou dat geschieden,
indien er in het geheel geenkatholieke bonden
waren en alles en iedereen was „overgeleverd"
aan neutrale, vrijzinnige of socialistische bonden
en bewegingen! Men kan op sociaal en politiek
terrein, zoals nu pas ook weer in de discussie rond
om de breuk, door het N.V.V. veroorzaakt, ge
schiedt, critiek oefenen op het standpunt van de
Bisschoppen, maar men zal toch moeten inzien,
(als men nog iets van „samenwerking" terecht
wil brengen, dat katholieken altijd aanvaard heb
ben en zullen aanvaarden, dat de Bisschoppen door
God zijn aangesteld om de Kerk te besturen en
„het heilige volk van God" te leiden. Dit „heilig
bestuur" (pag. 15) is er een van directe heiliging,
van lering en leiding. „Deze leiding betreft niet
alleen de apostolische werken op kerkelijk terrein,
maar ook de doorvoering van het evangelie op
wereldlijk gebied. Als de katholiek voor zijn taak
en zijn plaats in het openbare leven van deze tijd
richtlijnen nodig heeft, dan haalt hij die bij zijn
Bisschoppen. Daar geeft hij zich aan over, daar
legt hij zich bij neer. Wie dat niet kan begrijpen
of aanvoelen, moet in dat standpunt van de katho
liek waarmee hij immers hier en daar wel wil
en wel moet samenwerken berusten. Dan be
hoeft er verder voor goedwillenden geen misver
stand meer te zijn. Vér boven het verpolitiekte
rumoer rondom het grootse Mandement st^at deze
herinnering, die de Bisschoppen geven aan een
woord van Paus Pius XI: dat „aan het zo vurig
gewenste herstel der maatschappij moet voorafgaan
een hernieuwing van de christelijke geest" en
„iedere ware en duurzame hervorming moet uit
gaan van het heiligdom, van mensen, die gedreven
worden door liefde tot God en de naaste". Want,
laten wij ook deze waarheid van het Mandement
goed onthouden: „De angstwekkende problemen
van onze tijd, waartussen het sociale vraagstuk
nog altijd staat als een basisprobleem, dat uitein
delijk het atheïstisch communisme heeft doen ge
boren worden, zijn tenslotte een zedelijk probleem,
en de wrange vrucht van een zedelijk tekort. Daar
om moet het herstel op twee pijlers worden ge
bouwd: het moet enerzijds uitgaan van een levend
geloof en een groeiende liefde tot God en ander
zijds neerkomen op méér liefde tot de mensen ea
vorm krijgen in christelijke solidariteit".