OnsCourantenverhaal daar de oude zuur en onbrukibaar is geworden. Met een scherp mes worden daarbij alle aangetaste en verrotte wortels weggesneden. Na het verplanten houde men de planten vochtig, liefst iets aan den drogen kant, totdat zich nieuwe wortels Jjjebben ge vormd. Wordt de aarde door overmatig gieten dras sig en zuur, dan geschiedt dit vooral wanneer de planten is geglazuurde potten staan, of in potten waarbij het gaatje in den bodem is verstopt. In geglazuurde potten kan de lucht niet door den wand heendringen, zooals dat bij goede poreuse bloem potten het gevadl is, terwijl als het afvoergaatje verstopt is, het overtollige water niet kan wegvloei en en de grond nog vluggef verzuurt. Het zla dui delijk zijn, dat het verven van bloempotten zooals we nog wel eens zien gebeuren, vooral op het platte land ten eenenmale uit den booze is.. Bij te droge luchttemperatuur schrompelen de bladeren in. In dat geval kan het voordeelig zijn de planten zoo nu en dan eens met een bloemen- spuitje te besproeien. Wanneer water, luchtvochtig heid en licht voldoende aanwezig zijn, en de planten toch nog ziek worden, dan kan gebrek aan voedsel de oorzaak wezen. In dat geval is het noodzakelijk om de planten in frissche aarde te verpotten en door bemesting het voedseltekort aan te vullen. Behalve door bovengenoemde invloeden kunnen ziekteverschijnselen ontstaan door voor het leven van de plant schadelijke dieren of planten. Aardma- den kunnen de wortels bechadigen, regenwormen de aardeverzuren. De eerste worden zorgvuldig weg gevangen, de laatste naar de oppervlakte gedreven door de plant in warm doch niet te heet water te zetten, of de aarde te begieten met een aftreksel van notebladeren of wilde kastanjes. Bij droge lucht ontstaan aan kruidachtige planten bladluizen, welke de bladeren zoo kunnen toetake len, dat de plant er door ten gronde gaat. Een be spuiting met een aftreksel van tabak doodt deze las tige gasten. Op veel planten treft men ook schild luizen en wolluis aan. Deze zijn door afwasschen der bladeren met zeepsop of tabakswater, te verwij deren. Uiterst gevaarlijk gedierte zijn trips en roode spin, welke hoofdzakelijk op Azalea plam en dergely ke planten gevonden worden. Ze zijn door kleine roode puntjes aan de onderzijde der bladeren te herkennen en meestentijds het gevolg van te war me of te droge lucht. Bij palmen is dan afwasschen der bladeren met zeepsopo nontbeerlijk. Na het afwasschen worden de bladeren afgespoten met zui- ver water, waarna men de onderzijde der bladeren met bloem van zwavel bestuift. Aangetaste Azalea s ed die men natuurlijk niet kan afwasschen,doope men in tot 42 graden Reamur verwarmd water, waarin men ze ten hoogste een halve minuut kan laten staan. Ook plantaardige vijanden kunnen het leven on zer kamerplanten belagen. Deze ontstaan in hoofd- zaok door sterke temperatuurschommelingen en door tocht. De planten worden dan aangetast door een miroscopisch klein schimmelplantje, bekend als meeldauw. Zoodra men deze woekering bemerkt, bevochtige men bij zonnig weer de bladeren en bestuive ze daarna met een flinke laag bloem van zwavel. Het middel helpt echter alleen, als het tij dig wordt toegepast. Men zie de planten dus gere geld na en wake tegen tocht. Tenslotte noemen we nog de roest, die de pal men veel aantast maar ook op andere planten voor komt. In Juli en Augustus treedt deze zwam het sterkst op en is dan gemakkelijk te herkennen aan de roest of oranje bruine vlekjes aan de achterzijde der bladeren. Vochtige warmte werkt het optreden zeer in de hand, zoodat de frissche lucht een eerste vereischte is om het kwaad te voorkomen, want te genezen is de plant zeer moeilijk als ze door roest is aangetast. Voorkomen is beter dan genezen, is een wet die door alle plantenziekten geldt. Voed en ver zorg uw planten daarom op de juiste wijze. Als ze goed gedijen hebben ze meer weerstandsvermogen en zijn ze minder vatbaar voor ziekten. INGEZONDEN (Buiten verantwoording der Redactie). Hoorn, 4 Augustus 1932. Redactie ,,Langedijker Courant." Geachte heeren, Beleefd verzoek ik u opname van het navol genide. Van bevriende zijde i"k lees zelf uw blad niet ontving ik een uitknipsel,, waarin een zeke re heer A. Troost fulmineert tegen mij in ab sentia. Een zeer aanvallige bezigheid overigens. Ik wil op dit geschrijf niet antwoorden. Alleen diene deze uw lezers te onderrichten, dat ik het gelezen heb. Die meer omtrent mijn denkbeelden aangaande de bestaande toestanden, alsmede van de neutraliteit van den Neutralen Bond van Boeren Land- en Tuinbouwers wil vernemen, verzoek ik te willen kennis! nemen van de be- toogen, welke ik voor de, microfoon zal uitspre ken op resp. 24 Augustus en 7 September a,js. Tot welke gekke oprispingen soms felle partij haat aanleiding geeft., kan men lezen uit de be wering, dat ondergeteekende communist is. En verder leze u: Bewijzen de toestanden enz. niet zonneklaar, dat stelselmatige productie, ^of in gehater terip,uitgedrukt ..Planwirtschaft" met deugt" Hebt u, lezer, ooit iets van stelselma tige productie bemerktIn dezen tijd?? Een kip zonder kop is er niets bij. Als ik geen waardiger tegenstander krijg, heer Troost, dan is het al niet veel waard. U leze ook maar eens het welbekende Plattelandsver arming, en ook vooral als een waardig man als de heer Smid bij dien vergeleken zijt ge nog een kindje over de hedendaagsche verhoudingen schrijft. Met beleefden dank, „J. ROSELAAR Den Heer ROSELA AR Hoorn. U schrijft inderdaad interessant. Uw betoogtrant is helder, uw! argumentatie klemmend, zelfs bewonderenswaard 'En de toon, ik bewonder de waardigheid, ze is liefelijk en idoet aangenaam aan. Het past me deemoedig het hoofd te buigen; tegenover den heer J. Smid oud-referendaris bij de Directie van den Landbouw gevoel ik me klein, en geloof me, tegenover u, heer Rbselaar, land bouwdeskundige ,,jure suo" en econoom van groot formaat, als een dwerg. Ik veroorloof mij, u op te merken, dat ^Plat telands verarming", mij ter lezing aanbevolen, reeds bekend was. Bekend is mij ook uw opmerking in dit blad (vrij weergegeven) ,,we telen geen waardelooze producten meer, we gaan „Planwirtschaften". Dial was vorig jaar. Oude plunje kan zelfs voor economen van uw statuur lastig zijn. eEp vraagstuk waag ik u ter oplossing voor te leggen. Aan den Langendijk verbouwt men vroege kool. De teelt neemt in beteekenis af Hoeveel ha. hadden we van dit product dit voorjaar moeten planten Nu blijkt, dat practisch. elke hoeveelheid gemist kan worden. Welke maatstaf wilt ge aanleggen? Draai er eens niet om heen, voer fnu eens geen groot woord, beroep u nu eens niet op grootheid A of econoom G en antwoord. Zwam niet in de ijdele ruimte, wordt eens concreet, practisch. Neem, als het artikel kool u wat lastig is, dan maar vroege of late aardappelen. Nu word ik bepaald lastig* heer Roselaar. ICun$ u het niet, waagt u zich er niet aan och, spreek dan voortaan minder bout. Vraagt ge mij, hoe ik over Planwirtsehaft denk dan verwijs ik u naar de studie van dr. H. Oolijn. Misschien heeft diens kijk op de economie voor u geen waarde. Nochtans geldt hij voor een der grootsten op dit terrein in ons werelddeel. U vindt deze studie in een reeks artikelen in ,de Standaard", ze zullen wel als boek ver schijnen. Voor u voor de microfoon, gaat spreken, doet u goed hiervan kennis te nemen. Dan kan het zijn, dat u overtuigd wordt, dat de oplossing van het landbouwvraagstuk hier en overal niet ligt in een mechanische Plan- wirtschafterij, doch in het wegruimen van alle handelsbelemmeringen Doch voor het laatste is noodig een radicale wijziging van de geestestoestand der volkeren. Doch genoeg, ik word anders te lang van stóf. Tot een zakelijk, hoogstaande bespreking in het belang van onze gedrukte bevolking gaarne bereid, verblijf ik, Uw dw. A. T. Aan de Redactie van de Nieuwe Lan- gedijker Oonrnat" te Noordscharwoufle. Gaarne zag ondergeteekende het volgende in uw ev. Zaterdagnummer opgenomen: Tegenweer. Tegenover het verweer van Jasper, volge hier mijn tegenweer. Voorop ga de verklaring dat de aanleiding van mijn schrijven in de ,,N. L. C|rt.,' van ^1. Dins dag, was gelegen in twee feiten. Allereerst de anonieme brief aan zijn adres, waaruit mij bleek, hoe deze inzender door praat als gevolg van het ongepast uitdragen van een bespreking gehouden in een besloten ver gadering, een onjuiste kijk op 'de kwestie had, ten "tweede het ook mij ter oore gekomen feit dat eenige onzer menschen Se cabaretavond hadden 1<Tocht. Ik meen beide partijen zakelijk en prin cipieel te hebben ingelicht. Geheel het verloop dezer zaak komt voor rekening van een óf meer dere comiteleden. Zoo zij gezwegen hadden, had er mijnenthalve geen haan naar gekraaid. Doch nu komt Jasper als de verongelijkte en in zijn brood benadeelde, mij kapittelen. Laat niTj aller- e rst zeggen, dat het allerminst tegen hen gaat en wil zelfs terzijde leggen Se opmerking van Sen verslaggever over hun, over geleverd werk te Zuidscharwoude, met als verweer „de breipen eh gaarne aannemen dat hun werk in doorsnee cultureel en zedelijk op hoog peil staat. Het gaat in mijn bezwaar dan ookf niet tegen hun werk, maar tegen de outillage. Nu Jasper zelf verwijst naar zijn particuliere schrijven aan mij, mag ik daar ook gebruik van maken. Welnu, daarin wijst bij alle verantwoordelijkheid, wat het or ganisatorische van dien avond betrof, van zich. En uit, het verdere gedeelte blijkt m.i. dat hij de aankleeding voor onze menschen zelf als een be zwaar aanvoelt. Ook na aftrek van het reeds gepubliceerde ..bal na' deugde voor ons de zgn. stoffage niet. Waar Jasper dit, wegen met de goudschaal vindt, be wijst alleen dat hij de zaken van meer vrijzinnig standpunt beziet en zijn wij de bekrompen men schen. Wij kennen dat oude liedje heel goed. In de vorige eeuw schold men ons zelfs voor .Jdompers" en menschen uit de nachtschuit. We zijn echter door goed gerucht en kwaad gerucht doorgegaan en wenschen voor ons zelf te blijven kiezen, daarvoor als richtsnoer hebbend de onfeil- bare waarheden en grondslagen van Gods Woord Wanneer daar wat meer naar geleefd werd ook door velen onzer menschen zou dit ook J meer respect afdwingen en de toestanden onder ling heel wat verbeteren. ik* houd idan ook voor de volle 100 procent staande, dat onze menschen op de gehouden ca baret-avond niet thuis hoorden. Niét omdat ze beter zijn dan anderen, maar omdat ze anders behooren te zijn. Niet anders ir. de slechte beteekenis wat helaas pok veel te veel voorkomt da,t zij, wat netheid en be trouwbaarheid betreft, in de schaduw van menig le klas vrijzinnige niet kunnen staan, maar iti de eenig goede beteekenis, dat zij zedelijk volop uknnem concurreeren en daarbij in geestelijken zin, desgeëischt wat voor hun beginsel over heb ben. En dit komt bij flink uitleven stellig om den hoek. Hoon en smaad van het gepeupel moe- tne zij kunnen verdragen. Wtereldsche genoegens den rug toekeeren en handelen zooals bv. enkele onzer flinke jonge menschen in dienst dodn,, om hij aldien zij niet anders dan JZondags verlof kunnen krijgen, in de kazerne en militair tehuis blijven, omdat, zij zonder uiterste noodzaak op Zondag niet willen reizen. Aan. zulke menschen voorai jonge, heeft de maatschappijl behoefte. Zij kunnen haar vooruit helpen. Wpt' het intellect niet kan,, dat kan het moreel. Dat overig onschuldige vertooningen door de outillage kunnen worjden bedorven, wil. ik met een voorbeeld aangeven. Wij zijn principieel tegen de kermis.. Rat wil natuurlijk niet zeggen dat we tegen een draai molen en schobbelschuit zijn in een pf andere speeltuin, maar wel als staande op Öe kermis. Nu kunnen de spullebazen ons ten laste leggen, dat wij met onze actie ertegen, hun schade doen, doch daarvoor gaan we natuurlijk' niet uit den weg, evenmin als strijdbare geheel-onthouders. ter oorzake van schade aan de kroegbazen, daarom hun actie zoudfen opgeven, Tndien'Jasper en Meraitje Sus weer onder zulk gesternte optreden, zullen ze mij voor hun karre tje niet spannen en ik hoop voortaan ook niemand" onzer menschen. Of ik dat' onder andere omstan digheden wel zal doen, wil ik evenmin beloven. Dit staat wel vast, 'dat' gezien de motiveering van Jasper., onze inzichten wel wat uiteeüloopen, In zijn particulier schrijven noem?hij zijn werk beschaafd, netjes, vroolijk «u neutraal. 'j$u kan het gtf zoo ligt in den staart iitten. Wij zijn voor neufraal werk nu eenmaïd een peetje huiverig. Wij hebben daar teveel kennis mee gemaakt om er onze sympathie voetstoots aan te geven. Wat het aanbevelen van rust aangaat met een toespeling op de e.v. raadsverkiezing is-feitelijk even beneden paPi. Wanheer Ik er mij nooit druk ker voor maak, dan voor de jl. gëhoudene, zat het mijn nachtrust in ieder geval geen schade doen. Do"ktfn deze zaken is het beginsel overwe gend, behoort het althans te zijn, anders zou ik adviseeren leg het bijltje er maar bij neer. "Lid van flen raall' te zijn lijkt mij in menige plaats 'een heel twijfelachtige eer', terwijl men er Koor veel klein persoonlijk gedoe, vele onaangenaam lieden kan opdoen. Ik zal in deze en anciere za ken echter alleen handelen naar het advies van anderen, als dit met mijn eigen overtuiging en roeping overeenstemt. Naar ik "hoop steeds za kelijk en principieel* Die spreuk op ons huis ,,iRepos Ailleurs" is de levensspreuk geweest van Mamix van 3t. Al- degonde. Hij is de dichter van het Wilhelmus, waaruit men 'hem geestelijk kan aanvoelen. 'In "den roerigen Spaanschen tijd vluchtte hij als burgemeester van Antwerpen uit lijfsbehoud naar ons rand en was hiér de rechterhand van 'Erins Willem van Oranje in de Vaderl. Geseh. bekend 'onder "den eerenaam van Vader des Vaderlands" Deze Fransche spreuk nu beteekent in ons "Hollandsch Hierna de rust." - Aan deze spreuk hoop ik mij steeds te spiege len. Voer het heden gelldt steeds „Rust roest.' En nu tem bewijze, dat het bij mij niet gaat tegen personen, maar alleen om beginselen, aan mijn beide opponenten een vriendelijken groet. Houdt u er steeds van overtuigd, dat ik meer respect heb voor loyale eerlijke principieéle tegen standers, dan voor zgn. médestanders, die mét onze beginselen maar wat marchandeeren. Ten bewijze hiervoor kan dienen, dat ik een reeks van jaren ïm het bestuur der Langed. Win keliers,. Nering en Vakvereeniging met de helaas overleden, zeer vrijzinnige heer Berkhout heb sa mengewerkt in zet'fs intiemen omgang, hoewel wij principieel lijnrecht tegenover elkaar stonden. Dit kon, om!dat ik hem eerde vooral bij ver schillen als een eerlijken, verstandigen, loyalen principieelen tegenstander. En ik durf zeggen, onze vriendschap was wederkeerig. Daarentegen heb ik eigen menschen wel afge straft en meehelpen onschadelijk maken. Dlat mag mienjv an mij hier ook: op Sitit, Pancras verwach ten. Het gaat niet om! mijn eigen persoon. Om allemans vriend te worden, moet men vooral wat soepel zijn. En hiervoor heb ik allerminst aanleg. Ik ben er van overtuigd dat er ook van onze menschen zijn die mij testrak! en te straf vinden terwijl anderen er mij om zullen haten. En hoewel ik deze dingen natuurlijk persoon lijk niet aangenaam vind, ik dit niet het ergste. Wat ik wel erg zou vinjden als iemand mij met eenig recht zou kunnen aanwrijven niet met open vizier te strijden of gebruik-' te maken van on eerlijke middelen. Aan u, mijnheer de Redacteur, mijn vriende lijken dank voor de plaatsing van dit af scheids- epistel. Hoogachtend,, Uw dw. H. HART. (Sint Pancras, 6 Augustus 1932. DE MOEDIGE. (Naar het Fransch van PAUL RIVOIR) Na langdurige overwegingen en overdenkingen, op zijn jonggezellenkamer in de Avenue d'Eylan, vanwaar hij den Eiffeltoren kon zien oprijzen, kwam Marcel Cochet tot de conclusie, dat hij verliefd' was op Lucrezia Mogdiliani, de bekende dierentemster van het circus Médrano. Sinds maanden bezocht hij het circus, minder om naaar har verrichtingen te kijken dan wel om haar lenige, slanke, maar toch krachtige gestalte te bewonderen. Terwijl anderen tot een vrouw wor den aangetrokken door de charme, de teekerheid, de zachtheid, het echt vrouwelijke, was Marcel Cochet bekoord door de kracht van haar optreden, doord en moed, waarmee zij dfe kooi der wilde dieren betrad, armen en beenen ontbloot, het lichaam bedekt door een groot tijgervel. Met een karwats in de hand, terwijl in haar gordel de zilveren hand grepen van pistolen schitterden, ging zij, schijnbaar onbevreesd, de wilde dieren tegemoet, ze met haar donkere vurige oogen bedwingende, waardoor ze ieder van haar bevelen gehoorzaamden. Marcel had het geluk gehad, overigens zonder veel moeite, haar na het optreden in het circus te ont moeten, nadat zij het langdurige applaus van het begeesterde publiek met herhaalde buigingen en glimlachjes in ontvangst had genomen. Zelfs had zij een aanbod aanvaard om haar met zijn auto tot haar huis te vergezellen, waar zij met haar moeder, een Parisienne net als zij, al deed haar naam op de affiches ook vermoeden, dat zij een Italiaansche was, woonde. Marcel had de voor- en nadéelen van het huwe lijk met een dierentemster langdurig overwogen. Zijn vrienden zouden hem wellicht bespotten, zijn familie zich van hem afkeeren, misschien zouden de kringen, waarin hij placht te verkeeren, voor hem gesloten worden, wanneer hij het zou wagen zijn vroouw daar ook te introduceeren. Maar wat beteekende dat alles tegen het bezit van een vrouw, aanbiddelijk niet alleen om de schoonheid van haar gelaat, van haar figuur, maar ook om het buiten gewone van haar zelfbewust, man moedig optreden. Ze had in haar gesprekken niets van het cordate, van het ietwat ruwe van haar métier. Ze was gees tig, beschaafd, gevat, wist een bon mot" te plaatsen en te apprecieeren. Na den «.vond, waarop Lucrezia hem wel is waar vriendelijk had begroet, maar ook even vriendelijk had geknikt naar een heer in een andere loge Marcel verbeeldde het zich besloot hij den vol genden morgen Marie Valmier, zoo heette ze eigen lijk, te vragen zijn vrouw te worden. „Beste Mercel", had zij geantwoord, toen hij het doel van zijn komst had verteld, „ik voel me zeer vereerd door je aanzoek, maar ik zal moeten wei geren. Ik voel nu eenmaal niets voor den doorsnee Parijzenaar, die zijn leven het meest dierbare vindt, die van zijn wijn, zijn diners geen afstand kan doen, niet voor de vrouw, die hij liefheeft, die meent een vrouw te kunnen veroveren door een byouterie, in een bouquet verborgen, een bontmantel, een prach- tigkleed of een auto, maar die, in wezen, te laf is om zich op. te offeren, die een vrouw vraagt met de zekerheid, dat hij iedere vrouw weet te bekoren. „Maar Marie, ik heb je lief." „Daar is weinig moed voor noodig, beste Marcel, om dat te zeggen. En je zou mij niet gevraagd heb ben, als je niet de zekerheid met je droeg, dat ik ja zou zeggen. Welnu, ik zeg neen!" „Ik zou je graag willen toonen, dat ik meer moed heb dan alleen „ik heb je lief" te kunnen zeggen." „Misschien den moed van den man, die zich door den wil van een vrouw laat kneden, zooals zij wil, den moed van de vrouwenroknalooper, die zijn vrouw in alles gehoorzaamt, zooals de wilde dieren mij. Welnu, ik houd niet van zulk een man, die eigenlijk een stumperd is. Ik ben gewoon te worden gehoorzaamd, maar ik kan den man niet liefheb ben, die mij niet doet gehoorzamen aan zijn wil, die niet krachtig genoeg is mij te beschermen. Ik ben een vrouw, die moed bewondert, vooral in den man, dien ik mijn hand schenk. En jij, brave Marcel, die nu kijkt alsof je een onoverkomelijk ongeluk is gebeurd juist voor zulk een gezicht van den man walg ik jij mist de hoeveelheid moed, die ik eisch van den man, die mij kan beschermen." Mercel keek haar aan. Ze was nu toch waarlijk de dierentemster, desnoods bereid zich op hem te wer pen en hem met haar karwats te kastijden. Er brak iets van zijn liefde voor haar. Maar nu kwam zijn eigenliefde als man weer boven en om te toonen, dat hij geen lafaard was, vroeg hij: „Wat moet ik doen om te toonen, dat ik den moed bezit, dien gij eischt?" Ze dacht even na en zeide: „Ga met mij tien minuten in de kooi der wilde dieren en ik zal je vrouw worden." Marcel aarzelde. Reeds speelde een glimlach om den mond van de schone vrouw. Toen zeide hij: „Aangenomen, wanneer wil je?" „Zoodra de directeur mij daartoe verlof geeft. „Is dit je eenige voorwaarde, waarop ik je win nen kan?" Als je bang bent voor het gevaar, waaraan ik avond aan avond bloot sta, dan behoef je niet. Het is geen bevel, waaraan je onverwaardelijk moet ge hoorzamen." „Ik herhaal, dat ik het doen zal." „Prachtig, ik bericht je wanneer je kunt komen. Reeds den volgenden morgen ontving Marcel een briefje van den directeur van het circus, dat hij Woensdagavond tien minuten onder bescherming van Lucrezia Modigliani in de dierenkooi mocht doorbrengen. Den volgenden morgen vertelde de „Matm daar toe ingelicht door den circusdirecteur, dat Marcel Cochet tien minuten in de leeuwenkooi zou vertoe ven. Het geld hier een weddenschap. De avond kwam. In de loges zag Maartin tl van zijn kennissen die niets wisten van zijn liefde voor Lucrezia. Lijkbleek, maar vastbesloten, dat hij Marie zou toonenn, dat hij een moedig man was, betrad hij de kooi. De leeuwen brulden hem aan, maar ze werden in bedwang gehouden door de dierentemster die bij hem stond. En toen hij daar in de kooi stond, angstig, bevreesd te worden aangevallen, voelde hij toch de lafheid, dat hij beschermd werd door een vrouw, misschien brutaler dan hij. Hij zag alleen dat brutale, nu niet meer de schoonheid van die vrouw, in die tien minuten, dat hij naast haar staan bleef en zich niet dorst te bewegen. De tien minuten waren om. Rugwaarts verliet hij de kooi. Een flaauwte overviel hem, nu hij zich bui ten het bereik vn de wilde dieren wist, maar hij hield zich staande en verdween onder het applaus van het circuspubliek achter het fluweelen doek, dat de arena van de foyers scheidde. Marie voerde hem mede naar haar kleedkamer. Daar viel ze hem om den hals en kuste hem. Zij zeide: „Ik heb je lief, omdat je een moedig man zijt". „Een moedige man", z*ide Marcel, terwijl hij voor haar boog, „maar niet moedig genoeg, om met u te trouwen. Ik heb de eer U te groeten". En hij ging heen.

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Nieuwe Langedijker Courant | 1932 | | pagina 6