OnsCourantenverhaal
daar de oude zuur en onbrukibaar is geworden.
Met een scherp mes worden daarbij alle aangetaste
en verrotte wortels weggesneden. Na het verplanten
houde men de planten vochtig, liefst iets aan den
drogen kant, totdat zich nieuwe wortels Jjjebben ge
vormd. Wordt de aarde door overmatig gieten dras
sig en zuur, dan geschiedt dit vooral wanneer de
planten is geglazuurde potten staan, of in potten
waarbij het gaatje in den bodem is verstopt. In
geglazuurde potten kan de lucht niet door den wand
heendringen, zooals dat bij goede poreuse bloem
potten het gevadl is, terwijl als het afvoergaatje
verstopt is, het overtollige water niet kan wegvloei
en en de grond nog vluggef verzuurt. Het zla dui
delijk zijn, dat het verven van bloempotten zooals
we nog wel eens zien gebeuren, vooral op het platte
land ten eenenmale uit den booze is..
Bij te droge luchttemperatuur schrompelen de
bladeren in. In dat geval kan het voordeelig zijn
de planten zoo nu en dan eens met een bloemen-
spuitje te besproeien. Wanneer water, luchtvochtig
heid en licht voldoende aanwezig zijn, en de planten
toch nog ziek worden, dan kan gebrek aan voedsel de
oorzaak wezen. In dat geval is het noodzakelijk
om de planten in frissche aarde te verpotten en
door bemesting het voedseltekort aan te vullen.
Behalve door bovengenoemde invloeden kunnen
ziekteverschijnselen ontstaan door voor het leven
van de plant schadelijke dieren of planten. Aardma-
den kunnen de wortels bechadigen, regenwormen
de aardeverzuren. De eerste worden zorgvuldig weg
gevangen, de laatste naar de oppervlakte gedreven
door de plant in warm doch niet te heet water te
zetten, of de aarde te begieten met een aftreksel
van notebladeren of wilde kastanjes.
Bij droge lucht ontstaan aan kruidachtige planten
bladluizen, welke de bladeren zoo kunnen toetake
len, dat de plant er door ten gronde gaat. Een be
spuiting met een aftreksel van tabak doodt deze las
tige gasten. Op veel planten treft men ook schild
luizen en wolluis aan. Deze zijn door afwasschen
der bladeren met zeepsop of tabakswater, te verwij
deren. Uiterst gevaarlijk gedierte zijn trips en roode
spin, welke hoofdzakelijk op Azalea plam en dergely
ke planten gevonden worden. Ze zijn door kleine
roode puntjes aan de onderzijde der bladeren te
herkennen en meestentijds het gevolg van te war
me of te droge lucht. Bij palmen is dan afwasschen
der bladeren met zeepsopo nontbeerlijk. Na het
afwasschen worden de bladeren afgespoten met zui-
ver water, waarna men de onderzijde der bladeren
met bloem van zwavel bestuift. Aangetaste Azalea s
ed die men natuurlijk niet kan afwasschen,doope
men in tot 42 graden Reamur verwarmd water,
waarin men ze ten hoogste een halve minuut kan
laten staan.
Ook plantaardige vijanden kunnen het leven on
zer kamerplanten belagen. Deze ontstaan in hoofd-
zaok door sterke temperatuurschommelingen en
door tocht. De planten worden dan aangetast door
een miroscopisch klein schimmelplantje, bekend als
meeldauw. Zoodra men deze woekering bemerkt,
bevochtige men bij zonnig weer de bladeren en
bestuive ze daarna met een flinke laag bloem van
zwavel. Het middel helpt echter alleen, als het tij
dig wordt toegepast. Men zie de planten dus gere
geld na en wake tegen tocht.
Tenslotte noemen we nog de roest, die de pal
men veel aantast maar ook op andere planten voor
komt. In Juli en Augustus treedt deze zwam het
sterkst op en is dan gemakkelijk te herkennen aan
de roest of oranje bruine vlekjes aan de achterzijde
der bladeren. Vochtige warmte werkt het optreden
zeer in de hand, zoodat de frissche lucht een eerste
vereischte is om het kwaad te voorkomen, want te
genezen is de plant zeer moeilijk als ze door roest
is aangetast. Voorkomen is beter dan genezen, is een
wet die door alle plantenziekten geldt. Voed en ver
zorg uw planten daarom op de juiste wijze. Als ze
goed gedijen hebben ze meer weerstandsvermogen
en zijn ze minder vatbaar voor ziekten.
INGEZONDEN
(Buiten verantwoording der Redactie).
Hoorn, 4 Augustus 1932.
Redactie ,,Langedijker Courant."
Geachte heeren,
Beleefd verzoek ik u opname van het navol
genide.
Van bevriende zijde i"k lees zelf uw blad niet
ontving ik een uitknipsel,, waarin een zeke
re heer A. Troost fulmineert tegen mij in ab
sentia. Een zeer aanvallige bezigheid overigens.
Ik wil op dit geschrijf niet antwoorden. Alleen
diene deze uw lezers te onderrichten, dat ik het
gelezen heb. Die meer omtrent mijn denkbeelden
aangaande de bestaande toestanden, alsmede van
de neutraliteit van den Neutralen Bond van
Boeren Land- en Tuinbouwers wil vernemen,
verzoek ik te willen kennis! nemen van de be-
toogen, welke ik voor de, microfoon zal uitspre
ken op resp. 24 Augustus en 7 September a,js.
Tot welke gekke oprispingen soms felle partij
haat aanleiding geeft., kan men lezen uit de be
wering, dat ondergeteekende communist is. En
verder leze u: Bewijzen de toestanden enz. niet
zonneklaar, dat stelselmatige productie, ^of in
gehater terip,uitgedrukt ..Planwirtschaft" met
deugt" Hebt u, lezer, ooit iets van stelselma
tige productie bemerktIn dezen tijd?? Een
kip zonder kop is er niets bij.
Als ik geen waardiger tegenstander krijg, heer
Troost, dan is het al niet veel waard. U leze
ook maar eens het welbekende Plattelandsver
arming, en ook vooral als een waardig man als
de heer Smid bij dien vergeleken zijt ge nog
een kindje over de hedendaagsche verhoudingen
schrijft.
Met beleefden dank,
„J. ROSELAAR
Den Heer ROSELA AR Hoorn.
U schrijft inderdaad interessant.
Uw betoogtrant is helder, uw! argumentatie
klemmend, zelfs bewonderenswaard
'En de toon, ik bewonder de waardigheid, ze is
liefelijk en idoet aangenaam aan.
Het past me deemoedig het hoofd te buigen;
tegenover den heer J. Smid oud-referendaris bij
de Directie van den Landbouw gevoel ik me klein,
en geloof me, tegenover u, heer Rbselaar, land
bouwdeskundige ,,jure suo" en econoom van groot
formaat, als een dwerg.
Ik veroorloof mij, u op te merken, dat ^Plat
telands verarming", mij ter lezing aanbevolen,
reeds bekend was.
Bekend is mij ook uw opmerking in dit blad
(vrij weergegeven) ,,we telen geen waardelooze
producten meer, we gaan „Planwirtschaften".
Dial was vorig jaar.
Oude plunje kan zelfs voor economen van uw
statuur lastig zijn.
eEp vraagstuk waag ik u ter oplossing voor
te leggen.
Aan den Langendijk verbouwt men vroege
kool. De teelt neemt in beteekenis af
Hoeveel ha. hadden we van dit product dit
voorjaar moeten planten
Nu blijkt, dat practisch. elke hoeveelheid gemist
kan worden.
Welke maatstaf wilt ge aanleggen?
Draai er eens niet om heen, voer fnu eens geen
groot woord, beroep u nu eens niet op grootheid
A of econoom G en antwoord.
Zwam niet in de ijdele ruimte, wordt eens
concreet, practisch.
Neem, als het artikel kool u wat lastig is, dan
maar vroege of late aardappelen.
Nu word ik bepaald lastig* heer Roselaar.
ICun$ u het niet, waagt u zich er niet aan
och, spreek dan voortaan minder bout.
Vraagt ge mij, hoe ik over Planwirtsehaft denk
dan verwijs ik u naar de studie van dr. H.
Oolijn.
Misschien heeft diens kijk op de economie voor
u geen waarde. Nochtans geldt hij voor een der
grootsten op dit terrein in ons werelddeel.
U vindt deze studie in een reeks artikelen
in ,de Standaard", ze zullen wel als boek ver
schijnen.
Voor u voor de microfoon, gaat spreken, doet
u goed hiervan kennis te nemen.
Dan kan het zijn, dat u overtuigd wordt, dat
de oplossing van het landbouwvraagstuk hier
en overal niet ligt in een mechanische Plan-
wirtschafterij, doch in het wegruimen van alle
handelsbelemmeringen
Doch voor het laatste is noodig een radicale
wijziging van de geestestoestand der volkeren.
Doch genoeg, ik word anders te lang van stóf.
Tot een zakelijk, hoogstaande bespreking in
het belang van onze gedrukte bevolking gaarne
bereid, verblijf ik,
Uw dw. A. T.
Aan de Redactie van de Nieuwe Lan-
gedijker Oonrnat" te Noordscharwoufle.
Gaarne zag ondergeteekende het volgende in
uw ev. Zaterdagnummer opgenomen:
Tegenweer.
Tegenover het verweer van Jasper, volge hier
mijn tegenweer.
Voorop ga de verklaring dat de aanleiding van
mijn schrijven in de ,,N. L. C|rt.,' van ^1. Dins
dag, was gelegen in twee feiten.
Allereerst de anonieme brief aan zijn adres,
waaruit mij bleek, hoe deze inzender door praat
als gevolg van het ongepast uitdragen van
een bespreking gehouden in een besloten ver
gadering, een onjuiste kijk op 'de kwestie had,
ten "tweede het ook mij ter oore gekomen feit dat
eenige onzer menschen Se cabaretavond hadden
1<Tocht. Ik meen beide partijen zakelijk en prin
cipieel te hebben ingelicht. Geheel het verloop
dezer zaak komt voor rekening van een óf meer
dere comiteleden. Zoo zij gezwegen hadden, had
er mijnenthalve geen haan naar gekraaid. Doch
nu komt Jasper als de verongelijkte en in zijn
brood benadeelde, mij kapittelen. Laat niTj aller-
e rst zeggen, dat het allerminst tegen hen gaat
en wil zelfs terzijde leggen Se opmerking van Sen
verslaggever over hun, over geleverd werk te
Zuidscharwoude, met als verweer „de breipen
eh gaarne aannemen dat hun werk in doorsnee
cultureel en zedelijk op hoog peil staat. Het gaat
in mijn bezwaar dan ookf niet tegen hun werk,
maar tegen de outillage. Nu Jasper zelf verwijst
naar zijn particuliere schrijven aan mij, mag ik
daar ook gebruik van maken. Welnu, daarin
wijst bij alle verantwoordelijkheid, wat het or
ganisatorische van dien avond betrof, van zich.
En uit, het verdere gedeelte blijkt m.i. dat hij de
aankleeding voor onze menschen zelf als een be
zwaar aanvoelt.
Ook na aftrek van het reeds gepubliceerde ..bal
na' deugde voor ons de zgn. stoffage niet. Waar
Jasper dit, wegen met de goudschaal vindt, be
wijst alleen dat hij de zaken van meer vrijzinnig
standpunt beziet en zijn wij de bekrompen men
schen. Wij kennen dat oude liedje heel goed.
In de vorige eeuw schold men ons zelfs voor
.Jdompers" en menschen uit de nachtschuit. We
zijn echter door goed gerucht en kwaad gerucht
doorgegaan en wenschen voor ons zelf te blijven
kiezen, daarvoor als richtsnoer hebbend de onfeil-
bare waarheden en grondslagen van Gods Woord
Wanneer daar wat meer naar geleefd werd
ook door velen onzer menschen zou dit ook J
meer respect afdwingen en de toestanden onder
ling heel wat verbeteren.
ik* houd idan ook voor de volle 100 procent
staande, dat onze menschen op de gehouden ca
baret-avond niet thuis hoorden.
Niét omdat ze beter zijn dan anderen, maar
omdat ze anders behooren te zijn. Niet anders
ir. de slechte beteekenis wat helaas pok veel
te veel voorkomt da,t zij, wat netheid en be
trouwbaarheid betreft, in de schaduw van menig
le klas vrijzinnige niet kunnen staan, maar iti
de eenig goede beteekenis, dat zij zedelijk volop
uknnem concurreeren en daarbij in geestelijken
zin, desgeëischt wat voor hun beginsel over heb
ben. En dit komt bij flink uitleven stellig om
den hoek. Hoon en smaad van het gepeupel moe-
tne zij kunnen verdragen. Wtereldsche genoegens
den rug toekeeren en handelen zooals bv. enkele
onzer flinke jonge menschen in dienst dodn,, om
hij aldien zij niet anders dan JZondags verlof
kunnen krijgen, in de kazerne en militair tehuis
blijven, omdat, zij zonder uiterste noodzaak op
Zondag niet willen reizen. Aan. zulke menschen
voorai jonge, heeft de maatschappijl behoefte. Zij
kunnen haar vooruit helpen. Wpt' het intellect
niet kan,, dat kan het moreel.
Dat overig onschuldige vertooningen door de
outillage kunnen worjden bedorven, wil. ik met
een voorbeeld aangeven.
Wij zijn principieel tegen de kermis.. Rat wil
natuurlijk niet zeggen dat we tegen een draai
molen en schobbelschuit zijn in een pf andere
speeltuin, maar wel als staande op Öe kermis.
Nu kunnen de spullebazen ons ten laste leggen,
dat wij met onze actie ertegen, hun schade doen,
doch daarvoor gaan we natuurlijk' niet uit den
weg, evenmin als strijdbare geheel-onthouders. ter
oorzake van schade aan de kroegbazen, daarom
hun actie zoudfen opgeven,
Tndien'Jasper en Meraitje Sus weer onder zulk
gesternte optreden, zullen ze mij voor hun karre
tje niet spannen en ik hoop voortaan ook niemand"
onzer menschen. Of ik dat' onder andere omstan
digheden wel zal doen, wil ik evenmin beloven.
Dit staat wel vast, 'dat' gezien de motiveering
van Jasper., onze inzichten wel wat uiteeüloopen,
In zijn particulier schrijven noem?hij zijn werk
beschaafd, netjes, vroolijk «u neutraal.
'j$u kan het gtf zoo ligt in den staart iitten.
Wij zijn voor neufraal werk nu eenmaïd een
peetje huiverig.
Wij hebben daar teveel kennis mee gemaakt om
er onze sympathie voetstoots aan te geven.
Wat het aanbevelen van rust aangaat met een
toespeling op de e.v. raadsverkiezing is-feitelijk
even beneden paPi. Wanheer Ik er mij nooit druk
ker voor maak, dan voor de jl. gëhoudene, zat
het mijn nachtrust in ieder geval geen schade
doen. Do"ktfn deze zaken is het beginsel overwe
gend, behoort het althans te zijn, anders zou ik
adviseeren leg het bijltje er maar bij neer. "Lid
van flen raall' te zijn lijkt mij in menige plaats
'een heel twijfelachtige eer', terwijl men er Koor
veel klein persoonlijk gedoe, vele onaangenaam
lieden kan opdoen. Ik zal in deze en anciere za
ken echter alleen handelen naar het advies van
anderen, als dit met mijn eigen overtuiging en
roeping overeenstemt. Naar ik "hoop steeds za
kelijk en principieel*
Die spreuk op ons huis ,,iRepos Ailleurs" is de
levensspreuk geweest van Mamix van 3t. Al-
degonde. Hij is de dichter van het Wilhelmus,
waaruit men 'hem geestelijk kan aanvoelen. 'In
"den roerigen Spaanschen tijd vluchtte hij als
burgemeester van Antwerpen uit lijfsbehoud naar
ons rand en was hiér de rechterhand van 'Erins
Willem van Oranje in de Vaderl. Geseh. bekend
'onder "den eerenaam van Vader des Vaderlands"
Deze Fransche spreuk nu beteekent in ons
"Hollandsch Hierna de rust."
- Aan deze spreuk hoop ik mij steeds te spiege
len.
Voer het heden gelldt steeds „Rust roest.'
En nu tem bewijze, dat het bij mij niet gaat
tegen personen, maar alleen om beginselen, aan
mijn beide opponenten een vriendelijken groet.
Houdt u er steeds van overtuigd, dat ik meer
respect heb voor loyale eerlijke principieéle tegen
standers, dan voor zgn. médestanders, die mét
onze beginselen maar wat marchandeeren.
Ten bewijze hiervoor kan dienen, dat ik een
reeks van jaren ïm het bestuur der Langed. Win
keliers,. Nering en Vakvereeniging met de helaas
overleden, zeer vrijzinnige heer Berkhout heb sa
mengewerkt in zet'fs intiemen omgang, hoewel
wij principieel lijnrecht tegenover elkaar stonden.
Dit kon, om!dat ik hem eerde vooral bij ver
schillen als een eerlijken, verstandigen, loyalen
principieelen tegenstander. En ik durf zeggen,
onze vriendschap was wederkeerig.
Daarentegen heb ik eigen menschen wel afge
straft en meehelpen onschadelijk maken. Dlat mag
mienjv an mij hier ook: op Sitit, Pancras verwach
ten. Het gaat niet om! mijn eigen persoon. Om
allemans vriend te worden, moet men vooral wat
soepel zijn.
En hiervoor heb ik allerminst aanleg.
Ik ben er van overtuigd dat er ook van onze
menschen zijn die mij testrak! en te straf vinden
terwijl anderen er mij om zullen haten.
En hoewel ik deze dingen natuurlijk persoon
lijk niet aangenaam vind, ik dit niet het ergste.
Wat ik wel erg zou vinjden als iemand mij met
eenig recht zou kunnen aanwrijven niet met open
vizier te strijden of gebruik-' te maken van on
eerlijke middelen.
Aan u, mijnheer de Redacteur, mijn vriende
lijken dank voor de plaatsing van dit af scheids-
epistel. Hoogachtend,,
Uw dw. H. HART.
(Sint Pancras, 6 Augustus 1932.
DE MOEDIGE.
(Naar het Fransch van PAUL RIVOIR)
Na langdurige overwegingen en overdenkingen,
op zijn jonggezellenkamer in de Avenue d'Eylan,
vanwaar hij den Eiffeltoren kon zien oprijzen, kwam
Marcel Cochet tot de conclusie, dat hij verliefd' was
op Lucrezia Mogdiliani, de bekende dierentemster
van het circus Médrano.
Sinds maanden bezocht hij het circus, minder
om naaar har verrichtingen te kijken dan wel om
haar lenige, slanke, maar toch krachtige gestalte
te bewonderen. Terwijl anderen tot een vrouw wor
den aangetrokken door de charme, de teekerheid,
de zachtheid, het echt vrouwelijke, was Marcel
Cochet bekoord door de kracht van haar optreden,
doord en moed, waarmee zij dfe kooi der wilde dieren
betrad, armen en beenen ontbloot, het lichaam
bedekt door een groot tijgervel. Met een karwats in
de hand, terwijl in haar gordel de zilveren hand
grepen van pistolen schitterden, ging zij, schijnbaar
onbevreesd, de wilde dieren tegemoet, ze met haar
donkere vurige oogen bedwingende, waardoor ze
ieder van haar bevelen gehoorzaamden.
Marcel had het geluk gehad, overigens zonder veel
moeite, haar na het optreden in het circus te ont
moeten, nadat zij het langdurige applaus van het
begeesterde publiek met herhaalde buigingen en
glimlachjes in ontvangst had genomen. Zelfs had
zij een aanbod aanvaard om haar met zijn auto tot
haar huis te vergezellen, waar zij met haar moeder,
een Parisienne net als zij, al deed haar naam op de
affiches ook vermoeden, dat zij een Italiaansche
was, woonde.
Marcel had de voor- en nadéelen van het huwe
lijk met een dierentemster langdurig overwogen.
Zijn vrienden zouden hem wellicht bespotten, zijn
familie zich van hem afkeeren, misschien zouden
de kringen, waarin hij placht te verkeeren, voor
hem gesloten worden, wanneer hij het zou wagen
zijn vroouw daar ook te introduceeren. Maar wat
beteekende dat alles tegen het bezit van een vrouw,
aanbiddelijk niet alleen om de schoonheid van haar
gelaat, van haar figuur, maar ook om het buiten
gewone van haar zelfbewust, man moedig optreden.
Ze had in haar gesprekken niets van het cordate,
van het ietwat ruwe van haar métier. Ze was gees
tig, beschaafd, gevat, wist een bon mot" te plaatsen
en te apprecieeren.
Na den «.vond, waarop Lucrezia hem wel is waar
vriendelijk had begroet, maar ook even vriendelijk
had geknikt naar een heer in een andere loge
Marcel verbeeldde het zich besloot hij den vol
genden morgen Marie Valmier, zoo heette ze eigen
lijk, te vragen zijn vrouw te worden.
„Beste Mercel", had zij geantwoord, toen hij het
doel van zijn komst had verteld, „ik voel me zeer
vereerd door je aanzoek, maar ik zal moeten wei
geren. Ik voel nu eenmaal niets voor den doorsnee
Parijzenaar, die zijn leven het meest dierbare vindt,
die van zijn wijn, zijn diners geen afstand kan doen,
niet voor de vrouw, die hij liefheeft, die meent een
vrouw te kunnen veroveren door een byouterie, in
een bouquet verborgen, een bontmantel, een prach-
tigkleed of een auto, maar die, in wezen, te laf
is om zich op. te offeren, die een vrouw vraagt met
de zekerheid, dat hij iedere vrouw weet te bekoren.
„Maar Marie, ik heb je lief."
„Daar is weinig moed voor noodig, beste Marcel,
om dat te zeggen. En je zou mij niet gevraagd heb
ben, als je niet de zekerheid met je droeg, dat ik
ja zou zeggen. Welnu, ik zeg neen!"
„Ik zou je graag willen toonen, dat ik meer moed
heb dan alleen „ik heb je lief" te kunnen zeggen."
„Misschien den moed van den man, die zich door
den wil van een vrouw laat kneden, zooals zij wil,
den moed van de vrouwenroknalooper, die zijn
vrouw in alles gehoorzaamt, zooals de wilde dieren
mij. Welnu, ik houd niet van zulk een man, die
eigenlijk een stumperd is. Ik ben gewoon te worden
gehoorzaamd, maar ik kan den man niet liefheb
ben, die mij niet doet gehoorzamen aan zijn wil,
die niet krachtig genoeg is mij te beschermen. Ik
ben een vrouw, die moed bewondert, vooral in den
man, dien ik mijn hand schenk. En jij, brave Marcel,
die nu kijkt alsof je een onoverkomelijk ongeluk is
gebeurd juist voor zulk een gezicht van den man
walg ik jij mist de hoeveelheid moed, die ik eisch
van den man, die mij kan beschermen."
Mercel keek haar aan. Ze was nu toch waarlijk de
dierentemster, desnoods bereid zich op hem te wer
pen en hem met haar karwats te kastijden. Er brak
iets van zijn liefde voor haar. Maar nu kwam zijn
eigenliefde als man weer boven en om te toonen,
dat hij geen lafaard was, vroeg hij:
„Wat moet ik doen om te toonen, dat ik den moed
bezit, dien gij eischt?"
Ze dacht even na en zeide: „Ga met mij tien
minuten in de kooi der wilde dieren en ik zal je
vrouw worden."
Marcel aarzelde. Reeds speelde een glimlach om
den mond van de schone vrouw. Toen zeide hij:
„Aangenomen, wanneer wil je?"
„Zoodra de directeur mij daartoe verlof geeft.
„Is dit je eenige voorwaarde, waarop ik je win
nen kan?"
Als je bang bent voor het gevaar, waaraan ik
avond aan avond bloot sta, dan behoef je niet. Het
is geen bevel, waaraan je onverwaardelijk moet ge
hoorzamen."
„Ik herhaal, dat ik het doen zal."
„Prachtig, ik bericht je wanneer je kunt komen.
Reeds den volgenden morgen ontving Marcel een
briefje van den directeur van het circus, dat hij
Woensdagavond tien minuten onder bescherming
van Lucrezia Modigliani in de dierenkooi mocht
doorbrengen.
Den volgenden morgen vertelde de „Matm daar
toe ingelicht door den circusdirecteur, dat Marcel
Cochet tien minuten in de leeuwenkooi zou vertoe
ven. Het geld hier een weddenschap. De avond
kwam. In de loges zag Maartin tl van zijn kennissen
die niets wisten van zijn liefde voor Lucrezia.
Lijkbleek, maar vastbesloten, dat hij Marie zou
toonenn, dat hij een moedig man was, betrad hij
de kooi. De leeuwen brulden hem aan, maar ze
werden in bedwang gehouden door de dierentemster
die bij hem stond. En toen hij daar in de kooi
stond, angstig, bevreesd te worden aangevallen,
voelde hij toch de lafheid, dat hij beschermd werd
door een vrouw, misschien brutaler dan hij. Hij zag
alleen dat brutale, nu niet meer de schoonheid van
die vrouw, in die tien minuten, dat hij naast haar
staan bleef en zich niet dorst te bewegen.
De tien minuten waren om. Rugwaarts verliet hij
de kooi. Een flaauwte overviel hem, nu hij zich bui
ten het bereik vn de wilde dieren wist, maar hij
hield zich staande en verdween onder het applaus
van het circuspubliek achter het fluweelen doek,
dat de arena van de foyers scheidde. Marie voerde
hem mede naar haar kleedkamer. Daar viel ze hem
om den hals en kuste hem. Zij zeide: „Ik heb je
lief, omdat je een moedig man zijt".
„Een moedige man", z*ide Marcel, terwijl hij voor
haar boog, „maar niet moedig genoeg, om met u te
trouwen. Ik heb de eer U te groeten". En hij ging
heen.