De Crisis belicht tal van
Rubriek van den Arbeid
OnsCourantenverhaal
ontslaan: Wanneer men zelfs niet de moeite doet
om dringende verzoeken van officieele en officieuze
organen, desnoods afwijzend, maar dan met redenen
omkleed, te beantwoorden, is dat niet de geschikte
manier om prestige aan te kweeken!
Wanneer men de dagbladen leest, wanneer men
zijn oor te luisteren legt voor alles, wat er gedaan
gezegd en geschreven wordt, dan bemerkt men,
juist in dezen crisistijd, eigenaardige dingen.
Er is nu nood; alom weerklinkt de bede om uit
komst. In de tuindersstreken van West-Friesland,
van Kennemerland; in de Twentsche industrie cen
tra, waar middenstand en fabrieksarbeiders, om van
de werkgevers niet te spreken, aan den rand van
den economischen afgrond staan; kortom, in bijna
alle rayons van Nederland stijgt het water tot aan
de lippen! Verschillende energieke burgemeesters
springen in de bres, vergaderen onder elkander en
richten dringende telegrammen aan de Regeering.
Men zou toch denken dat, wanneer alarmeerende
berichten van burgemeesters, kenners van de plaat
selijke toestanden, bij de centrale Overheid Dinnen-
komen, men aldaar onmiddellijk zal reageeren.
Niets van dit alles; zij worden als quantité négliable
beschouwd. Bij wie ligt de fout? Is het ambt niet
zoo belangrijk en bestaat de glorie ervan slechts in
het brein van enkele leeken in regeeringszaken Is
het de Minister, die de noodkreten va n de burger
vaders onder het loodje legt? Of zijn het de amb
tenaren, die de telegrammen als uiterst onbelangrijk
ter zijde leggen?
Kamers van Koophandel en Fabrieken. Een sfeer
van actie is buitengewoon belangrijk, en de Re
geering moest dankbaar zijn, dat er mannen ge
vonden worden, die dergelijke functies willen aan
vaarden, niettegenstaande zij het zelf buitenge
woon druk hebben met hun eigen zaken. Ook deze
Kamers van Koophandel dienen om zoo te zeggen
dagelijks requesten in bij de regeeringsautoriteiten
omtrent de bittere noodzakelijkheid van steun in
hun ressorten. Allerlei vitale kwesties, hun ressort
betreffende, werden door hen bij de Regeering
voorgelegd, doch ook hier een onbegrijpelijke onver
schilligheid van het centrale gezag. Hebben de
Kamers het in den loop der jaren verbruid door
niet altijd zakelijk en betrouwbaar in het compi-
leeren der cijfers te zijn geweest? Of heeft de ambte
naar lak aan wat deze colleges te berde hebben te
brengen?
Wij hebben het verhaal eens gehoord, dat een
erkend industrieel een der hoofdambtenaren sens
telefonisch om een onderhoud vroeg, teneinde van
advies te mogen dienen in enkele aangelegenheden,
die hij door zijn jarenlange ervaring in zijn vak
door en door kende. „Neen, dit onderhoud is onnco-
dig, ik laat me niet adviseeren was het antwoord
van dien hoofdambtenaar, „ik weet het zelf veel
beter dan al die adviseurs". Is dit de algemeene
opvatting in de regeeringskringen? Wij geven gaar
ne toe, dat de Ministers het in deze tijden buitenge
woon druk hebben; dat zij over het algemeen te
kort in functie blijven om doorkneed te geraken in
de zaken van hun departement en dat zij daarom
veel aan hun departementschefs moeten overlaten.
Toch doet het eenigszins stuntelig aan, wanneer men,
met belangrijke aangelegenheden bij den minister
komende, naar de departementschefs wordt ver
wezen omdat de Minister nu eenmaal niets zender
hun advies doet. En dat het resultaat is, dat die de
partementschefs de zaak eenvoudig onder het loodje
deponeeren, omdat.Wij weten de redenen daai-
voor helaas niet, want men verwaardigt zich niet
om tekst en uitleg te geven.
Men bemerkt het niet alleen bij verzoeken van
burgemeesters, Kamers van Koophandel, maar ook
van vooraanstaande personen, voorzitters van be
langrijke vereenigingen, van groepsvertegenwoordi-
gingen in belangrijke bedrijven. Hebben we het niet
onlangs bemerkt, dat de Nederlandsche Reeders-
vereeniging geheel onkundig was gelaten van het
geen de Regeering als steun voor de scheepvaart
beoogde, een regeling, die vierkant afweek van war
deze vereeniging had voorgesteld. Het is natuurlijk
het goed recht van de Overheid, wanneer zij een
particulier voorstel niet aanvaardt. Het is echter
een staaltje van wijs beleid, wanneer men met een
dergelijke deskundige organisatie overleg pleegt om
tenminste haar oordeel te vernemen omtrent de
r egeeringsplannen
Er moet ergens een fout schuilen. Zijn de ver
schillende in ons land bestaande colleges prullen,
naar wier woorden de Regeering niet behoeft te
luisteren, welnu, laat men ze dan opdoeken. Is het
de Regeering, of liever gezegd zijn het de ambte
naren, die de telegrammen en andere dringende
verzoeken van locale autoriteiten naast zich neer
leggen zonder er ernstige aandacht aan te besteden,
laat men ze verantwoording afleggen en desnoods
WERKLOOZENSTEUN IN NATURA.
Dezer dagen werd in de pers medegedeeld, dat de
Regeering van plan is een commissie in te stellen,
die zou onderzoeken, of gelet op de moeilijke tijds
omstandigheden niet het tijdstip is aangebroken,
dat, teneinde tot een meer doeltreffende bestemming
van de Overheidsgelden te komen, de hulp welke aan
aan werkloozen wordt verleend, geheel of ten deele
in natura zal worden verstrekt.
Als Voorzitter van deze commissie werd reeds ge
noemd de oud-Minister, thans burgemeester van
Hilversum, de heer Lambooy, terwijl ook reeds de
namen van verschillende leden dezer commissie
werden vermeld.
Wanneer men over deze zaak gaat nadenken,
dan is het misschien op het eerste gezicht vreemd,
dat men het geld, dat zoo'n belangrijke rol in de
samenleving vervult, hier thans uit wil sluiten.
Per slot van rekening is voor een consument het
geld, niets anders dan een tusschenschakel, waar
door het hem gemakkelijk wordt gemaakt, daigone
te koopen, waaraan hij op een bepaald oogenblik
behoefte heeft.
Heel vroeger toen men het geld nog niet kende,
ruilde men goederen tegen goederen, doch juist door
de invoering van het geld als algemeen beoaal-
middel heeft men het ruilverkeer ontzetend verge
makkelijkt. Op het eerste gezicht lijkt, zooals ge
zegd, het dan ook vreemd, dat men thans een stap
zou ondernemen die feitelijk uit den tijd is. Aan
den anderen kant moet men echter ook rekening
houden met de bestaande omstandigheden. Wao is
toch het geval. Terwijl in tal van plaatsen werk
loozen ondersteund moeten word om in hun aller
eerste levensmiddelen te kunnen voorzien, kunnen
op het platteland de landbouwers hun producten
vaak niet afzetten en weten zij er soms geen raad
mee, zoodat men het dwaze verschijnsel ziet, dat
aan den eenen kant honger en gebrek wordt gele
den en aan den anderen kant levensmiddelen wor
den vernietigd, of althans voor andere doeleinden
worden gebruikt, dan waarvoor ze feitelijk bestemd
zijn.
Om nu zoo maar te beweren, dat men deze
levensmiddelen dan maar onder de werkloozen moet
verdeelen is ook weer een kwestie die niet zoo ge
makkelijk is, maar toch is er alle aanleiding om
eens door een geheel onpartijdige commissie te doen
onderzoeken in hoeverre deze twee vraagstukken tot
elkaar gebracht kunnen worden, zoodat dus aan den
eenen kant de werkloozen voldoende ondersteuning
krijgen en aan den anderen kant de landbouwers
een afzetgebied vinden voor hun producten. Natuur
lijk zal men een eventueel verstrekken van steun in
natura moeten beperken tot enkele artikelen, waar
van zeker is, dat iedereen ze in een bepaalde hoe
veelheid gebruikt, b.v. brandstof, brood, aardappe
len enz. en zoo zal deze wijze van steunverleening
toch nooit den steun in geld geheel kunnen ver
vangen, maar wanneer men een gedeelte van de
geldelijke ondersteuning zou kunnen verstrekken in
bons, die dan tegen een bepaalde hoeveelheid van
de daarop vermelde producten zouden kunnen wor
den ingewisseld, zou men ongetwijfeld aan dezé
producten een afzetgebied garandeeren en daar
door kunnen voorkomen, dat deze vernietigd wor
den. Er zitten aan deze kwestie nog wel enkele
teere puntjes, maar daarom is het misschien goed,
dat de zaak eens in zijn algemeenheid in een com
missie wordt bekeken en met belangstelling mag dan
ook zoo spoedig mogelijk een rapport van deze
commissie worden verwacht.
Nieuwstijdingen
LEVEND VERBRAND.
Na een boerderijbrand is onder de puinhoopen het
verkoolde lijk van een 40-jarige huishoudster ge
vonden.
Donderdagmorgen is te Langelille onder Munne-
keburen (bij Lemmer) de boerderij bewoond door
den veehouder Haven, door onbekende oorzaak tot
den grond toe afgebrand. De veehouder die in het
land aan het melken was, ontdekte den brand en
spoedde zich naar hui.s
Hij heeft nog getracht eenige stukken van den
inboedel te redden, doch vermiste toen zijn ruim
40-jarige huishoudester, mej. A. Koopmans. Deze
was nergens te vinden.
Later in den morgen is haar lijk geheel verkoold
onder de pjuinhoopen in de schuur gevonden.
Huis en inboedel zijn geheel verloren.
ONBEWAAKTE OVERWEGEN.
Het vorige jaar richtte de Kamer van Koophandel
en Fabrieken een verzoeken tot den minister van
Waterstat tot het verbeteren van het uitzicht bij
den onbewaakten spoorwegovergang over den Kalk-
ovensweg (nabij Alkmaar) en over den Westerweg
(rabij Heiloo). Dezer dagen ontving de Kamer be
richt, dat het uitzicht bij bedoelde overwegen door
het snoeien en rooien van boomen en houtgewas
zoodani g is verbeterd, dat de norm van 20-500 M.
als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 der
Spoorwegwet bereikt is. Hoewel met het oog op het
Kalkovenswtg bij Alkmaar met deze maatregelen
zou kunnen worden volstaan, zal ook de dienst
woning bij dien overweg worden afgebroken.
EEN STRENGE WINTER IN AANTOCHT.
De geweldige uitbarstingen van de vulkanen, die
over een oppervlakte van 400 vierkante mijlen ver
spreid liggen in het grensgebied van Argentinië en
Chili, hebben de temperatuur in Zuid-Amerika aan
merkelijk verlaagd. De vulkanische asch, die tot in
de allerhoogste lagen van de atmosfeer werd om
hoog gespoten, houdt de zonnestralen veel meer
tegen dan het zwaarste wolkendek. Wanneaer de
erupties eenigen tijd aanhouden, kan de tempe
ratuur over een grooter gebied, zelfs over de geheele
aarde, verscheidene graden dalen.
Alle heftige vulkanische uitbarstingen werden door
een koude-periode gevolgd. De strenge winter en de
koude zomer van 1910 waren voorafgegaan door de
geweldige uitbarstingen van den Temboro op het
eiland Soembawa (Nederlandsch-Indië). Deze vul
kaan wierp zooveel ach uit, dat zelfs Oost-Java nog
in duisternis werd gehuld. Op het naburige eiland
Lombok viel een aschregen van 65 centimeter dikte;
alle veldvruchten waren volkomen vernield; twee
derden van de inwoners stierf ten gevolge van hon
gersnood, die dientengevolge was ontstaan. Toen
na vele weken de lucht boven Soembawa weer hel-
dder werd, zagen de bewoners, dat de vulkaan 1300
meter lager geworden was.
De koude-periode van 188<t—'86 was een gevolg
van de uitbarsting van de Krakatau (27 Augustus
1883), in de Straat Soenda, waardoor niet alleen
de naburige eilanden, maar zelfs uitgestrekte pro
vincies van het eiland Java geheel werden ver
woest. De aschregen viel tot op duizenden kilometers
afstand van den krater. Eenige weken na de uit
barsting was de lucht in West-Europa voortdurend
rood gekleurd door de weerkaatsing van de stralen
der ondergaande zon in de aschreeltjes, die in de
strtosfeer zweefden.
Het koude jaar 1903 volgde op de ontzettende
ramp van de Pelée op het eiland Martinique, en de
koude winter van 1912—1913 op de uitbarsting van
de Katmai.
Op grond van deze waarnemingen voorspellen de
meteorologen een strengen winter als een gevolg
van de vreeselijk uitbarstingen van de Zuid-Ameri-
kaansche vulkanen in het voorjaar.
TAPTOE TE 'S-GRAVENHAGE.
Het is tot een traditie geworden, dat de minister
van defensie aan het gemeentebestuur van Den
Haag, dus ook aan de bevolkng der residentie op
den avond van Prinsjesdag een groote militaire
taptoe aanbiedt.
Ook Dinsdagavond werd er een gegeven, waar
naar duizenden en duizenden waren gekomen.
INBREKERS.
Dat is eens, maar nooit weer!" zei de man met
de vier .pleisters op twee wangen en de witte doek
voor het linkeroog. Hij wipte den inhoud van een
klein, fonkelend glaasje door het keelgat en keek
ons met het gezonde rechteroog treurig aan.
„Gelooft u niet, dat juist daarom de wereld
zoo onbewoonbaar is, omdat de menschen zich te
veel met eikaars zaken bemoeien?, liet hij er me
lancholiek op volgen.
„Het tegenovergestelde is ookw aar" zei mijn
vriend Sammy, die een aangeboren neiging tot pes
simisme heeft.
Toen ik het gelaat van den man aan het'buffet,
voor zoover het nog toonbaar was, wrevelig zag
vertrekken, handhaafde ik de lieve vrede met de
philosofische opmerking:
„De waarheid ligt in het midden."
De man met het geschonden gelaat knikte te
vreden, wipte den inhoud van een tweede glaasje
van hetzelfde formaat als het eerste door het keel
gat. Toen smakte hij meer dan onbehoorlijk met de
lippen, stak een groote, zwarte sigaar op en zette
zich aan ons tafeltje, tot vertellen bereid.
„Drie jaar lang heb in het duister rondgetast,
doch nu heb ik een goede vergelijking voor een
vrouw gevonden. Een vrouw heeft dezelfde eigen
schappen als een luidspreker, wanneer zij zwijgen
moet, spreekt zij, tevens zoo met het tegenover
gestelde en haar geluid wordt altijd beïnvloed door
buitenstaande machten. Zal ik eens vertellen, hoe ik
tot deze vergelijking ben gekomen?"
Wij knikten en de man vervolgde:
„Zonder bepaald een cursus in dubbel boek-
Öok hier werden zeer uitgebreide politie maatre
gelen getroffen. De stedelijke politie werd daarbij
zelfs geassisteerd door manschappen en onderoffi
cieren van de militaire politie.
Op het afgezette gedeelte van het Plein 1813,
waar zooals gewoonlijk de taptoe werd gegeven,
bevonden zich talrijke burgerlijke en militaire auto-
'riteiten, o.a. de ministers Deckers, Terpstra en Ver
schuur. Voorts was er de commandant van het veld
leger, Jhr. W. Röell en de commandant van de
brigade grenadiers en jagers, kolonel Van Voorst tot
Voorst. Ook de Burgemeester jhr. Bosch ridder van
Rosenthal was aanwezig, evenals de gemeente-secre
taris, mr. Ter Felkwijk.
De taptoe stond onder leiding van den directeur
der Kon. Mil. kapel, kapitein C. L. Walther Boer
en werd uitgevoerd door deze kapel en het vrijw.
muziekcorps van het 2de regiment huzaren.
De uitvoering ontlokte na afloop aan de menigte
een luid, herhaald applaus, terwijl velen het Wil
helmus meezongen.
Uiteraard ontstond er na afloop nogal veel drukte
in de binnenstad.
(Handelsblad).
LIEFDESDRAMA IN BRABANT.
Zondagmiddag omstreeks zes uur werden in de
bosschen aan den Wouwenscheweg, ter hoogte van
het „Koepeltje" door den veldwachter Meesters aan
getroffen het 17-jarige meisje J. K. en de 16-iarige
v. O., beiden woonachtig te Bergen op Zoom, die
sedert Donderdagmorgen verdwenen waren. Het
meisje verkeerde in bewusteloozen toestand. Uit
een brief welke in hun nabijheid werd gevonden,
bleek dat zij zich door middel van vergif van het
leven hadden willen berooven. Reeds eenigen tijd
bestond een liefdesverhouding tusschen beiden,
waartegen de ouders van het meisje zich ernstig
verzet hadden. De jongelui hadden eenige dagen
rondgezworven en durfden niet meer huiswaarts
keeren.
M. waarschuwde onmiddellijk de politie te Ber
gen op Zoom, welke spoedig met brancards ter
plaatse was. Het meisje, dat nog steeds niet tot be
wustzijn was gekomen, werd naar het Algemeen
Burger Gasthuis vervoerd, terwijl v. O., die blijk
baar tijdig verhinderd was zijn noodlottig voorne
men ten uitvoer te brengen, naar het politiebureau
is getransporteerd.
KAMERLEDEN VOOR DE MICROFOON.
Alsnog kan worden medegedeeld, dat tijdens de
radio uitzending van de zitting van de Staten-
Generaal de volgende Kamerleden voor de AVRO.-
microfoon het woord hebben gevoerd: Prof. mr. R.
•Kranenburg en ir. J. Koster, leden der Eerste Kamer
mej. mr. Frida Katz en de heeren Th. M. Ketelaar,
dr. S. E. B. Bierema, dr. I. H. J. Vos, mr. A. M.
Joekes, mr. G. A. Boon en Th. F. M. Schaepman,
leden der Tweede Kamer; prof. mr. Diepenhorst lid
der Eerste Kamer was op het laatste oogenblik ver
hinderd. Zij hebben allen gewezen op den econo
mischen en financieelen t best and, opgewekt tot
eendracht en tot belangstelling in het parlemen
taire gebeuren, en de hoop uitgesproken op een
spoedig einde van de de crisis.
De heeren W. Vogt en D. Hans hebben de Volks
vertegenwoordigers hartelijk bedankt voor deze
medewerking aan de uitzending.
De heer Vogt noemde deze gebeurtenis een uni
cum in de geschiedenis van den radioomroep.
HET CENTRAAL STATION TE AMSTERDAM.
De directie van de Nederlandsche Spoorwegen
heeft het besluit genomen, om, zulks geheel ten
gerieve van het reizigerspubliek, een belangrijke
verbetering in het Centraal Station te doen aan
brengen, welke binnen zeer afzienbaren tijd haar
beslag zal krijgen.
In hoofdzaak komt deze verbetering hierop neer,
dat, komende van de groote hal van het station
en gaande door de ingangconttroles, er weerszijden
van de middentunnel een aantal winkels zal ver
rijzen. Te dien einde zullen de trappen naar het
eerste perron in Oostelijke en Westelijke richting
over een afstand van ongeveer 6 M. worden ver
plaatst. Op de daardoor vrijgekomen ruimten ko
men vier winkels, waarvan thans reeds enkele ver
huurd zijn.
Bovendien zal in de ruimte achter de groote hall,
tegenover de middentunnel, een aantal sierlijk op
gebouwde winkels worden opgetrokken ten behoeve
van den boekverkoop. D. A. K. O. heeft reeds op deze
ruimte beslag weten te leggen.
In December a.s. zullen de aanbestedingen voor
het geheele werk plaats hebben.
houden of handelseconomie te hebben gevolgd, kan
iedereen nagaan, hoelang men in een wereldstad
met een erfenisje van twintig duizend gulden rond
kan springen. Ik heb er drie jaar mee gedaan en
een ieder zal mij dus wel moeten toegeven, dat ik i
als een zuinig mensch heb geleefd. Toen mijn tante
was gestorven in een heel klein plaatsje, dat ik
niet behoef te vermelden, vond ik het onnoodig en
bepaald onverstandig om nog langer mijn leven tus
schen plaggehutten en veengrond te verslijten en ik
nam een enkele reis naar de lichtstad. De eerste
indruk was niet overweldigend, maar ik vond het
wel gezellig om er te blijven. Werken beschouw ik
als goed genoeg voor dwazen en ik was zoo wijs
mij niet tot die categorie van menschen te reke
nen, hetgeen aanleiding gaf tot een verbond met
den duivel, want luiheid is des duivels oorkussen.
Ik heb er niet zoo heel veel last van gehad. Ik j
had van mijn vijfde tot mijn dertigste jaar als
een bever in het veen gewroet en drie jaar tijds is
werkelijk teveel om weer den stank van rottende
planten kwijt te raken."
„En ik woonde dus in de stad en op een aardige i
kamer in een klein pension. Om u een goeden in-
druk van het geval te geven ben ik genoodzaakt
u te vertellen, dat ik onmiddellijk op de oudste
dochter des huizes verliefd werd. Een aardig meisje j
van niet te schatten leeftijd, zwarte oogen, roode
lippen en een rijzige gestalte."
„Een jaar lang heb ik haar beschroomd als een
dorpsjongen, wien nog de zeepvlekken achter de
ooren zitten, het hof te maken; het tweede jaar j
mocht ik drie avonden in de familiekamer van haar
aanwezigheid genieten en toen ik drie jaar lang de
familie financieel haad ondersteund, nm ik het
stoute voornemen haar ten huwelijk te vragen.
HelaasMet een eenvoudig voorbeeld mijne hee
ren is aan te toonen, dat een hoeveelheid bij sterke
afname steeds geringer wordt wanneer zij niet
wordt bijgevuld, zoo insgelijks met mijn fortuintje.
En alsof de duivel mij een loer wilde draaien ge
schiedde het, dat ik op het oogenblik van huwelijks
verlangen nog slechts een paar armzalige stuivers
rijk was. Verre van benijdenswaardig, niet waar?
Zoo dacht mijn aanstaande bruid er ook over, al
zei ze het mij niet in verstaanbare woorden. Op
den avond, dat ik haar de groote vraag zou stel
len, diei k reeds drie jaar lang in het diepst van
mijn hart als een teere ontluikende rozeknop had
geliefkoosd, vleide zij haar hoofdje tegen mijn
schouder en mij met haar zwarte oogen doordrin
gend aanziend, belette zij mij de vraag te doen en
ons gesprek gleed als vanzelf naar het belangrijkste
onaerwerp der menschen: geld. Met gesloten oogen,
haai mond dicht bij de mijne, sprak zij met lief-
koozende stem over den demon der aarde en plot
seling werd ik me met een pijnlijk gevoel in mijn
hart bewust, dat zij dien demon in mij, doch niet
den mensch van vleesch en bloed beminde. Op dat
oogenblik had ik haar alleen moeten laten met den
gelen duivel maareen verliefd mensch is on
verstandiger en lichtgelooviger dan een kind. Wan
neer zij maar eenmaal voor goed de mijnen is,
dacht ik, zal ik haar wel tot andere gedachten
brengen, doch eerst moet ik weer financieel op
krachten komen. Hieruit kunt u dus afleiden, dat
ik zwaar verliefd was en evenals een dier, dat
honger heeft, keek ik intuitief om mij heen, want
ik was nog zoo naief om te gelooven, dat er plot
seling wonderen kunnen gebeuren. Ik speurde in
het rond en dacht: Wanneer er nu eens een mil-
lionnair in de gracht viel, danEen heele bespie
geling knoopte ik aan die illuzie vast en ik zag
reeds in gedachten de gouden munten van de be
looning in mijn handpalmen, toen opeens mijn
aandacht werd afgeleid door een luid gerinkel van
glasscherven. Ik draaide mijn hoofd naar den kant
van het geluid en was getuige van een vreemd
schouwspel. Een man was door een venster op
straat gesprongen, waar hij loerend om zich heen
keek. Plotseling flitste een gedachte door mijn
brein: een inbreker. If fluisterde mijn aanstaande
bruid zijn plan toe: inbrekerbelooning en rende
op den man af. Zonder hem een woord toe te voe
gen greep ik hem aan en het volgende oogenblik
waren wij in een heftige wortesteling gewikkeld.
Wanneer u mijn. gelaat een oogenblik aandachtig
beschouwt is commentaar overbodig. Hoe lang de
worsteling geduurd heeft weet ik niet, doch toen ik
bloedend en zweetend ophield, geschiedde dit door
tusschenkomst var. een politieagent die niets van
het verhaal geloofde en ons beiden naar het hoofd
bureau transpoorteerde.
Hier siokte de man even, trok peinzend aan zijn
sigaar.
En verder?" vroeg ik, benieuwd naar den af
loop.
De man trok de schouders op en zei somber:
Wat verder nog gebeur is, is gauw verteld.
Voor den hoofdcommissaris had ik eveneens goed
praten en of ik nu al bij hoog en bij laag beweerde,
dat ik een inbreker had gepakt, ik werd zonder
vorm van proces in het cachot gestopt. Den volgen
den morgen vernam ik tot mijn niet geringe verba
zing, dat de man geen inbreker was, doch een
handelaar in radioartikelen, die plotseling had be
merkt, dat zijn motorfiets was gestolen en in zijn
zenuwachtigheid door het venster naar buiten was
gesprongen, xwaarna hij onmiddellijk slaags was
geraakt met den handlanger van den dief, dat was
ik. Glimlachend bood ik mijn excuses aan en zei,
dat alles op een misverstand berustte, maar niemand
wilde mij gelooven enwie schetst mijn verba
zing toen mijn aanstaande bruid kwam getuigen
dat de radiohandelaar gelijk had en dat ik een ge
meen, laag sujet was, die alleen voor misdaden in
den wieg was gelegd. Ik ben geloof ik te beduusa
geweest om mij te verdedigen en ik ging in voor
arrest. Voordat het proces volgde werd ik reeds in
vrijheid gesteld daar inmiddels de ware dief was
gevat. Nauwelijks bevond ik me op vrije voeten of
er raasde een motor langs mij heen, waarop twee
menschen zaten, die ik heel goed gekend heb: mijn
aanstaande bruid en de man van de glasruit. Kunt
u zich nu mijn uitspraak vereenigen, mijne heeren?"