De Crisis belicht tal van Rubriek van den Arbeid OnsCourantenverhaal ontslaan: Wanneer men zelfs niet de moeite doet om dringende verzoeken van officieele en officieuze organen, desnoods afwijzend, maar dan met redenen omkleed, te beantwoorden, is dat niet de geschikte manier om prestige aan te kweeken! Wanneer men de dagbladen leest, wanneer men zijn oor te luisteren legt voor alles, wat er gedaan gezegd en geschreven wordt, dan bemerkt men, juist in dezen crisistijd, eigenaardige dingen. Er is nu nood; alom weerklinkt de bede om uit komst. In de tuindersstreken van West-Friesland, van Kennemerland; in de Twentsche industrie cen tra, waar middenstand en fabrieksarbeiders, om van de werkgevers niet te spreken, aan den rand van den economischen afgrond staan; kortom, in bijna alle rayons van Nederland stijgt het water tot aan de lippen! Verschillende energieke burgemeesters springen in de bres, vergaderen onder elkander en richten dringende telegrammen aan de Regeering. Men zou toch denken dat, wanneer alarmeerende berichten van burgemeesters, kenners van de plaat selijke toestanden, bij de centrale Overheid Dinnen- komen, men aldaar onmiddellijk zal reageeren. Niets van dit alles; zij worden als quantité négliable beschouwd. Bij wie ligt de fout? Is het ambt niet zoo belangrijk en bestaat de glorie ervan slechts in het brein van enkele leeken in regeeringszaken Is het de Minister, die de noodkreten va n de burger vaders onder het loodje legt? Of zijn het de amb tenaren, die de telegrammen als uiterst onbelangrijk ter zijde leggen? Kamers van Koophandel en Fabrieken. Een sfeer van actie is buitengewoon belangrijk, en de Re geering moest dankbaar zijn, dat er mannen ge vonden worden, die dergelijke functies willen aan vaarden, niettegenstaande zij het zelf buitenge woon druk hebben met hun eigen zaken. Ook deze Kamers van Koophandel dienen om zoo te zeggen dagelijks requesten in bij de regeeringsautoriteiten omtrent de bittere noodzakelijkheid van steun in hun ressorten. Allerlei vitale kwesties, hun ressort betreffende, werden door hen bij de Regeering voorgelegd, doch ook hier een onbegrijpelijke onver schilligheid van het centrale gezag. Hebben de Kamers het in den loop der jaren verbruid door niet altijd zakelijk en betrouwbaar in het compi- leeren der cijfers te zijn geweest? Of heeft de ambte naar lak aan wat deze colleges te berde hebben te brengen? Wij hebben het verhaal eens gehoord, dat een erkend industrieel een der hoofdambtenaren sens telefonisch om een onderhoud vroeg, teneinde van advies te mogen dienen in enkele aangelegenheden, die hij door zijn jarenlange ervaring in zijn vak door en door kende. „Neen, dit onderhoud is onnco- dig, ik laat me niet adviseeren was het antwoord van dien hoofdambtenaar, „ik weet het zelf veel beter dan al die adviseurs". Is dit de algemeene opvatting in de regeeringskringen? Wij geven gaar ne toe, dat de Ministers het in deze tijden buitenge woon druk hebben; dat zij over het algemeen te kort in functie blijven om doorkneed te geraken in de zaken van hun departement en dat zij daarom veel aan hun departementschefs moeten overlaten. Toch doet het eenigszins stuntelig aan, wanneer men, met belangrijke aangelegenheden bij den minister komende, naar de departementschefs wordt ver wezen omdat de Minister nu eenmaal niets zender hun advies doet. En dat het resultaat is, dat die de partementschefs de zaak eenvoudig onder het loodje deponeeren, omdat.Wij weten de redenen daai- voor helaas niet, want men verwaardigt zich niet om tekst en uitleg te geven. Men bemerkt het niet alleen bij verzoeken van burgemeesters, Kamers van Koophandel, maar ook van vooraanstaande personen, voorzitters van be langrijke vereenigingen, van groepsvertegenwoordi- gingen in belangrijke bedrijven. Hebben we het niet onlangs bemerkt, dat de Nederlandsche Reeders- vereeniging geheel onkundig was gelaten van het geen de Regeering als steun voor de scheepvaart beoogde, een regeling, die vierkant afweek van war deze vereeniging had voorgesteld. Het is natuurlijk het goed recht van de Overheid, wanneer zij een particulier voorstel niet aanvaardt. Het is echter een staaltje van wijs beleid, wanneer men met een dergelijke deskundige organisatie overleg pleegt om tenminste haar oordeel te vernemen omtrent de r egeeringsplannen Er moet ergens een fout schuilen. Zijn de ver schillende in ons land bestaande colleges prullen, naar wier woorden de Regeering niet behoeft te luisteren, welnu, laat men ze dan opdoeken. Is het de Regeering, of liever gezegd zijn het de ambte naren, die de telegrammen en andere dringende verzoeken van locale autoriteiten naast zich neer leggen zonder er ernstige aandacht aan te besteden, laat men ze verantwoording afleggen en desnoods WERKLOOZENSTEUN IN NATURA. Dezer dagen werd in de pers medegedeeld, dat de Regeering van plan is een commissie in te stellen, die zou onderzoeken, of gelet op de moeilijke tijds omstandigheden niet het tijdstip is aangebroken, dat, teneinde tot een meer doeltreffende bestemming van de Overheidsgelden te komen, de hulp welke aan aan werkloozen wordt verleend, geheel of ten deele in natura zal worden verstrekt. Als Voorzitter van deze commissie werd reeds ge noemd de oud-Minister, thans burgemeester van Hilversum, de heer Lambooy, terwijl ook reeds de namen van verschillende leden dezer commissie werden vermeld. Wanneer men over deze zaak gaat nadenken, dan is het misschien op het eerste gezicht vreemd, dat men het geld, dat zoo'n belangrijke rol in de samenleving vervult, hier thans uit wil sluiten. Per slot van rekening is voor een consument het geld, niets anders dan een tusschenschakel, waar door het hem gemakkelijk wordt gemaakt, daigone te koopen, waaraan hij op een bepaald oogenblik behoefte heeft. Heel vroeger toen men het geld nog niet kende, ruilde men goederen tegen goederen, doch juist door de invoering van het geld als algemeen beoaal- middel heeft men het ruilverkeer ontzetend verge makkelijkt. Op het eerste gezicht lijkt, zooals ge zegd, het dan ook vreemd, dat men thans een stap zou ondernemen die feitelijk uit den tijd is. Aan den anderen kant moet men echter ook rekening houden met de bestaande omstandigheden. Wao is toch het geval. Terwijl in tal van plaatsen werk loozen ondersteund moeten word om in hun aller eerste levensmiddelen te kunnen voorzien, kunnen op het platteland de landbouwers hun producten vaak niet afzetten en weten zij er soms geen raad mee, zoodat men het dwaze verschijnsel ziet, dat aan den eenen kant honger en gebrek wordt gele den en aan den anderen kant levensmiddelen wor den vernietigd, of althans voor andere doeleinden worden gebruikt, dan waarvoor ze feitelijk bestemd zijn. Om nu zoo maar te beweren, dat men deze levensmiddelen dan maar onder de werkloozen moet verdeelen is ook weer een kwestie die niet zoo ge makkelijk is, maar toch is er alle aanleiding om eens door een geheel onpartijdige commissie te doen onderzoeken in hoeverre deze twee vraagstukken tot elkaar gebracht kunnen worden, zoodat dus aan den eenen kant de werkloozen voldoende ondersteuning krijgen en aan den anderen kant de landbouwers een afzetgebied vinden voor hun producten. Natuur lijk zal men een eventueel verstrekken van steun in natura moeten beperken tot enkele artikelen, waar van zeker is, dat iedereen ze in een bepaalde hoe veelheid gebruikt, b.v. brandstof, brood, aardappe len enz. en zoo zal deze wijze van steunverleening toch nooit den steun in geld geheel kunnen ver vangen, maar wanneer men een gedeelte van de geldelijke ondersteuning zou kunnen verstrekken in bons, die dan tegen een bepaalde hoeveelheid van de daarop vermelde producten zouden kunnen wor den ingewisseld, zou men ongetwijfeld aan dezé producten een afzetgebied garandeeren en daar door kunnen voorkomen, dat deze vernietigd wor den. Er zitten aan deze kwestie nog wel enkele teere puntjes, maar daarom is het misschien goed, dat de zaak eens in zijn algemeenheid in een com missie wordt bekeken en met belangstelling mag dan ook zoo spoedig mogelijk een rapport van deze commissie worden verwacht. Nieuwstijdingen LEVEND VERBRAND. Na een boerderijbrand is onder de puinhoopen het verkoolde lijk van een 40-jarige huishoudster ge vonden. Donderdagmorgen is te Langelille onder Munne- keburen (bij Lemmer) de boerderij bewoond door den veehouder Haven, door onbekende oorzaak tot den grond toe afgebrand. De veehouder die in het land aan het melken was, ontdekte den brand en spoedde zich naar hui.s Hij heeft nog getracht eenige stukken van den inboedel te redden, doch vermiste toen zijn ruim 40-jarige huishoudester, mej. A. Koopmans. Deze was nergens te vinden. Later in den morgen is haar lijk geheel verkoold onder de pjuinhoopen in de schuur gevonden. Huis en inboedel zijn geheel verloren. ONBEWAAKTE OVERWEGEN. Het vorige jaar richtte de Kamer van Koophandel en Fabrieken een verzoeken tot den minister van Waterstat tot het verbeteren van het uitzicht bij den onbewaakten spoorwegovergang over den Kalk- ovensweg (nabij Alkmaar) en over den Westerweg (rabij Heiloo). Dezer dagen ontving de Kamer be richt, dat het uitzicht bij bedoelde overwegen door het snoeien en rooien van boomen en houtgewas zoodani g is verbeterd, dat de norm van 20-500 M. als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 der Spoorwegwet bereikt is. Hoewel met het oog op het Kalkovenswtg bij Alkmaar met deze maatregelen zou kunnen worden volstaan, zal ook de dienst woning bij dien overweg worden afgebroken. EEN STRENGE WINTER IN AANTOCHT. De geweldige uitbarstingen van de vulkanen, die over een oppervlakte van 400 vierkante mijlen ver spreid liggen in het grensgebied van Argentinië en Chili, hebben de temperatuur in Zuid-Amerika aan merkelijk verlaagd. De vulkanische asch, die tot in de allerhoogste lagen van de atmosfeer werd om hoog gespoten, houdt de zonnestralen veel meer tegen dan het zwaarste wolkendek. Wanneaer de erupties eenigen tijd aanhouden, kan de tempe ratuur over een grooter gebied, zelfs over de geheele aarde, verscheidene graden dalen. Alle heftige vulkanische uitbarstingen werden door een koude-periode gevolgd. De strenge winter en de koude zomer van 1910 waren voorafgegaan door de geweldige uitbarstingen van den Temboro op het eiland Soembawa (Nederlandsch-Indië). Deze vul kaan wierp zooveel ach uit, dat zelfs Oost-Java nog in duisternis werd gehuld. Op het naburige eiland Lombok viel een aschregen van 65 centimeter dikte; alle veldvruchten waren volkomen vernield; twee derden van de inwoners stierf ten gevolge van hon gersnood, die dientengevolge was ontstaan. Toen na vele weken de lucht boven Soembawa weer hel- dder werd, zagen de bewoners, dat de vulkaan 1300 meter lager geworden was. De koude-periode van 188<t—'86 was een gevolg van de uitbarsting van de Krakatau (27 Augustus 1883), in de Straat Soenda, waardoor niet alleen de naburige eilanden, maar zelfs uitgestrekte pro vincies van het eiland Java geheel werden ver woest. De aschregen viel tot op duizenden kilometers afstand van den krater. Eenige weken na de uit barsting was de lucht in West-Europa voortdurend rood gekleurd door de weerkaatsing van de stralen der ondergaande zon in de aschreeltjes, die in de strtosfeer zweefden. Het koude jaar 1903 volgde op de ontzettende ramp van de Pelée op het eiland Martinique, en de koude winter van 1912—1913 op de uitbarsting van de Katmai. Op grond van deze waarnemingen voorspellen de meteorologen een strengen winter als een gevolg van de vreeselijk uitbarstingen van de Zuid-Ameri- kaansche vulkanen in het voorjaar. TAPTOE TE 'S-GRAVENHAGE. Het is tot een traditie geworden, dat de minister van defensie aan het gemeentebestuur van Den Haag, dus ook aan de bevolkng der residentie op den avond van Prinsjesdag een groote militaire taptoe aanbiedt. Ook Dinsdagavond werd er een gegeven, waar naar duizenden en duizenden waren gekomen. INBREKERS. Dat is eens, maar nooit weer!" zei de man met de vier .pleisters op twee wangen en de witte doek voor het linkeroog. Hij wipte den inhoud van een klein, fonkelend glaasje door het keelgat en keek ons met het gezonde rechteroog treurig aan. „Gelooft u niet, dat juist daarom de wereld zoo onbewoonbaar is, omdat de menschen zich te veel met eikaars zaken bemoeien?, liet hij er me lancholiek op volgen. „Het tegenovergestelde is ookw aar" zei mijn vriend Sammy, die een aangeboren neiging tot pes simisme heeft. Toen ik het gelaat van den man aan het'buffet, voor zoover het nog toonbaar was, wrevelig zag vertrekken, handhaafde ik de lieve vrede met de philosofische opmerking: „De waarheid ligt in het midden." De man met het geschonden gelaat knikte te vreden, wipte den inhoud van een tweede glaasje van hetzelfde formaat als het eerste door het keel gat. Toen smakte hij meer dan onbehoorlijk met de lippen, stak een groote, zwarte sigaar op en zette zich aan ons tafeltje, tot vertellen bereid. „Drie jaar lang heb in het duister rondgetast, doch nu heb ik een goede vergelijking voor een vrouw gevonden. Een vrouw heeft dezelfde eigen schappen als een luidspreker, wanneer zij zwijgen moet, spreekt zij, tevens zoo met het tegenover gestelde en haar geluid wordt altijd beïnvloed door buitenstaande machten. Zal ik eens vertellen, hoe ik tot deze vergelijking ben gekomen?" Wij knikten en de man vervolgde: „Zonder bepaald een cursus in dubbel boek- Öok hier werden zeer uitgebreide politie maatre gelen getroffen. De stedelijke politie werd daarbij zelfs geassisteerd door manschappen en onderoffi cieren van de militaire politie. Op het afgezette gedeelte van het Plein 1813, waar zooals gewoonlijk de taptoe werd gegeven, bevonden zich talrijke burgerlijke en militaire auto- 'riteiten, o.a. de ministers Deckers, Terpstra en Ver schuur. Voorts was er de commandant van het veld leger, Jhr. W. Röell en de commandant van de brigade grenadiers en jagers, kolonel Van Voorst tot Voorst. Ook de Burgemeester jhr. Bosch ridder van Rosenthal was aanwezig, evenals de gemeente-secre taris, mr. Ter Felkwijk. De taptoe stond onder leiding van den directeur der Kon. Mil. kapel, kapitein C. L. Walther Boer en werd uitgevoerd door deze kapel en het vrijw. muziekcorps van het 2de regiment huzaren. De uitvoering ontlokte na afloop aan de menigte een luid, herhaald applaus, terwijl velen het Wil helmus meezongen. Uiteraard ontstond er na afloop nogal veel drukte in de binnenstad. (Handelsblad). LIEFDESDRAMA IN BRABANT. Zondagmiddag omstreeks zes uur werden in de bosschen aan den Wouwenscheweg, ter hoogte van het „Koepeltje" door den veldwachter Meesters aan getroffen het 17-jarige meisje J. K. en de 16-iarige v. O., beiden woonachtig te Bergen op Zoom, die sedert Donderdagmorgen verdwenen waren. Het meisje verkeerde in bewusteloozen toestand. Uit een brief welke in hun nabijheid werd gevonden, bleek dat zij zich door middel van vergif van het leven hadden willen berooven. Reeds eenigen tijd bestond een liefdesverhouding tusschen beiden, waartegen de ouders van het meisje zich ernstig verzet hadden. De jongelui hadden eenige dagen rondgezworven en durfden niet meer huiswaarts keeren. M. waarschuwde onmiddellijk de politie te Ber gen op Zoom, welke spoedig met brancards ter plaatse was. Het meisje, dat nog steeds niet tot be wustzijn was gekomen, werd naar het Algemeen Burger Gasthuis vervoerd, terwijl v. O., die blijk baar tijdig verhinderd was zijn noodlottig voorne men ten uitvoer te brengen, naar het politiebureau is getransporteerd. KAMERLEDEN VOOR DE MICROFOON. Alsnog kan worden medegedeeld, dat tijdens de radio uitzending van de zitting van de Staten- Generaal de volgende Kamerleden voor de AVRO.- microfoon het woord hebben gevoerd: Prof. mr. R. •Kranenburg en ir. J. Koster, leden der Eerste Kamer mej. mr. Frida Katz en de heeren Th. M. Ketelaar, dr. S. E. B. Bierema, dr. I. H. J. Vos, mr. A. M. Joekes, mr. G. A. Boon en Th. F. M. Schaepman, leden der Tweede Kamer; prof. mr. Diepenhorst lid der Eerste Kamer was op het laatste oogenblik ver hinderd. Zij hebben allen gewezen op den econo mischen en financieelen t best and, opgewekt tot eendracht en tot belangstelling in het parlemen taire gebeuren, en de hoop uitgesproken op een spoedig einde van de de crisis. De heeren W. Vogt en D. Hans hebben de Volks vertegenwoordigers hartelijk bedankt voor deze medewerking aan de uitzending. De heer Vogt noemde deze gebeurtenis een uni cum in de geschiedenis van den radioomroep. HET CENTRAAL STATION TE AMSTERDAM. De directie van de Nederlandsche Spoorwegen heeft het besluit genomen, om, zulks geheel ten gerieve van het reizigerspubliek, een belangrijke verbetering in het Centraal Station te doen aan brengen, welke binnen zeer afzienbaren tijd haar beslag zal krijgen. In hoofdzaak komt deze verbetering hierop neer, dat, komende van de groote hal van het station en gaande door de ingangconttroles, er weerszijden van de middentunnel een aantal winkels zal ver rijzen. Te dien einde zullen de trappen naar het eerste perron in Oostelijke en Westelijke richting over een afstand van ongeveer 6 M. worden ver plaatst. Op de daardoor vrijgekomen ruimten ko men vier winkels, waarvan thans reeds enkele ver huurd zijn. Bovendien zal in de ruimte achter de groote hall, tegenover de middentunnel, een aantal sierlijk op gebouwde winkels worden opgetrokken ten behoeve van den boekverkoop. D. A. K. O. heeft reeds op deze ruimte beslag weten te leggen. In December a.s. zullen de aanbestedingen voor het geheele werk plaats hebben. houden of handelseconomie te hebben gevolgd, kan iedereen nagaan, hoelang men in een wereldstad met een erfenisje van twintig duizend gulden rond kan springen. Ik heb er drie jaar mee gedaan en een ieder zal mij dus wel moeten toegeven, dat ik i als een zuinig mensch heb geleefd. Toen mijn tante was gestorven in een heel klein plaatsje, dat ik niet behoef te vermelden, vond ik het onnoodig en bepaald onverstandig om nog langer mijn leven tus schen plaggehutten en veengrond te verslijten en ik nam een enkele reis naar de lichtstad. De eerste indruk was niet overweldigend, maar ik vond het wel gezellig om er te blijven. Werken beschouw ik als goed genoeg voor dwazen en ik was zoo wijs mij niet tot die categorie van menschen te reke nen, hetgeen aanleiding gaf tot een verbond met den duivel, want luiheid is des duivels oorkussen. Ik heb er niet zoo heel veel last van gehad. Ik j had van mijn vijfde tot mijn dertigste jaar als een bever in het veen gewroet en drie jaar tijds is werkelijk teveel om weer den stank van rottende planten kwijt te raken." „En ik woonde dus in de stad en op een aardige i kamer in een klein pension. Om u een goeden in- druk van het geval te geven ben ik genoodzaakt u te vertellen, dat ik onmiddellijk op de oudste dochter des huizes verliefd werd. Een aardig meisje j van niet te schatten leeftijd, zwarte oogen, roode lippen en een rijzige gestalte." „Een jaar lang heb ik haar beschroomd als een dorpsjongen, wien nog de zeepvlekken achter de ooren zitten, het hof te maken; het tweede jaar j mocht ik drie avonden in de familiekamer van haar aanwezigheid genieten en toen ik drie jaar lang de familie financieel haad ondersteund, nm ik het stoute voornemen haar ten huwelijk te vragen. HelaasMet een eenvoudig voorbeeld mijne hee ren is aan te toonen, dat een hoeveelheid bij sterke afname steeds geringer wordt wanneer zij niet wordt bijgevuld, zoo insgelijks met mijn fortuintje. En alsof de duivel mij een loer wilde draaien ge schiedde het, dat ik op het oogenblik van huwelijks verlangen nog slechts een paar armzalige stuivers rijk was. Verre van benijdenswaardig, niet waar? Zoo dacht mijn aanstaande bruid er ook over, al zei ze het mij niet in verstaanbare woorden. Op den avond, dat ik haar de groote vraag zou stel len, diei k reeds drie jaar lang in het diepst van mijn hart als een teere ontluikende rozeknop had geliefkoosd, vleide zij haar hoofdje tegen mijn schouder en mij met haar zwarte oogen doordrin gend aanziend, belette zij mij de vraag te doen en ons gesprek gleed als vanzelf naar het belangrijkste onaerwerp der menschen: geld. Met gesloten oogen, haai mond dicht bij de mijne, sprak zij met lief- koozende stem over den demon der aarde en plot seling werd ik me met een pijnlijk gevoel in mijn hart bewust, dat zij dien demon in mij, doch niet den mensch van vleesch en bloed beminde. Op dat oogenblik had ik haar alleen moeten laten met den gelen duivel maareen verliefd mensch is on verstandiger en lichtgelooviger dan een kind. Wan neer zij maar eenmaal voor goed de mijnen is, dacht ik, zal ik haar wel tot andere gedachten brengen, doch eerst moet ik weer financieel op krachten komen. Hieruit kunt u dus afleiden, dat ik zwaar verliefd was en evenals een dier, dat honger heeft, keek ik intuitief om mij heen, want ik was nog zoo naief om te gelooven, dat er plot seling wonderen kunnen gebeuren. Ik speurde in het rond en dacht: Wanneer er nu eens een mil- lionnair in de gracht viel, danEen heele bespie geling knoopte ik aan die illuzie vast en ik zag reeds in gedachten de gouden munten van de be looning in mijn handpalmen, toen opeens mijn aandacht werd afgeleid door een luid gerinkel van glasscherven. Ik draaide mijn hoofd naar den kant van het geluid en was getuige van een vreemd schouwspel. Een man was door een venster op straat gesprongen, waar hij loerend om zich heen keek. Plotseling flitste een gedachte door mijn brein: een inbreker. If fluisterde mijn aanstaande bruid zijn plan toe: inbrekerbelooning en rende op den man af. Zonder hem een woord toe te voe gen greep ik hem aan en het volgende oogenblik waren wij in een heftige wortesteling gewikkeld. Wanneer u mijn. gelaat een oogenblik aandachtig beschouwt is commentaar overbodig. Hoe lang de worsteling geduurd heeft weet ik niet, doch toen ik bloedend en zweetend ophield, geschiedde dit door tusschenkomst var. een politieagent die niets van het verhaal geloofde en ons beiden naar het hoofd bureau transpoorteerde. Hier siokte de man even, trok peinzend aan zijn sigaar. En verder?" vroeg ik, benieuwd naar den af loop. De man trok de schouders op en zei somber: Wat verder nog gebeur is, is gauw verteld. Voor den hoofdcommissaris had ik eveneens goed praten en of ik nu al bij hoog en bij laag beweerde, dat ik een inbreker had gepakt, ik werd zonder vorm van proces in het cachot gestopt. Den volgen den morgen vernam ik tot mijn niet geringe verba zing, dat de man geen inbreker was, doch een handelaar in radioartikelen, die plotseling had be merkt, dat zijn motorfiets was gestolen en in zijn zenuwachtigheid door het venster naar buiten was gesprongen, xwaarna hij onmiddellijk slaags was geraakt met den handlanger van den dief, dat was ik. Glimlachend bood ik mijn excuses aan en zei, dat alles op een misverstand berustte, maar niemand wilde mij gelooven enwie schetst mijn verba zing toen mijn aanstaande bruid kwam getuigen dat de radiohandelaar gelijk had en dat ik een ge meen, laag sujet was, die alleen voor misdaden in den wieg was gelegd. Ik ben geloof ik te beduusa geweest om mij te verdedigen en ik ging in voor arrest. Voordat het proces volgde werd ik reeds in vrijheid gesteld daar inmiddels de ware dief was gevat. Nauwelijks bevond ik me op vrije voeten of er raasde een motor langs mij heen, waarop twee menschen zaten, die ik heel goed gekend heb: mijn aanstaande bruid en de man van de glasruit. Kunt u zich nu mijn uitspraak vereenigen, mijne heeren?"

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Nieuwe Langedijker Courant | 1932 | | pagina 6