De Prins-„Reiziger" I De aandacht waard. Groote dag voor Dr. H. Golijn r 1 Kort geleden arriveerde de Engelsche kroonprins in ons land en voorzoover wij weten, was dit de eerste maal, dat hij hier een officieus bezoek brengt. Men tast in het duister, waarom hij dat deed, want over het angemeen heeft het Engelsche Hof zich niet uitgsloofd om zich in andere landen te vertoo- nen. Wanneer men zijn fantasie den vrijen loop laat gaan, is het mogelijk hiervoor een reden te vinden, en zonder dat wij over positieve berichten beschik ken, geven de antecedenten van dezen toekomstigen Britschen koning ons den leiddraad bij onze con clusies. „Prins Charming", zooals hij in de wandeling ge noemd wordt vanwege zijn beminnelijkheid, heeft zich beijverd om de lauwheid der Engelschen op handeslegbied zoo krachtig mogelijk tegen te gaan. De Engelschman had uit traditie en ingevolge de buitengewone goede kwaliteit van zijn veredelings producten in vroeger jaren, de gewoonte aangeno men de orders op zijn goederen af te wachten, in stede van „den boer op te gaan." De Duitscher had een tegenovergestelde mentaliteit met alle mo gelijke energie bracht hij zijn waren aan den man en het was geen uitzondering in de voor-oorlogs jaren, wanneer men in de verste uithoeken de Duitsche handelsreizigers aanwezig vond. Het spreekt vanzelf, dat bij het toenemen van de concurrentie, de geleidelijke verbetering van de niet-Engelsche goederen tot het Engelsche peil en zelfs daarboven, ook de Engelsche passiviteit den Britten parten ging spelen. Het is de verdienste van den Prins van Wales, dat hij daarin een verandering bracht. Hij ging met de Britsche delegatie mee om de Engel sche tentoonstelling in Zuid-Amerika te openen, waar hij de Britsche handelsbelangen krachtig be vorderde. Hij staat in Engeland zelf steeds op de bres om de traditioneele zakenopvattingen te ver anderen, en nu is hij naar Kopenhagen geweest, waar hij de aldaar gehouden Britsche tentoonstelling met zijn tegenwoordigheid vereerde. Door een en ander heeft hij den bijnaam gekregen van den Brit schen Hoogen handeslreiziger. De invloed van Prins Charming is op allerlei gebied groot en het is niet alleen de fabrikant van mode-artikelen die hem dankbaar moet zijn. eHt is dus mogelijk, dat de Engelsche kroon prins in den Haag wat over Engelsche handelsver bindingen is komen spreken. Er is nu eenmaal een verwoede internationale economische oorlog aan den gang waarin elk land moet trachten het hoofd boven water te houden. Engeland eheft een overeen komst met zijn Dominions gesloten tijdens de con ferentie te Ottowa, doch in allen geval heeft die conferentie niet gebracht, wat er aanvankelijk van gehoopt was. Zonder de verkregen resultaten te wil len verkleinen, behoeft men niet aan te nemen, dat Engeland genegen zal zijn, zijn andere klanten te verwaarloozen en vooral niet Nederland, dat ver schillende banden met het Britsche rijk onderhoudt en welks geografische positie (de Noordzee en de ko loniën een factor van Jjeteekenis is in de Britsche StNu8gDuitschland zijn gaerssie op handeslegbied meer en meer vergroot en ook zijn handel met Ne derland, tenminste ten opzichte van den Neder- landschen export naar Duitschland, beduidend wü verkleinen, daarbij zich op bittere noodzaak beroe pende, zou een toenadering tot Engeland een uit komst kunnen worden voor ons benarde bedrijfsleven Zou de krachtige houding van onze regeering ten opzichte van de Duitsche voorstellen verband hou den met haar wetenschap, dat Engeland daarvoor n compensatie zou kunnen aanbieden? Wij hebben al menigmaal gezegd, dat Duitschland vrij is om te doen met zijn eigen handelsbeweging wat het wil, mits geen overeenkomsten worden geschonden. Wij hebben geen recht dat land daarvoortewmen straffen door het organiseeren van een boycot Wel hebben we hetzelfde recht om te blijven waken voor ons volksbestaan op de wijze zooals wij dat zelf het meest geschikt vinden. Biedt een regeling met Engeland ons voordeelen, welnu dan kan niemand ons beletten de relatie te accepteeren en ten voor- deele van beide landen te benutten Wij mogen ons economisch aansluiten bij het Britsche wereldrijk, wanneer dit in onze kraam te pas komt. Wij mo gen ook alleen blijven staan, en de regeering is daarvoor aan niemand verantwoordmg verschuldigd dan aan het eigen volk. Daarom verheugen we ons over de komst van den Engelschen kroonprins. Laten we hopen, dat hieruit goede dingen zullen voortspruiten, want wij hebben wat verkwikking noodig, te meer nu de crisis eerst goed in ons land begint te werken. Uit den Omtrek SINT PANCRAS. Gymnastiek. Onderlinge wedstrijden van S. S. S. te St. Pancras. Mei. Anna Zegers Md. kampioen (e). Overwinnaresse met het hoogst aantal punten. Schitterend geturnd. Bekwame leiding. Maandagavond 24 October j,l. hield de gym- nastiekvereeniging „Sport Staalt Spieren te Smt Pancras, voor talrijke belangstellenden haar onder linge wedstrijden in Café „De Driesprong van den heer J Bouwstra, onder leiding van den populai- ren heer G. de Rie Jr. Als jury fungeerden mevrouw A de Rie-Langereis, en den heer Schuit, beiden uit Aikmaar. De heer P. Venniker uit Oudorp en de heer J Slinger van Oterleek. De Voorzitter heette allen hartelijk welkom. In het bijzonder de jury. Wenschte hun een lichte, on partijdige taak toe. Dat alzoo 't nuttige met het aangename moge aanschouwd worden. De uitslagen luiden als volgt: Adspiranten jongens en meisjes afdeelingen A, B. C A. (Vrije oefeningen Ringen). Ie pr. K. Schut, 44V» p.; 2e pr. G. Bruin 41 p.; 3e pr. A. Volkers 4ÜJongens B. (Vrije oefeningen Ringen). Ie pr. K Ootjers Wz. 43'/2 p.; 2e pr. K. Timmerman Sz., 41 p 3e pr. K. Roos en D. Duif Sz. 39'/s p. Meisjes A. (Vrije oefeningen Brug). Ie pr. A. Ver- wer en H. de Vries 401/a p.; 2e pr. J. Molenaar C- Duif en B. Wijn 40 p.; 3e pr. A. Ivangh 39 p. Meisjes B. (Vrije oefeningen Ringen). Ie pr. A. Lokhorst 40'/2 p.; 2e pr. A. Volkers 40 p.; 3 pr. N. Molenaar; C. v. Bodegraven 39 p.; 4e pr. L. Kouwen en J. Mulder 38 p. Meisjes C. (Stokoefeningen, Ringen, Brug). Ie: pr. N. Visser Jd. 63 p.; 2e pr. N. Schuur Ad. 62 p.; 3e pr. N. Rus 57P- Dames (Brug, Stokoefeningen, Ringen). Ie prijs Mej. Anna Zegers Md. 711/» P>; 2e pr. Mej. N, Zegers Md 60'/2 p.; 3e pr. Mevrouw M. Schuit-Kerkmeer 57 p. Jongens C. (Vrije oefeningen Brug Rek). Ie pr. S. Kloosterboer Dz. 59l/s p.; 2e pr. C. Madderom en P. Volkers Az. 52'/2 p. Heeren (Vrije oefeningen Brug, Rek). Ie pr. P. Balder Jzn. 64 p.; 2e pr. K. Rus 63 p. (No. 3 Jn. Madderom 61 p.). De prijzen bestonden uit: voor adspiranten prach tige cadeaux en kunstvoorwerpen. Voor dames en heeren, wisselprijzen en medailles. De prijzen voor de adspiranten werden op een lof felijke wijze door G. de Rie Jr. uitgereikt. TerwijL dit voor de dames en Heeren werd gedaan door den Weledelen heer J. van Kampen. Eere voorzitter van S. S. S. (Welke een prijs beschikbaar had gesteld ni. een boek) waarvoor inmiddels dank werd ge bracht. En opgemerkt, dat nimmer iets werd ge- weiger als er een beroep op hem voor S.S.S. werd gedaan)Spr. Van Kampen richte zich eerst tot Mej. Anna Zegers Md. Deze jonge dame met haar krullendhaar, blozende wangen, en lachend gelaat feliciteerde haar met haar prachtprestatie. Daar nu de wisselprijs nefinitief in haar bezit kwam. Met den wensch dat zij nog vele jaren als penning meesteresse en turnster van S.S.S. moge blijven. Hierna tot haar zuster N. Zeegers Md., 2e prijswin naresse met haar behaald succes. Hopende de wis selprijs welke ze nu ontving het volgend jaar als bezitster te mogen ontvangen. Tot mevrouw Schuit-Kerkmeer als 3e prijswinnares se, welke een flesch eau de cologne ontving. Daar zij zich niet ontzag nl. om haar huwelijksbezigheden als huismoeder op het tooneel te verschijnen, zelfs als lid van de tooneelvereeniging „Kunst naar Kr." maar ook als turnster. Dat dit voor anderen een voorbeeld moge zijn. Tot de prijswinnaars de heeren P. Balder Jnz. en K. Rus respect. Ie en 2e prijs winnaars. Hopende dat eerstgenoemde, welke nu ook eigenaar werd van zijn wisselprijs nog vele jaren als voorzitter en lid van S.S.S. moge blijven. Dit ook K. Rus als lid toewenschende. Vervolgens tot het pu bliek voor zijn belangstelling. Dat dit steeds in moge gezien worden in opgaanden lijn. Tot de jury voor haar moeilijke taak werd dank gebracht. Spr. dankte ook de prijskoopsters mevr. N. Balder-Leijen Mej. A. Timmerman Jd., en mej. A. Zeegers Md. voor hun zeldzame keuze. Bracht dank tot het be stuur van S.S.S. voor zijn besluit, om alhier dit te doen uitvoeren. Dat het op den ingeslagen weg met succes moge voortgaan. Bouwstrae de caféhouder voor zijn gratis verstrekken der lokalen. Den heer G. de Rie Jz. directeur voor zijn meestrelijk beleid. Dat dit nog vele jaren mag worden gezien. En ten slotte tot mr. de Ruiter die zelf als leeraar, zich als leerling stelde onder iemand die geen hoofdonder wijzer was. Vond het mooi dat zulke personen in al len eenvoud, vanuit de hoogte zich laag stelden. Niet oud genoeg om te leeren gezien zijn tip-top tur nen. S.S.S.-bestuur en zijn directeur G. de Rie Jz. kun nen op een interessanten, gezelligen avond terug- Er was eens een man, die in de bin nenlanden ging jagen. Er kwam een verschrikkelijk onweer opzetten, en on middellijk kroop hij in een gat om dek king te zoeken. Doch het noodweer hield urenlang aan, en het water steeg hooger en hooger. Eindelijk bereikte het zelfs het gat, waarin de jager dekking had gezocht. Toen het onweer voorbij was kon hij er echter niet uit, wijl het gat onder graven en de uitgang bijna geheel inge stort was. De jager wist dat, indien hij zich niet kon bevrijden, hij den hongerdood zou moeten sterven. In doodsangst trok zijn geheele leven aan zijn geest voorbij. Plotseling herin nerde hij zich, dat hij den laatsten keer vergeten had, zijn advertenties aan ons blad opnieuw op te geven. Deze gedachte maakte hem zóó klein, dat het voor hem niet moeilijk was, door het uiterst kleine gat, dat nog open was, naar buiten te kruipen Daarom: ADVERTEER IN DE Q B „NIEUWE LANGEDIJKER COURANT" LAlgemeene afdoende publiciteit voor I ze streek. Onder het belangrijkste nieuws lezen wij in het „Handelsblad" (ochtendblad 28 October) met vet gedrukte letter het volgende: OPCENTEN OP INVOERRECHTEN. In de Tweede Kamer heeft minister de Geer me degedeeld, dat de regeering bereid is, bij de inwer kingtreding van het Verdrag van Ouchy de opcen ten op de invoerrechten te doen vervallen, niet al leen tegen de contracteerende mogendheden, maat ook tegen andere landen. Dr. Coiijn verklaarde hierna dat de geheele A. R. fractie op een lid na na haar stem tegen het wets ontwerp zou uitbrengen, indien op dit oogenblik de beslissing zal moeten vallen. Tenslotte nam de Kamer met 93-2 stemmen een motie-Aalberse mede onderteekend door de leden Boumer (a.r.) en Snoeck Henkemans (c.h.) aan tot schorsing der beraadslagingen en verdaging der verdere behandeling van het wetsontwerp tot deal- gemeene beschouwingen over hoofdstuk 1 der rijks- begrooting 1933 zullen zijn gehouden. We nemen vierder de vrijmoedigheid uit hetzelfde blad over te nemen hetgeen deKameroverzichtsclirij ver over de zitting van 27 October schrijft, naar aanleiding van de redevoering door den Heer H. Coiijn gehouden. dr. Schokking) zijn rede hooren uitspreken, viel ons, vooral in de eerste helft van zijn betoog, bepaald een zekere matheid op. Het waren meer debaters-argu mentjes dan indrukmakendie overtuigende argumen ten waarvan jhr.. de Geer zich bediende Zijn po ging om bv. hen, die het wetsontwerp op grond van zijn fiscaal karakter afkeurden uit te spelen tegen degenen, die betoogden, dat de bedoeling nog zoo fis caal mocht wezen, maar dat de uitwerking bescher mend zo uzijn, bezorgde hem niet het geringste succes. Dit alles maate echter slechts deel uit van wat we bapald een zwak voorspel van het door minister de Geer geschreven stuk zouden willen noemen Het hoogtepunt van het drama brak pas aan, toen het internationaal aspect van de kwestie aan de orde kwam. Op dat moment zag men de spanning in de Kamer toenemen. De heer Coiijn, tot dien nog rustig zittend toehoorder, stond op, plaatste zich in een der gangpaden tusschen de bankenrijen, en met de handen in den zak, posteerde hij zich daar, dicht bij de ministerstafel. Nu zou het dan komen, nu brak het moment aan, waarop de minis ter zich tegen de critiek van den geharnasten Ge neefschen strijder had te verweren. Niet alleen de minister van finantien, maar het geheele kabinet. Van dit oogenblik af hoorden we immers onophoudelijk den term „de regeering" bezigen. Terwijl de Premier en de minister van Bui- tenlandsche Zaken als zwijgende paranymphen naast hem zaten, trachtte minister de Geer voor de ge heele regeering den doktershoed te veroveren en het proefschrift, met stellingen, wetsontwerp no. 142 tegen den wel zeer critischen professor Coiijn te verdedigen Slaagde de promovendus hierin? Neen, want al tii nog zoo listig wezen om althans zijn v;l heelemaal onhoudbare stelling, te weten art. 2 van het wetsvoorstel (waardoor werd Ouchy van .:racht de onderteekenaars daarvan onmiddellijk het voor deel zouden genieten, dat zij van de 30 opcenten op het tarief vrijstelling zouden krijgen) te laten vallen, baten deed dit tenslotte niet. Zelfs het, zij, het indirect of negatief, stellen der Kabinetskwestie, door nl. na een vurige liefdesbetui ging voor de beginselen van Ouchy te hebben afgesto ken, zijn rede te besluiten met de opmerking, dat met de hier vermelde concessie thans toch wel getoond was hoe de regeering van haar kant alles wenschte te doen om een conflict met de kamer te vermijden, vermocht Coiijn en diens heele fracti (op één na) niet te vermurwen. Ik waardeer deze poging van het Kabinet om aan de bezwaren tege moet te komen, ik ben daarvoor erkentelijk, maar ook zoo blijf ik voor Ouchy ernstige gevaren zien. Doch wanneer het Kabinet nu te kennen geeft de tariefmillioenen tenslotte wel te kunnen missen, wat immers zoodra Ouchy zou gaan werken, het ge val zou wezen, dan zie ik niet in waarom de regee ring het ten aanzien van dit eene punt zoo op ha ren en snaren moet zeten. Aldus de leider der a.r. fractie die hieraan toevoegde, dat hij een dergelijk standpunt van het Kabint, dat al een jaar lang wist, hoe in het kamp van Coiijn en zijn vrienden een nieuwe verhooging va nhet tegenwoordige tarief onaanvaardbaar beschouwd zo uworden, onredelijk vond. Ziet daar den zin van het betoog van den heer Coiijn, die verklaarde dat hij en zijn vrienden onder deze omstandigheden zelfs voor het stellen der Ka binetskwestie niet uit den weg zouden gaan. Intus- schen opperd'e deze afgevaardigde de suggestie om de beraadslagingen over dit wetsontwerp, zoo men op dit moment een ongetwijfeld ongunstig uitvallen de stemming wilde vermijden, te verdagen .totdat men over het geheele finantieele beleid va ngedach- ten gewisseld zou hebben. M.a.w., nu eerst werd een gang van zaken aanbevolen, waarvoor ons blad van den beginne af in het krijt is getreden. #Deze suggestie viel in goede aarde. Of het zijn ambtgenooten nog eenige moeite gekost zal hebben om minister de Geer tenminste in dit opzicht tot zekere inschikkelijkheid te bewegen, weten wij niet. Wij moeten volstaan met te vermelden, dat hij bereid bleek dezen pil te slikken. Intusschen, minister de Geer en natuurlijk het heele kabinet, bleken tegen het door dr. Coiijn aan geprezen uitstel niet het minste bezwaar te koeste ren. Dat het zoo geloopen is mag men bovenal toe schrijven aan het handig manoeuvreeren van Coiijn. Hij beheerschte heden de situatie en niet alleen, dat hij dezen middag t. a. v. nationalen politieken gang van zaken een beslissende rol vervulde, neen, hij trad tegelijkertijd op als internationale heldente nor. Zoo schiep hij zich meer dan ooit de gelegenheid om zich zoowel door een publiek, uit zijn eigen land- genooten bestaande, te laten toejuichen als door een internationaal publiek. Layton vervulde den nobelen rol van den voor een ideaal strijdenden man, die heenging omdat hij het moest afleggen Coiijn slaag de er in als triomfator uit den strijd te voorschijn te komen. Het Was, dit 'zal men moeten toegeven, heden bovenal zijn groote dag. Ais wij aan de boeiende gebeurtenissen welke wij heden op het Binnenhof beleefden, den naam van één persoon mogen verbinden, dan was het de clag van Coiijn, niet die van de Geer. Want toen we laatstgenoemde, aar wien behalve een stampvolle Kamer en dito tribunes, bovendien nog in de loges een uitgelezen auditorium zat te luis teren wij zagen er o.m. onzen gezant te Londen, oud-minister van Karnebeek, mr. van Tets, den di recteur van het kabinet der koningin, het lid van den Raad van State, oud-leider der c.h. fractie mr. Winterlezingen te Broek op Langendijk WINTERLEZINGEN BROEK OP LANGENDIJK. HET GALILEESCHE MEER. Lezing van Ds. R. E. van Arkel van Utrecht op Donderdag 20 October in de Geref. Kerk. Het zij mij vergund, aldus spreker, bij den aan vang van deze lezing, als inleiding U in gedachten mee te voeren naar een bijzonder feit, dat gebeurde in den tijd van de opkomst der Chr. Kerk, in de eerste eeuwen na Christus geboorte. De laatste keizer van het Romeinsche rijk regeerde. De man met schitterende geestesgaven en buitengewoon heer- scherstalent, Julianus. Hij had zich tot levensdoel gesteld, om die opko mende en steeds meer veldwinnende sekte van de Christenen uit te roeien en het heidendom weer in vroegere glorie te herstellen. Maar zijn pogen blijft tevergeefs te zijn. Onder het teeken des kruises gaac de nieuwe beweging voort en Julianus voelt dat hij strijdt voor een verloren zaak. Het is een tragische figuur, deze laatste van Rome's keizer. Zoo gebeurt het dat hij op zijn laatste veldtocht, als hij doo- delijk getroffen is, dat zoo bekend geworden ge zegde uitspreekt: „Zoo hebt gij dan toch overwon nen, Galileër". Hiermee erkende de keizer zijn ne derlaag. Het oude heidendom was gestorven en de nieuwe, zegevierende macht van het Christendom, ging van overwinning tot overwinning de werela door. Toch spreekt daar uit dat gezegde van Julianus zulk een grenzeloos diepe verachting. Galileër, man uit Galilea, uit het achterland. Kan het meer ver achtend gezegd woorden? Het is een klassieke uit drukking geworden. Uit den mond van Rome's heerscher, de schit terendste van alle menschen komt deze benaming •als een uitdrukking van de geringheid van zijn tegenstander, de man, die visschers tot zijn gezanten maakte en armen tot zijn volgelingen. De botsing tusschen deze twee is onvermijdelijk, en uit de bot sing komt dat woord: „Gij overwonnen." Zoo zal Jjet altijd zijn. Als straks die Man op de wolken verschijnt, zal het: „Gij overwonnen," de hulde zijn die de verachters van Zijn naam Hem moeten brengen. De landstreek waaraan die naam „Galileër" werd ontleend, en dan voornamelijk het meer dat als het middelpunt van die streek mag geleden, is bij een bezoek aan het Heilige Land, zeer zeker waard om ook bezocht te worden. Daar ik persoonlijk bij mijn bezoek aan het Heilig Land ook dit deel daarvan bezocht heb mag ik toch zeker uw gids wel zijn om in gedachten dat land te doorwandelen. Mijn lezing over „Het Galileesche meer", wil ik dan in drie hoofdpunten verdeelen en wel: De beschrijving. De geschiedenis, en De beteekenis, van het meer van Galilea. Het zal wel niemand onwelkom zijn om naar een beschrijving van het meer van Galilea te luisteren. Elk Christenhart zal wel eens verlangd hebben om de plaats te zien waaraan zoo menig schoone blad zijde uit de Evangeliën gewijd is, de plaats welke de voetstappen van den Heiland gedrukt hebben, waar Zijne stem heeft weerklonken en Zijne won deren zijn geschied. Wij hebben het ons voorgesteld hoe het daar zou zijn, en het is mijn hartelijke wensch dat ik er in slagen mag om u te laten zien de schoonheid en wondere bekoring die er van dit deel van Palestina uitgaat. Ge zoudt stil zijn en uw handen vouwen op de plaats waaraan zoovele hei lige herinneringen verbonden zijn. Het is de meest aantrekkelijke plaats van het Heilige Land, ook wat het natuurschoon betreft. Men stelle zich van de natuur in het Heilige Land niet te veel voor. We zijn geneigd bij het geestelijke dat er in zoo ruime mate te genieten valt, ook het natuurlijke te idealiseeren. De kunst heeft met haar verbeelding ons de schitterendste tafereelen ge maald en de geschiedenis weet van zooveel te ver tellen dat ons voorstellingsvermogen de schoonheid wel wat overdreven heeft. Want niet door natuur schoon blinkt het Heilige Land uit. Wel liefelijk zijn haar landouwen en groenende heuvels maar grootsch is haar schoonheid niet. Geen bergen en krachtige stroomen kunt ge er vinden. De Jordaan zult ge vragen. Ja, de Jordaan is als een slang die zich kronkelt tusschen de lieflijke vlakten en be groeide heuvels door. Palestina kent geen Rijn of Dolomieten. Bergen vindt ge eerst buiten hare grenzen. De Libanon is groot en heerlijk, maar behoort niet tot het Pales- tijnsche land. De bergen zijn dan in Isrels geschie denis altijd vergeleken bij de Gode vijandige we reldmacht. „Wat springt gij op, gij bultige bergen. Deze berg (Sion) heeft God begeerd tot Zijne woon plaats." Ook van het „beloofde land" kunnen wij zeggen dat het niet uitverkoren is om eigen schoon heid of verdienste. Palestina is, om zoo te zeggen, wat eentonig. Doch het meer van Galilea maakt hierop een uitzondering. Hier wordt gevonden een natuurpracht die nergens elders te vinden is. Laat ons dan een tocht maken naar deze landstreek die om haar veelzijdige schoonheid zoo bijzonder aan trekkelijk is. We maken de reis van het westen, van Nazereth uit. Het is denzelfden weg dien Jezus meer malen gegaan is, want de wegen in Palestina zijn door de natuur gegeven en zij worden door den tijd niet uitgewischt. We komen over Kana, en kunnen niet nalaten even uit de oude stadsbron te drinken, waar ook het water geschept is dat voor Jezus eerste wonder zou dienstbaar zijn. De slin gerende bergweg teekent zich verder voor ons uit, stoffig wit, met ter weerszijden lieflijkheid van het Gallileesche land. De heuvels begroeid met ver schillend gewas, zich afwisselend in onderscheidene kleuren. Het is als een levend mozaiek. De kudden zwarte geiten door de Bedouinen geweid zien we zoo hier en daar. Een karavaan sloft ons als op vilten zooien voorbij. Hoog bepakt wiegen de kameelen langzaam verder. „Vanwaar?" is onze vraag aan den effendi. „Van Damaskus", luidt zijn antwoord. „En waar heen", „naar Cairo". Het is denzelfden weg waarlangs heel vroeger de karavaan toog, die Jozef meevoerde om hem als slaaf te verkoopen in Egypteland. Aan de eene zijde zien wij het hooggebergte van Syrië, de Libanon en den Hermon, en aan de andere zijde de bergen van Basan de uitgedoofde vulkaan. Tot opeens een van ons gezelschap tusschen de heuvelruggen door een stukje blauw zit. Op de volgende hoogte staan we allen stil. Ontroerende aanblik. Allen zien er naar. Het is het meer van Galilea, de zee van Tiberias. Als alle christenen die hier vertoefden, zijn wij onder den indruk van dit prachtige schouwspel. Nu zie ik dus dat water, dien over met al haar heilige herinneringen. Ons oog gaat van 't eene punt naar 't andere. Ik hef den kijker, maar neen, ik laat hem weer zakken. Ik wil het ongewapend zien, zooals Jezus het gezien heeft. Hij heeft hier ook gestaan tusschen de omringende bergen en zijn oog laten gaan over het blauwe water en de groene overs. Twaalf K.M. breed is het meer, en bijna tweemaal zoo lang. Aan de overzijde staan de rot sen tot op den oever, dat is het land der Gadarenen, waar Jezus de bezetene genas, en de kudde zwijnen in de zee liet storten van deze oevers af. Aan onze zijde is een meer glooiende flank. Een min of meer breede oeverstrook. Daar ligt Tiberia en voorheen lagen daar Magdala, Bethsaida en Kapernaum. Aan den noordkant stroomt de Jordaan het meer in en aan den Zuidkant er weer uit. Alles kan gemakkelijk overzien worden, het meer lijkt veel kleiner dan het in werkelijkheid is. De Oostersche atmosfeer is zoo ijl en doorzichtig dat een Westerling zich altijd vergist in 't schatten van afstanden. Een karavaan kan men wel een halve dag vooruit zien aankomen. Men denkt dat hij er over een uur wel is, en het duurt nog een halve dag Zoo ook kon Mozes, staande op den Nebo, het gan- sche land der belofte overzien, met zijn oog dat niet verdonkerd was. En in de gelijkenis van den ver loren zoon vinden we de treffende passage „Als hij nog verre was zag hem zijn vader". Als hij nog verre was, uren ver weg speurde het zoekend vaderoog den komende. De landstreek Galilea, met het meer van dien naam is als een groot park met een vijver. De bloe men rood en geel in 't licht der ondergaande zon leggen een betooverende schoonheid op het gan- sche landschap. Het meer heeft een eigenaardige ovalen vorm, de vorm van een cither, het zoozeer geliefde muziekinstrument van den Israëliet. Ze noemen het meer dan ook naar den Oosterschen naam van dat instrument, Kinereth of Gennesareth. De imposante schoonheid wordt nog verhoogd door den Hermon de sneeuwberg die zich aan de noord zijde van het meer verheft en den geheelen omtrek als 't ware beheerscht. De Arabieren noemen dezen berg „het stamhoofd". Een jongen aan wien ik vroeg welke berg of dat was zegde mij „Jebeles Sheik". Misschien vinden we in Psalm 133 dezelfde gedachte wel uitgedrukt omdat daar Aaron den hoogepriester met zijn baard, en den Hermon, in een adem wor den genoemd. Er is geen landschap in het gansche Heilige Land, dat zoo boeit door hare schoon heid, dan dit meer met haar schitterende omge ving. De rabbijn Edemidras heeft eens gezongen „Zeven zeeën heeft Jehovah geschapen, maar één hield Hij voor zichzelven." De zee van Galilea. Voor zichzelven, hier ligt een heel liepe gedachte in. En met deze gedachte komen we aan de geschiedenis van het meer van Galilea toe. (Wordt vervolgd).

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Nieuwe Langedijker Courant | 1932 | | pagina 6