Mende Sterren. Zondag 5 Juli 1896. 40ste Jaargang No. 3112. BIJVOEGSEL. Gemengd Nieuws. Rotterdam, 1 Juli 1896. No 97. Ik heb altijd medelijden met trekvo gels, die door het noodlot, dat is voor den vogel den mensch, gedoemd zijn te leven in een benauwd kooitje, zomer en winter door, tot het einde. En vooral in den tijd, dat trekvogels naar verre streken plegen te gaan, is er voor mij in zoo'n gevangen diertje iets vree- selijk droevigs. Het voelt, dat het nu zijn tijd zou wezen, als het niet gevan gen was; dat het nu, in breeds snate rende rijen neefjes en nichtjes boven groene landen zweven zou, heel lang, om dan neer te strijken in een oord van eeuwigen zomer, en daar te blijven zoolang de winter heerscht in het Eu- ropeesche land. En het fladdert angstig in zijn kooi heen en weer, het stoot zijn kleine kopje tegen de tralies, het kwetst zijn vleugels tegen de stokjes, [o het zou vrij willen wezen, zijn klein vogelenle ventje zou het willen geven voor één dag vrijheid Dat gevangen vogeltje, dat leven wil de in een Afrikaanschen zomer en le ven moet in barre Europeesclie kou of in een kunstmatige dompige warmte van een kamer, het is een beeld van ellende dat wij in onze maatschappij helaas zeer dikwijls vinden. En niet onder de vogelen alleen. In de wereld, waarin wij leven, zijn weinig vrije vogelen, die gaan mogen waarheen hun natuurlijke neigingen en hun waarlijk blelang hen roepen.Er zijn er zoovelen, die gaarne naar buiten wilden, maar niet kunnen omdat zij opgesloten zijn in een kooi van zorgen en vastge houden door een keten van onmacht. Er zijn er, die den zomer in het buiten noodig hebben, maar door onmacht dat niet kunnen, fladderend om hun doel als een vogel met lamgeschoten vleu gels. Volwassen menschen mogen zich in dat niet-kunnen nog wel eens zij het dan ook noode-schikken, maar voor kinderen, die de droge frissche lucht van het buiten behoeven en die door het lot gedoemd zijn te blijven smach ten naar het beloofde land in dompige ka mertjes in achterbuurten, voor kinde ren is deze onmacht wel vreese- üjk. Het is lange jaren zoo gegaan.Dok- FEUILLETON. Roman van Eoiert Byr. EERSTE BOEK. 7. „Maar waar blijft Hilde na toch," riep de baron eensklaps, zijne reden afbrekende en verrast omziende. Hilde had een poos bij de paarden gestaan, hen op den kop gekrabbeld en langs den bals gestreeld en waB vervolgens verdwenen. Na den uitroep van haar vader kwam zij door een achterdeur in den stal terug. „Ik wed, dat je weder bij de oude Diana geweest bent, en afscheid van haar geno men hebt," schertste mijnheer von Brandolf. „Balcof mij papa, dat gij haar niet zult verkoopen, als ik weg ben," verzocht zij. „Ik heb baar slechts een stukje koek ge bracht." „Maar zij kan haar voer niet eens meer verdienen." „Geef het haar dan uit genade. Ik wil het uit mijn eigen zak betalen. Waarom zou ik niet een kostleerling in Bernhausen mogen hebben? Het zal zoo aardig klinken, wanneer ik daarvan spreken kan." „Dwaas meisje I spotte hij. „Wat voor sentimenteele opwellingen. Juist als voor heen, toen gij een klein hondje in den schoot hadt en op uw arm ronddroegt, tot de poot van het arme beest weder beter was. En nu wie zou dat willen gelooven nu breekt gij zonder medelijden, mannenharten." „Dat komt heden ten dage niet voor, die zijn reeds niet meer breekbaar, mon maakt ze nu, bij de groote poëtische vooruitgang, van kantkoek." Er was een eenigszins gedwongene vroo- ljjkheid in die los daarheen geworpen woor den; haar vader evenwel vermaakte zij en bij bleef in zijn goede luim, zelfs toen zij verklaarde van geen scheiden te willen we ten en hem nog een eindweegs wilde ver gezellen, want wie weet, hoelang het duren zou, eer dit weder eens geschiedde. Hij liet zich door den ernst in baar stem niet roe ren en door do hartstochtelijkheid, met welke zij aan zjjn arm hing, zich in zijn grootspre- kerige woordenvloed niet storen, dio zeer zeker nooit een einde zou nemen, wanneer hij altijd zulke zwijgende toehoorders vond, als die beidon, die nu naast hem voortschre den. Bij den bocht van don oudo muur bleef toron gaven hoop op volkomen horstel, mits het ziekelijke kind een maandje naar buiten werd gestuurd, iu een droog, boschrijk land. Zwakke kinderen wis ten, dat zij daar vrij zouden kunnen ademhalen, terwijl zij het hier zoo be nauwd hadden, zoo benauwd. En er is menig vogeltje moe-geflad derd, ten laatste gaan slapen met het magere uitgeweende kopje diep over de borst gezakt. Toen zijn er brave menschen geko men, die medelijden hadden met zoo veel waarachtig lijden, en die van hun overvloed wel iets missen wilden om dat lijden op te heffen, die tijd en werk lust genoeg hadden om in breeden kring propaganda te gaan maken voor een heel mooi ideé. Die ideé is in vervulling gekomen de vacantiekoloniën zijn ont staan. Ik kan me bijna geen gezonder en krachtiger product denken van de zoo ziekelijk geworden en zoo verwaterde filantropie onzer dagen, als deze gezond heidskoloniën. Ziekelijke schoolgaande kindereu kun nen op verzoek van hunnen hoofdonder wijzer en op advies van den dokter, voor enkele weken naar buiten worden ge stuurd om daar gezondheid en levens vreugde op te doen. In Rotterdam heeft het stelsel der vacantiekoloniën reeds zeer zegenrijke resultaten gegeven en met oprechte hoogachting en overtuigde sympathie spieek ik hier er van. Gedurende een bestaan van vier ja ren heeft zij enkele honderden kleine lijdertjes de gezondheid teruggeschonken en enkele dozijnen in het ieven gehou den. Laat zulke beroerdelingentjes maar gaan, er zijn menschen genoeg heb ik eens als motief tegen gezondheids- koloniën hooren bezigen. Wat is dat nameloos wreed en on- menschelijk Wat is daar een moeder smart in gezinnen der armen moedwil lig voerbijgekeken. Krijgt één tegen stander het in zijne gedachten eenzelfde ploertige argumentatie te gebruiken als het geldt een rijkeluis kind? Neen immers Heden morgen heb ik een vacantie- kolonie uitgeleide gedaan. Er waren dertig kinderen, jongens en meisjes, onder toezicht van een bejaard onder- wijzerpaar, die in Uldenhout (bij Breda) drie weken zouden wonen. 't Was een schriel troepje, een mee lijwekkend gezelschap kleine menschen. Allen mager, met fletse oogen. Op de doodsbleeke wangen had de agitatie van Hilde eindelijk staan, bood haar vader haar voorhoofd aan tot een kus en zeide hem adieu. „Gij wilt toch ook niet reeds gaan wend- do zi) zich vervolgons tot Heinaar, die den hoed voor haar had afgenomen en nu een paar schreden op baar toetrad, om nog enkele afscheidswoorden met baar te wisse len. „Hebt bij dan zoo'n ontzettende haast? Papa komt zonder gezelschap ook beel ge makkelijk beneden. Gij moet uw schots- boek immers nog medenemen en wij hebben bet nog niet eens ordentelijk doorgezien." Lange overreding bad hij niet noodig. Wel had hij, door de eigenaardige ontvangst minder prettig gestemd, besloten zich bij den baron, die over de uitnocdigieg zijner dochter ten hoogste verwonderd scheen, kort weg aan te sluiten; maar eigenlijk viel het hem bijzonder zwaar en in de schuilhoekjes van zijn hart deed het hem pijo, dat Hilde zich in dpze plo'solinge scheiding zoo be daard echikte. Was hij haar dan niets meer geweest, dan een welkom tijdverdrijf voor een uurtje, zoodut geen vriendelijker gedach te voor hem zich in haar hart genesteld bad, niet eens de wensch zich bij baar deed gel den, dat zi) in haar volgend leven nog eens met hom in aanraking zou komen Nu tenminste week die bittere stemming bij ha re uitnoodiging slechts een weinig; maar dat pijnlijke gevoel van zooevon, dat hij na eenmaal niet in staat was te overwinnen, bleef en dat trachtte hij achter een onverschil lig gelaat te verbergen. Ook nu ging het, alsof bet niet anders kon, naar Hilde's zitje, midden tnsscben de struiken. Slechts nog een enkele late bloe sem hing er nog aan een takje te wie gelen. Bilde ging op het bankje staan om ze te plukken. „De laatste," klaagde zij. „Alles voorbij. Ook de kersenboom is reeds uitgebloeid." Hij knikte en onwillekeurig kwam hei bem over de lippen: „Het gaat daarmode somwijlen heel spoedig." Zij zweeg, zooals zij gedurende de gehee- le klauferpartij gezwegen had, Eerst na een kleine pcos draaide zij zich om en zag van af bare hooge standplaats op hem neder. Weet ge wel, dat ik ganseb niet over n tevreden ben zeide zij, terwijl zij nog altijd bezig was, de bloemen op haar boe zem te steken. „Nu wilt gij ook reeds gaan en gij hebt nog niet eens uw gelukwensch uit gesproken." Hij dwong zich tot scherts en neigde deftig het hoofd. „Dan zullen wij dat nu herhalen. In allen vorm alzoo Maar haar luim was reeds weder verwis- het verheugende vertrek een flauw blosje gelegd. Kuchend en hoestend, maar toch vroolijk, toch gelukkig uit logeeren te gaan, stenden zij in groep jes, met de ouders er tusschen, op het perron. Elk kolonistje had zijn moeder mee gebracht; moeder wilde haar kind niet alleen laten gaan. De meeste moe ders zagen er niet naar uit of voor haar een kort verblijf in een buiten, een overbodigheid zou wezen; maar zij toonden zich tevreden en gelukkig in de tevredenheid en het geluk der kin deren. Of ze vooral voorzichtig zouden we zen, Jantje en Pietje en Mientje. O ja, we zullen niets doen, wat niet goed is. En dan, de juffrouw is er toch bij. Ja maar, toch oppassen. Vooral je hoofd niet te ver uit het raampje steken, want da's gevaarlijk. Nee' heusch niet. Daar, de trein gaat weg. Geef me nog gauw een zoen, moeder, nog een zoen. Zoo. En geef vader ook nog een zoen van me, als ie vanavond thuiskomt. Dan barstte moeder in snikken uit. Ach, als 't maar gaat. Hij is altijd zoo zwak geweest, zoo dood zwak en als ie nou eens niet meer te rugkwam, als ie nou eens bij al die vreemde menschen'k Moet er niet aan denken, dag jongen, dag jon gen Dan begon het geheele reisgezelschap te zingen, een vroolijke straatdeun. Moeder ziet haar kleine meêzingen en zij is nu wat gerustgesteld. Hij heeft het daar goed, dat ziet zij wel. Daar luidt de bel, de trein gaat Zij wuift met de handen, knikt met het hoofd goê-dag, tot de trein, aan de kromming van den weg, uit het ge zicht vergleden is. Dan spreekt zij een commissielid, dat bij het vertrek aanwezig is, met tranen in de stem aan. Meneer, 't zal toch geen kwaad kunnen Ziet u, ik vertrouw het wel, maar je kunt niet weten. Geen nood, moedertje, 't zal al les best gaan en je krijgt je zoon als een reus terug, met zoo'n paar blozen de wangen Moeder is nu geheel gerust en als zij overmorgen den eersten brief van haar zoon uit Uldenhout ontvangt, is er in haar hart een innige tevredenheid, dat haar kind het daar zóó goed heeft. En zij is innig dankbaar ook. Gisteren zag ik het clubje dat voor drie weken naar Uldenhout ging, terug- keeren. De kolonies wisselen el kaar geregeld af. Er was in dat terugkomen een heel verschil met het vertrek. 't Waren heusch mollen van jongens geworden. Zij hadden daarbuiten heele dagen gewandeld of iD het bosch gele gen, goed te eten gehad, zij hadden aardig met elkaar gestoeid, zij waren hun kwalen vergeten en blozend en lachend stonden zij nu op het perron. Moeders stonden hen natuurlijk op te wachten en die waren opgetogen. Eerst de blijdschap hun kinderen terug te zien en dan de blijdschap, ze zóó terug te zien. We zijn sl rakkies gewogen en raad eens hoeveel pond zwaarder ik ben geworden? Moeder kon het niet raden. Vijf pond, vijf pond zwaarder. De dokter heeft het gezegd Moeder was één en al verbazing. Vijf pond Ja, en ik heb wat voor u meege bracht. Een pijnappel, kijk hier is ie. Die moet u bewaren, het heele jaar, maar u kunt 'm niet eten, daar is ie te hard voor Even, voor het gesnap buiten het station zal worden voortgezet, gaat de kleine reiziger het aanwezige commis sielid de hand drukken en „dank u wel te zeggen. Moeder zegt niets, zij schudt het hoofd en haar oogen staan vol tranen. Deze vacantiekolonies zijn een zegen. IJ. seld. „O, spaar mij dat," viel zij bem in de rede en sprong van de baDk, waarop zij zich nu nederzette. „Wie weet ook, of dat wel een geluk is." „Naar de gloeiende verheerlijking van uw vader te oordeelen; moet het toch „Ja papa 1" weerde zij afbalt lachend, balf spottend meende zij„die is geheel vuur en vlam. Die lieve papa 1 Hij is zoo goed, zoo van harte goed, slechts heeft hij zijne kleine zwakheden. Nu schildert bij alles met zonnnestralen, die doen alles goud schijnen; maar go weet, niet waar, het is niet alles „De glans moet toch zeer zeker aanlok kend zijn, anders zouden er niet zoovele vlinders in het licht vfiegen." „Ben ik de vlinder? 'I Is tenminste nog mooi, dat gij mij niet bij een mot vergelijkt. Dat is beleefd van u. Hoeveel poëtischer, verhevener, als vlinder de vleugels te ver zengen, als dat dan toch eenmaal zijn moet." „Het moet toch immers niet gebeuren. Gij behoeft het toch immers niet aan te ne men „Niet aannemen? Hier blijven dus? Ster ven van verveling Ik dank u beleefd 1" Zij strekte het slanke lichaam achterover en leunde met haar boofd tegen een boom en legde haar gevouwen handen over het schoone boofd. Zoo zag zij er uit als een ongehumeurd, mismoedig, trots kind, maar zij was echter zoo lief in deze nonchalante houdig, dat Reitnar geen oog van baar af wenden kon. „Zeker, het is een soort van verbanning, hier, op het randje van den aardbol," stem de hij haar toe. „Ja, dat is het ook," antwoordde zij op- gevroolijkt door de ironie. „Nooit hier weg komen, vastgeketend jaar in jaar uit, zonder omgang met een enkel fatsoenlijk mcnsch. Altijd en weer altijd precies hetzelfde, de eene dag precies gelijk aan den anderen zon der afwisseling; doch neen, ik wil niet onaardig zijn en het compliment teruggeven: gij hebt eenige afwisseling gebracht maar gij vertrekt ook spoedig weder." „Zeer vleiend. Zooveel oprechtheid was haast beleedigend. Dus slechts eene af wisseling. „En dan vangt het oude eenlonige leven weder aan. Ach, wat moet ik ook in Bern hausen doeL?" „Het is immers maar uw thuis", liet hij hooren. „Daar wilt gij zeker mede zeggen, dat gij mij voor een gevoel van aanhankelijkheid niet in staat acht." Van de trein gespro n- gen. De in de Hambergerstraat te Weenen wonende manufacturier Max Neumann, is zondagavond op een verschrikkelijke manier om het leven gekomen. Mijnheer Neumann was naar Baden op bezoek bij zijne fa milie geweest en ging in gezelschap van meerdere vrienden tegen negen uur in den avond met den trein naar Weenen terug. Trots bet verbod stond hij gedu rende den tocht op het platvorm van den wagon en rookte. Tusschen Mauer en Hetzendorf rukte een windstoot hem plot seling den hoed van het hoofd enn Neu mann beging de bijna ongeloofelijke on voorzichtigheid, om zich weder in het be zit van zijn hoed te stellen, door van den in vollen vaart zijnden trein te springen. Hierbij stortte hij echter als een blok op de spoorbaan neder, waarbij hij een aan tal zware verwondingen bekwam. De pas sagiers, dien den sprong, zonder te kunnen verhinderen, mede hadden moeten aanzien, „Waarachtig niet," viel hij in, „Ik heb mij daar zooeven van het tegendeel kunnen overtuigen. Gij bezit een zeer warme gene genheid voor een oude tronwe hond." „O, niet dazen toon I Vandaag niet," riep zij opspringend, als was zg toornig over een haar aangedaan kwaad. „Zal men dan bij een dier geen edele eigenschappen mogen waardeeren, alleen omdat bet een dier is en dat men bij dat redelooze wezen iets vindt, dat men bij den mensch te vergeefscb zoekt? Is die trouw niets Hot was een zeldzame blik in hare groo te oogen, zoodat onder den indruk daarvan het eigenaardige lachje van Reimar's lippen verdween en een verwonderde uitdrukking daarvoor plaats maakte. Hem was het, als of een warme ademtocht tot hem was door gedrongen; maar de vlam die bem verwarmd bad, wos rerds lang weder gebluscht. Ook Hilde's s'em bad den gewonen klank weder aangenomen; slechts klonk zij vriendelijker. „Maar gij staat daar nog altijd. Waarom gaat gij niet naast mij zitten Ik bijt n toch niet." „Is dat zoo zeker?" vroeg hij, terwijl hij hare uitnoodiging volgde en op de andere punt van de bank plaats nam, zoodat er een kleine ruimte tusschen ben bleef. „Heb ik dan reden gegeven om mij te wantrouwen nam zij de scherts lachend over. „Heb ik n de tanden laten zien? „Wellicht mij en andoren." „Toch papa niet Dat zijn maar nood schoten; wij verstaan en begrijpen elkander volkomen." „Hoe komt het toch, wanneer mij znlk een onbescheiden vraag geoorloofd is, dat gij u zoo weinig met uwe moeder en zuster kunt verstaan, zoo schijnt het mg tenminste toe.'* De vraag trof baar en joeg haar het bloed naar de wangen. Zij wees haar echter niet terug, waartoe zij ten volle recht zou heb ben gehad en betgeen hij ook feitelijk ver wacht had; maar zjj begon zichzelf op leven diger toon te rechtvaardigen. „Wjj zijn zulko verschillende naturen. Ik weet boel goed hare goede eigenschappen te schatten; maar zij zijn zoo zoo zoo mama beeft geen eigen wil, zelfs daar niet waar zij hem hebben moest; zij zwijgt slechts en dan weenen zij met elkander, Ik ecbler kan dat weenen niet uitstaan. Maar de tanden, neen dio toon ik baar niet, of ik moet door haar aangevallen worden. Dat moet men altijd doen, wanneer men zijn lijf verdedigen wil." „In die positie zult gij nog wol niet dik wijls verkeerd hebben." waren ten piooiaan eec geweilige opge wondenheid. In Hetzendort waar de trein kort daarna binnen liep, verlieten de vrienden van Neumann den trein, om zich omtrent het lot van hun vriend op de hoogte te stillen. Men zocht en vond Neumann bewusteloos op de spoorbaan liggen. Met den volgenden trein volgde hij naar Weenen, waar intusschen een bood schap naar het gasthuis was gezondeD, om den zieke te vervoeren. Onderweg evenwel is Neumann aan de bekomen wonden overleden. Neumann, die zichzelf op zeer onvoorzichtige wijze den dood op den hals gehaald heeft, was gehuwd en vader van drie onmondige kinderen. TeReichenberg in Bobe- ine is de katoenfabriek van de firma Jo- hann Liebig totaal afgebrand. Er moeten vele menschenlevens te betreuren zijn. Reeds zijn 25 gewonden in het gasthuis opgenomen. Ook de belendende huizen staan in brand. Te Bremen heeft een 16-j a- rige jongen, leerling bij een groote han delsfirma, zijn patroon voor 20,000 mark bestolen, voor welk bedrag hij o. a. zeil- booten ter waarde van 950 en 8000 mark kocht. Hij rustte die booten uit, inet een bemanning, die hij in keurige uniformen stak. De rechtbank heeft den lichtzinnigen knaap tot twee jaren gevangenisstraf ver oordeeld. Menelik mag zich na zijn jongste overwinningen in de bijzondere be langstelling van Europa verheugen. Aan een correspondent van de lemps- toonde hij een stapel brieven, die hij uit alle landen van Europa en andere werelddeelen had ontvangen. Er waren honderden brieven bij, waarin hij werd gecomplimenteerd met zijn overwinningen, en vele schrijvers verzochten, bij hem in dienst te mogen tre den. Een Engelschman begon zijn brief met »My dear Negus". Bewoners van Triest, die den Italianen geen goed hart toedragen, zonden den AbessyDÏschen vorst een adres van hulde in verzen Zwitsersche bewonderaars herinnerden hem aan hun eigen strijd voor de onafhankelijkheid; Duitschers en Oostenrijkers staken den draak met hun Italiaansche bondgenooten. Schooljongens vroegen om Abessynische postzegels, en Joden boden hem aan, Ethi opische fondsen aan de markt te brengen. Ook zag de correspondent eenige Fransche carricaturen van Menelik en van Crispi, waarom Z. M. hartelijk lachte. Toen de Correspondent hem een compli ment maakte over de goede behandeling der krijgsgevangenen, zeide Menelik, dat, ofschoon de Italianen hem als een „wilde" „Ik Dikwijls genoeg." „Tegen fijne speldenprikken zeker?" „Tegen beerenklanwcn en wolfstanden, te gen slangongift en gierenklauwen. Tegen al dat mogelijke gespuis." „Is dan Bernhausen zoo wildrijk „Maar Parijs en Nizza toch zeker wel-Daar loert overal dat rooftuig rond." „Ik bad niet gedacht, dat gij in de om geving, waarin gij daar verkeerd hebt, zulke ervaringen hebt kunnen opdoen; daar, waar zooals uw vader zegt, een iegelijk bezig is u te bewonderen." „Mijne omgeving?" zoide zij mot bitteren hoon. „Juist in mijne omgeving beb ik de wereld, de mannen in hunne ware gestalten leeren kennen. Wat was ik voor hen Eene van die dingen, die men voor goed genoeg houdt, om mede te schertsen, baar het hoo'd op hol te brengen en vervolgens in het verderf te storten. Hud schuld is het niet geweest, dat mjj niet hetzelfdo lot is overkomen. O die aanbiedingen, dat blootstaan aan list en bedrog, die ellendi ge sluipmiddelen, die verdachtmakingen hoe menschonteerend, hoe afschuwelijk. Ik was te verstandig om eerst mijne om geving niet te verkennen en aan al die gladde, honingzoete woorden geloof te slaan, te verstandig, en tot mijn geluk, was ik gewaarschuwd. Voor alles ben ik de ge storven vorstin veel dank verschuldigd, vooral voor dit eenedat zjj mij niet als kind behandelde, maar mg voor dergelijke dingen de oogen opende. Gruwzaam, har teloos voud ik het, dat zij toenmaals den gouden sluier van dat aller wegscheurde, maar zij meende het toch goed met mij. In haar egoïsme wilde zij hare gezelschaps dame niet missen en daardoor heeft zij ook mij er voor bewaard, mijzei ve te ver verliezen. Wat ik daar geleerd heb, was een school voor het leven. zoo zien mijne ervaringen er uit. Dat zijn de man nen-" „Maar toch niet allen." „Allen wellicht niet;" gaf zij toe en weder trof hem een zonderlingen diepen blik, die hem tot in zijn binnenste deed tril len. Doch oogenblikkelijk daarop liet zij er op volgen, terwijl zij de wenkbrauwen fronste „Maar toch allen, die in aanmer king kunnen komen, wanneer men een arm meisje is," en na een korte aarzeling voeg de zij er aan toe: „dat niet alleen aan zichzelve maar ook aan anderen denken moet." Er trad een stilzwijgen in. Wat had hjj daarop te antwoorden, wanncor dit

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Schager Courant | 1896 | | pagina 5