BriBYen uil t laasstafl. Yallenfle Sterren. Zondag 30 Augustus 1836. 40ste Jaargang No. 3128. BIJVOEGSEL. FEUILLETON. Gemengd Nieuws. Een vroolijke dag te Schagen. I>. SCHAKER Rotterdam, 26 Aug. 1896. C1Y. Nu, Abraham Prikkie heeft het te bar gemaakt In zijn hoofdplaat geeft het blad 't beeld van Prikkie, die een gordijn stevig vasthoudt en een afwerend gebaar maakt naar den lezer, tot wieD hij een paar groo- te, verontwaardigde oogen opslaat. Onder het gordijn steken menschenheenen en flesscheu en het achterstuk van een varken uit. EnPrikkie zegt»NeeD, Nederland zal niet zien hoe walgelijk Rotterdam zich gedragen treeft," Tegen deze barre kritiek moet ik even tjes opkomen. Men kan vijand zijn of vriend van de kermis, goed, dat is een bfginselkwestie; maar men moet eerlijk in zijn kritiek wezen. Ik hoorde die rencen- sie „walgelijk" van meer zijden. En toch was die onverdiend. Rotterdamsche kermis staat nu eetmaal heel slecht aangeschreven. Als ik me niet vergis, lezer, heerscht ook ten oweut de meening dat orze beruchte zaterdagavond minstens een bachanaal van liederlijkheid is en dat is toch werkelijk niet het geval. Nu ja, er wordt druk gehoscht, veel ge dronken, misschien op verschillende plaat sen worden dingen gepleegd die het dag licht niet mogen zien, maar dat geschiedt in een groote stad 't geheele jaar door. Nu is 't alleen samer gedrongen op één plein en op één avond. Men kan beslist tegenstander van een dergelijk soort vermaak zijn en men is in zijn recht. Maar men zie de historische waarde ervan niet over het hoofd, Ons volkje is aan zijn kermis dol gehecht. Yan ouder tot ouder gaat de warme sympathie voor de Augustusdagen met tenten en kramen, voor kermisvoorstellingen in de schouwburgen, café-chantants, cir cus enz. over. O, er was rog slechts sprake van de kermis niet te laten doorgaan, eeDige ja ren geleden, en dadelijk stoven de opge schoten jongens en meisjes op, maakten kabaal op de straten en dwongen feitelijk bet dagelijks bestuur op zijn voornemen terug te komen. De kermis per decreet afschaffen is on mogelijk en ook onuoodig. Maar er is tcch nog iets aan te beschaven. Dat is vooral van 't jaar heel duidelijk gebleken. Wat er op het kermisterrein aan kramen verBeheen, was niet van het beste Roman van Rolert Byr. DERDE BOEK. 23 Onophoudelijk liep Reimar in zijn kamer op en neder. Een gestommel in de kamer naast de zijne, waarschuwde hem, dat bij niet meer alleen was. De arbeider, die zijn huishoudelijke zaken tezorgde, zette eerst de koffietafel klaar voor zijn meester eer hjj zelf eten ging. Om den korten herfstdag niet geheel aan heen en weer trekken te be steden, ging Reimar 's avonds naar het stadje om daar zijn middagmaal te gebruiken. Op de tafel werd dan nn cok niet anders neer gezet den een fleEch wijn en eenig kond vleesch. Het was een eenvoudige man, die dat alles klaarzette, maar ook diens te genwoordigheid hinderde Reimar; hij wendde zieh daarom voor een oogenblik naar bet balkonvenster, om zich aan zjjne oogen te onttrekken. Bij zag slechts de wolken, de bergen, den verwilderden tuin vervolgens ontwaarde hij vlak naast de schuur, waarin de arbeiders hun middagmaal nuttigden, twee gestalten, die eenige oogenblikken zijn aandacht gaande hielden. Sckmitz stond daar met Gertsner, den ploegbaas, in gesprek en beiden verwijderden zich vervolgens gemeenzaam. Wat hadden dio met elkander? Was Schmitz zoolang nog hier geweest, en waarom had hij bet huis niet aan de straatzijde verlaten Dat waren vragen, die bjj vlucbiig zicbzelven stelde en even vluchtig beantwoordde. Hij herinnerde zich nu, dat zij in do kamer el kander een blik van verstandhouding had den toegeworpen. Zij kenden elkaar nog van vroeger. Schmitz had immers gespro ken over kiezen of zooiets, dat zal het dus zijn wat hen bezighield. Hij smeedde bet ijzer als bet heet is. Daarvoor was hij ze ker hier gekomen. Dit interval leidde nergens anders toe, dan dat zijne zelibeeebuldiging onderbroken werd. Waartoe zoo dat alles ook nog langer dienen Hoe de zaak zich verder ontwik kelen zou, wist hij nu vast eu zeker. En hij wilde het gevaar ook fegentredeD. Reeds half op weg naar zjjn slaapkamer om een andere jrs aan te trekkeD, field hij halt. Het scheen hem toch beter toe, niet naar <le stad te gaan en daar ida op to zoeken. - allooi, biertenten en oliekoekenkramen bij dozijnen, maar de groote circus-, de groote theaterspellen bleven weg. Ons stadsbe stuur stelt te hoege eischen, eischt tevre denheid met een slechte plaats en de ten teneigenaars zeggen we danken u wel, we komen niet op deze voorwaarden. Carré is na al in twee jaren niet teruggekomen. Als ons stadsbestuur meent hierdoor bij te dragen tot den natuurlijken dood van de Augustnspret slaat zij den plank mis. De lol blijft even levendig, maar door zij ne maatregelen platter, meer valgair. Wanneer 't bestuur wat andere voorwaar den wilde stellen, het komen van behoor lijke vermakelijkheden aanmoedigde, zou het iets ten goede verrichten eu de ker mis, die toch niet af te schaffen is, bescha ven en beter maken. 't Is misschien daarom goed, dat we een werkman in den Raad hebbe.D. Die kan in zulke dingen van eigen-er varing meepraten en de puntjes op de i zetter. We hebben nu een werkman in den Raad I Al vijf zittingen heeft bij meege maakt en nog isniet gebeurd wat onze deftige kooplieden in hun angst zagenhij heeft niet gevloekt, niet met zijn vuist op de tafel geslagen, de heeren riet uitgeschol den, of lust tot een bokspartij getoond. Niets van dit alles, de smid Be Klerk is een heel tam, parlementair man gebleveD. Hij rederijkt wel een beetje in zijn speschen, bij galmt wel een beetje te veel, schermend met zijn handen \n de lucht; maar hij zegt toch goede dingen, dingen die tevo ren nooit zoo in den raad gezegd wareD. Dat hindert zijn medeleden, althans de meesten van hen, met den voorzitter, den burgemeester aan het hoofd, wel een bee tje. Hij krijgt nog al eens een harde op merking te hcoren, maar hij slaat er zich kranig door, geholpen door enkele minder- conservatieve medeleden. Naast hem zit in den raad een eenvoudig winkelier, bezitter van een kruideniers winkel, indertijd lid van den gemeenteraad van Charlois en als zoodanig in den raad van de niuewe stad Rotterdam gekozen. De heer Tan der Pols. Hij is zeer an tirevolutionair, maar zeer bescheiden, ijveraar voor de btlargen van 't mindere volk en de kleire burgers. De magere otibeteekenend uitziende man in, als allen hem afvallen, aan de zijde van De Klerk. En deze twee zijn dappere soldaten in den dienst van 't volksbelang. Ik wil niet zeggen dat de andereleden niets voor 't volksbelang doeD, o volstrekt niet, daar denken zij dikwijls genoeg aan. Maar ze doen dat zoo vreemd. Heeft niet onlangs de Burgemeester in antwoord op een uitval van den heer "Van der Pols, dat de leden zoo weinig de volksbelangen Was zij werkelijk om zijnentwille bier ge komen. Het kon tcch immers zijn dat Schmitz maar iets nit zijn dnim gezogen had en dat voor alles de bezichtiging van Bernhaoscn het hoofddoel harer komst was. WaDceer dit het geval was, zou het zeer zonderling zijn, wanneer de bouwmeester baar persoonlijk reeds tegemoet snelde, om haar eene verklaring te geven. Maar welke verklaring? Dat hij haar bezoek aan het kasteel niet wenschtemaar met welk recht zoo hij haar bier weren De reden, waarom zij hier kwam, ging bem toch niets aan, evenmin als de bestemming dien zijn werkgever aan dit gebouw dacht te geven. Maar wilde hij baar dan zeggen, dat zij zich in zekere mate bedroog? Maar bad hjj daar toe wel eenig recht, zoolang zij zelve daar omtrent nog niets had gezegd? Iets afwij zen wat nog niet eens gepresenteerd is, heet op zi n zachtst zeer voorbarig, en zon aanleiding tot bittere spot kannen wor den. Neen, dat was niet de goede weg. Goed haudelde hij slechts wanneer bij haar hier liet komen. Virstsndig was, den zoogenaam- den overval af te wachten. Gaf zij hieraan gevolg, dan moest bij baar niet nit den wig gaan, dan moest bij haar manneljjk te gemoet gaan, en het was dan aan hem, de verhondirg duidelijk te doen worden. Tenslotte was toch de man de aangewezen persooD, die de zaak in 't reine moest bren gen, zonder dat het noodig was, de vronw te kwetsen, hoewel zij tegenover hem ook niet geheel vrij van schold was. Eenmaal tot dat besluit gekomen, bleet hjj ook daarbjj. Daar er niemaod gekomen was, geloofde hjj dat jjjn wegblijven voor haar een teeken was, hoe of bij over de zaak dacht en dat hem zoodoende eene ontmoe ting met baar bespaard zon blijven. Hjj maakte zich na een oogenblik gereed om het werk eens rond te gaan. Nanweljjks was hjj eenigo oogenblikken weg, of hem werd ge boodschapt, dat er beneden een dame op bem wachtte, die bem wenschte te spreken. Hjj moest al zjjn geestkracht te hulp roe pen om zjjne norecbheid niet te laten bemer- keD, terwijl bjj haar begroette. Zij zat op een vooruitspringend stnk muur en hare pa rasol was zoo gekeerd, dat haar gelaat ge heel bedekt werd en eerst toeD Reimar vlak voor haar stond, word het geheele beeld onthuld. Een vriendoljjk en te geljjk ondeugend lechje lag er over hare trekken, die tcch weldra een ontnuchterde uitdruk king aannamen. „Ik heb u opietteljjk mjjn kaartje niet gestuurd, daar ik zien wilde, of gij ra- in het cog houden niet gezegd "Wij heb ben met die volksbelangen evenmin te maken als met een ander paiticnlier be lang. Wij behartigen als louter administra- tiet lichaam de belangen vaD de geheele stad. Dat was misschien goed-bedoeld, maar niet heel handig gezegd. Wie zou willen ontkennen, dat de raad er is voor de be hartiging van het volksbelang, dat bij voorbeeld het opnemen van minimum, loon en maximum-arbeidstijd in de bestekken feitelijk haar plicht isZekei niemand eu toch deed dat, in een onhandigen uitval, onze burgervader zelf. Eigenlijke bedoelde hij natuurlijkwe zullen hier geen parlementje gaan spelen en ons verdiepen in bijkwestiën, Als we recht op het doel afgaan, hebben we toch al genoeg te doen. Daarin zou veel waars zij'.). Er is een massa te doen. Als de te verwachten lee ning voor den aanleg van een nieuwe groote haven len bedrage van negen millioen guldens vulteekend zal zijn, heeft de stad Rotteidam tachtig millioen guldens schuld. Tachtig millioen en we zullen nog wel meer te leecen krijgen, want er is nog veel werk voor 't mes. Gerneenteëxploiti- tiëo, die ook in Amsterdam druk aan den gang zijn, komen hier achtereenvolgens aan de orde en eene nieuwe overname kost een scbat gelds. De overname en de nieuwe installeering van de telephoon heeft een millioen gekost. Daardoor stijgen de lasten steeds. Op het aanslagbiljet, dat wij het genoegen hadden juist te ontvangeD, zien we ons alweer hooger aangeslagen, 't Scheelt mij met het vorige jaar drie gulden en ik heb goeie kennissen, die op Dog zat meer dan verleden jaar getaxeerd zijn. Eén zelfs met vijftig gulden. Men vreesde dat een tal van rijke fa- miliën naar betere gemeenten verhuizeD zouden, dat we oen forenzendom zouden krijgen, als Amsterdam. Maar daar is de werkelijkheid nog al vertroostend nage komen. Alle lui van geld hebben hun zaken hier en ze zijn daar graag bij. Een heel enkele is verhuisd naar Den Haag, maar de meesten bleven. Ons werkzaam koopmansras kan moeic- lijk uit het oord van zijn geldverdienen gsaD. Niet uit dankbaarheid, maar alleen omdat zij 't onaangenaam zouden vinden altijd op groeten afstand van de zaken te woneD, blijven zij hier. Daardoor rusten cok op hun schouders veel fioantieele verplichtingen, die in het slechtere geval gewenteld zouden woiden op de schouders van den winkeliersstand, die natuurlijk niet verhuizen kan. De lasten zijn zeer hoog, maar ze zijn tamelijk gelijkelijk over allen verdeeld. den kondet" zeide zij bijna met kinderlijke lieftalligheid. „En nu zijt gij niet eens ver rast!" „Men heeft mij aw bezoek reeds gemeld," verklaarde hij eenigszins gedwongen. „O, zeker die Schmitz, die praat-majoor. Wat zal bij nn in de residentie alles ver tellen," zeide zij levendig en op verdrii tigen toon; maar dadelijk ging zij ernstig voort „Gij wist het dus en zijt mg niet tegemoet gekomeD. Daar ben ik u zeer dankbaar voor. Het had mijn incognito zekerlijk verbroken en mijn dwaze streek was aan den dag gekomen. Hoe tactvol van n." Zij reikte bem dankbaar de hand en hare oogen, die onder de langzaam zich opslaan de oogleden diepen donker schenen, troffen hem met een innigen warmen blik. Daarmede wss ook zijne ontstemming, waarmede bij zich ais door een haag had omgeven, omver geworpen. Geen gebrek aan fijngevoeligheid was het, dat haar naar hier gevoerd had; dit moest bij zichzelf be kennen en daarom bad bij ook het recht niet, haar zijn tegenzin te doen gevoelen. Bijna in een stomme vraag om vergiffenis, gaf hij haren hartelijken handdruk, met gelijke warmte terug. Ton slotte was baar geheele bezoek wellicht niets dan eene vetgeefl^ke nieuwsgierigheid. Dat idee begon boe langer boe meer de over hand te verkri;gen. Zij liet zich overal door hem heengeleiden, zijne plannen verklaren, nam alles met de grootste belangstelling in oogenscbouw, en er werd over niets an ders gesproken dan wat op don bouw be trekking bad. Daarbij kwam somwijlen, hoewel niet geheel, toch wel eenigszins de toekomstige eigenares voor den dag. Hier moest dit zijn, daar dat. Wanneer hij even wel een ander idee had, werd bem dat met een lief lacbje toegegeven, evonals de har telijk liefhebbende vrouw zich onderwerpt ain de verlangens van haar echtgenoot. Hem kon dat geenszins ontgaan en telkenmale trachtte hij door koelen toon en terughouden de manieren, zjjne afhankelijkheid van den vorstelijken werkgever op den voorgrond te stollen, om zoodoende het bewijs harer toe gevendheid niet behoeven te aanvaarden. Dat verhinderde evenwel niet, dat dergelijke dingen van tijd tot tijd terngkwamen. Met de grootsto belangstelliug had Ada het oude slot en de omgeving daarvan door gewandeld. Zelfs den tuin, de stallingen betrad zij; maar om de kamer van hem binnen te treden, sloeg zij schertsend al. Dat zou wel een weinig onverstandig zijn, vend zij, al ware cok daar iels omtrent deD bouw te verhandelen geweest. Nu is gedeelde smart, halve smart en daarom kuunen wij ons in onze misère van belasting-betalen vrij wel schikken. 't Was althans bij de kermispret niet te zien, dat er veel zuinigheid betracht werd. Het ging zoo royaal als 't maar kon. We zijn, aan 't slot onzer causerie wer kelijk weer terecht gekomen, waar wij van daan gingen op de keruis. Er is veel jool geweest, veel aardig?, maar ook een massa leelijks. Yeel ge dronken, veel gevochten. Maar Abraham Prikkie heeft het te bar gemaakt (Pene vaderlandsche herinnering). Wie met den spoortrein van Haarlem naar het Nieuwe-Diep gaat, en Alkmaar is voorbij gestoomd, ziet weldra de groote kerk met den flink gebouwden toren van het dorp Schagen, en is men in de nabij heid van het station gekomen, dat eenige minuten van de kom dier gemeente in de Hoep is geplaatst, dan ontdekt men ter zijde van de kerk, maar veel lager, nog twee andere torenspitsen. Het zijn de torens van het slot, de laatste over blijfselen van het sterke en prachtige kasteel, dat tot den grond is geslecht en waarvan het binnen de grachten gelegen erf tot eene algemeene begraafplaats is ingericht. Nog in het laatste gedeelte van de vorige eeuw was het slot met het voorplein en de bijbehoorende gebouwen, met zijne tuinen en boomgaarden en landerijen, een sieraad van het Noorderkwartier, grootsch van aanleg, uitmuntend gebouwd en smaakvol ingericht, eene bezitting, die, ware zij slechts behoorlijk onder houden en beheerd, in den tegen woor- digen tijd een fortuin zou hebben uitge maakt. De familie D'Oultremont vond echter goed om, evenals Prins Willem Y, voor de Patriotten, het land te ruimen, en het slot, dat door haar overgrootva der was verkregen, toen hij in 1707 huwde met Maria van Beieren, Yrouw van Schagen, te verlaten. Ten volle werd aan haar de spreuk bewaarheid ver van zijn goed, dicht bij zijne schade. De oude Heerlijkheid werd verwaar loosd en verbrokkeld, zoo meedoogen- loos en ruw, dat het besluit van den rechtmatigen eigenaar te begrijpen is, al zou men het betreuren hij verklaar de namelijk, in eene uitbarsting van heftige verontwaardiging„Je ne re- „Men zon ons waarachtig wel voor een paar verliefde of verloofde luidjes kunnen aanzien," meende zij en gleed, daar hij hier op niets wist te antwoorden, spoedig over dit pnnt heen. Slechts in een lichteD zucht, meende hij haar ongeduld over zijne onbe- holpene schuchterheid te ontdekken; bij wist ook in 't geheel geen partij van de omstandigheden te trekken. „Ten slotte moet ge mij ook nog daaro ver heen voeren" zeide zij eindelijk, toen zij met den ommegaDg gereed waren. „Ik beb bij het gaan bierheen, vlak langs den straatweg een groot oud muurwerk ontdekt, vol onkruid en bloemen. Dat zal toch we der in het park worden opgenomen; men zal vandaar het schoonste uitzicht heb ben." Op den bastion wilde zjj. Reimar gevoelde een smartelijke aandoening; maar haar ver langen was, zonder onbetee'd te zijn, niet af te wijzen. Tot nu toe had hij er tegen op gezien, zjjne arbeiders daar aan bet werk te zetten daar kuilen te laten graven, de spaden te laten woelen, scheen hem bij na eene ontwijding van geheiligden grond te zijn. Toen echter zijne gast zich deed hooren „Bit is een volslagen wildernis, dat moet anders worden I Hier behoort een paviljoen, of beter nog, een bekoorlijk tempeltje van waar uit men een uitzicht op het slot heeft." Toen knikte ook hij ijverig met het hoofd en stemde rnw in „Ja, ja, dat moet weg." Hoe was het hem te moedeDe herfst was in het land gekomen. De beuk ruisch- te machtiger, maar in het heldere water schitterde geen regenboog; de takken had den hun donkerst kleed aangetrokken, alles was klsurenrijkar en volkomoner dan in den lente, maar toch was het zeldzaam stil en treurig onder den geelrooden mat witten bemel en den dunnen nevel, die zich over veld en beemd uitspreidde. Een zucbt van weemoed en melancholie ging door de gansche na tuur. Stom sag Reimar tot den kersenboom op de vogeltjes, die zich daarop gewiegd hadden waren weg, de twijgen kaal, waaraan vroe ger die mooie bloesems hadden gehangen. Waar waren zij gebleven? Verwelkt I Ver welkt I Ook over zijn ziel hing een donke re sluier en in zijn binnenste heerschte ook een herfstachtige stemming. Ada stond naast hem, de handen op den grooten knop van haar parasol gevouwen, waarmede zij tegen de oude bank leunde, waarop zij niet wes gaan zitten, om haar kleed niet in den modder te bevuilen, die viendrai jamais (Ik zal nooit terug komen), toen men bij een bezoek, dat hij omstreeks 1830 aan Schagen bracht, hem over de verwaarloozing van zijne bezittingen zocht te troosten, en hem wilde bewegen, om zich, althans voor eenigen tijd, weder op zijn voorvaderlijk slot te vestigen en zelf het beheer der overgebleven goederen te aanvaarden. Hij vertrok vol ergernis, nam enkele kostbaarheden mede, welke hij in het Museum te Brussel plaatste, liet verder het goed aan rentmeesterlijke handen over, en nu is het erf van het kasteel eene begraafplaats en de schilderijen, de portretten van de Ridders en Edelen en van hunne vrouwen, hingen en stonden en lagen een jaar of wat geleden, toen een hooggeplaatst persoon ze wenschte te zien, op een zolder, waar een boer 't was tegen den herfst zijne boonen en erwten liet uitwasemen en drogen Al is er in dien toestand verbetering gekomen en op het beheer der oude Heerlijkheid geene aanmerking meer te maken, de oude glans keert voor die vorstelijke bezitting niet terug. Inderdaad de oude Heeren van Schagen waren van vorstelijken bloedede eerste was een kleinzoon van Keizer Lodewijk van Beie ren, een bastaard van Albrecht, den Graai van Holland, bij Maria van Bronck- horst hij bouwde het slot omstreeks 1440, en tot op den huidigen dag is de Heerlijkheid van Schagen een eigendom van zijne nakomelingen, al dragen zij ook niet meer zijn naam. Onafgebroken is dat bezit echter niet geweest; van 1658 tot 1676 was het kas teel in andere landen. George van Cats, Heer van Coulster enz., gehuwd met Jus- tina van Nassau, kocht den 2den December 1658 in Den Haag deze Heerlijkheid, „met al dat daaronder dependeerde voor de somma van 263,000 guldens," en eerst den 24sten Januari 1676 werd zij weder in Den Haag geveild en door Eloris Carel van Beieren voor 170,000 guldens teruggekocht. Terwijl dan George van Cats en Justina van Nassau met hunne vijf kin deren het slot Schagen bewoonden, was daar de 16e Mei van het jaar 1668 een vroolijke dag. De Schout van het dorp, Jacob Jansz, was echter met de feestelijkheden, welke op dien dag zouden plaats hebben, vol strekt niet ingenomen. In een knorrige luim liep hij den 14den en 15den Mei de dorpsstraten langs en, hoewel hij zijn plicht deed, was het aan zijn gelaat te zien en aan zijn woorden te hooren, dat die plicht hem zwaar viel. Meermalen had hij zich in de laatste jaren bij het vervullen zijner betrekking onaangenaam zich in dien tijd op de nooit meer bezochte plek had verzameld. Na een poos, terwijl beiden gezwegen hadden en het woord niet geval len was, dat zij van hem verwacht had te zullen hooren, begon zij zelve weder te spreken, terwijl haar blik gevestigd was op zijn bleek gelaat en de iu de verte starende oogen. zijt zoo kond, zoo terughoadend. Wat scheelt n zeide zij eenigszins verwij tend, maar toch op hartelijken toon. „Zijt ge boos, dat ik naar hier gekomen ben Beknor mij gerust, ik zie nu ook in, dat bet zeer onverstandig van mij is geweest; maar ik kon het niet meer uithouden van nieuwsgierigheid" voegde zij er na een vor- schenden blik aan toe. „Men vertelde mij znlke iabeiachtige zaken van den nienwen bouw van Bernbausen, en dan bad ik mij voorgesteld ook o daarmede een kleine vreugde te bereiden." Haar toon maakte bem nog meer bevan gen. Hij voelde komen, wat hij had hopen te vermijden. „Gij moet mij vergeven, geachte juffrouw," verzocht hij, doch zij sneed hem dadelijk met een boos gelaat, dit stijve begin af. „Geachte juffrouw? Brr hoe vormelijk! 't Is waarachtig alsof wij op een hofbal zijn. Ben ik dan niet meer Jenisch En voor mijne vrienden beet ik Ada. Gij zijt toch immers mijn vriend Hare rechter hand liet den parasol los en werd bem met leiendige beweging toegestoken. Wat zon hij anders doen, dan zijne hand in de hare loggen De vaste druk harer vingers gaf hem zoo dadelijk maar niet weder vrij. Hare oogen zochten te vergeefsoh de zijnen, daar hij het hoofd gebogen had. „Mijn vriend ging zij vervolgens op vertrouwelijken loon voort „herinnert gr) u nog wel den dag, waarop gij u als dusdanig aanwerven liet? O, ik was er zoo trotsch op, een vijand als vriend gewonnen te hebben I De engelen verheugen zich meor over de bckeering van oen zondaar, dan over de negen en negen tig rechtvaardigen. Een ongel ben ik na wel niet en wil mij er ook niet voor uit geven. Op het tooneel is dat genoeg. Maar verbeagen mag ook een arm menschenkind zieh tooh wel, als hij een groote overwin ning behaalt. Een overwinning 1 En toch was het eigenlijk een groote nederlaag voor mij, want het heeft mij leeron erkennen, hoe gering de waardo mijner triomfen tot dus verre was, hoe weinig ik met al mijn werken nog had bereikt. Weet ge nog hoe ge u toenmaals uitliet over de rol van gra vin Orsina Ik herinner mij daar nog elk woord van. Gij mannen weet wel, hoe gij belangstelling moet opwekken, en u zelf in

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Schager Courant | 1896 | | pagina 5