Wat heeft Polen meegemaakt „Zij kochten mijn kind" Siem de Waal bezocht het 44ste Internationaal Esperanto-congres te Warschau. 4000 deelnemers uit 46 landen Polen moet nog wel iets leren als het gaat om vreemdelingen aan te trekken. De reclame is uitstekend en van alle kanten word je een bezoek aangeraden. Totdat je om een visum komt. Je ver moedt dat een glimlachende beambte je zo gauw mogelijk op weg zal helpen om de door Polen zo vurig begeerde devie zen te versnoepen. Niets is minder waar. Men heeft alle tijd en wijst om het klein ste dingetje je visum af. Het kostte mij dan ook een paar dagen voordat het groene licht aangeschakeld werd. Tijd om met de avondtrein naar het O. te reizen gunde ik mezelf toen niet meer en verrtok op eigen kracht zaterdagmiddags uit Den Haag met als eerste doel War schau, waar het 44ste Int. Esperanto con gres zou worden gehouden. Kortste weg was Arnhem, Roergebied en dan auto baan richting Berlijn. De autobanen zijn flinke opschieters en nog die avond arri veerde ik aan de Oost-Duitse grens, waar de nacht werd doorgebracht. De volgen de morgen de grens over en richting Berlijn. De douane was gemakkelijk. Een visum wordt aan de grens verstrekt, de tijd wanneer je vertrekt netjes opge schreven plus de boodschap dat je niet van de weg af mag. De boom gaat om hoog en rijdende langs een akelige kari katuur van Adenauer ligt de autoweg weer voor je te wachten. Inderdaad te wachten: Wat een verschil met de Wes terse zijde. Het was zondagmorgen en de West-Duitse wegen waren gepakt met alle soorten wagens. Hier reed ik echter lange tijd moederziel alleen op de prach tige 4-baans weg, met het gevoel dat de weg voor mij alleen was, zo angstig stil was het op deze, zich door het zacht- glooiende met dennen beboste landschap leidende betonmassa. Na vele km. kwam ik ten Z. van Berlijn, want de grote weg naar het O. leidt niet door de stad. Zo dicht echter bij Berlijn zijnde kon ik de verleiding toch niet weerstaan om daar een kijkje te nemen en zo kwam ik spoe dig in W. Berlijn aan. De Oost-Duitse politie maakte heftige bezwaren tegen het feit, dat ik hun op het plaatje wilde zetten. We discussieerden er enige tijd over, maar het ging niet door. Tenmin ste niet officieel. Kreeg daarom toch nog iets. Enfin, daar lag Berlijn. Ik ben er een halve dag geweest. Griezelverhalen dat je onmogelijk naar Oost-Berlijn kon gaan bleken volkomen ongegrond te zijn, Ik ben zoveel malen van Oost naar West gereden als ik maar wilde en er was he lemaal geen controle. Ik heb uren rond getoerd, gekeken en gefilmd, waar ik maar wilde en helemaal niet in het ge niep. In het Westen wordt veel ge bouwd. De stad leeft en de Berlijners zijn er blij mee. Maar kom je dan in het O. dan betreed je de woestijn. Verschrik kelijk zoals dat Berlijn kapotgemaakt is en nog steeds is. Ik heb Unter die Linden in 1935 gezien, durfde er met mijn fiets nauwelijks te rijden. Nu was ik er dan weer en zag alleen maar puin en het naambordje. En zelfs dat was nieuw. Het ir één groot gebouwenkerkhof en zo tus sen al die „grafmonumenten" doordwa- lende, waar eens mensen leefden, voel je je als een vogel, die boven de ruïnes van een oude burcht zweeft. De ene vierkan te km. na de andere. Van Berlijn weer terug naar de auto weg. Formaliteiten en inspecties, maar zeer vlot. Daarna weer verder naar het Oosten over een mogelijk nog stiller weg. Meer zondagsrustgevoel was met denk baar. Frankfort aan de Oder was de laatste stad in Oost-Duitsland. De rivier vormt de grens. Het was heel rustig aan het grenskantoor en dat is altijd on plezierig. De douane neemt de tijd. maar was niet onvriendelijk. De Polen deden ei echter drie kwartier over. De wagen werd geheel doorzocht, verzekering moest vervolgens in orde gemaakt wor den en daar ging ook veel tijd mee heen. Alles werd natuurlijk in duplikaat be schreven en het te kleine carbonpapier- tje moest iedere keer verschoven wor den. Mijn opmerking, "dat in kapitalisti sche landen die carbonvloeitjes net zo groot zijn als het daaronder liggende do cument en daardoor tijd en ergernis be spaart, nam de douane gemoedelijk op al wilde hij niet hardop glimlachen. Daarna mocht ik de Oder kruisen en lag Polen voor mij open. Ik heb toen onmiddellijk de grote weg verlaten en ben via binnenwegen in de richting Poznan gegaan, daar ik graag iets wilde zien van het dorps- en boeren leven. De dorpen en boerderijen zijn in het W. van Polen arm soms erg arm. Zo ïeizende door dit land krijg je van lie verlede diep medelijden met dit volk, want zo oud als de geschiedenis is heeft men het, komende vanuit alle windstre ken, steeds weer opnieuw binnengevallen cn leeggeroofd. Polen ls een vlak land, dat hoegenaamd geen natuurlijke gren zen heeft en elke roofstaat tippelt er zo maar naar binnen. Met groot regelmaat geplunderd, dikwijls bezet, in naam van de kaart verdwenen, soms weer eens zelfstandig onder een voor het volk waardeloze regering (Landdag!!) moet je de Polen bewonderen dat ze toch zulk een krachtig volk zijn gebleven. Alleen onder Hitier verdwenen er negen miljoen. Het zwaarst getroffen land van Europa. Oordelend over dit land, moet je daarom wel degelijk rekening houden met het verleden. En als je dat alles tezamen neemt, dan zeg je „Het gaat in Polen tóch niet slecht". Die avond sliep ik in Poznan, stad met een naklank. Want hier was het dat in 1956 de Poolse arbeiders het langer ver tikten om Stalinistisch te worden opge voed. De staking hier maakte geschiede nis. Want wie ik ook sprak in Polen en hoe verschillend ze er ook over dachten, met één ding waren allen het eens. Na de Stalin-periode, dus na 1956 is het voor ons een hemel geworden vergeleken met de tijd daarvoor. Nou ja, een hemel daar zijn ze nog niet zo dadelijk aan toe, maar het geeft een idee hoe het voor die tijd was. Voor dag en dauw was ik reeds op weg naar Warschau, waar ik vroeg in de morgen aankwam. Mijn eerste gang was naar het Esperanto-congres-gebouw en ik kan U verzekeren dat ik weer een week van Esperanto-vreugde gekend heb. 4000 deelnemers uit 46 landen. Een week lang in een andere wereld geleefd. Opera's, films, toneel, excursies naar overal, en alles in die ene taal. Weer be wees men de wereld wat Esperanto ver mag. Warschau is een van de zwaarst ge troffen steden in de wereld. Maar kom er nu maar eens kijken. Na 1956 hebben we er weer zin in gekregen, zeggen de Polen. En ik geloof het dadelijk. Na die tijd werd het nu eens hier dan weer daar in de wereld verdrukte Esperanto vrijge laten en beleeft Polen nu een gouden tijd. En nu de onvermijdelijke vraag. Hoe staat het nu met het communisme in Polen. Wel, ik heb er maar één indruk van. Dit land is niet communistisch of laat ik voorzichtig zijn en zeggen het minst communistisch land, dat ik tot nu toe bereisde. De bevolking is actief Ka tholiek en de volle kerken e overal, ja overal, hebben me ten volle overtuigd, dat dit communisme toch weer heel iets anders is dan het Stalinisme zoals ik het een paar weken later in Tjecho Slowa kije meemaakte. De Pool is bovenal éérst Pool. Vergeet niet, noch van zijn Wes terse, noch van zijn Oosterse buren heeft hij in de geschiedenis veel plezier gehad. Hij is meer op onafhankelijkheid ge brand dan men soms aanneemt. Lieve lezer, ik ben geen autoriteit, schrijf maar alleen wat ik heb gemeend te kunnen waarnemen en aanvoelen, maar ik meen dat hij het communisme aanvaardt, omdat zovele Polen met bit terheid aan hun nog zoveel armer ver leden terugdenken en naar die tijd van het grootgrondbezit wil men natuurlijk niet meer terug. Ze zien in het commu nisme een zekere waarborg daarvoor. De boeren hebben een zekere vrijheid en eigen grond, die echter een aantal bun ders niet te boven mag gaan. Alleen moet hij zijn produkten leveren voor een prijs, die de staat vaststelt. Die prijs is te laag, vertelden de boeren mij, maar is er zoiets als een boer op de hele wereld die zal zeggen de prijs is goed. Maar deze ene keer ben ik toch bereid om de boer te geloven, want ik heb hun bedrijf en hun woningen gezien. De stadsman is veel beter af. Maar dit Poolse commu nisme is heel iets anders dan men zich van communisme voorstelt. „Elke maand" komen er weer nieuwe wetten en het wordt er niet slechter op. Werke lijk socialisme zal er naar mijn voorzich tige mening toch voor in de plaats komen. Hoe leeft men in Polen. Hier weer moet je niet te Westers denken, want dan kom je er niet. Ik ben er zeker van dat er nog heel veel goed mank gaat in Polen, dat het met de „verdeling" van de opbrengst nog goed fout is en Jan Pet, om bij deze altijd bescheiden figuur te blij ven, nog steeds de waterdrager voor een ander is. Men heeft in Warschau overal flinke publieke eethuizen waar men voor weinig geld heel eenvoudig, maar vol doende kan eten. En gezien de lonen mag het ook niet duur zijn. Maar ik ben ook tot vroeg in de morgen getuige geweest hoeveel geld er stuk geslagen werd in de „bars" van de luxe hotels. Op gelijke voet hoor met de American Bar in Park- lane Londen, maar dat is dan ook een kapitalistisch land. Zelfde kleine dans- vloertjes, zelfde akelige muziek, zelfde dure borrels. Mjdden in Warschau staat een machtig gebouw. Dat is het paleis van de Kui tuur. Zoals het er in zijn geheel staat, 40 verdiepingen hoog, is het een cadeautje van de Russen. Tot in alle onderdelen is het af, de prachtigste zalen, het mooiste marmer, en in alle onderdelen practisch, een gebouw, zoals ik nog maar zelden zag. Ondankbaar zijn de Polen niet, dat niet, maar toch werd het me wel duide lijk dat ze het met evenveel dankbaar heid aanvaarden als iemand, die van een rover zijn hoed terugkrijgt, nadat hij door diezelfde dief spiernaakt uitge kleed is. Er wordt in Polen erg veel over kui tuur gesproken. Heel erg veel. Dat is natuurlijk mooi, maar ik zou met mijn proletarische inslag toch maar liever de biefstuk een beetje groter zien. Er zijn verder in Polen veel coöpera tieve verenigingen: een vorm van zelf standigheid en de leden doen het door elkaar goed. Televisie ziet men bij hen. Tevens bewijs, dat het communisme niet consequent doorgevoerd wordt. Polen is een betrekkelijk vlak land. Alleen in het Z. treft men bergen aan. In het N.W. ben ik tot Bjalostock ge weest bij de Russische grens. Vlak als Holland. Het Z. is veel mooier. Hier be zocht ik o.a. Krakau, de oude historische stad. Nauwelijks een kwartier verder hebben de Polen een geheel nieuwe stad aangelegd. Het oude Krakau heeft men ongerept gelaten en hier bouwt men nu de modelstad Nova Huta, die reeds meer dan 100.000 inwoners telt. En kom er maar kijken. Ik beleefde nog een hoogst interessante dag toen ik op een boom- stammenvlot de rivier af dreef, eerst door het vlakke land, toen kronkelend door de bergen, heel de dag lang. Na het zeldzaam interessante kasteel bij Krakau bezocht te heb ben, compleet op de uiterst kostbare ta pijten na, die de Canadezen op het ogen blik nog steeds in „bewaring" hebben idaar heb je het weer), reed ik naar een van die dorpjes, waar je de naam toch niet van uitspreken kunt. Het was een stadje met een zoutmijn en het merk waardigste is wel, dat men zowel boven als onder de grond een dorpje aantreft. Alleen is onder de grond alles uit steen- zout gehouwen. Het altaar in de kerk, de toonbank in de kroeg, de beelden aan de wand. Alles uit het zout honderden meter onder de grond. Er is wel iets te zien in Polen en je gaat steeds meer van dit volk houden. Ik besloot mijn tocht met een bezoek aan Oswiecim (Auswitz), dat meest ellendige concentratiekamp in Polen. Zo met elkaar heb ik al het een en ander in mijn leven mogen zien. Veel vervaagd er en je kunt niet alles ont houden. Maar Auswitz zal ik nimmer vergeten. Van dit voormalige vernieti gingslager hebben de Polen een museum gemaakt. Een museum, dat in realisme niet onder doet, ja misschien nog het museum bij het graf van David over treft. Hier alleen zijn meer dan 4 miljoen mensen vergast, op de meest ellendige manier. De Polen hebben kans gezien om de bezoeker onmiddellijk in de wereld van toen te brengen. Niets, maar dan ook niets hebben ze gespaard. De zalen en gangen van de enorme permanente ge bouwen bevatten allen iets, dat tezamen een stille, nee een levendige getuige is van wat zich hier heeft afgespeeld. Hier liggen nog de balen vol mensenhaar, die men knipte van de vergaste slachtoffers, en waar men matten van maakte. Een andere zaal bevat de scheerkwasten van duizenden gegasten. Weer een andere zaal toont ons de lege gasbussen of laat een document zien, waarin een s.s. dok ter een beschrijving geeft van zijn aan wezigheid tijdens het gezamenlijk gassen van 1600 zo juist uit Nederland aange- komenen. Drie uur later waren de ka mers weer leeg om 1300 joden uit Hon garije te ontvangen. Zaal na zaal laat ons iets zien, geeft een beeld, ter nagedach tenis aan de doden en de levenden ter waarschuwing. Maar wat een steek in tgcr de Russen haar broer mee. Ook di ekh kwam nooit meer terug. En zo heeft elk i Pool zijn eigen leed. ®n Is het een wonder, dat de vrijheii drang juist de Polen zo diep in het bloe zit? Een paar weken ben ik hier slech geweest en dit is dan ook een heel vlud tige indruk. Ik ben van de Polen gaa houden en wens hun de onafhankelijk heid die ze zo vurig begeren en verdii nen. De regeringsvorm laat me net 2 koud als het de Polen laat Siem de Waal. JAARVERGADERING ,,'T AMATEURTJE" Op woensdagavond 2 september wordt de jaarvergadering van de Waal der toneelvereniging ,,'t Amateurtje gehouden in het Dorpshuis „De Wiele waal". De vergadering begint om 8 uu precies. Het bestuur hoopt, dat dan all leden aanwezig zijn. Om half tien zijn introducées welkoi cm het tweede gedeelte van deze verj_ dering bij te wonen. Er zullen dan enig tilmpjes worden vertoond. DS. TH. VAN DER VEER 25 JAAR PREDIKANT hef di To |our ijdi leer d; am (roe en, ersi igei iet en Dt ede r ieef Woensdag 2 september a.s. zal ïjfentwintig jaar zijn geleden, dat Th. van der Veer uit Arnhem werd in geleid als predikant bij de Algemen Doopsgezinde Sociëteit. Ds. Van der Veer werd in 1910 Sneek geboren. Hij bezocht eerst de rijk h.b.s. in zijn geboortestad, deed daarn aanvullend staatsexamen en studeerd verder nog aan de gemeentelijke univer siteit en aan het doopsgezind semina rium te Amsterdam. Nadat de heer Vai der Veer in 1934 proponent was gewor den bij de Algemene Doopsgezinde So ciëteit, werd hij op 2 september van dat zelfde jaar (1934) door zijn voorgange ds. W. Mesdag uit Zeist, toen nog predi kant te Sneek, ingeleid als predikant vai ko« de Doopsgezinde gemeente van Zijldijl in Groningen. In 1939 verwisselde de ju bilaris deze gemeente met die van Veen dam en Pekela, vanwaar hij in 1942 naa >1 d die van Den Burg op Texel vertrok Sinds 6 oktober 1946 dient ds. Van de Veer de Doopsgezinde gemeente Arnhem. Ds. Van der Veer is o.a. secretaris vai de A.N.D.P.V. en van zijn hand versche r>en o.a.: een bundel overdenkingen; eei boekje voor belijdeniscatechisatie verder nog tal van artikelen in het Alge meen Doopsgezind Weekblad; Stemmei uit de Doopsgezinde Broederschap en ii het Nieuwsblad van het Noorden. Naar wij tenslotte nog vernemen lig het niet in de bedoeling van ds. Van de? Veer een herdenkingsrede uit te sprekei en ook niet om te recipiëren. SHERLOCK SPEURZIN 37. Moet je nu toch eens kijken, wat die Sherry toch een handige baas is! Voor de deur van de hut spande hij een touw en ging vlug in een ton zitten, die er vlak bij stond. Hij zat er net, toende deur van de hut werd geopend en Dick Zwijn naar buiten trad. Gelukkig voor Sher ry lukte het plannetje: de dikkerd strui kelde over het touw en met een gewel dige klap viel hij met zijn kin op 't dek. Het schp dreunde er van. Half be dwelmd keek Dick eens suf omhoog, net naar de zin van Sherry. Met een geweldige zwaai van zijn schoen velde hij de dikke Zwijn neer. „Het wordt bijna eentonig", vond Sherry. cho ;ew ie lebi G ro< anj eve ooi .ld vij2 .en vai k z wer ïjn kre .ijn not itee toe; aan vaa stai hac I: FEUILLETON: door HANOL SPOOR. Jane neemt ontslag 1. Walter van Bennickhoff probeerde de laatste twijfel uit zijn gemoed te bannen, en belde om zijn secretaresse. Vera haalde, met iets van opluchting, blocnote en ballpoint naar zich toe en spoedde zich naar het privévertrek van haar werkgever. Misschien, dat ze nu zou horen waar om de ontslagaanvrage van Jane, een der typisten, hem zo lang had bezig gehou den. Door de glazen tussenwand, die het privé-kantoor van haar eigen kleine hei ligdom scheidde, had ze hem al urenlang in diep gepeins gebogen gezien over een en dezelfde brief. Een zekere ongerust heid, gepaard aan een natuurlijke vrou welijke nieuwsgierigheid, had haar blik ken telkens weer naar de andere kant van de glazen wand getrokken. Hoe ze haar hersens ook inspande, ze kon geen gerede verklaring vinden voor de plotselinge intense belangstelling van Bennickhoff voor een van zijn gehuwde vrouwelijke kantoorkrachten. Van enige verstandhouding tussen Jane en hem kon praktisch geen sprake zijn. Zo iets zou haar zeker niet zijn ontgaan. Zij had immers de taak om bemidde lend op te treden tussen hem en het per soneel, en ze had zich nooit behoeven te beklagen over zijn persoonlijke inmen- wTu-V ging, zolang het geen hoogst belangrijke zaak betrof. Dat hij bij een vrijwillige ontslagaanvrage enkele inlichtingen vroeg, was normaal, maar dat hij, die zich altijd zo met hart en ziel in het werk verdiepte, plotseling enige uren in ledigheid doorbracht en al zijn aandacht aan het schrijven van een der vele kan toordames besteedde, was op z'n minst genomen zeer vreemd. Bennickhoff hield de brief kwasie non chalant in zijn hand en nam, toen Vera binnentrad, een houding aan, alsof hij zojuist kennis van de inhoud had geno men. Hij was zo in gepeins verzonken geweest, dat hem geen ogenblik de bij zondere aandacht van zijn secretaresse was opgevallen. Bennickhoff maakte een gebaar met het epistel en vroeg „Kent U deze dame van meer nabij?" Vera begreep er steeds minder van. Natuurlijk kende ze Jane, maar slechts heel oppervlakkig, van de gewone kan tooromgang. Zij moest toch met Jane en de anderen het werk bespreken en kwam daardoor dagelijks even met haar in aanraking. Jane was geen buitengewone schoonheid, maar ze had iets aantrekke lijks. Ze droeg haar lange, van nature zacht golvend haar. dat een heel apart lichtblonde tint had, tot op haar schou ders. Het omlijstte een fris gezichtje, waarin een paar prettige ogen iedereen tegenlachten. De iets te rood aangezette mond vertoonde voordurend een trek van vrolijkheid. Vera wist dat het an- cere personeel van Jane hield, omdat ze kameraadschappelijk was, en voor ieder een een vriendelijk woord of hartelijk gebaar over had. Ze was nog niet zo heel lang geleden getrouwd en vroeg nu om gezondheidsredenen haar ontslag. Welke die gezondheidsredenen waren, kon iedereen begrijpen, al was Jane ondanks haar aanstaand moederschap nog steeds lamelijk slank en zo vlug als een hinde. Gewoonlijk nam Bennickhof dergelijke aanvragen zonder veel commentaar. Het bespaarde, volgens hem, veel romslomp van tijdelijke krachten en half afge maakte taken. Hij vond altijd dat zo'n vrijwillig vertrek de oplossing was. die de meeste aanbeveling verdiende. Daarom groeide Vera's verbazing steeds meer. Hoe was toch die plotselinge interesse voor Jane ontstaan? Haar ver bazing sloeg om in verbijstering, toen Bennickhof haar vroeg, of ze er Jane op had gewezen, dat zij, door dit ontslag zichzelf financiële schade berokkende. Hulpeloos haalde ze de schouders op. Tot zoiets voelde ze zich niet bevoegd. Hij had haar nog nooit enige aanwijzing in die zin gegeven. Bennickhof deed of hij de bevreem ding van zijn secretaresse niet zag en hernam. „Ik zou het zeer op prijs stellen als deze Jane Mansdorf-Fanger hier op het kantoor bleef. U zoudt mij heel erg verplichten, als U daar uw volle mede werking aan gaf. Als eerste maatregel zou ik willen voorstellen, om haar uit de drukke afdeling waar ze nu werkt, weg te halen en voorlopig een plaatsje bij U in te schikken. „Bij mij?" Vera's stem klonk onaan genaam verrast. Tot nu toe beschouwde ze haar eigen kantoor als een veilig plek je in een vijandige wereld. Ze wist dat velen van haar collega's haar positie be nijdden, maar het had haar weinig ge deerd, omdat ze zich altijd in haar eigen vertrek kon afzonderen. Zou er nu een eind komen aan haar vertrouwenspositie, die zo de afgunst opwekte? Haar zelfbe wust optreden, dat ze putte uit de weten schap goed gekleed te zijn en zich te mogen beroemen op een niet onknap ge zicht, ontlokte vooral van de dames op het kantoor voorzichtig uitgesproken schampere opmerkingen. Bij de heren ontmoette ze doorgaans de nodige eer bied en ook bewondering. Zonder zich bewust boven hen allen verheven te voelen, had ze toch nooit iemand onder hen meer dan gewone belangstelling be toond. Ze vond het altijd weer heerlijk zich in haar eigen vrije domein terug te trekken. Ze had geen behoefte aan gezel schap, zeker niet aan dat van Jane, in wie ze nooit iets anders had gezien, dan een doodgewoon alledaags kindvrouwtje. Inplaats van rustig op haar iegen manier te kunnen werken, met nu en dan een verstolen blik door de glazen tussen wand, zou ze nu naar dat lege gesnap van Jane moeten luisteren. Waarschijn lijk zou ze van dag tot dag op de hoogte worden gehouden van de vorderingen, die de te verwachten baby maakte. Ze moest er niet aan denken.... Wat bezielde van Bennickhoff? Had dat jonge ding, op de een of andere onnaspeurlijke manier zo'n indruk op hem gemaakt, dat hij van de gewone gang van zaken op het kantoor afzag? Moest misschien Jane op de duur héér plaats innemen? Maar dat was toch onmogelijk? Zonder eigen per soonsverheerlijking kon ieder toch be grijpen, dat Jane lang niet over de capa citeiten beschikte, of zoveel kantoorrou tine bezat, als waar zij zich op kon be roemen. Moest ze Jane misschien gaar opleiden? Daar was de tijd toch te kor! voor. Jane zou haar loopbaan onder deze omstandigheden toch moeten onderbre ken. Wie weet, ging daarna de baby weer mee naar het kantoor. Je kon je, na dit voorval nog moeilijk ergens over ver bazen. Ondanks haar ergernis had ze even moeite om een zenuwachtig gegie chel te onderdrukken. Haar gezicht kreeg echter een utdrukking van grote tegenzin, vermengd met woede en te leurstelling, omdat nu bleek hoe weinig ze zich op het persoonlijk vertrouwen van Bennickhoff kon beroemen. Had ze de grote waardering, die ze bij de lange besprekingen met hem, in zijn stem meende te beluisteren, te hoog aan geslagen? Even ging een schok door haar heen. Had ze misschien haar grote be wondering en bijzondere verering voor zijn persoon te veel laten blijken? Maar neen, zijn optreden verried niets van dien aard. Ze zou zich overigens liever het puntje van haar tong afbijten, dan iets van haar verborgen gevoelens voor hem openbaren. Bovendien was op het kantoor zijn grenzenloze liefde voor zijn echtgenote bijna spreekwoordelijk geworden. Nee, hoe krampachtig haar gedachten ook alle richtingen doorkruisten, zij ontdekte geen enkele reden, waardoor de uitzon derlijke houding van haar werkgever was te verklaren. (Wordt vervolgd)

Kranten Regionaal Archief Alkmaar

Texelsche Courant | 1959 | | pagina 4